Page 1Acta Linguistica Lithuanica
LVIII (2008), 1 – 15
Beleefdheid als relatief linguïstisch, sociaal en cultureel verschijnsel
Inga Hilbig
Vilniaus universitetas
Het artikel behandelt het pragmatische begrip linguïstische beleefdheid, dat meer omvat dan alleen taal-etiquette. Beleefdheid wordt beschouwd als iets dat wordt bepaald door de spreeksituatie, waarin de spreker voor de verwezenlijking van zijn communicatieve doelen vrijwel alle verbale middelen kan inzetten om respect of vriendelijkheid over te brengen. Op basis van uitsluitend de linguïstische uitdrukking van beleefdheid kan geen enkele culturele gemeenschap als meer of minder beleefd dan andere worden beschouwd. Verschillende culturele groepen kunnen de voorkeur geven aan verschillende beleefdheidsstrategieën en de uitingen daarvan. Het laatste deel van het artikel presenteert een kleinschalig kwalitatief onderzoek naar de manier waarop verzoeken worden gedaan tijdens dienstverlenende interacties in Vilnius. De negatieve beoordeling van Litouwse beleefdheid in de genoemde situaties vloeit voort uit uiteenlopende sociaal-culturele opvattingen over hoe communicatie in dergelijke situaties zou moeten verlopen.
1. INLEIDING
Beleefdheid, als een van de belangrijkste componenten van communicatie, zonder welke menselijke interactie onmogelijk zou zijn, houdt wetenschappers uit uiteenlopende geestes- en sociale wetenschappen bezig. Ze is echter vooral vanuit linguïstisch perspectief onderzocht. De belangstelling voor linguïstische beleefdheid (Eng. linguistic politeness), een gebied binnen de interactionele pragmatiek dat de status van een afzonderlijke discipline heeft verworven, is in het afgelopen kwart eeuw sterk toegenomen. Hoewel wordt gesteld dat het verschijnsel inmiddels moeilijk te onderzoeken is vanwege de enorme hoeveelheid eraan gewijd onderzoek (Sifianou, 2005: 263), begint pragmatisch onderzoek naar beleefdheid in het Litouws echter nog maar net.
1
Page 2Inga Hilbig
2. TAAL-ETIQUETTE EN BELEEFDHEID
Beleefdheid kan worden opgevat als alle handelingen, ook talige, die helpen de minimale harmonie van menselijke interactie te bewaren, „de onderlinge relaties tussen gesprekspartners in stand te houden of te versterken, en soms – zich te beschermen tegen een gevoeld gevaar” (Čepaitienė, 2007: 11). Ze manifesteert zich als een zeer veelzijdig verschijnsel dat het hele discours doordringt, en beperkt zich niet tot de etiquetteformules die in boeken over goede manieren en etiquette worden gegeven (Kerbrat-Orecchioni, 2005: 29). Toch wordt de hier besproken term vaak gelijkgesteld aan het verwante begrip etiquette.
In het „Woordenboek van de Litouwse taal1” wordt als eerste van de negen betekenissen van het woord mandagus vermeld: „iemand die zich beschaafd gedraagt en goede manieren heeft”. Het woord etiketas wordt in dit woordenboek en in het „Woordenboek van het hedendaagse Litouws2” op zeer vergelijkbare wijze omschreven: „gedragsregels en -vormen in een bepaalde samenleving; publieke houding, manieren”. Zoals A. Kučinskaitė schrijft: „etiquette bestaat uit gedragsregels tussen mensen die door gewoonte zijn vastgelegd en die de uiterlijke uitingen van hun onderlinge communicatie omvatten” (Kučinskaitė, 1990: 3). Ook taal-etiquette wordt specifiek omschreven als „het geheel van door de samenleving aanvaarde normen voor talige communicatie”, „taalformules (meestal vaste uitdrukkingen) die in de dialogische spraak van een taalgemeenschap worden gebruikt en die de beleefde / onbeleefde verhoudingen tussen gesprekspartners aangeven <...>” (Čepaitienė, 2007: 68, 11). Het is opmerkelijk dat deze definities de nadruk leggen op regels, normen, vormen en formules. Aangezien wordt gesteld dat taal-etiquette vaak wordt aangeduid als linguïstische beleefdheid en wordt omschreven als de talige uitdrukking van beleefdheid (ibid., 11, 20), zou men kunnen concluderen dat het verschijnsel beleefdheid binnen de kaders van etiquettevoorschriften valt.
In de werken van pragmatische onderzoekers die gespecialiseerd zijn in linguïstische beleefdheid en in verschillende landen in het Engels publiceren, wordt de term taal-etiquette echter helemaal niet gebruikt (zie bijvoorbeeld Hickey, Stewart, 2005); wanneer hij wel wordt gebruikt, heeft hij een ruimere betekenis (zie bijvoorbeeld Kasper, 1998). Linguïstische beleefdheid wordt niet alleen opgevat als het naleven van de regels en normen voor het talige gedrag van een bepaalde samenleving en het gebruik van etiquetteformules, wat vrij algemeen kan worden besproken. Dit verschijnsel wordt onderzocht
1 Geciteerd uit de onlineversie van het „Woordenboek van de Litouwse taal” uit 2005 (www.lkz.lt)
2 Geciteerd uit de onlineversie van het „Woordenboek van het hedendaagse Litouws” (http://www.autoinfa.lt)
2
Page 3Mandagumas kaip reliatyvus kalbinis, socialinis ir kultūrinis reiškinys
alleen als kenmerk van het gebruik van een concrete taal in een concrete situationele context. Bij de analyse van materiaal dat is verzameld met natuurlijke (observatie-) en kunstmatige (experimentele) methoden voor gegevensverzameling, gaat de belangstelling uit naar de individuele keuzes van sprekers bij het gebruik van taal in interactie, en naar vrijwel alle linguïstische uitdrukkingen waarmee de gesprekspartner niet alleen respect, maar ook vriendelijkheid wordt getoond.
De theoretische basis, of op zijn minst het uitgangspunt, van de meeste empirische onderzoeken naar beleefdheid in spraakhandelingen is de beleefdheidstheorie van P. Brown en S. Levinson (1978, 1987). Hoewel ze duidelijke tekortkomingen heeft, veel is bekritiseerd, bijgeschaafd en verworpen, wordt ze nog altijd beschouwd als de meest diepgaande en invloedrijke theorie. Het centrale begrip van deze theorie is het publieke zelfbeeld van de mens (Eng. face) (Goffman, 1967), dat iedereen heeft en waarvan men weet dat anderen het ook hebben. Volgens deze theorie kan beleefdheid in interactie worden gedefinieerd als strategisch gedrag dat er op verschillende manieren op is gericht te laten zien dat men rekening houdt met het zelfbeeld van de gesprekspartner, door voor hem bedreigende handelingen (Eng. face threatening acts) (bijvoorbeeld verzoeken en aansporingen) te verzachten. Het zelfbeeld heeft twee kanten: niet alleen een negatieve (afstandelijke), waarbij men afstand wil bewaren en respectvol communiceert, maar ook een positieve (contactgerichte3), waarbij nabijheid en vriendelijkheid worden benadrukt.
Zoals de grondleggers van de zelfbeeldtheorie zelf stellen, staan etiquetteboeken vol voorbeelden van de verwezenlijking van conventionele strategieën van negatieve beleefdheid (Brown, Levinson, 1978: 135). Positieve beleefdheid kan onder meer ook tot uitdrukking worden gebracht met bijvoorbeeld grappen of zelfs, zoals latere onderzoekers hebben opgemerkt, met scheldwoorden en beledigingen die buiten de grenzen van de taaletiquette vallen (zie uitgebreider Holmes, 1995: 10; Christie, 2005: 1). Voor dit type beleefdheidsuitdrukking bestaan er praktisch geen typische uitingsvormen, regels die in etiquettehandboeken passen, of gebruikte dan wel aanbevolen vaste formuleringen; ze is als het ware minder afgebakend en informeel.
Beleefdheid kan worden uitgedrukt, niet alleen met „autonome beleefdheids
3 De begrippen afstandelijke en contactgerichte beleefdheid, in plaats van de enigszins misleidende termen negatieve en positieve beleefdheid, worden voorgesteld door G. Čepaitienė (zie uitgebreider 2007: 25); E. Gudavičienė gebruikt ze eveneens in haar proefschrift (2007). De tekortkomingen van de door P. Brown en S. Levinson ontwikkelde begrippen werden ook in het werk van buitenlandse pragmatici bekritiseerd, maar desondanks lijken ze inmiddels volledig ingeburgerd. Misschien zou daarom nog kunnen worden overwogen of het ook in de Litouwse taalkunde niet beter is de oorspronkelijke Amerikaanse termen te gebruiken.
3
Page 4INGA HILBIG
handelingen waarvan het doel en de predicatieve kracht erin bestaan de beleefdheidsconventie te demonstreren”, maar ook met andere handelingen, waarvan „het gebruik hun in bepaalde situaties een beleefdheidskenmerk verleent” en die „los van de concrete gebruikssituatie in het geheel geen graad van beleefdheid uitdrukken”, hoewel G. Čepaitienė zulke uitingen niet rekent tot situaties van taaletiquette (zie Čepaitienė, 2007: 37, 38). Volgens de onderzoekster zijn zulke zinnen niet noodzakelijk voor een gesprek en vereist de algemene etiquette ze evenmin. Er wordt echter gesteld dat men door bijvoorbeeld te vragen Hoe heeft u geslapen? kan „laten zien dat de gesprekspartner gewaardeerd wordt en dat er aandacht aan hem wordt besteed” (zie aldaar, 38) – en dus toch positieve (contactgerichte) beleefdheid wordt uitgedrukt.
De genoemde onderzoekster beschrijft een kleinschalige sociolinguïstische enquête, waaruit bleek dat in de gezinnen van slechts twee van de twintig studenten die aan een seminar deelnamen, excuses maken gebruikelijk was, terwijl „de anderen over het algemeen nauwelijks begrepen waarom gezinsleden onderling überhaupt enige vorm van verontschuldiging zouden moeten gebruiken” (Čepaitienė, 2007: 28). De onderzoekster vermoedt dat „zich geleidelijk de opvatting vormt dat taaletiquette alleen een zaak is van het publieke taalgebruik”. Maar is taaletiquette niet juist altijd relevanter wanneer een spreker kiest voor een strategie van negatieve (afstandelijke) beleefdheid, waarbij het precies gaat om een respectvolle „publieke houding”? Positieve (contactgerichte) beleefdheid wordt heel vaak ook zonder gebruikelijke etiquetteformules uitgedrukt. Als men bijvoorbeeld per ongeluk tegen een gezinslid aanbotst, kan men zich verontschuldigen door te vragen, met een bezorgde intonatie: Doet het pijn? De illocutionaire kracht van zo’n uiting en haar beleefdheidsfunctie worden niet expliciet gemaakt in de oppervlakkige structuur van de uiting, maar zijn duidelijk in de concrete interactie.
3. (ON)BELEEFDHEIDSVORMEN EN HET WERKELIJKE GEBRUIK
In werken over de etiquette van het Litouws is vooral gestreefd naar het inventariseren en beschrijven van de talige beleefdheidsmiddelen (hoe men zich in het Litouws kan aanspreken, begroeten, bedanken, iemand iets kan toewensen enzovoort). Ook is onderzocht hoe specifieke taaletiquetteformules historisch werden gebruikt, tegenwoordig worden gebruikt of vanuit het oogpunt van taalverzorging in het algemeen in onze taal gebruikt zouden moeten worden – in de ruimste sociale en culturele context.
Van de overige werken onderscheidt zich de uitgebreide en veelzijdige monografie van G. Čepaitienė, „Lietuvių kalbos etiketas: semantika ir pragmatika” (2007). In dit werk wordt benadrukt dat de pragmatiek zich bezighoudt met de interpretatie van uitingen en de keuze van talige middelen in de concrete context van een gesprek. De onderzochte gegevens
4
Page 5Mandagumas kaip reliatyvus kalbinis, socialinis ir kultūrinis reiškinys
aard4 maakt dat onderzoekers alleen uitspraken kunnen bestuderen die op grond van hun uiterlijke vorm en semantiek als objectief beleefd gelden, waarvan de illocutionaire kracht en beleefdheidsfunctie inderdaad ook zonder concrete situationele context voorspelbaar zijn. Zo richt de aandacht zich bijvoorbeeld op de semantische basis van het verzoekparadigma: verzoeken die worden uitgedrukt met het performatieve werkwoord prašau, met het tussenwerpsel prašom, met andere verwante woorden die een verzoek uitdrukken, of met imperatieven; maar men laat „impliciete“, „verborgen“ illocutionaire doelen buiten beschouwing, zoals Taip traukia, ar neperpūs (als verzoek om het raam te sluiten) (zie Ten pat, 154). Dat is goed te begrijpen, want dergelijke uitingen krijgen hun functie pas wanneer ze in een concrete communicatieve situatie worden gebruikt. In gesproken taal komen zulke niet-conventionele verzoeken volop voor, maar wanneer men bijvoorbeeld voorbeelden verzamelt en analyseert uit een schriftelijk corpus, waarbij onderzoekers onvermijdelijk eerst moeten uitgaan van de vorm van de uiting en pas daarna naar haar functie kijken, is het erg moeilijk ze te vinden.
Volgens deskundigen op het gebied van talige beleefdheid kan geen enkel woord of zinsdeel dat los van de concrete uitingssituatie wordt genomen, op zichzelf als objectief beleefd of onbeleefd worden beschouwd. Waar men een formule van taaletiquette verwacht, kan het achterwege laten ervan bij de gesprekspartner inderdaad ongenoegen wekken (Čepaitienė, 2007: 23). Maar soms kan ook het gebruik ervan op een plek waar men die helemaal niet verwacht en waar de spreker haar ongepast vindt, een vergelijkbaar effect hebben; zo kan het de indruk wekken van overdreven vormelijkheid of afstandelijkheid, wanneer een zeer naaste steeds ačiū zegt voor kleinigheden. Bovendien kunnen etiquetteformules bewust worden ingezet, zelfs wanneer de spreker helemaal niet beleefd wil zijn (bijvoorbeeld: Na, sveikinu! – zei een trainer tegen een veelbelovende voetballer die tijdens een belangrijke wedstrijd met een tegenstander op de vuist was gegaan en van het veld was gestuurd).
In de uitspraak van de directeur bij een voorval, Prašyčiau tučtuojau užbaigti šį darbą!, heeft het woord prašyčiau beslist niet de onderdanige, smekende bijklank die in de werken over onze taaletiquette wordt vermeld (zie Čepaitienė 2007: 157); de vaste beleefdheids-
4 De selectieprincipes voor het zeer uiteenlopende geanalyseerde materiaal en de statistische beschrijving van de steekproef worden in de monografie niet gegeven. Uit de voorbeelden valt echter op te maken dat men zich vooral heeft gebaseerd op gegevens uit het Corpus van het hedendaagse Litouws van de Vytautas Magnus-universiteit, op schriftelijk materiaal uit verschillende genres (fictie, vooral klassieke literatuur, brieven van culturele figuren uit het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw, enzovoort), terwijl hedendaagse gesproken taal relatief weinig bij de analyse is betrokken.
5
Page 6INGA HILBIG
…achtige, aarzelende en bescheidenheid uitdrukkende betekenissen5 (zie Kučinskaitė, 1990: 44). In „Telefoongespreks-etiquette“ wordt een indeling gegeven van Litouwse verzoeken om informatie in verzoeken met de laagste (bijvoorbeeld prašom pasakyti), een hogere of neutrale (bijvoorbeeld norėčiau paprašyti) en een hoge mate van beleefdheid (bijvoorbeeld gal galėtumėte man pasakyti). Ook deze indeling is niet absoluut; zoals de auteurs van het boek zelf opmerken, kiezen we verschillende uitdrukkingen niet alleen op basis van „hoe belangrijk de gevraagde informatie voor ons is“ (Čepaitienė, Steigvilaitė-Urbietienė, 2003).
In talrijke vroege werken over beleefdheid is beleefdheid onderzocht als verschijnsel op het niveau van de geïsoleerde uiting. Daaruit bleek dat leden van één taalgemeenschap het in grote lijnen goed met elkaar eens zijn wanneer zij uit hun context gehaalde uitingen naar beleefdheid rangschikken, en dat uitdrukkingen hoger op de beleefdheidsschaal staan naarmate ze grammaticaal ingewikkelder, langer en formeler zijn. In echte communicatie, waarin een spreekdoel speelt, zijn langere, formelere en minder directe uitingen echter niet noodzakelijkerwijs vanzelf beleefder. Te veel formaliteit, die vaak met beleefdheid wordt vereenzelvigd, kan net als te weinig formaliteit onbeleefd zijn, de afstand tussen gesprekspartners benadrukken, ironisch klinken, enzovoort.
Pragmatici zijn niet geïnteresseerd in neutrale, absolute gebruiksregels voor afzonderlijke linguïstische vormen. Onderzoekers van talige beleefdheid richten zich op de vraag hoe een bepaalde vorm strategisch wordt ingezet om het doel van de spreker te bereiken; wanneer we een uitgevoerde taalhandeling observeren, zien we dat er niet noodzakelijkerwijs een verband bestaat tussen de linguïstische vorm en het begrip beleefdheid van de taalhandeling (Thomas, 1995: 156). Beleefd is wat taalgebruikers passend vinden in een concrete communicatieve gebeurtenis.
4. BELEEVDEID EN CULTUUR
Beleefdheid is ook relatief wanneer we de verschillende verschijningsvormen ervan in uiteenlopende culturen beschouwen. In het algemeen kan zij worden gezien als een verschijnsel dat gemeenschappelijk is aan menselijke samenlevingen, omdat zij universele behoeften vervult. Maar afhankelijk van het verschillende belang van die behoeften kiezen leden van verschillende culturen uit de beschikbare middelen om beleefdheid vorm te geven
5 „Met de vormen van de voorwaardelijke wijs wordt ik zou willen zeer subtiel een beleefd verzoek aan een persoon uitgedrukt: men wil laten zien hoezeer de gewenste handeling of zaak noodzakelijk, nuttig of aangenaam is voor degene die erom vraagt, maar deze houdt zich uit bescheidenheid en respect voor de aangesprokene als het ware in en probeert zijn wens zo beleefd mogelijk onder woorden te brengen” (Kučinskaitė, 1990: 44).
6
Page 7Mandagumas kaip reliatyvus kalbinis, socialinis ir kultūrinis reiškinys
kiest en verankert verschillende verbale en non-verbale manieren om die uit te drukken (Sifianou, 2000: 46, 93). Hoe beleefdheid wordt begrepen en overgebracht, wie tegenover wie beleefd is, en dergelijke, verschilt buitengewoon sterk tussen culturen (Holtgraves, 2005: 73).
Lange tijd domineerden Engelstalige theoretici in de pragmatiek, die zogenaamd algemene, maar in werkelijkheid vaak alleen voor het Engels kenmerkende beleefdheidsprincipes formuleerden en theoretisch onderzochten. Daarbij stelden zij gebruikelijke Angelsaksische gesprekspatronen gelijk aan menselijk taalgedrag in het algemeen en kenden zij culturele verschillen hooguit zeer geringe betekenis toe. Omdat Engelse gebiedende wijs bijvoorbeeld doorgaans wordt gebruikt om bevelen en opdrachten uit te drukken, werd vanuit een etnocentrisch perspectief beweerd dat men bij beleefde verzoeken imperatieven in het algemeen vermijdt (Clark, Schunk, 1980: 111). Deze taal weerspiegelt echter slechts de Angelsaksische culturele traditie, die de privacy en vrijheid van het individu bijzonder hoog aanslaat en benadrukt. Omdat een verzoek altijd in meerdere of mindere mate inbreuk maakt op de handelingsvrijheid van de aangesprokene, hebben zich in het Engels voor allerlei verzoeken—zelfs heel kleine die het gezicht nauwelijks bedreigen—indirecte formuleringen verankerd, die kenmerkender zijn voor negatieve (afstandelijke) beleefdheid en de aandrang van het verzoek verminderen en de illocutionaire kracht ervan verzachten. Daarmee lijkt de spreker zijn wil niet aan de aangesprokene op te leggen en laat hij deze meer mogelijkheden om het verzoek af te wijzen. Daarom stelde de Brit G. Leech dat negatieve beleefdheid als het ware een ‘serieuzere’ manier is om aandacht voor de ander uit te drukken (Leech, 1983: 133), terwijl de Amerikanen P. Brown en S. Levinson in hun werk bijna driemaal zoveel ruimte aan dit type beleefdheid besteden als aan positieve beleefdheid (Brown, Levinson, 1978).
Afstand en respect voor de privacy van anderen zijn echter niet in alle culturen zulke grote waarden. Zoals blijkt uit empirisch onderzoek naar tal van andere talen, neigen sommige culturele gemeenschappen sterker naar positieve (contactgerichte) beleefdheid. Daar weegt het gevoel van gemeenschappelijkheid vaak zwaarder dan de behoefte aan privacy. Het duidelijke onderscheid tussen leden van de eigen en de vreemde groep maakt het mogelijk om met de eigen groep zeer direct te communiceren. In zulke culturen zijn hechte banden en wederzijdse, vrijwillige afhankelijkheid belangrijker dan individuele vrijheid. Daarom is men niet al te bang om anderen tot last te zijn, en versterken verzoeken, in plaats van het gezicht van de ander te bedreigen, juist de relaties en de onderlinge verbondenheid. Ze kunnen en moeten dan ook zeer direct worden geformuleerd (zie bijvoorbeeld Sifianou, 2000; Marquez Reiter, 2005). Een dergelijke formulering is volkomen aanvaardbaar, ook in samenlevingen met grotere machtsverschillen en asymmetrische verhoudingen tussen gesprekspartners.
7
Page 8Inga Hilbig
Verschillende opvattingen over en uitingen van beleefdheid vormen een belangrijke bron van culturele misverstanden in de interculturele communicatie. Die ontstaan wanneer uitingen in de ene taal ten onrechte een illocutionaire kracht krijgen toegekend die ze in een andere taal hebben. Zo klinken imperatieven die Oost-Europeanen in hun Engelstalige verzoeken gebruiken voor Britten vaak als beledigende bevelen. Juist samenlevingen die op positieve (contactgerichte) beleefdheid zijn gericht en verzoeken doorgaans direct formuleren, worden vaak als ‘onbeleefd’ bestempeld (Sifianou, 2000: 43). Anderzijds komt de spraak van de ‘beleefde’ Britten vertegenwoordigers van andere culturen vaak overdreven omslachtig en onoprecht voor.
Dergelijke stereotiepe beoordelingen zouden alleen objectief zijn als het begrip beleefdheid universeel was. Dat is echter niet zo: elke culturele gemeenschap kan op haar eigen manier beleefd zijn. Er bestaat geen norm aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat leden van de ene cultuur (on)beleefder zijn dan die van een andere. Alleen op grond van talige uitdrukkingen en communicatiewijzen kan men niet beweren dat het ene volk mensen mooier of beleefder behandelt dan het andere (Thomas, 1995: 150). Talige verschillen in interactiewijzen worden beïnvloed door veel diepere culturele aspecten dan alleen beleefdheidsnormen (Wierzbicka, 1985: 145): ze worden bepaald door uiteenlopende maatschappelijke structuren en waardepatronen.
5. LITOUWSE (ON)BELEEFDHEID
Litouwers worden soms door buitenlanders onbeleefd genoemd, en ook Litouwers zelf vinden elkaar geregeld onbeleefd. Verreweg de meeste klachten betreffen onze omgang met onbekenden in openbare ruimtes. Deze opvattingen vormden aanleiding om de communicatie van Litouwers op openbare plaatsen nader te bekijken, met bijzondere aandacht voor taalhandelingen waarmee verzoeken worden gedaan.
Gedurende vijf maanden in 2006–2007 werden in Vilnius—op straat, aan de universiteit, in het openbaar vervoer, in cafés, supermarkten, apotheken, een polikliniek, een postkantoor enzovoort—willekeurig opgevangen korte verzoeken genoteerd. Er werd geprobeerd zoveel mogelijk van de mondelinge gesprekscontext vast te leggen: de locatie werd vermeld, de gesprekspartners kort beschreven en opmerkingen genoteerd over paralinguïstische kenmerken van hun spraak en hun lichaamstaal. In totaal werden ongeveer 150 voorbeelden verzameld van de betreffende taalhandelingen. De meeste daarvan (ongeveer 100) konden worden genoteerd in winkel- en dienstverleningssituaties. Omdat die situaties wat betreft locatie, communicatiescenario en de sociale rollen van de betrokkenen vrij duidelijk en afgebakend zijn, en verzoeken er de belangrijkste taalhandelingen vormen, werd besloten ons daartoe te beperken. In deze paragraaf worden enkele observaties gegeven over de meest opvallende kenmerken van de inwoners van Vilnius
8
Page 9Mandagumas kaip reliatyvus kalbinis, socialinis ir kultūrinis reiškinys
de kenmerken van verzoeken in de genoemde situaties en mogelijke socioculturele factoren die onze communicatie in de besproken situaties beïnvloeden.
Individualistische culturen kennen geen uitgesproken onderscheid tussen ‘eigen’ en ‘vreemden’, en met alle mensen wordt op een vergelijkbare manier omgegaan – meestal met conventionele strategieën van negatieve (afstandelijke) beleefdheid (Fukushima, 2000: 188). Het lijkt erop dat in de snel individualiserende, maar nog steeds meer collectivistische Litouwse samenleving onze rechtstreekse verzoeken, wanneer de geadresseerde niet om iets groots wordt gevraagd6, mogelijk worden gemaakt door een zeer grote of zeer kleine sociale afstand (Eng. social distance – hier opgevat als de mate van vertrouwdheid en bekendheid) en een groot machtsverschil (Eng. power distance) tussen de gesprekspartners, wanneer de spreker een hogere positie inneemt.
“Er bestaan verschillen in gespreksstijl tussen Oost- en West-Europeanen: westerlingen praten om contact te onderhouden. Oost-Europeanen praten in de eerste plaats met een instrumenteel doel en voelen zich heel comfortabel met stilte” (Keevalik, 2005: 214, cit. Giles et al. 1992: 220). Hoewel de juistheid van deze zeer brede generalisatie in privégesprekken tussen Litouwers twijfelachtig is, lijkt ze heel toepasselijk voor communicatie tussen onbekenden. In de gebruikelijke alledaagse handels- en dienstverleningssituaties in Vilnius is er doorgaans maar heel weinig interactie. Omdat de rechten en plichten van de communicerende partijen duidelijk vastliggen, kan de klant zonder enige inleiding rechtstreeks zijn verzoek formuleren (vaak zijn dit de enige woorden die hij uitspreekt); de medewerker kan zwijgend het gewenste artikel overhandigen of de dienst verlenen, en indien nodig ook rechtstreeks vragen om wat nodig is om aan het verzoek van de klant te voldoen (bijvoorbeeld een handtekening op de bon te zetten of even te wachten). Omdat men niet denkt dat het gezicht van iemand bedreigd wordt, maakt vaak geen van beide partijen gebruik van negatieve (afstandelijke) beleefdheid om dit te beschermen, en wordt evenmin de in dergelijke situaties in veel culturen gebruikelijke verbale en non-verbale positieve (contactgerichte) beleefdheid getoond (er wordt bijvoorbeeld niet over onbeduidende zaken gepraat, er wordt geen langdurig oogcontact gehouden, er wordt niet geglimlacht of gegrapt7. De meest opvallende ene
6 De omvang van het verzoek (Eng. size of imposition) wordt bepaald door de volgende factoren: hoeveel tijd en moeite nodig zijn om eraan te voldoen, welke fysieke of psychologische belasting op de geadresseerde wordt gelegd, of de spreker het recht heeft om iets te vragen en de geadresseerde verplicht is aan het verzoek te voldoen, en hoe gebruikelijk dat verzoek in de betreffende situatie is (Fukushima, 2000: 188).
7 Hier wordt zeer algemeen gesproken over handels- en dienstverleningssituaties, hoewel ze kunnen worden ingedeeld naar de specifieke omgeving waarin ze plaatsvinden (bijvoorbeeld in een winkelcentrum of een kleine winkel), naar de alledaagsheid en gebruikelijkheid van de situatie (bijvoorbeeld of men een
9
Page 10Inga Hilbig
een kenmerk dat doorgaans met positieve beleefdheid wordt geassocieerd – de zeer rechtstreekse formulering van verzoeken.
Van dergelijke gesprekken tussen onbekenden in gebruikelijke dienstverleningssituaties, die op de inhoud van de boodschap en niet op de relatie tussen de gesprekspartners zijn gericht, zijn de meeste voorbeelden verzameld. In het verzamelde materiaal domineren korte elliptische objectgerichte verzoekconstructies, waarin simpelweg wordt aangegeven wat men wil krijgen:
Meisje in een café: – Voor mij graag salade met gebraden kip.
Jonge vrouw in een sapbar: – Wortel-appelsap. – Drinkt u het hier? – Om mee te nemen. Een flesje.
Oude man in een apotheek: – “Clotrimazolum”. – Zalf? – Ja.
Situatie op het postkantoor: – Alstublieft. – Aangetekend (een jonge vrouw steekt een envelop naar voren).
Jongen bij het loket van het busstation: – Goedendag, voor zondag twee studentenkaartjes naar Rokiškis via Svedasai.
Er zijn ook veel verzoeken van klanten verzameld die in de gebiedende wijs zijn geformuleerd:
Meisje aan de toonbank in een bakkerij: – Geef me koud bruisend mineraalwater (geeft geld).
Man van middelbare leeftijd in de visafdeling van een supermarkt: – Goedendag. Geef me... twee haringen, denk ik.
een krant of een computer) – dit heeft grote invloed op de mate waarin de communicatie interactief is (Traverso, 2001: 423). Voor dit onderzoek zijn verzoeken verzameld op zeer uiteenlopende handels- en dienstverleningslocaties, maar uitsluitend in alledaagse, gebruikelijke situaties.
10
Page 11Mandagumas kaip reliatyvus kalbinis, socialinis ir kultūrinis reiškinys
Een jonge man tegen de serveerster in een café (van een afstand): – Juffrouw, wilt u even afrekenen?
Een vrouwelijke passagier van middelbare leeftijd tegen de chauffeur van een minibus: – Stop bij de kruising.
De vastgelegde kleine verzoeken van verkopers of dienstverleners werden meestal juist in de gebiedende wijs geformuleerd:
Verkoopster in een kledingwinkel: – Voert u alstublieft de pincode in.
Receptioniste van een polikliniek tegen een patiënt die heeft gebeld: – Wacht u even.
Begeleidster van een streekbus aan de grens tegen de passagiers: – Houdt u uw paspoorten klaar.
Bankmedewerkster: – Geeft u uw identiteitsbewijs.
Zoals blijkt uit alle gegeven voorbeelden, wordt soms vóór het verzoek gegroet, worden lexicale beleefdheidsmarkeerders gebruikt alstublieft, graag, een verzachtend woordje even, het twijfel uitdrukkende partikel misschien, een op instemming gericht goed?, en de respectvolle aanspreekvorm juffrouw. Maar ook de op zichzelf staande vormen van de tweede persoon meervoud van de gebiedende wijs geeft, rekent, wacht enzovoort verlenen kleine verzoeken in de besproken situaties voldoende beleefdheid. Omdat de gebiedende wijs vervoegd wordt, is zij in het Litouws, net als in veel andere talen, vaak geschikt om een beleefd verzoek te formuleren wanneer het verzoek klein en redelijk is. De geschiktheid van het gebruik van de gebiedende wijs, evenals van korte constructies met objectieve verzoeken, kan worden verklaard door het streven naar efficiëntie: er wordt rekening gehouden met de behoeften van de ander door diens (en ook de eigen) tijd en energie te sparen (Kerbrat-Orecchioni, 2005: 36).
Wanneer in de besproken situaties echter wordt afgeweken van het gebruikelijke gespreksscenario, bijvoorbeeld wanneer om iets groters wordt gevraagd dat de aangesprokene niet zonder meer verplicht is te doen, zijn alleen meer of minder indirecte vraagconstructies vastgelegd – een typische uiting van negatieve (afstandelijke) beleefdheid. Tei
11
Page 12Inga Hilbig
Het informeren naar de mogelijkheden van de aangesprokene om de door de spreker gewenste handeling uit te voeren, is in zo’n geval zelf het verzoek:
Kassière tegen een man van middelbare leeftijd: – Hebt u geen drie cent?
Jongeman in een chocoladewinkeltje tegen de verkoopster: – Hebt u misschien wisselgeld voor 10 Lt?
Een vrouw tegen de boekhandelaarster die het door haar gezochte boek niet kon vinden: – Zou u niet naar boekhandel „Rotas” in de Pylimo-straat kunnen bellen? Misschien hebben ze het daar...
Een meisje tegen de chauffeur van een streekbus: – Mag ik u mijn aantekeningen meegeven om ze daar af te leveren?
In het algemeen wijst de sterke gerichtheid op de boodschap, en niet op de interactie, in handels- en dienstverleningssituaties op een grote sociale afstand tussen de interactanten, die niet van plan zijn zich op enige andere vorm van communicatie in te laten. Manieren waarop positieve (contactgerichte) beleefdheid tot uiting komt, zoals begroetingen, glimlachen, langer oogcontact en fatische communicatie, lijken in onze cultuur uitsluitend bestemd voor de omgang met bekenden.
Een andere belangrijke factor die bespreking verdient, is naar men mag aannemen het machtsverschil. Na de ingrijpende verandering van het economische systeem had het machtsverschil tussen degene die een dienst of product aanbiedt en de klant als het ware volledig moeten omslaan, maar de in de loop van vele jaren gevestigde verhoudingen en communicatiepatronen veranderen begrijpelijkerwijs niet zo snel. Het kan zijn dat op het kruispunt van twee dienstverleningsculturen zowel de klant als de dienstverlener vaak allebei menen de meerdere te zijn, en dat dit ook leidt tot minimale formele beleefdheidsmiddelen.
Wanneer men dus om iets kleins en redelijks vraagt, lijkt de communicatie in dienstverleningssituaties, bij een grote sociale afstand en een groot machtsverschil, zeer direct en taalzuinig — kenmerkend voor positieve (contactgerichte) beleefdheid, hoewel deze vorm in dit geval juist wordt ingezet om afstand aan te geven. Deze strategie wordt gebruikt om relaties te ‘verwarmen’ en omvat veel meer. In het verzamelde materiaal waren ook enkele voorbeelden waarin zowel dienstverleners als klanten andere verbale middelen voor positieve beleefdheid inzetten, bijvoorbeeld:
12
Page 13Mandagumas kaip reliatyvus kalbinis, socialinis ir kultūrinis reiškinys
Een man in een banketbakkerij tegen de verkoopster (glimlachend): — Weeg voor mij eens wat van die gebakjes met „pootjes” af — misschien lopen ze niet weg, zeg ik.
Een vrouw in een banketbakkerij tegen de verkoopster: — Deze koekjes van u zijn erg lekker — geeft u me er ongeveer tweehonderd gram van.
Een jonge apothekeres tegen een oude man: — Laat me het receptje eens zien.
Een bankmedewerkster tegen een oudere klant: — Wilt u de volgende keer, mevrouw, zo vriendelijk zijn om even te bellen voordat u langskomt.
Zoals te zien is, is er bij het verzoek een grapje gemaakt, zijn verkleinwoorden gebruikt, is er een compliment gegeven en een beroep gedaan op de vriendelijkheid van de gesprekspartner. Ondanks dat het om dezelfde rechtstreekse verzoeken gaat, maken deze middelen de communicatie beleefd door een gezellige en vriendelijke sfeer te creëren, waarin harmonieuze communicatie ook zonder dank u, alstublieft of zou u misschien in stand blijft; bovendien speelt intonatie, samen met non-verbale signalen, een grotere rol dan bij het uiten van negatieve (afstandelijke) beleefdheid. Dit type beleefdheid is echter, zoals ook G. Čepaitienė (2007: 90) opmerkt, veel uitgesprokener, kenmerkender en komt op gevarieerdere wijze tot uiting in de omgang met naasten en bekenden.
De gevestigde markteconomie en de intensieve contacten van veel Litouwers met westerse culturen veranderen de gebruikelijke beleefdheidsnormen, die voordien niet ter discussie werden gesteld (zo miste men bijvoorbeeld in de Sovjettijd waarschijnlijk nooit een bedankje van verkopers). Het kan dus niet alleen sommige buitenlanders, maar ook Litouwers die gewend raken aan andere verhoudingen in de dienstverlening, werkelijk lijken dat het ons daar aan beleefdheid ontbreekt. Toch kan geen enkele gemeenschap onbeleefd zijn, want elke gemeenschap hecht belang aan harmonieuze en doeltreffende communicatie. Vertegenwoordigers van dezelfde cultuur delen echter niet noodzakelijk dezelfde waarden en houden er niet noodzakelijk dezelfde opvattingen en houdingen op na. De mening dat wij in dienstverleningssituaties onbeleefd zijn, wordt waarschijnlijk bepaald door uiteenlopende socioculturele voorstellingen van hoe men zich hoort te gedragen in winkels en bij dienstverlening, en in het openbaar in het algemeen tegenover onbekenden. Ons gedrag wordt wat beleefdheid betreft vaak ondergewaardeerd doordat we ons vergelijken, en zelf worden vergeleken, met zogenaamd beschaafdere, „beleefdere” culturen, die in werkelijkheid waarschijnlijk gewoon een ander type beleefdheid kennen.
13
Page 14Inga Hilbig
5. SLOTOPMERKINGEN
De linguïstische pragmatiek begint zich nog maar net te interesseren voor de talige beleefdheid van Litouwers. Op basis van onze observaties van ons taalgedrag en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek in winkel- en dienstverleningssituaties wordt de hypothese geopperd dat Litouwers eerder neigen naar het type positieve (contactgerichte) beleefdheid. Dit zal echter nog moeten worden getoetst aan de hand van verder onderzoek naar gesproken taal in uiteenlopende domeinen van interpersoonlijke communicatie, met aandacht voor de gebruikscontext van concrete taalhandelingen. Het zou interessant zijn ook te analyseren hoe onze talige beleefdheid zich ontvouwt in langere spreekbeurten, meer rekening te houden met de paralinguïstische en non-verbale aspecten ervan, en de talige beleefdheid te vergelijken van verschillende genders, moedertaalsprekers en niet-moedertaalsprekers en vertegenwoordigers van verschillende regio’s van het land. Ook zou het de moeite waard zijn de talige beleefdheid van Litouwers te vergelijken met de beleefdheidsuitingen in andere talen en culturen, want we kunnen onze eigen manieren van spreken en hun kenmerken het best begrijpen en leren kennen door ze met andere te vergelijken.
LITERATŪRA
Brown, P. & S. Levinson, 1978, 1987: Politeness. Some universals in language usage. Cambridge: Cambridge University Press.
Christie, Ch. 2005: Editorial. Journal of Politeness Research 1, 1–7.
Clark, H. & D. Schunk, 1980: Polite responses to polite requests. Cognition 8, 111–143.
Čepaitienė, G. 2007: Lietuvių kalbos etiketas. Semantika ir pragmatika. Šiauliai: Šiaulų universiteto leidykla.
Čepaitienė, G. & D. Steigvilaitė-Urbietienė 2003: Pokalbių telefonu etiketas. Kaunas: Šviesa.
Fukushima, S. 2000: Requests and culture: politeness in British English and Japanese. Bern: Lang.
Giles, H., N. Coupland & J. Wiemann, 1992: “Talk is cheap...”, but “My word is my bond”: Beliefs about talk. In: K. Bolton & H. Kwok, eds., Sociolinguistics Today: International Perspectives. London & New York: Routledge, 218–241.
14
Page 15Mandagumas kaip reliatyvus kalbinis, socialinis ir kultūrinis reiškinys
Goffman, E. 1967: Interaction ritual: Essays on face-to-face behavior. New York: Garden City.
Gudavičienė, E. 2007: Lietuvių kalbos direktyvai. Daktaro disertacija.
Holgraves, T. 2005: Social psychology, cognitive psychology, and linguistic politeness. Journal of Politeness Research 1, 73–93.
Kasper, G. 1998: Linguistic Etiquette. In: F. Coulmas, ed., Handbook of Sociolinguistics. Blackwell Publishing, 374–385.
Keevallik, E. 2005: Politeness in Estonia: A matter of fact style. In: L. Hickey & M. Stewart, eds., Politeness in Europe. Clevedon: Multilingual Matters, 203–214.
Kučinskaitė, A. 1990: Lietuvių kalbos etiketas. Vilnius: Mokslas.
Leech, G. 1983: Principles of pragmatics. London & New York: Longman.
Márquez Reiter, R. 2000: Linguistic politeness in Britain and Uruguay. A contrastive study of requests and apologies. Amsterdam: John Benjamins.
Sifianou, M. 2000 [1992]: Politeness phenomena in England and Greece. Cross-cultural perspective. Oxford: Oxford University Press.
Sifianou, M. & E. Antonopoulou, 2005: Politeness in Greece: The politeness of involvement. In: L. Hickey & M. Stewart, eds., Politeness in Europe. Clevedon: Multilingual Matters, 263–276.
Thomas, J. 1995: Meaning in interaction. An introduction to pragmatics. London: Harlow.
Traverso, V. 2001: Syrian service encounters: a case of shifting strategies within verbal exchange. Pragmatics 11:4, 421–444.
Wierzbicka, A. 1985: Different cultures, different languages, different speech acts: Polish vs. English. Journal of Pragmatics, 9 (2–3), 145–178.
Inga Hilbig
Lituanistinių studijų katedra
Vilniaus universitetas
Universiteto g. 5, 01122 Vilnius, Lietuva
[email protected]
15