Skip to document
Back
Go to original Localized version was produced by AI. It may contain inaccuracies.
Preparing document pages…

LIETUVIŲ KALBOTYROS KLAUSIMAI XXVII (1988)

LIETUVIŲ KALBA IR BILINGVIZMAS

SIMAS KARALIONAS

DE SITUATIES VAN BILINGUISME EN HUN SOCIALE DYNAMIEK

Bilinguisme – de praktijk waarbij een kleinere of grotere groep mensen afwisselend twee talen gebruikt – is een wijdverbreid verschijnsel in de wereld. Aangezien een samenleving zich uitstekend met één taal kan redden, wijst het bestaan van bilinguisme erop dat er in de samenleving twee gemeenschappen zijn die verschillende talen spreken (Karaliūnas, 1983, p. 15). Bilinguisme is een alledaags verschijnsel in zogenaamde multinationale staten, waar verschillende volkeren naast elkaar bestaan – elk met een eigen cultuur en taal. Maar ook in zulke gevallen omvat bilinguisme afzonderlijke groepen mensen die, vanwege de behoeften aan communicatie en interactie, gedwongen zijn de taal van een ander volk te leren en te gebruiken, terwijl de meerderheid van de leden van de samenleving haar eigen leven leidt en haar eigen taal gebruikt. Twee of meer talen coëxisteren dus; ze worden in verschillende sociale situaties gebruikt, elke taal heeft haar eigen gebruiksdomein, en in zulke gevallen is het beter om van diglossie te spreken, hoewel sommige onderzoekers diglossie ook als een vorm van bilinguisme beschouwen (New Horizons in Linguistics, 1975, p. 319). Een typische diglossische situatie is bijvoorbeeld het naast elkaar bestaan van de standaardtaal en dialecten, aangezien beide varianten van de nationale taal voor verschillende doeleinden en in verschillende sociale situaties worden gebruikt.

De situaties van bilinguisme die in zulke gevallen voorkomen, zijn vanzelfsprekend stabiel, vormen geen moeilijkheden of belemmeringen voor de communicatie binnen de samenleving of voor haar functioneren, en kunnen daarom lange tijd blijven bestaan. De situaties van bilinguisme die momenteel in veel landen bestaan (bijv. in Zwitserland, Canada, Joegoslavië, India enz.), vertonen geen tekenen van verandering*.

Situaties van bilinguisme kunnen ook om andere redenen ontstaan – niet noodzakelijk door de aanwezigheid van twee of meer etnische gemeenschappen. Een samenleving kan van oudsher eentalig zijn, maar voor een bepaald werkterrein een andere taal aanvaarden en gebruiken die daarvoor geschikter is dan de eigen taal. Zo vervult in Finland, naast het Fins, het Zweeds de functies van literaire taal. In Litouwen werd tot op heden in de kerk Latijn gebruikt (en deels wordt het nog steeds gebruikt). In India is Engels de taal van het bestuur, het onderwijs en de literatuur. De taal die in de kanselarij van het Grootvorstendom Litouwen werd gebruikt, was een Slavische schrijftaal, gebaseerd op de traditie van het Kerkslavisch. De rol van de tweede taal in de samenleving wordt zeer vaak vervuld door een taal met prestige en grote culturele waarde. De druk van het Engels op de talen van nationale minderheden in de Verenigde Staten is economisch, politiek en sociaal van aard, maar bijvoorbeeld,

* In het werk van Sovjet-sociolinguïsten wordt de gelijkberechtiging van de talen van de Sovjetvolkeren en de stabiliteit van het gebruik ervan benadrukt (Karaliūnas, 1983).

4

Voor de Scandinavische talen vloeit die druk voort uit de overheersende internationale betekenis van het Engels en uit het feit dat het via scholen, radio en televisie, films en tijdschriften, en ook via commerciële kanalen wordt verspreid (Haugen, 1972, p. 66—68). Wat haar functionele en waardebepalende betekenis betreft, is deze tweede taal gelijkwaardig aan de genormeerde, gestandaardiseerde standaardtaal en vervult zij in feite dezelfde rol als de standaardtaal.

Zo’n prestigieuze tweede taal met grote waarde bedient meerdere taalgemeenschappen tegelijk; zij vervult dus de rol van intertaal en de functie van lingua franca (zie verderop). In West-Europa was het Latijn lange tijd de intertaal; het functioneerde op het gebied van wetenschap, onderwijs en religie. In sommige Oost-Europese landen (bijv. Bulgarije, Roemenië, Rusland enz.) vervulde het Kerkslavisch gedurende verscheidene eeuwen de rol van intertaal in de religie.

De nationale taal en de tweede taal, die meestal intertaalfuncties vervult, vormen in de samenleving een diglossische situatie, aangezien ze in verschillende domeinen worden gebruikt. Maar een deel van de leden van de samenleving – ontwikkelde, geschoolde mensen – is tweetalig, omdat zij beide talen afwisselend gebruiken. Zulke tweetalige situaties kunnen, zolang ze stabiel zijn, geen grote invloed uitoefenen op het lot van de talen die in de samenleving worden gebruikt.

Intertaal en interdialect (zie verderop) verschillen, hoewel ze een belangrijke plaats innemen op de schaal van sociale waarden in de samenleving, alleen in hun gebruiksdomeinen en toepassingsmogelijkheden.

Maar anderzijds kunnen situaties van tweetaligheid onder bepaalde historische, sociaal-culturele omstandigheden ook veranderen. Het gebruik van twee talen vergt van een mens veel grotere psychische en intellectuele inspanningen dan communicatie in één taal, en daarom bestaat er een natuurlijke neiging om die inspanningen zo veel mogelijk te beperken en zich dus te beperken tot het gebruik van één taal, doorgaans de moedertaal. In de communicatie binnen de samenleving bestaat de tendens om situaties van tweetaligheid te elimineren en met het gebruik van één taal toe te kunnen. Situaties van bilinguisme kunnen op twee manieren worden geëlimineerd: 1) er vormt zich een gemengde taal, bestaande uit elementen en kenmerken van beide talen, en 2) de taal of het dialect van sociale groepen of van de samenleving wordt vervangen.

1. Het ontstaan van mengtalen

Uit twee talen die door dezelfde individuen afwisselend worden gebruikt, kan onder bepaalde historische sociaal-culturele omstandigheden na verloop van tijd een derde taal ontstaan. Omdat de structuur ervan elementen uit beide talen bevat, wordt zo'n taal gemengd of hybride genoemd (mixed language, Mischsprache, langue mixte). Meteen moet worden opgemerkt dat elke taal heterogene, dat wil zeggen van vreemde oorsprong afkomstige elementen bevat, vooral in haar woordenschat. Taalcontact, wederzijdse beïnvloeding en onderlinge doordringing zijn immers onvermijdelijk, net zoals communicatie, interactie en culturele uitwisseling tussen mensen met uiteenlopende etnische achtergronden onvermijdelijk zijn; die komen ook in hun talen tot uiting: met de uitwisseling van culturele waarden komen ook de benamingen daarvoor in een taal terecht. Leenwoorden zijn dus, vooral in de taal van lagere maatschappelijke lagen, zogezegd een noodzaak van het leven. Naast culturele uitwisseling leiden taalcontact en taalvermenging tot tal van andere historische processen en gebeurtenissen: vermenging van mensen met uiteenlopende etnische en taalkundige achtergronden of hun samenleven op hetzelfde grondgebied,

5

hun geografische nabijheid, migratie, kolonisatie, bezetting, sociaal-economische en politieke betrekkingen tussen verschillende landen, etnische symbiose en assimilatie van mensen met een verschillende afkomst, enz.

De dragers en bemiddelaars van taalcontact, taalvermenging en wederzijdse beïnvloeding zijn tweetalige individuen. Doordat zij dagelijks twee (of meer) talen door elkaar gebruiken, gaan ze die vanzelf met elkaar identificeren en ongemerkt naar elkaar toe bewegen, dat wil zeggen veranderen. Elementen uit de ene taal worden ook gebruikt wanneer men een andere taal spreekt. De veranderingen die in het taalgebruik van tweetalige individuen ontstaan, kunnen in bepaalde gevallen ook doordringen tot het taalgebruik van leden van een eentalige gemeenschap of sociale groep. Zo ontstaan leenwoorden. De hoeveelheid van zulke van elders afkomstige, geleende elementen, met name in de woordenschat, kan in de ene taal kleiner en in de andere groter zijn, afhankelijk van de energie en mobiliteit van de taalgebruikers en van hun mogelijkheden tot interactie.

Een aanzienlijk aantal heterogene elementen, vooral in de woordenschat, komt bijvoorbeeld voor in het Jiddisch (Jiddisch)jidiš (Jiddisch), de onderlinge omgangstaal en literaire taal van de Joden in Oost-Europa, en dus ook in Litouwen, en van Joden die daarvandaan naar alle continenten zijn gemigreerd. Jidiš heeft een Germaanse grammaticale structuur, omdat het Jiddisch is ontstaan uit het Middelhoogduits uit de late periode (12e–14e eeuw) (Spätmittelhochdeutsch). Naast het Germaanse element bevat de woordenschat ongeveer een kwart woorden van Hebreeuws-Aramese oorsprong, tussen een zesde en een tiende Slavische woorden, die vooral uit het Oud-Pools afkomstig zijn (Birnbaum, 1923; Karaliūnas, 1977), en ook een aanzienlijk aantal Romaanse woorden.

Het Jiddisch kan geen gemengde taal worden genoemd, omdat het grammaticale systeem, afgezien van enkele Hebreeuws-Aramese elementen, Germaans is. Het karakter van een taal en haar indeling bij een genetisch type worden bepaald door de grammaticale structuur, die zich vrijwel niet aan invloeden van andere talen onderwerpt en niet wordt geleend. Het jidiš is dus een Germaanse taal.

Bij de vorming van een gemengde taal worden de systemen van de door tweetalige individuen gebruikte, en dus met elkaar in contact staande, talen daarentegen ingrijpend gewijzigd. De grammatica van gemengde talen is in veel gevallen rudimentair en de woordenschat vrij beperkt en primitief. Toch kan men niet zeggen dat gemengde talen verzamelingen van heterogene feiten zijn. Niettemin hebben ze een eigen, specifieke structuur.

Een gemengde taal is bijvoorbeeld het ladino (de naam is afgeleid van de Spaanse benaming voor het Latijn), ook wel džudezmo genoemd (Engels Judeo-Spanish). Dit is een taal die is voortgekomen uit het 15e-eeuwse Spaans en veel leenwoorden van Turkse, Griekse en Hebreeuwse oorsprong bevat; zij wordt gesproken door mensen van Joodse afkomst (Sefardische Joden) op het Iberisch en het Balkanschiereiland en in West-Afrika.

Een mengvorm van het Italiaans met elementen uit het Frans, Spaans, Arabisch, Grieks en Turks, die in het Middellandse Zeegebied wordt gesproken, vooral in het oostelijke deel daarvan (de Levant), is lingua franca. De vorming van de term en het begrip gaat terug tot de tijd van de kruistochten (11e, 12e en 13e eeuw). De deelnemers aan die tochten waren afkomstig uit verschillende Europese landen. Priesters, monniken en soldaten, kooplieden en smeden, dragers en pagejongens spraken ieder verschillende talen, die de voorlopers waren van het huidige Engels, Frans, Italiaans en Duits. Het Latijn was weliswaar de taal van hun religie en opleiding, maar niet alle deelnemers aan de kruistochten spraken het. Ook beheersten zij niet allemaal elkaars talen. De kruisvaarders die verschillende talen spraken, hadden dus behoefte aan één taal die iedereen kon begrijpen. Zo'n

6

De taal die hun het beste beviel was het Provençaals – lingua franca (letterlijk ‘Franse taal’), gebruikt door kooplieden en zeelieden uit verschillende landen aan de zuidelijke kusten van de Middellandse Zee, van Marseille tot Genua (Samarin, 1968, p. 661).

De benaming lingua franca is in de linguïstiek inmiddels een term geworden voor een taal die gemeenschappelijk wordt gebruikt voor communicatiedoeleinden door mensen die verschillende talen spreken (Pei, 1966, p. 148).

Een voorbeeld van een dergelijk type als lingua franca was het russenorsk, eveneens een gemengde taal. Vóór de Eerste Wereldoorlog werd deze in het noorden van Noorwegen gebruikt door Russische kooplieden en Noorse vissers. De taal ontstond in de 18e eeuw door het contact tussen Russische en Noorse handelaren. De grammatica was rudimentair en bestond uit Russische en Noorse elementen. Naast Noorse en Russische woorden bevatte ze ook Nederduitse en Engelse woorden. Dit kwam doordat de vissers in het noorden van Noorwegen nauwe contacten onderhielden met Bergen, waar Nederduitsers een grote taalkundige invloed uitoefenden (Sommerfelt, 1971, p. 33).

Gemengde talen ontstaan dus niet in iedere bilinguale situatie. Gemengde talen vormen zich onder zeer specifieke historisch-sociale omstandigheden, in regio’s met intensieve etnische, culturele en handelscontacten en uitwisselingen. Waar een gemengde taal is ontstaan en bestaat, was of is er sprake van een dubbele socioculturele traditie. Gedwongen door communicatiebehoeften probeert de ene sociale groep de taal van een andere sociale groep aan te passen. Tijdens dit aanpassingsproces wordt het taalsysteem sterk gewijzigd en gereduceerd: wat niet in de moedertaal voorkomt, blijft ook achterwege in de aangeleerde taal. In dit verband is het volgende psychologische feit interessant: gebruikers van een gemengde taal merken zelf niet dat het taalsysteem wordt gewijzigd en gereduceerd. Olaf Broch (1927) merkte op dat de gebruikers van russenorsk ervan overtuigd waren dat zij de taal van hun gesprekspartner spraken: Russen meenden Noors te spreken, terwijl Noren meenden Russisch te spreken.

Anderzijds worden niet alle gemengde talen gekenmerkt door een drastisch gewijzigde, rudimentaire grammaticale structuur. Sommige kunnen een volledig grammaticaal systeem hebben dat kenmerkend is voor een natuurlijke taal en voor schriftelijke en literaire doeleinden worden gebruikt. Een dergelijke gemengde taal is bijvoorbeeld de Noorse literaire taal riksmål (letterlijk ‘staatstaal’). De fonetiek ervan is Noors, maar de distributie van de fonemen is Deens; in de morfologie bevat ze zowel Noorse als Deense elementen, en de woordenschat bestaat uit Deense en Noorse woorden. Riksmal ontstond in de 19e eeuw, toen de dialecten van de Noorse stedelijke middenklasse samensmolten met de Deense taal van de provincie, de zogenoemde høytidssproget, de ‘plechtige taal’ (Sommerfelt, 1971, p. 26–27).

Een afzonderlijk type gemengde talen wordt gevormd door pidžin- (pidgin-)talen (de term zelf is afkomstig van een verbastering van het Engelse woord business ‘zaak, ding; bezigheid, bedrijf, business’). Door Engelse, Franse en Portugese talen door de zeef van inheemse talen uit Afrika, Oceanië en Azië te halen en ze drastisch te wijzigen, ontstonden pidžin-Engels, pidžin-Frans en pidžin-Portugees. Ze ontstonden uit de behoefte aan communicatie in de handel en bij uitwisselingen en worden gebruikt tussen groepen. Ze vervullen dus de functie van lingua franca. Zo functioneert pidžin-Engels, of beter gezegd de uit het Engels voortgekomen pidžin-taal, in Kameroen, China, Hawaï, Jamaica, Korea, Melanesië en Sierra Leone. Pidžin-talen zijn dode talen, omdat ze geen taalgemeenschap hebben die ze gebruikt en waarvoor ze de moedertaal zouden zijn. Het zijn zuivere contacttalen.

7

Maar soms kan pidžin uitgroeien tot natuurlijke talen. Zo ontstond het Melanesische pidžin als communicatiemiddel in de handel. Later werd het, in de functie van bevels- en opdrachtentaal, gebruikt door de heersende planterskaste in haar contacten met haar ondergeschikten. Nog geen vijftig jaar nadat het Melanesische pidžin zich begon te verspreiden, ontwikkelt het zich, onder de naam Nieuw-Melanesisch, tot de nationale taal van Nieuw-Guinea, gebruikt in de administratie, het onderwijs, de massamedia, de religie en de geestelijke cultuur.

Kinderen kunnen het leren van hun ouders, die pidžin gebruiken in de handel en bij uitwisselingen, en het vervolgens onderling gaan gebruiken. Zo kan een gemeenschap ontstaan waarvan de moedertaal pidžin wordt. Zulke talen worden dan creooltalen genoemd (het Spaanse criollo en het Portugese criulo ‘in West-Indië geboren persoon van Europese afkomst’ zijn afgeleid van het werkwoord criar ‘voeden, grootbrengen’, dat afkomstig is van het Latijnse crēāre ‘scheppen; baren’).

Labai dažnai kreolų kalbos yra laikomos mišriomis kalbomis (plg., pvz., Rosetti, 1972, p. 112–118). Bet nuomonė, kad kreolų kalbose afrikietiška gramatika suderinta su romanų kalbų (portugalų, prancūzų, ispanų) žodynu, nėra pakankamai pamatuota. Pastarųjų metų tyrinėjimai (Taylor, 1972, p. 453–477) rodo, jog pagrindinė kreolų kalbų ypatybė yra smarkiai supaprastinta gramatika, ypač morfologija – neturi žodžių kaitybos fleksijos. L. Hjelmslevas (1938, p. 373–4) yra pareiškęs nuomonę, kad „kreolų kalbų gramatinė sistema (pagrindinių morfemų inventorius ir konfigūracija) yra optimalinė gramatinė sistema“. Komunikacijos požiūriu tokia interpretacija yra visai suprantama, nes apskritai kontaktinėse situacijose kalba kinta optimizacijos kryptimi: išlieka tik tie elementai ir modeliai, kurie yra būtini komunikacijai.

Pidžin- en creooltalen ontstaan, zoals gezegd, onder zeer specifieke historisch-culturele omstandigheden. Ze komen doorgaans ergens in de buurt van belangrijke zeeroutes voor, in regio’s met intensieve handelscontacten en uitwisselingen. Ze houden dus op de een of andere manier verband met zeereizen en zijn blijkbaar niet ouder dan de 16e eeuw, toen regelmatige zeereizen, handel en contacten met inheemse bevolkingsgroepen begonnen.

Dit betekent ten eerste dat een intertaal die in bepaalde gevallen (toegegeven, zeer zelden) door verschillende contacten is ontstaan en in gebruik is, ofwel een lingua franca, kan uitgroeien tot een echte, natuurlijke taal, zoals de moedertaal dat doorgaans is: een taal die van generatie op generatie wordt doorgegeven, zonder enige hulp van een andere taal. Ten tweede kan onder specifieke historisch-sociaal-culturele omstandigheden uit twee (of meer) talen een derde taal ontstaan, die elementen van beide (of meerdere) talen combineert. Maar meestal kan de ene taal of het ene dialect door een andere taal of een ander dialect worden vervangen.

2. Vervanging van talen of dialecten

Wanneer we de ontwikkeling van de verhoudingen tussen de bestaansvormen van taal (de omgangstaal, de literaire taal, dialecten enz.) in verschillende samenlevingen en concrete bilingvismesituaties en hun dynamiek observeren (bijv. het taalgedrag van immigranten in de Verenigde Staten, Brazilië enz.), is het gemakkelijk te zien dat de ene taalvorm of taal de andere kan vervangen en haar plaats kan innemen. Algemene, standaardtalen hebben de traditionele dialecten in Engeland, Frankrijk enz. verdrongen; dialecten worden nu verdrongen in Duitsland,

8

Litouwen enz. De moedertaal van de inwoners van Ierland was in de 18e eeuw het Gaelisch, dat tot de Keltische taalfamilie behoorde, maar in de 19e eeuw begonnen vrijwel alle Ieren Engels te gebruiken.

De vervanging van de ene taalvorm of taal door een andere is een zuiver extralinguïstisch verschijnsel: welke van de bestaansvormen van taal of contacttalen haar functies aan een andere overdraagt, of omgekeerd, hangt in het geheel niet af van de kenmerken van haar structuur. Het zou onjuist zijn te denken dat bijvoorbeeld het Latijn het Gallisch verdrong vanwege zijn bijzondere vocalisme of zijn rijke werkwoordsysteem. „De structuur van het Latijn, Arabisch, Spaans en Engels predisposeerde die talen op geen enkele manier tot verspreiding ver buiten hun oorspronkelijke grenzen. Wat in hun structuur op zijn minst aan dit proces heeft bijgedragen, weerspiegelde kenmerken van het volkskarakter en de cultuur die op de een of andere manier het verdere verloop van de gebeurtenissen bepaalden”, merkt de Franse taalkundige A. Martinet op (Мартине, 1972, c. 81—82). Dialecten zijn vaak rijker dan de standaardtaal die ze verdringt. Maar in het proces waarin een dialect of taal wordt vervangen, is er één psycholinguïstische regelmaat, namelijk: de vervangende taal of taalvorm (doorgaans de standaardtaal) heeft, in de ogen van de taalgebruikers, zeer vaak aanzien en neemt een hoge plaats in op de schaal van sociale waarden.

De dynamiek van de verhouding tussen standaardtaal en dialecten en van bilingvismesituaties in de samenleving kan sterk variëren en rechtstreeks afhangen van het taalgedrag van de sociale groep. Hoewel, zoals gezegd, standaardtalen veel aanzien genieten, is de aantrekkingskracht ervan niet bij alle sociale groepen even groot. Stadsbewoners beginnen eerder dan plattelandsbewoners de standaardtaal te gebruiken. Onder de lagere stedelijke klassen verloopt ook het proces waarbij de ene taal de andere vervangt sneller; dit proces is vooral intensief waar mensen van verschillende nationaliteiten en met verschillende talen samenwonen, waar grote multinationale arbeidscollectieven bestaan en het Engels en Portugees als communicatiemiddelen fungeren. Urbanisatie en industrialisatie bevorderen dus de omzetting van bilingvismesituaties in monolinguale situaties.

Plattelandsbewoners zijn daarentegen conservatiever en minder geneigd de nieuwigheden van de stad over te nemen; zij behouden hun moedertaal het langst. Het oude Gaelisch in Ierland, waar Engels overigens overal domineert, leeft ook vandaag nog op het platteland voort en is een symptoom van het verzet op het platteland tegen de verengelste steden (Zawadowski, 1961, p. 22). Ook de Litouwse taal werd gedurende de eeuwen van lijfeigenschap en van adellijke landgoederen die hun nationale identiteit hadden verloren, door Litouwse lijfeigenen naar het licht van de nationale wedergeboorte en de nationale cultuur gedragen. Litouwse aristocraten beschouwden zichzelf weliswaar als Litouwers, maar spraken Pools. In de geschiedenis van Litouwen treffen we dus een vrij zeldzaam geval aan waarin de hogere klassen de ene taal gebruiken en de lagere maatschappelijke klassen een andere. Zulke gevallen komen nog voor in samenlevingen waarin eeuwenlang kastverhoudingen hebben bestaan. In Zuid-India wonen bijvoorbeeld de Toda-, Kota- en Badaga-stammen. De Toda-stam staat bovenaan de sociale hiërarchie en gebruikt een andere taal dan de taal van de Kota- en Badaga-stammen, die haar diensten verlenen.

Gestandaardiseerde standaardtalen zijn weerbaarder en hebben meer kans te blijven bestaan dan talen die alleen gesproken worden en geen literaire vorm hebben. Bijzonder levenskrachtig zijn de talen van volken met een oude en rijke cultuur: hoe rijker en kleurrijker de cultuur die een taal dient, des te groter is het aanzien van die taal. In de westelijke provincies van het Romeinse Rijk verdrong het Latijn de Keltische talen, maar het kon niets uitrichten tegen het Grieks. De beschaving van de Grieken was zo pres-

9

tigieus dat het Grieks niet alleen als omgangstaal bleef bestaan, maar ook de bestuurstaal was van het oostelijke deel van het Romeinse Rijk en van het Byzantijnse Rijk. Ook de houding van de overheid tegenover een taal beïnvloedt haar lot, haar voortbestaan of vervanging. In bijna alle Europese landen hebben standaardtalen dialecten verdrongen of zijn ze die aan het verdringen; soms geldt dit ook voor talen van nationale minderheden, vooral waar de vertegenwoordigers van minderheidstalen niet met geweld worden behandeld. „Geweld leidt in zulke gevallen doorgaans tot verzet. In feite is de beste manier om een stervende taal nieuw leven in te blazen, te proberen haar te onderdrukken”, merkt de Noorse taalkundige Alf as Sommerfelt op (1971, p. 69). Een van de oorzaken van de Litouwse nationale wedergeboorte in de tweede helft van de 19e eeuw kan de wrede repressie door het tsarisme en het verbod op de Litouwse pers zijn geweest (Karaliūnas, 1983, p. 6).

Een van de belangrijkste — zo niet de belangrijkste — factoren voor het verdere lot van een taal is sociale controle. Haar aanwezigheid geeft een taal de kracht om te overleven en voort te bestaan. Vóór de Eerste Wereldoorlog bepaalde in de dorpen van de regio Klaipėda en Pruisisch Litouwen de vader welke taal hij, zijn gezin en zijn personeel zouden spreken, maar zijn persoonlijke beslissing moest overeenstemmen met de opvatting van de buren. Als iemand zich namelijk Duitser had genoemd terwijl in het dorp bekend was dat hij Litouws was, zou het hele dorp hem hebben uitgelachen. De dorpsarbeiders en ambachtslieden kenden zulke psychologische belemmeringen niet; hun gedrag viel dus niet langer onder sociale controle, en daarom werden zij eerder gegermaniseerd (Gerulis, 1932).

Wanneer de sociale omstandigheden veranderen of om bepaalde politieke redenen (separatistische tendensen van etnische of politieke aard), kan het object van sociale controle veranderen of kan die controle geheel verdwijnen. Dit kan op zijn beurt ertoe leiden dat de ene taal door een andere wordt vervangen.

Jurgis Gerulis beschrijft een geval van drastische taalvervanging en daarmee van een tragisch taal lot (Gerullis, 1932). In zijn geboortedorp Jogaudai was 50–60% van de inwoners Litouws. Van onderdrukking van de Litouwse taal door de lokale overheid kon geen sprake zijn, omdat de overheid van die tijd Litouwse boeren zeer gunstig gezind was. In 1914 waren de vooruitzichten dat het Litouws zou worden verdrongen dan ook zeer gering. Maar in 1925 waren er in het dorp nog maar drie Litouwers. Hoe kon het gebeuren dat het Litouws in tien jaar bijna volledig door het Duits werd verdrongen? Veel Litouwers keerden niet terug uit de oorlog. Een deel van de inwoners van Jogaudai werd naar Rusland gedeporteerd, waar de oudere Litouwers stierven. Toen de regio Klaipėda bij Litouwen werd gevoegd, was dezelfde taal en hetzelfde bloed niet langer voldoende om de vervreemding te overwinnen die was ontstaan door de eeuwenlange verbondenheid met twee geheel verschillende cultuurgebieden — het Pruisisch-Duitse en het Pools-Russische.

Het germaniseringsproces werd vooral versneld door het feit dat de Litouwers van Klein-Litouwen zich, dankzij hun veel hogere landbouwcultuur en materiële welvaart, superieur voelden aan de Litouwers van Litouwen: zij wilden niet worden vereenzelvigd met de mensen in klompen aan de andere kant van de grens en begonnen zich te schamen voor hun moedertaal en hun nationaliteit. Ook vroeger hadden zij al neergekeken op įpulakus (afgeleid van het Poolse woord polak, „Pool”), zoals zij spottend de Litouwers aan de andere kant van de Nemunas noemden. Daarom identificeerden zij zich, nadat de regio Klaipėda bij Litouwen was gevoegd, met de Duitsers, die wat materiële cultuur betreft aan hen gelijk waren. Er waren nu geen sociale krachten meer waardoor een Litouwse Duitser zou worden uitgelachen, en de weg voor het germaniseringsproces lag open.

10

Uit dit voorbeeld blijkt duidelijk dat vóór de taalverandering het gevoel van nationaal bewustzijn verdwijnt. Deze conclusie wordt ook bevestigd door het proces van slavisering van de Litouwers in de streek van Vilnius (zie hieronder).

De tweede, nieuwe taal verdringt de moedertaal niet in één keer, maar geleidelijk. Dit proces mag de communicatie tussen de leden van de samenleving niet verstoren. Aanvankelijk neemt de nieuwe taal de plaats van de oude slechts in bepaalde gebruikssferen in. Zo kunnen volwassen leden van de samenleving of van een sociale groep de nieuwe taal gebruiken in contacten met de overheid of in het leger, en de jongere generatie op school. De moedertaal blijft ondertussen in het gezin en in informele contacten in gebruik. Een dergelijke overname van sommige gebruikssferen beschouwt U. Weinreich (1968, p. 107) eveneens als de vervanging van de ene taal door een andere en hij noemt dit gedeeltelijke vervanging.

De geleidelijke overgang van een samenleving op een andere taal komt in gezinnen tot uiting doordat grootouders de ene taal spreken, terwijl de jongere generatie, meestal de kinderen, al een andere taal gebruikt. De moedertaalgroep valt dus samen met de leeftijdsgroep, en dat is een synchrone manifestatie van de vervanging van de ene taal door een andere (Weinreich, 1968, p. 94). Ouders zijn meestal tweetalig of meertalig en spreken thuis twee of meer talen tegelijk. Een dergelijke taalontwikkeling hebben bijvoorbeeld de meeste gevestigde Litouwers in Letland doorgemaakt: uit onderzoek naar hun taalsituatie bleek dat de grootouders vaak Litouws hadden gesproken, de ouders twee tot vijf talen en de kinderen één niet-moedertaal (Garšva, 1985, p. 124). Er moet worden benadrukt dat tweetaligheid of meertaligheid binnen het gezin meestal door gemengde huwelijken wordt veroorzaakt. Zo trouwde in 1925, 1930 en 1932 slechts 20% van de Litouwers die in Letland woonden onderling; de meeste huwelijken waren met Letten, de overige met Polen, Russen en Duitsers (Garšva, 1984, p. 85).

Wanneer de sociale, psychologische en taalkundige omstandigheden gunstig zijn, duurt de periode van taalvervanging dus betrekkelijk kort: de derde generatie is al eentalig en beschouwt de nieuwe taal als moedertaal. 64 In 1851 woonden er in de dorpen rond Ciskodas (het verst afgelegen eiland van de Litouwse taal in Latgale, 90 km van de grens met Litouwen) 300—400 Litouwers. Toen K. Garšva daar in 1977 een bezoek bracht, trof hij nog slechts ongeveer tien ouderen aan die het Litouws begrepen en nog konden spreken. Volgens de Litouwstaligen zelf waren de meesten van hen onderling al omstreeks 1930 opgehouden Litouws te spreken, toen na het overlijden van de ouderen het Lets de overhand kreeg in gemengde gezinnen (Garšva, 1984, p. 87). Een vergelijkbare periode blijkt ook uit de vervanging van het Litouws door het Pools (zie hieronder).

De terugwijkende taal, die haar communicatieve functie heeft verloren, moet een bijzondere connotatie en speciale functies krijgen, bijvoorbeeld een esoterische functie (ouders spreken de oude taal wanneer ze iets voor de kinderen willen verbergen) of een komische functie (humoristische rubrieken in kranten en tijdschriften). Kinderen van immigranten in Amerika moeten lachen om een woord dat in de oude, ouderlijke taal wordt uitgesproken. Ouderen beschouwen de nieuwe taal, die door de kinderen wordt gebruikt, als een modeverschijnsel. Daarom worden er veel woorden en uitdrukkingen aan ontleend, zodat de spraak jeugdig, modern en elegant klinkt.

Deze beweringen worden goed onderbouwd door de unieke dynamiek van de sociolinguïstische situaties in de streek van Vilnius. Er is vastgesteld dat het Pools sinds de tweede helft van de XIX eeuw op het etnografische grondgebied van Litouwen in drie compacte gebieden wordt gebruikt: Vilnius, Kaunas en Smalvos (Turska, 1982, p. 21). Het eerste gebied omvat, naast de omgeving van Vilnius zelf, de voormalige districten Pabradė, Paberžė, Nemenčinė en Maišiagala en delen van de districten Joniškis, Giedraičiai, Širvintos en Musninkai. Het gebied van Kaunas strekt zich ten noorden van Kaunas uit, rond Vandžio

11

galas, tussen de Nemunas, de Neris en de Nevėžis, terwijl het gebied van Smálvos in de noordoostelijke hoek ligt, niet ver van Zarasai (de dorpen Tūrmantas, Smálvos, Bernotiškės, Lupėnka, Šántupiai, Gaidė enzovoort). Deze gebieden grenzen geografisch niet aan elkaar en liggen ver van etnografisch Polen. Deze Poolstalige enclaves op Litouwstalig grondgebied zijn betrekkelijk laat ontstaan (Turska, 1982, p. 21; Vidugiris, 1971).

H. Turska, die vóór de Tweede Wereldoorlog plaatselijke Poolse dialecten onderzocht, verklaart 80—90-jarige plaatselijke boeren te hebben ontmoet die nog beter of minder goed Litouws konden spreken (Turska, 1982, p. 44). Er moet worden gezegd dat ook veel later meer dan één dergelijke plaatselijke inwoner werd aangetroffen. Tijdens het verzamelen van dialectologisch materiaal voor de „Atlas van de Litouwse taal” in 1956—1969 werden in het Poolstalige gebied van Vilnius verscheidene vertegenwoordigers van de oudere generatie aangetroffen, van 70—100 jaar oud, die zich goed herinnerden dat de meeste inwoners van de streek onderling uitsluitend Litouws spraken. Veel jongeren verklaarden eveneens dat hun ouders alleen onderling of met leeftijdgenoten uit de buurt Litouws spraken, maar thuis probeerden niet met de kinderen in het Litouws te spreken. Er werden nog meer mensen aangetroffen die Litouws begrepen, de betekenis kenden van veel plaatsnamen, diernamen en andere woorden, een of enkele zinnen konden zeggen en konden tellen, en zich allerlei scheldwoorden herinnerden die door ouderen werden gebruikt, maar niet meer konden spreken. Opmerkelijk is dat hun beheersing van het Litouws, en hun vloeiendheid daarin, des te beter werd naarmate ze er langer over nadachten en harder probeerden zich de taal te herinneren: hoe meer ze zich inspanden, des te beter konden ze haar spreken. Op basis van deze dialectsprekers, die Litouws beter of minder goed beheersten, werden in 1956—1969 de dialecten van Nemenčinė, Ažulaukė, Sužionys, Paberžė, Maišiagala en andere plaatsen onderzocht en beschreven volgens het „Programma voor het verzamelen van materiaal voor de Atlas van de Litouwse taal” (Vidugiris, 1971, p. 242—243).

Ook in de omgeving van Kernavė werden grootouders van 70—80 jaar aangetroffen die zich het Litouws herinnerden en het spraken (Vidugiris, 1972, p. 271). Uit deze gegevens blijkt dus duidelijk dat de polonisering van de Litouwse boeren geen oud verschijnsel is.

Tot ongeveer het midden van de XIX eeuw was het Litouws in vrijwel het hele toenmalige district Vilnius de overheersende taal (Vidugiris, 1971, p. 236). Dit wordt duidelijk bevestigd door de historici M. Balinskis en T. Lipinskis, die de streek goed kenden: „Het district Vilnius wordt door Litouwers zelf bewoond. Maar de Litouwse taal overheerst ononderbroken alleen aan de noordzijde, of op de rechteroever van de Neris; aan de zuidzijde heeft zij vlak bij Vilnius zelf plaatsgemaakt voor het Pools; verderop wisselen Litouwssprekende dorpen elkaar af met dorpen waar de Pools-Russische [d.w.z. Wit-Russische. — S. K.] taal wordt gebruikt. Niettemin weegt onder de plattelandsbevolking van dit district het Litouws zwaarder dan de beide andere talen,” schreven zij in 1846 in hun boek „Starożytna Polska pod względem historycznym, geograficznym i statystycznym” (t. 3, p. 122). In de eerste helft van de XIX eeuw was dus de linkeroever van de Neris, oftewel het zuidoostelijke deel van het district Vilnius, tot aan Vilnius zelf nog geheel Litouwstalig. Dat blijkt ook uit de etnografische kaart van het Europese deel van Rusland, die P. Köppen samenstelde op basis van taalgebruik en die berustte op de volkstellingsgegevens uit de eerste helft van de XIX eeuw (1834?).

Uit het etnografische materiaal dat P. Köppen in 1857 via katholieke geestelijken verzamelde, blijkt dat er tweetalig, dat wil zeggen Litouws en Pools, werd gesproken in de omgeving van Verkiai, Riešė en Karvys en gedeeltelijk in die van Maišiagala, Kernavė en Dubingiai. In de omgeving van Nemenčinė woonden Polen alleen in het stadje en bij de pastorie (Vilnius en de streek van Vilnius, p. 75—76).

12

Zelfs in de stad Vilnius en de voorsteden, waar al lang gunstige omstandigheden bestonden voor de verbreiding van het Pools, werd nog behoorlijk veel Litouws gesproken. Volgens de gegevens van P. Kėpenas uit 1857 waren de parochies van Sint-Jan, de Heilige Geest, Sint-Jacobus, Sint-Raphaël, de Bernardijnen en Antakalnis gemengd (hij schrijft: „Litouwers en Polen”) (Vilnius ir Vilniaus kraštas, p. 74). M. Balinskis (1835, p. 61), auteur van de eerste geschiedenis van de stad Vilnius, schreef: „De inwoners van de stad Vilnius zijn naar afkomst Litouwers, Russen, Duitsers en Joden.”

Ook de Slavische enclaves die eerder binnen het Litouwse taalgebied bestonden, begonnen in de tweede helft van de 19e eeuw snel uit te breiden en in elkaar over te vloeien; als golven namen ze telkens nieuwe Litouwse dorpen in. Maar naast de Slavische talen — het Wit-Russisch, Russisch en Pools — bleef ook het Litouws bestaan; plaatselijk in Vilnius en omgeving hield het zelfs stand tot het begin van de 20e eeuw. Op basis van archiefdocumenten (bijvoorbeeld een economische vragenlijst uit 1872, ingevuld door plaatselijke ambtenaren en leraren) stelde A. Vidugiris (1971, p. 241) vast dat de inwoners van de omgeving van Nemenčinė, Paberžė en Riešė in de jaren zeventig van de vorige eeuw tweetalig of meertalig waren. Zo werd in veel gezinnen in het district Nemenčinė Pools gesproken, deels Wit-Russisch, en „tijdens bijeenkomsten of vergaderingen Litouws en deels Russisch”. In het district Paberžė sprak men Pools en Litouws; rond Riešė „meestal Pools-Samogitisch en af en toe Russisch-Litouws”; rond Maišiagala Litouws, Pools en Wit-Russisch.

Uit de gegevens die A. Plateris in 1890 verzamelde, blijkt dat de golf van slavisering Litouwse dorpen nog verder ten noorden van Vilnius had bereikt, hoewel er ook daar nog veel Litouws werd gesproken: zo spraken in het district Maišiagala 2.207 van de 7.864 inwoners Litouws; in het district Širvintos waren 8.491 van de 13.146 inwoners Litouwers; in het district Mūsninkai gebruikten 6.199 van de 6.423 inwoners het Litouws, enzovoort.

Na het herstel van de persvrijheid voor publicaties in het Latijnse schrift vernemen we vooral uit berichten in niet-officiële kranten dat er aan het begin van de 20e eeuw nog Litouwstaligen waren rond Dubingiai — de helft van de inwoners; rond Joniškis — de helft van de inwoners; rond Nemenčinė — een derde van de inwoners; rond Paberžė — een derde van de inwoners; rond Maišiagala — een derde van de inwoners (volgens andere gegevens twee derde); rond Karvys — drie dorpen (volgens andere gegevens een derde van de inwoners) (Vidugiris, 1971).

Uit het verzamelde materiaal van de „Atlas van de Litouwse taal” blijkt dat op sommige plaatsen rond Nemenčinė en Riešė, waar nu het plaatselijke Poolse dialect overheerst, de overgang van het Litouws naar het Pools via het Wit-Russisch verliep (Vidugiris, 1971, p. 245). In de meeste gevallen gingen de Litouwse boeren echter rechtstreeks over van hun eigen taal, het Litouws, naar het Pools, zonder tussenkomst van het Wit-Russisch. Opvallend is dat het Poolse taalgebied de historisch oudere etnografische Litouws-Wit-Russische grens volgt: het Pools verspreidde zich in gebieden waar de binnendringing van het Wit-Russische element in het Litouwse taalgebied, de opmars van het Wit-Russisch en de terugtocht van het Litouws het sterkst waren (Turska, 1982, p. 26, 29, 58). Waar de etnografische Litouws-Wit-Russische grens stabieler was, bijvoorbeeld in de omgeving van Švenčionys, verliep de assimilatie van de Litouwers veel langzamer; plaatselijk werden Litouwers Wit-Russen onder het mom van polonisering. Dit toont aan dat het Pools zich vooral verspreidde en wortel schoot waar de taaltraditie verzwakt en uiteengevallen was. Deze feiten bevestigen opnieuw dat aan de overname van een andere taal het vervagen van het nationale bewustzijn en het verdwijnen van sociale controle voorafgaan.

13

Van de gebruikte talen — Litouws, Wit-Russisch, Russisch en Pools — won het Pools het, verspreid vanuit de kerk, het landgoed en de stad (Vilnius en Daugpilis), hoewel maar weinig mensen het spraken. Ook de gemeenschappelijke katholieke godsdienst speelde een belangrijke rol, terwijl er tussen de orthodoxe Wit-Russen en de katholieke Polen een religieuze barrière bestond, die in aanzienlijke mate bijdroeg aan het behoud van hun talen. Bovendien werd het behoren tot het katholieke geloof vaak vereenzelvigd met het behoren tot het Poolse volk. Daarom gingen de meeste inwoners, ongeacht hun afkomst of moedertaal, zichzelf op grond van hun geloof als Polen beschouwen (Vidugiris, 1983, p. 53). Het Pools verspreidde zich op het Litouwse platteland dus in de eerste plaats als taal van de hogere standen (adel, geestelijken en stedelingen) en van de godsdienst, maar ook als taal van de staat, het onderwijs en de cultuur; daardoor gold het in de ogen van de Litouwse boeren als een prestigieuze taal.

Het Poolse taalgebied van Kaunas ontstond toen de omringende boeren in de 19e eeuw door voortdurend contact het Pools overnamen van de vele adellijke geïsoleerde hoeven („akalicos”) die daar waren gevestigd.

De overgang van het Litouws naar het Pools verliep via een tussenfase van tweetaligheid. De Litouws-Poolse tweetaligheid duurde in veel parochies van de regio Vilnius kort: de derde generatie begreep geen Litouws meer en sprak alleen Pools. Volgens H. Turska (1982, p. 54) speelden gemengde huwelijken, en vooral vrouwen, een doorslaggevende rol in dit proces, „de catastrofale afname van het aantal Litouwers in het district Vilnius”. Over het algemeen is bekend dat vrouwen in de taalontwikkeling een behoudende rol spelen: zij geven hun moedertaal door aan hun kinderen en houden zo de taaltraditie in stand. In dit geval was het helaas andersom: vrouwen speelden de hoofdrol in het poloniseringsproces. Uit gesprekken met ouderen vernam H. Turska (1982, p. 45) dat het Litouws het langst werd gebruikt bij werk buitenshuis, op het veld of in het bos, terwijl het thuis, binnen het gezin, een verfoeide taal was — men vermeed die uit angst dat de kinderen haar zouden leren („Hoewel vader Litouws was, was moeder Pools, daarom spraken we Pools”). Bij nader onderzoek bleek die „moeder” van Poolse afkomst uit hetzelfde of een naburig dorp te komen; haar ouders spraken, net als de ouders van de vader, tot hun dood uitsluitend Litouws. Deze negatieve houding van de vrouw tegenover het Litouws („Moeder werd boos als de grootouders Litouws spraken met de kinderen; eens joeg ze zelfs grootvader het huis uit”) vloeide blijkbaar voort uit haar praktische instelling, uit de wens dat haar kinderen een betere plaats en hogere positie in de maatschappij zouden innemen, en wellicht uit een zekere ijdelheid van haar kant („Als ik een edeler taal spreek, maakt dat mijzelf edeler, enzovoort”). De waarnemingen van A. Vidugiris (1972, p. 271) bevestigen eveneens de rol van vrouwen bij het afzweren van het Litouws: de familie van S. Ručinskas, een goede vertegenwoordiger van het Litouws in de omgeving van Kernavė, belemmerde zijn dialectonderzoek op allerlei manieren — vooral zijn vrouw en dochters, die een hekel hadden aan het Litouws. Dat de kinderen van een vrouw het Litouws, dat haar ouders gebruikten en dat zij zelf in haar jeugd nog sprak, niet of vrijwel niet meer beheersten — met andere woorden, dat de periode van tweetaligheid zo kort was — was dus grotendeels aan de vrouw te wijten.

Vastgesteld is dat op veel plaatsen in de regio Vilnius de Litouws-Wit-Russische tweetaligheid en de overgang van Litouwers naar het Wit-Russisch historisch gezien eerder plaatsvonden (Vidugiris, 1971, p. 245–246; 1983, p. 53–58). Hoewel het Poolse element in Litouwen in de eerste helft van de 19e eeuw sterker werd en bijdroeg aan een grotere verspreiding en betere beheersing van het Pools, leidde dit niet tot massale polonisering. In de eerste helft van de 19e eeuw bestonden de specifieke oorzaken die massale polonisering teweegbrachten nog niet.

14

De snelle verwerping van de Litouwse taal en de massale overgang van Litouwse boeren op het Pools vielen samen met de afschaffing van de lijfeigenschap (1861) en de opstand van 1863–1864; met andere woorden, zij vielen in wezen samen met de vestiging van kapitalistische productieverhoudingen op het platteland en met de verscherping van de strijd tussen de op Polen georiënteerde landadel en geestelijkheid en de tsaristische ambtenaren om invloed op de Litouwse boeren (Vidugiris, 1983, p. 54–55). Daarom kan worden verondersteld dat de voornaamste oorzaak van de massale polonisering van het Litouwse platteland de ingrijpende sociaal-economische veranderingen in het leven van de boeren waren: hun bevrijding uit de lijfeigenschap en hun verrijking. Net als in de tijd van het Grootvorstendom Litouwen hing ook nu het taalverschil tussen de hogere en lagere maatschappelijke lagen samen met het klassenverschil. Het Pools drong het eerst door in het dagelijks leven van welgestelde boeren en boeren met bepaalde functies (zoals dorpshoofden, boswachters enz.) (Turska, 1982, p. 56). Litouwers noemden iedereen die Pools sprak een szlachta-lid, en szlachta-lid zijn betekende tot de hogere laag behoren. Na de hedendaagse linguïstisch-sociale situatie in de omgeving van Kernavė te hebben beschreven en geanalyseerd, concludeerde A. Vidugiris (1972, p. 272) dat eerst het stadje Kernavė en de nabijgelegen landgoederen (bijvoorbeeld Kriveikiškis, Kernavėlė enz.) aan de assimilatie ten prooi vielen, evenals dorpen die op een of andere manier bevoorrecht waren, bijvoorbeeld doordat ze geen herendiensten hoefden te verrichten (zoals Semeniškiai, Ramonėškiai enz.).

Het sociale motief was dus kennelijk een van de belangrijkste redenen waarom Litouwse boeren Pools gingen spreken.

De sociaal-economische veranderingen en de tendensen tot democratisering brachten in etnografisch Litouwen twee geheel verschillende sociaal-culturele verschijnselen voort. Enerzijds kwam in de tweede helft van de 19e eeuw, diep in Litouwen, uit het volk dat naar onderwijs en wetenschap streefde een steeds talrijkere nationale intelligentsia voort, die de Litouwse nationale heropleving een heel andere richting opstuurde. Anderzijds ontstond aan de etnografische Litouws-Wit-Russische grens, waar het Litouwse nationale bewustzijn sterk was vervaagd, onder Litouwse boeren op grote schaal de neiging om het Pools te gebruiken als taal van cultuur, onderwijs en religie.

H. Turska (1982, p. 29) teigia, kad lietuvių valstiečių perėjimas į lenkų kalbą buvęs gaivališkas, stichiškas. Žymesnio vaidmens negalėjęs suvaidinti nė lenkiško elemento sustiprėjimas Lietuvoje XIX a. pirmoje pusėje, Vilniaus universiteto klestėjimo metu. Daugeliu atvejų iš tikrųjų taip galėjo būti. Bet tai buvo keletą šimtmečių trukusios sąmoningos ir organizuotos polonizacijos politikos, varytos per bažnyčią ir dvarus, padarinys.

Tiesa, ligi Žečpospolitos padalijimų (1772, 1775 ir 1795 m.) Lietuvos Didžiojoje Kunigaikštystėje nebuvo kompaktiškų lenkų kalbos arealų, nes lenkiškas elementas neturėjo Lietuvoje palankių sąlygų tarpti ir plėtotis.

Volgens de gegevens van de volkstelling van 1897 waren er in het toenmalige gouvernement Vilnius 3151 mensen afkomstig uit etnografische gebieden van Polen; in de stad Vilnius zelf waren dat er 1702. Dit aantal omvat niet alleen Polen, maar ook Poolse Joden, van wie de meesten mogelijk uit Polen afkomstig waren. In de regio Vilnius vormden Polen vóór de bezetting ervan in 1919 door de legioenen van generaal Želigowski mogelijk 1–1,5% van de totale bevolking. Alleen in de districten Grodno en Augustów kan hun aandeel groter zijn geweest (Vilnius ir Vilniaus kraštas, p. 108–109).

Het Litouwse Statuut verbood Polen om landgoederen of andere gronden te bezitten in het Grootvorstendom Litouwen. Het recht om steden, starostschappen en landgoederen te verwerven, en om deze te pachten of

15

onroerend goed te beheren, kwam uitsluitend toe aan Litouwers, Samogitiërs en Wit-Russen die in het Grootvorstendom Litouwen waren geboren en daar van oudsher woonden. De officiële taal van het Grootvorstendom Litouwen was het Slavisch van de kanselarij. ‘А писарь земский имеет по руски литерами и словы рускими все листы и позвы писати’, aldus het Litouwse Statuut van 1566 (hoofdstuk IV, artikel 1). Daarnaast verspreidde het Pools zich geleidelijk. In de 16e en vooral de 17e eeuw leidde het gebruik van de kanselarijtaal Slavisch en het Pools tot een opmerkelijk compromis: de juridische formules aan het begin en het einde van een akte werden geschreven in de wettelijk voorgeschreven taal, het kanselarijslavisch, maar de inhoud van de akte zelf in het Pools. Deze situatie hield aan tot 1697. Toen werd de feitelijke overheersing van het Pools erkend en kreeg die taal de status van officiële taal van het Grootvorstendom Litouwen.

De eerste centra van de Poolse taal en cultuur in Litouwen ontstonden op de landgoederen van magnaten, in kerken en in grotere steden. De eigenlijke gebruikers van het Pools waren de hogere en middengroepen van de Litouwse samenleving: magnaten, de katholieke geestelijkheid, welgestelde stedelingen en de kleine szlachta. Via hen verspreidde het Pools zich ook naar andere lagen. Vanaf de invoering van het christendom in Litouwen waren de priesters Polen, omdat er geen Litouwse priesters waren. Pas aan het einde van de 16e eeuw werden aan het seminarie van Vilnius ook Litouwse priesters opgeleid en werden voor hen beurzen ingesteld. De kerk was het belangrijkste centrum van de verspreiding van het Pools: preken werden in het Pools gehouden, van Litouwse parochianen werd geëist dat zij hun gebeden in het Pools kenden, en het Litouws werd als heidens beschouwd en daarom ongeschikt voor de kerk (Stosunki litewsko-polskie w diecezji Wileńskiej, 1913). Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verbreiding van het Pools en de minachting en verwerping van het Litouws al in de 16e eeuw zo ver waren gevorderd dat de meer verlichte geesten van die tijd, zoals M. Daukša, de noodzaak voelden hun moedertaal en het gebruik ervan te verdedigen: ‘Hoewel, om de waarheid te zeggen, slechts weinigen onder ons, vooral onder de vooraanstaanden, het Pools niet kennen en geen in het Pools geschreven preken kunnen lezen, zijn er naar mijn mening toch vooral velen die het Pools niet begrijpen of er maar weinig van kennen. Ik weet hoe alle volken werken in hun moedertaal waarderen, liefhebben en koesteren (daarom zijn, naar ik meen, alle volken ertoe overgegaan boeken uit andere talen in hun eigen taal te vertalen); alleen ons Litouwse volk [d.w.z. de adel. — S. K.] heeft, door het Pools te leren en te gebruiken, zijn eigen taal zo veracht, verwaarloosd en bijna afgezworen, dat iedereen dit duidelijk ziet, maar haar daarvoor waarschijnlijk nauwelijks zal prijzen’, schreef M. Daukša in het ‘Voorwoord aan de welwillende lezer’ van de Postilė, in 1599 in Vilnius uitgegeven (Lietuvių literatūros istorijos chrestomatija, p. 65).

Het proces van verspreiding en vestiging van het Pools werd steeds sterker. Vanaf 1737 werden in de kerken van Vilnius geen preken meer in het Litouws gehouden. Aan de universiteit van Vilnius werden tot 1812 colleges in het Latijn gegeven, maar geleidelijk raakte het Pools er ingeburgerd en vóór de sluiting waren de meeste hoogleraren Polen. Gedurende haar hele bestaan bracht de universiteit van Vilnius slechts één Litouws boek uit: K. Nezabitauskis’ ‘Bites’ (1823).

Het bewuste en georganiseerde poloniseringsbeleid, dat vooral via de kerk werd gevoerd, had resultaat: Litouwers in de stad en deels ook op het platteland, vooral waar de nationale tradities sterk waren verzwakt, raakten er geleidelijk aan gewend te denken dat het Litouws een slechte, boerse taal was, ongeschikt voor gebruik in de kerk en op andere openbare plaatsen. De rol van de kerk in het poloniseringsproces blijkt ook uit het lot van de Litouwers in Letland, waar vanaf de 19e eeuw

16

In het zuidelijke midden van Zuidoost-Letland en in de steden werden de plaatselijke Litouwers niet Letstalig, Wit-Russischtalig of Russischtalig, maar vooral Poolstalig. Zo werden in het district Iłūkšta in 1860 5023 Litouwers en 3828 Polen geregistreerd, terwijl dat er in 1897 respectievelijk 6986 Litouwers en maar liefst 11 380 Polen waren. Het aantal Litouwers en Polen nam niet evenredig toe als gevolg van een verschillend natuurlijk bevolkingsoverschot, maar doordat een deel van de Litouwers verpoolste; Letten begonnen zich immers pas na 1850 in dat district te vestigen en hadden een andere geloofsovertuiging.

In de omgeving van Laukesa in het district Iłūkšta (6 km ten zuiden van Daugavpils) nam het aantal Litouwers als volgt af: in 1904 waren er ongeveer 87% Litouwers (van de 4000 waren er 3500), in 1914 25%, in 1930 14,1%, in 1935 6,8% en in 1969 1%. De kerk wist zulke hardnekkige tradities van verpoolsing te vestigen: de genoemde omgeving behoorde sinds 1772 niet meer tot het Pools-Litouwse Gemenebest, en de lijfeigenschap werd rond 1817 afgeschaft (Garšva, 1985, p. 124).

Er is vastgesteld (Nitsch, 1925; Turska, 1982, p. 64) dat het Pools dat door de hogere en middelste lagen van de Litouwse samenleving werd gesproken (polszczyzna litewska), historisch gezien een lokale variant is van het Standaardpools (koine), ontstaan op de basis van een vreemde taal. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het feit dat vrijwel alle polonismen in het Litouws equivalenten hebben in de Poolse literaire taal, maar niet in de dialecten ervan. Ze moeten dus afkomstig zijn uit de variant van het Standaardpools die in Litouwen en Wit-Rusland werd gebruikt (polszczyzna kresowa). Om dezelfde reden zijn er heel wat gemeenschappelijke polonismen in het Litouws en het Wit-Russisch, vergelijk bijvoorbeeld Litouws ambaras ‘ellende, moeilijkheid’ — Wit-Russisch амбарас (< Pools ambaras); arpavóti ‘graan met een wan reinigen’ — арфоваць (< Pools arfować); bėdà ‘een bepaald soort tweewielige kar’ — бяда (< Pools bieda, bida), enzovoort. De polonismen in de Samogitische dialecten (bijvoorbeeld čiōnglis, koñpėlius, krėderas, lañpartas, enz.) zijn, naar het schijnt, rechtstreeks ontleend aan het Pools dat op landgoederen werd gesproken (en niet aan de zuidelijke Litouwse dialecten). De meeste regionale polonismen worden naast Litouwse woorden met een overeenkomstige betekenis gebruikt. Dat wijst erop dat men met Poolse (‘landgoed-’)woorden het Litouws wilde opsieren en veredelen, zoals dat tegenwoordig gebeurt in Wit-Russisch-Poolse bilingualismesituaties wanneer men Wit-Russisch spreekt (Адамовичуте, 1982).

Zoals bekend wordt het Pools ook vrij veel gebruikt in Wit-Rusland, vooral in het westelijke deel ervan, maar als tweede taal wordt het vooral door Wit-Russische katholieken gesproken. Zo spreken de orthodoxe plattelandsbewoners van het district Hrodna het zelfs niet (Чекман, 1982, с. 126). Een uitzondering is de uiterste noordwesthoek van Wit-Rusland rond Sopockinie en Trakininkai (Трокеники), waar de plaatselijke bevolking uitsluitend Pools spreekt, maar dit gebied was nog niet zo lang geleden Litouwstalig. De bevolking lijkt rechtstreeks van het Litouws op het Pools te zijn overgegaan (Гринблат, 1968, с. 148–160). Het gebruik van het Pools vormt in Wit-Rusland dus geen aaneengesloten taalgebied; het Pools wordt hier naast het moedertaal-Wit-Russisch als tweede taal gebruikt. In Wit-Rusland functioneert het Pools dan ook als een soort interdialect, waarvan het wezen wordt bepaald door zijn adstratische karakter (Чекман, 1982, с. 124–128). De functie van interdialect werd ook vervuld door de Poolse variant (polszczyzna litewska), die in het Grootvorstendom Litouwen werd gebruikt en later, nadat Litouwen bij het Russische Rijk was ingelijfd (1795), door de hogere en middelste lagen van de Litouwse samenleving.

Het gebruik van het Pools in Wit-Rusland verschilt dus wezenlijk van het gebruik ervan in Litouwen, waar het Pools voor een deel van de bevolking de moedertaal is geworden en

2. 1880

2793

17

waar het functioneert als een lingvogeografisch dialect. Historisch gezien zijn de twee vormen van het Pools (polszczyzna kresowa) die in de randgebieden van het Poolse etnografische taalgebied worden gebruikt — het volkse, lingvogeografische dialect en het interdialect — twee sociolinguïstische ontwikkelingsstadia van hetzelfde verschijnsel: de gesproken standaardvariant van het Pools (koine) veranderde in een interdialect, dat vroeger door de adel, geestelijken en stedelingen werd gebruikt; daaruit ontwikkelde zich het volkse, lingvogeografische Poolse dialect (de Poolse taalgebieden van Vilnius, Kaunas en Smalvai).

Het onderzoek naar de sociale dynamiek van bilingualismesituaties leidt tot de volgende conclusies.

1. Het status quo van bilingualismesituaties kan lange tijd blijven bestaan. Maar wanneer zich bepaalde sociaal-historische omstandigheden voordoen, kunnen bilingualismesituaties transformeren. Bilingualismesituaties kunnen op twee manieren verdwijnen: a) de taal van een gemeenschap wordt vervangen en een andere taal neemt haar plaats in; b) er ontstaat een gemengde taal, die uit elementen en kenmerken van beide talen bestaat. Dit gebeurt echter alleen in uitzonderlijke gevallen, onder zeer specifieke historisch-sociale omstandigheden, namelijk in gebieden met intensieve etnische, culturele en handelscontacten en -uitwisselingen. Waar een gemengde taal ontstaat en bestaat, was of is er ook een dubbele socioculturele traditie.

2. De vervanging van de ene taal door een andere verloopt altijd via een bilingualismefase. De nieuwe, tweede taal neemt geleidelijk de plaats in van de oude. Aanvankelijk wordt ze alleen in bepaalde domeinen gebruikt (de administratie, het onderwijs, de kerk) en door bepaalde sociale groepen — de hogere en middelste lagen van de samenleving (stedelingen, geestelijken, edelen).

3. In de beginfase functioneert de nieuwe, tweede taal in veel gevallen als regionaal communicatiemiddel — als interdialect, intertaal of lingua franca. Pas later wordt ze een lingvogeografisch dialect (een taal). Interdialect, lingua franca en lingvogeografisch dialect (taal) zijn historisch gezien twee sociolinguïstische ontwikkelingsstadia van hetzelfde verschijnsel.

4. Aan taalvervanging gaat doorgaans het vervagen van het nationale bewustzijn vooraf. Het bestaan van nationaal bewustzijn in situaties van bilingualisme en taalcontact komt tot uiting in taalpatriottisme en sociale controle. De taalkeuze in situaties waarin twee of meer talen worden gebruikt, is een object van sociale controle.

С. КАРАЛЮНАС

BILINGVISTISCHE SITUATIES EN HUN SOCIALE DYNAMIEK

Samenvatting

Wanneer twee talen die in een samenleving functioneren op verschillende domeinen worden toegepast en voor verschillende doeleinden worden gebruikt, zijn bilingvistische situaties stabiel en bestaan ze doorgaans lange tijd. Onder bepaalde sociaal-historische en culturele omstandigheden ontwikkelen bilingvistische situaties zich echter in de richting van hun opheffing. Gemengde talen (zoals pidgintalen, lingua francas of creooltalen) ontstaan onder specifieke sociaal-historische omstandigheden, in regio's met zeevaartroutes, intensieve etnische en culturele contacten en goederenuitwisseling.

18

De vervanging van een dialect of taal is een langdurig sociolinguïstisch proces. De vervangende bestaansvorm van een taal (hoofdzakelijk de literaire spreektaal) en de tweede taal nemen doorgaans een hoge positie in het waardesysteem van de samenleving in en genieten bij de sprekers van het dialect of de taal een groter prestige. De vervangende taalvorm en de tweede taal functioneren in de beginfasen van het bilingvisme in veel gevallen als interdialect en intertaal (lingua franca). In de daaropvolgende ontwikkelingsfasen worden zij respectievelijk een linguogeografisch dialect en een nationale taal. Het interdialect en de intertaal enerzijds, en het linguogeografische dialect en de nationale taal anderzijds, zijn twee sociolinguïstische vormen van een en hetzelfde verschijnsel.

De theoretische stellingen worden geïllustreerd met voorbeelden van de ontwikkeling van verschillende talen in de wereld en vooral met feiten uit de geschiedenis van de Litouwse taal en haar dialecten in de periferie — in het Litouws-Wit-Russische grensgebied, in Letland en in het voormalige Memelland, waar lange tijd intensieve Litouws-Duitse taalcontacten plaatsvonden.

S. KARALIUNAS

BILINGVISTISCHE SITUATIES EN HUN SOCIALE DYNAMIEK

Samenvatting

Wanneer twee (of meer) talen in een samenleving op verschillende domeinen (bijv. het dagelijks leven versus de administratie) en voor verschillende doeleinden worden gebruikt, zijn bilingvistische situaties stabiel en kunnen ze lange tijd voortduren. Onder bepaalde sociale en culturele omstandigheden neigen bilingvistische situaties echter naar opheffing. Gemengde talen (bijv. pidgin, lingua francas en creooltalen) ontstaan onder specifieke sociaal-historische omstandigheden, in gebieden met zeehandels- en vaartroutes en intensieve etnische en culturele contacten.

De vervanging van een dialect of taal is een langdurig sociolinguïstisch proces. De bestaande taalvorm (gewoonlijk een standaardtaal) en de tweede taal, die een moedertaal of dialect vervangen, genieten in een samenleving een hoge waardering en een groot prestige. In de beginfasen van het bilingvisme functioneren de bestaande taalvorm en de tweede taal vaak als interdialect of intertaal (lingua francas). In de daaropvolgende ontwikkelingsfasen worden zij respectievelijk een linguogeografisch dialect en een nationale taal. Een interdialect en een intertaal enerzijds, en een linguogeografisch dialect en een nationale taal anderzijds, vertegenwoordigen twee sociolinguïstische vormen van hetzelfde verschijnsel.

De theoretische stellingen in het artikel worden geïllustreerd met voorbeelden uit vele talen van de wereld en vooral met feiten uit de geschiedenis van de Litouwse taal en haar dialecten in de periferie — in het Litouws-Wit-Russische etnografische grensgebied, in Letland en in de voormalige regio Klaipėda, waar intensieve Litouws-Duitse taalcontacten bestonden.

LITERATŪRA

Baliński M. Opisanie statystyczne miasta Wilna. Wilno, 1835.

Baliński M., Lipiński T. Starożytna Polska pod względem historycznym, geograficznym i statystycznym. Warszawa, 1843–1846. T. 1–3.

Birnbaum S. Die jiddische Sprache // Germanisch-Romanische Monatsschrift. 1923. T. 11. P. 149–155.

Broch O. Russenorsk // Archiv für slavische Philologie. 1927. T. 41. P. 209–262.

Garšva K. Lietuvių kalbos tarmės ir jų kontaktai Latvijoje (1. Lietuvių kalbos tarmių Latvijoje istorija) // Lietuvos TSR Mokslų Akademijos darbai. A serija. V., 1984. T. 2(87). P. 83–90.

2*

19

Garšva K. Lietuvių kalbos tarmės ir jų kontaktai Latvijoje (2. Lietuvių gyvenamosios vietos ir kalbų funkcionavimas) // Lietuvos TSR Mokslų Akademijos darbai. A serija. V., 1985. T. 1(90). P. 118–126.

Gerullis G. Muttersprache und Zweisprachigkeit in einem preussisch-litauischen Dorf. – Studi Baltici, 1932, t. 2, p. 59–67.

Haugen E. The Ecology of Language // Stanford, 1972.

Hjelmslev L. Caractères grammaticaux des langues créoles // Compte-rendu du 2ᵉ Congrès International des sciences anthropologique et ethnologique. Copenhague, 1938.

Karaliūnas S. Žydų kalba // Mokslas ir gyvenimas. 1977. Nr. 1. P. 35–36.

Karaliūnas S. Respublikos lingvosocialinės situacijos charakteristika // Kalbų kontaktai Lietuvos TSR: LKK, t. 23. V., 1983. P. 4–42.

Lietuvių literatūros istorijos chrestomatija. V., 1957.

Mackey W. F. The Description of Bilingualism // Readings in the Sociology of Language / Ed. by J. Fishman. The Hague; Paris, 1968. P. 554–584.

New Horizons in Linguistics / Ed. by J. Lyons. Aylesburg, 1975.

Nitsch K. Język polski na Wileńszczyźnie // Przegląd Współczesny. 1925. Nr. 33.

Pei M. Glossary of Linguistic Terminology // New York, 1966.

Rosetti A. Langue mixte et mélange des langues. – Acta Linguistica, 1945–1949, t. 5. P. 73–78 (rus. vert.: Новое в лингвистике. – М., 1972, вып. 6, с. 112–118).

Samarin W. J. Lingua Francas of the World // Readings in the Sociology of Language / Ed. by J. Fishman. The Hague; Paris, 1968. P. 660–671.

Sommerfelt A. Diachronic and Synchronic Aspects of Language. The Hague, 1971.

Stosunki litewsko-polskie w diecezji Wileńskiej. W Wilnie, 1913.

Ščerba L. V. Sur la notion de mélange des langues. – In: Яфетический сборник. Л., 1925, т. 4, с. 1–19.

Taylor D. Structural Outline of Caribbean Creole // Word. 1951, N 7. P. 43–59 (Rus. vertimas: Новое в лингвистике. – М. 1972, вып. 6, с. 452–477).

Turska H. O powstaniu polskich obszarów językowych na Wileńszczyźnie // Studia nad polszczyzną kresową. Wrocław–Warszawa…, 1982. T. 1. P. 19–119.

Urbańczyk S. Początki polskiego dialektu na Wileńszczyźnie // Slavia Orientalis. 1968. T. 17. P. 433–436.

Vidugiris A. Kalbų sąveikos klausimu // Dubbingiai. V., 1971. P. 235–253.

Vidugiris A. Kalbinės situacijos charakteristika // Kernavė. V., 1972. P. 265–277.

Vidugiris A. Dėl kalbų kontaktavimo pietryčių Lietuvoje //Kalbų kontaktai Lietuvos TSR: LKK, t. 23. V., 1983. P. 46–60.

Vilnius ir Vilniaus kraštas: Krašto pažinimo pradai. – K., 1932.

Weinreich U. Languages in Contact. Findings and Problems. 6th Printing. The Hague; Paris, 1968.

Zawadowski L. Fundamental Relations in Language Contact // Biuletyn polskiego towarzystwa językoznawczego. 1961. T. 20. P. 1–26.

Адамовичте И. -Э. Проблемы изучения польских заимствований в литовских говорах // Studia nad polszczyzną kresową. Wrocław; Warszawa…, 1982. T. 1. P. 151–176.

Вайнарах У. Языковые контакты / Пер. и коммент. Ю. А. Жлуктенко. Киев, 1979.

Гавранек Б. К проблематике смешения языков // Новое в лингвистике. М., 1972. Вып. 6. С. 94–107.

Гринблат М. Я. Белорусы. Минск, 1968.

Мартыне А. Распространение языка и структурная лингвистика // Новое в лингвистике. М., 1972. Вып. 6. С. 81–93.

Чекман В. Н. К социолингвистической характеристике польских говоров белорусско-литовского пограничья // Studia nad polszczyzną kresową. Wrocław; Warszawa…, 1982. T. 1. P. 123–138.

Щерба Л. В. О понятии смешения языков // Щерба Л. В. Языковая система и речевая деятельность. Л., 1974. С. 60–74.

20

Document details