Full text
Veldprotocol LSVI stilstaande wateren An Leyssen , Jo Packet , Kevin Scheers , Vincent Smeekens , Florian Van Hecke 2025-11-21 DOI: 10.5281/zenodo.17668730
Contents Metadata 4 1. Wijzigingen t.o.v. vorige versies 5 1.1. 2025.03 ..................................... 5 2. Afhankelijkheden 6 3. Onderwerp 7 3.1. Definities en afkortingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 3.2. Doelstelling en toepassingsgebied . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 4. Beperkingen van het protocol 9 5. Principe 11 6. Vereiste competenties 12 7. Benodigdheden 13 7.1. Apparatuur................................... 14 7.2. Materiaal .................................... 15 7.3. Reagentia en oplossingen (indien van toepassing) . . . . . . . . . . . . . . 19 8. Werkwijze 20 8.1. Uitvoering.................................... 20 8.2. Registratie en bewaring van resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 9. Kwaliteitszorg 27 10.Veiligheid 28 11.Samenvatting 29 Referenties 30 A. Bijlage 1: Determinatiewerken 32 A.1.Algemeneflora’s ................................ 32 A.2. Geïllustreerde flora’s . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32 A.3.Atlas....................................... 33 2
A.4. Herkenning van wateren/of oeverplanten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33 A.5. Gerichte determinatiewerken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33 A.6.Artikels ..................................... 34 B. Bijlage 2: Veldformulier habitattype 2190_a 35 C. Bijlage 3: Veldformulier habitattype 3110 36 D. Bijlage 4: Veldformulier habitattype 3130_aom 37 E. Bijlage 5: Veldformulier habitattype 3130_na 38 F. Bijlage 6: Veldformulier habitattype 3140 39 G. Bijlage 7: Veldformulier habitattype 3150 40 H. Bijlage 8: Veldformulier habitattype 3160 41 3
Metadata reviewers documentbeheerder protocolcode versienummer taal thema Toon Westra Toon Westra sfp-408-nl 2025.03 nl vegetation Controleer deze tabel om te zien of een meer recente versie beschikbaar is. 4
1. Wijzigingen t.o.v. vorige versies 1.1. 2025.03 •Eerste versie van het protocol 5
2. Afhankelijkheden Protocolcode Versienummer params Opgenomen als subprotocol sfp-113-nl 2023.04 NA FALSE 6
3. Onderwerp 3.1. Definities en afkortingen 31xx: afkorting voor Natura2000-habitattypen 3110, 3130, 3140, 3150 en 3160 Habitattypen van stilstaand water die beschermd zijn door de habitatrichtlijn: •2190_a - Waterhoudende depressies in vochtige duinvalleien (Denys et al. 2021) • 3110 - Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora) (Decleer 2007, Scheers et al. 2020). • 3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Littorelletalia uniflora en/of de Isoeto-Nanojuncetea (Decleer 2007, Scheers et al. 2020) – 3130_aom: subtype aom, subtype oeverkruid (Littorelletea) – 3130_na: subtype na, subtype dwergbiezen (Isoeto-Nanojuncetea) • 3150 - Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition (Decleer 2007, Scheers et al. 2020) •3160 - Dystrofe natuurlijke poelen en meren (Decleer 2007, Scheers et al. 2020) Isoëtiden: laagblijvende rozetbladige planten met stevige, holle, lijnof priemvormige bladeren bv. knolrus (Juncus bulbosus), oeverkruid (Littorella uniflora), waterlobelia (Lobelia dortmanna), pilvaren (Pilularia globulifera), . . . LSVI: Lokale staat van instandhouding; instrument om lokaal de toestand van een habitattype te evalueren aan de hand van structuuren vegetatiekenmerken (Oosterlynck et al. 2020). Steekproefpunt of (veld)locatie: Voor het habitatkwaliteitsmeetnet (zie verder) komt de steekproefeenheid voor stilstaande wateren overeen met de watervlakkencode (Westra et al., 2022). Dit is het niveau waarop de biotische karakterisatie wordt beoogd. 3.2. Doelstelling en toepassingsgebied Het doel van het veldprotocol is om gegevens te verzamelen van bepaalde indicatoren (vegetatiesamenstelling en structuurkenmerken) die een beoordeling van de LSVI toelaten 7
voor habitattype 2190_a, 3110, 3130_aom, 3130_na, 3140, 3150 en 3160. Deze LSVIindicatoren zijn beschreven door Oosterlynck et al. (2020). Het veldprotocol wordt gebruikt voor het bemonsteren van de steekproefpunten van het habitatkwaliteitsmeetnet voor bovengenoemde habitattypen. De selectiemethode van steekproefpunten is beschreven in het rapport over de habitatkwaliteitsmonitoring (Westra et al., 2014; Westra et al., 2022). Dit meetnet is geconcipieerd om de habitatkwaliteit van habitattypen van stilstaande wateren op Vlaams schaalniveau te kunnen inschatten. De resultaten van dit meetnet worden o.a. gebruikt voor de 6-jaarlijkse rapportage over de staat van instandhouding van de habitattypes 31xx en 2190_a aan de Europese Commissie. 8
4. Beperkingen van het protocol In sommige omstandigheden kan er geen opname gemaakt worden. De reden hiervoor wordt genoteerd: • Tijdelijk ongeschikt (tijdelijk niet toegankelijk door wegenwerken of inrichtingswerken, gevaarlijke hond, drooggevallen, te hoge waterstand, . . . ): het loont in dit geval de moeite om de locatie later in het jaar of tijdens het volgende jaar opnieuw te bezoeken; • Permanent ongeschikt (permanent niet toegankelijk, niet bereikbaar op een veilige manier, geen toestemming voor betreding, . . . ). Het veldbezoek wordt uitgevoerd in het groeiseizoen van de wateren oeverplanten (mei-september). Afhankelijk van het habitattype en de verwachte soorten worden bepaalde veldbezoeken bij voorkeur vroeger of later in het groeiseizoen uitgevoerd (Zie Tabel 4.1). Voor sommige habitattypen is een aanvullend veldbezoek tijdens het voorjaar noodzakelijk om sleutelsoorten te identificeren. Zo bereikt bijvoorbeeld Tolypella intricata, een kenmerkende soort voor habitattype 3140, een optimale groei in april-mei. Ook zijn voor de identificatie van waterranonkels bloeiende exemplaren nodig (mei-juni; habitattype 3130_aom). Indien nodig, kan de soortenlijst tijdens een later veldbezoek (augustus) aangevuld worden met soorten die hun optimum later in het groeiseizoen bereiken. Om de kans op afsterven van watervegetatie te minimaliseren, wordt aanbevolen de screening van de vegetatiesamenstelling best voor eind september uit te voeren. In eutrofe plassen kan lichtdeprivatie door algenbloei leiden tot vroegtijdig afsterven van watervegetatie, soms al vanaf juni. Daarnaast kunnen sommige wateren in de zomer sterk vertroebelen door intensieve recreatie of vroegtijdig gemaaid worden, waardoor veldbezoeken tijdig moeten plaatsvinden. Klimatologische factoren, zoals langdurige temperatuurextremen, kunnen de tijdelijke aanof afwezigheid van vegetaties en specifieke indicatorsoorten beïnvloeden. Table 4.1.: Meest geschikte maanden voor screening van de vegetatiesamenstelling per habitattype. “x” = geschikt, “(x)” = minder geschikt, “-” = niet aangewezen. Code April Mei Juni Juli Augustus September Oktober 2190_a - x x x x (x) - 3110 - (x) x x x x (x) 3130_aom - x x x x (x) - 3130_na - x x x x x - 9
Figure 7.2.: Hark met volièredraad (foto Jo Packet) 7.2.3. Dubbelzijdige dreghark Bij inventarisatie van de vegetatie in diepere zones met een boot, wordt een dreghark gebruikt (Figuur 7.3). Deze bestaat uit een dubbelzijdige, metalen hark met gekromde tanden, die bedekt is met volièredraad. Deze worden met de rugzijden aan elkaar bevestigd. De dreghark is voorzien van korte steel, bevestigd aan een lange, stevige nylonkoord van een 25-tal meter lang. Om de dreghark te gebruiken wordt deze vanuit de boot in het water geworpen zoals een werpanker en over een afstand van ongeveer 10 meter over de bodem getrokken. Het is belangrijk om de hark direct en in één vloeiende beweging omhoog te halen, zonder pauzes, zodat de verzamelde vegetatie erop blijft liggen. 7.2.4. Hersluitbare zakjes en (alcohol)stift Als identificatie in het veld niet mogelijk is, wordt het plantenmateriaal naar het labo gebracht voor verdere determinatie. Voor het tijdelijk bewaren van plantenmateriaal worden hersluitbare zakjes gebruikt. Deze worden gelabeld met een (alcohol)stift (veldcode en datum) en/of voorzien van een papieren label met dezelfde informatie in potlood, dat in het zakje wordt bijgevoegd. 7.2.5. Secchi-schijf Een secchi-schijf met een diameter van 20 cm (Figuur 7.4) wordt gebruikt om de secchidiepte te bepalen. Het koord waaraan de secchi-schijf is bevestigd, is voorzien van een maatverdeling om de diepte te kunnen bepalen. Indien een secchi-schijf met andere diameter wordt gebruikt, dient dit vermeld te worden. 16
Figure 7.3.: Dubbelzijdige dreghark (Schneiders et al., 2004; foto Jo Packet) 17
Figure 7.4.: Secchi-schijf met maatverdeling op het touw 18
7.2.6. Plooimeter Een vouwmeter van minimaal 2 meter voor de dieptebepaling. 7.2.7. Determinatiewerken Relevante determinatiewerken worden in Bijlage 1 opgesomd. 7.2.8. Boot Een boot wordt enkel gebruikt bij diepere plassen op meer dan 3 à 4 m diepte. Bij grote, diepe plassen wordt een boot met motor gebruikt omdat het slepen van een werphark over de waterbodem anders niet praktisch haalbaar is. De afmetingen van de boot zijn bij voorkeur minstens 4 m lengte op 2,00 m breedte. Bij deze afmetingen is er voldoende ruimte om het nodige materiaal te stockeren tijdens het bootwerk. Ook moet de boot voldoende stabiliteit bieden om rechtstaand met de dreghark te kunnen werken. In sommige gevallen kan een kleinere boot met elektromotor worden gebruikt. Dit type boot kan handig zijn om grote ondiepere watersystemen met variabele diepte te bemonsteren of indien rekening gehouden moet worden met verstoringsgevoelige fauna of bijzondere kwaliteitseisen (bv. drinkwaterproductie). 7.3. Reagentia en oplossingen (indien van toepassing) Niet van toepassing 19
8. Werkwijze 8.1. Uitvoering 8.1.1. Voorafgaand aan het terreinwerk Volgende taken dienen voorafgaand aan het veldbezoek uitgevoerd te worden: • Afdruk van veldkaarten met gepast schaalniveau en de recentst beschikbare orthofoto, bij voorkeur op A3 formaat. •Afdruk van veldformulieren van de verschillende habitattypen (dubbelzijdig) • Offline zetten van eventuele kaarten/applicaties op handcomputer/tablet voor het geval mobiele data niet beschikbaar is in het veld •Eigenaar/beheerder contacteren •Adres of routebeschrijving van locatie opzoeken • Inschatten of een (belly)boot nodig is voor het uitvoeren van de screening van de vegetatiesamenstelling 8.1.2. Lokaliseren en documenteren van veldlocatie Navigeer met een gps naar de oever van de veldlocatie. Indien het steekproefpunt tijdelijk of permanent ongeschikt is (zie beperkingen), wordt dit samen met de reden genoteerd op het veldformulier. Bij een permanent ongeschikt meetpunt wordt dit vervangen door het eerstvolgende reservepunt. Bij tijdelijke ongeschiktheid wordt de locatie later in het jaar of het daaropvolgende jaar opnieuw bezocht. Ook opmerkingen in verband met betreding en toegang worden genoteerd. Alvorens het water betreden wordt, wordt ingeschat wat de geschikte kledij is voor de screening. Bij ondiepe plassen kan er gekozen worden voor lieslaarzen of een waadpak. Bij diepe plassen zal het gebruik van een boot noodzakelijk zijn. Wanneer er met een boot gewerkt wordt, dienen minstens 3 personen aanwezig te zijn: 2 in de boot voor de screening en iemand op de oever. Men dient zich aan de veiligheidsvoorschriften te houden. 20
8.1.3. Bepaling aanwezige habitattypen Bepaal eerst of het geselecteerde habitattype aanwezig is volgens de praktische handleiding voor het typeren van de stilstaande wateren in Vlaanderen (Scheers et al. 2016) en de beschrijving van habitattype 2190_a (Denys et al. 2021). Voor alle habitat(sub)typen die aanwezig zijn in de plas wordt een afzonderlijk veldformulier ingevuld. Oppervlakteaandeel van habitat in plas: Mits er meerdere typen aanwezig zijn in een waterlichaam, dan wordt er getracht een representatieve verdeling aan de types binnen de plas te geven. De som van de verdeling moet steeds 100% zijn. Ook de reden van afwezigheid van het habitattype wordt opgegeven, m.n. waarom voldoet de locatie niet aan de definitie van het habitattype: • Te weinig open water aanwezig (gedomineerd door helofytenvegetaties, dus behorend tot een moerastype), •Gracht •De plas is gedempt •Er zijn geen soorten aanwezig die typisch zijn voor het habitattype •. . . 8.1.4. Screening van de vegetatiesamenstelling De waterdiepte bepaalt de wijze van screening: •Indien de waterdiepte dit toelaat, wordt de screening al wadend uitgevoerd. • Indien het centrale deel van de plas ondoorwaadbaar is, maar de zone nabij de oever wel doorwaadbaar is, wordt het diepere deel harkend vanuit de doorwaadbare zone bemonsterd. •In diepe, grotere wateren wordt met behulp van een kleine boot geïnventariseerd. Vertrek vanop de oever van de locatie, waad langsheen de oever om de screening van de vegetatiesamenstelling te maken. Dit kan in wijzerszin of tegenwijzerzin gebeuren, afhankelijk van de stand van de zon. Waden met de zon in de rug is optimaal, omdat dit de zichtbaarheid van de submerse vegetatie vergroot en de reflectie beperkt. Bij ondiepe plassen wordt zig-zag-gewijs van de oever naar het centrale deel van de plas gewaad om een beeld te krijgen van de volledige plas. Afhankelijk van de grootte van de plas, de diversiteit aan soorten en de vegetatiedichtheid zal het zigzag-patroon meer of minder dens zijn. Bij diepe, vegetatierijke plassen wordt het centrale deel met een boot geïnventariseerd, waarbij de vegetatie door middel van een dreghark wordt opgehaald. Eerst wordt 21
de kolonisatiediepte bepaald, dit is de maximale diepte waar er vegetatiegroei wordt waargenomen. Daarna wordt de vegetatiezone in transecten gevaren, waarbij op verschillende dieptes de vegetatie met een dreghark wordt bemonsterd. Het diepe onbegroeide deel wordt tenslotte sporadisch bemonsterd om te checken op vegetatie. De screening van de vegetatiesamenstelling wordt beperkt tot het waterdeel en de oeverzone die frequent onder water komt te staan. Bij plassen met een zeer geleidelijk talud, bijvoorbeeld bij habitattype 3160, kan de overgang van de oeverzone soms breed zijn; hier wordt echter de directe oeverzone inbegrepen in de screening. Bij twijfel wordt de screening beperkt tot de contour van watervlakken; deze toont de begrenzing door de winterwaterstand. De meer afgelegen oeverzone kan in dit geval deel uitmaken van een ander habitattype (hoogveen/natte heide) en aldus volgens een ander protocol worden beoordeeld. 8.1.4.1. Bedekking individuele soorten Eerst wordt een lijst van de aanwezige sleutelen indicatorsoorten opgesteld (Zie veldformulieren Bijlage 2 t.e.m. 8 en Oosterlynck et al. 2020). Na de volledige plas te hebben gescreend, worden de bedekkingen genoteerd met de bedekkingsschaal van Tabel 8.1. Table 8.1.: Bedekkingsschaal Tansley-Meren (Schneiders et al., 2004). Code Tansley Beschrijving r zeldzaam < 3 exemplaren o occasioneel > of = 3 exemplaren, < 5% bedekkend f frequent bedekkend (ca. 5 %), oplopend tot 15-20% of > 100 exemplaren a abundant bedekking 15 (20) < x < 40% cd co-dominant bedekking > 40% van meerdere soorten d dominant bedekking > 40% van 1 soort Indien identificatie op het terrein niet mogelijk is, verificatie door een specialist nodig is, of het een zeer zeldzame vondst betreft, worden (delen van) planten meegenomen in een hersluitbaar plastic zakje, licht bevochtigd en voorzien van de locatiecode om deze later in het labo te kunnen determineren. Het volgnummer van het herbariumspecimen wordt genoteerd op het veldformulier. Het specimen wordt best uit de zon, en zo koel mogelijk gehouden na verzamelen en tijdens transport. Achteraf kan dit nog enkele dagen in de koelkast worden bewaard alvorens gedetermineerd of gefixeerd te worden. 22
8.1.4.2. Bedekking van groepen van soorten Sleutelsoorten: de bedekking van sleutelsoorten per habitattype wordt individueel ingeschat volgens de Tansley-schaal (Tabel 8.1). De totale bedekking (%) van alle sleutelsoorten samen wordt eveneens genoteerd. Voor habitattype 2190_a worden sleutelsoorten onderverdeeld in hydrofyten en niet-hydrofyten. Voor habitattype 3140 wordt aangegeven of de kranswiervelden bestaan uit meer of minder dan de helft uit sleutelsoorten (op basis van bedekking). Bedekking verstoringsindicatoren: Het percentage verstoringsindicatoren (eutrofiëringsindicatoren, verzuring en invasieve exoten) wordt ingeschat als oppervlaktepercentage, oftewel de projectie t.o.v. het volledige wateroppervlak. Voor habitattype 2190_a wordt de kroosbedekking (%) genoteerd als eutrofiëringsindicator. Indien verschillende habitattypen en/of subtypen voorkomen, wordt voor elk van de typen de verstoringspercentages op plasniveau ingeschat. Voor bijvoorbeeld de gezamenlijke aanwezigheid van habitattypen 3130_na als 3130_aom in een plas, worden eutrofiëringspercentages voor beide subtypes op de volledige plas ingeschat. Voor habitattype 2190_a wordt het percentage van verschillende vegetatielagen ingeschat: • (bodemwortelende) Submerse vegetatie: procentuele oppervlakte van de plas bedekt met ondergedoken en wortelende vegetatie; dit is inclusief Ceratophyllum en exclusief Utricularia. • Kranswieren: oppervlakte van de plas bedekt met Characeae. Opgelet, deze zijn ook vervat in het percentage submerse vegetatie, dus het percentage submerse vegetatie is steeds groter dan of gelijk aan het percentage kranswieren. • Overhangende bomen en struiken: dit is de som van de oppervlakten van het wateroppervlak en de langdurig geïnundeerde oever dat beschaduwd wordt door overhangende bomen/struiken, dus deze die zich niet in de plas bevinden. Bij het bepalen van de beschaduwing wordt een verticale projectie van de overhangende boom/struiken gebruikt. Dit geeft een indicatie van slechte lichtomstandigheden in het water, en daardoor vegetatiegroei belemmert. • Bomen en struiken: percentage bedekking van het wateroppervlak en de langdurig geïnundeerde oever met bomen of struiken; enkel deze die zich in de plas bevinden of die in de geïnundeerde oever wortelen. Dit is een indicatie van successie. 8.1.4.3. Structuurkenmerken Verticale structuur 23
De verticale structuur brengt de successie in rekening. Een overmatige aanwezigheid van hoger groeiende, meer concurrentiekrachtige planten bemoeilijkt de groei van de kenmerkende isoëtiden en dwergbiezen: • Isoëtiden: Voor habitattype 3110 wordt de bedekking van isoëtiden versus andere groeivormen genoteerd, oftewel door een Tansley-inschatting per groep te noteren of door aan te kruisen of het aandeel isoëtiden groter of kleiner is dan de andere groeivormen. • ‘Opgaande’ soorten: voor habitattype 3130_na wordt de overgroeiing van de vegetatievlekken (definitie: zie verder) door hoger groeiende niet-sleutelsoorten ingeschat. Dit is de vegetatie hoger dan 15 cm en kan naast helofyten ook bestaan uit submerse vegetatie die zorgt voor concurrentie. Een overdadige ontwikkeling van helofyten zorgt voor concurrentie voor licht en ruimte, waardoor de groei van ondergedoken en drijvende vegetatie wordt bemoeilijkt. De bedekking van helofyten (exclusief sleutelsoorten) wordt als percentage ingeschat bij habitattype 3130_aom, 3140 en 3150; hierbij wordt dit percentage ingeschat op plasniveau; m.n. % bedekking ten opzichte van het wateroppervlak. Ook bij habitattype 2190_a komt dit aan bod als de bedekking van robuuste monocotylen. Horizontale structuur Bij de horizontale structuur wordt beoordeeld of de typische vegetaties voldoende groot zijn, de zogenaamde vegetatievlekken die voornamelijk bestaan uit sleutelsoorten. De omschrijving van de term vegetatievlek verschilt per habitattype: • 3110: > of = 4 exemplaren van sleutelsoorten per m2of 4 exemplaren staan op maximum 0,5 m van elkaar; • 3130_aom en 3130_na: ijle tot dichte vegetaties waarin sleutelsoorten meer bedekken dan andere soorten; • 3140: kranswiervelden of dichte vegetaties, voor meer dan ¾bestaande uit kranswieren (zowel sleutelssoorten als overige kranswieren); •3150: vegetaties waarin sleutelsoorten meer bedekken dan andere soorten. Tijdens het waden wordt de grootte van deze vegetatievlekken ingeschat. Er wordt van twee vegetatievlekken gesproken indien de afstand tussen beide minstens 2 meter bedraagt. Er is geen minimum-oppervlakte om van een vegetatievlek te kunnen spreken. Wanneer de sleutelsoorten zeer schaars aanwezig zijn en er slechts enkele exemplaren worden aangetroffen, wordt dit als een vegetatievlek van de laagste grootteklasse gerekend. De oppervlakteklasse van de grootste aaneengesloten vegetatievlek wordt aangekruist op het veldformulier. Bij de doorgaans schaarse vegetaties van habitattype 3160 wordt dit criterium beoordeeld door de ruimtelijke samenhang met het hydrologisch samenhangende successiestadium ‘oligotroof en zuur overgangsveen’ (habitattype 7140_ oli) te beoordelen. De aanof afwezigheid van de aanpalende habitatvlekken van 24
het habitattype 7140_oli wordt aangekruist op het veldformulier. Voor een beschrijving van dit habitattype wordt verwezen naar Decleer (2007). 8.1.5. Algemene standplaatskenmerken 8.1.5.1. Waterpeil Waterpeil: Een afwijkend waterpeil wordt genoteerd. Bij een uitzonderlijk hoog waterpeil wordt afgeraden om de screening uit te voeren, enerzijds omwille van veiligheid en anderzijds vanwege het beperkt doorzicht dat meestal gepaard gaat met een uitzonderlijk hoog waterpeil. Schommeling winter/zomer: de schommeling tussen winteren zomerwaterpeil wordt ingeschat door de vegetatie en structuurkenmerken van de oeverzone net boven het waterpeil te beoordelen. De screening vindt plaats tijdens het seizoen wanneer het waterpeil doorgaans het laagst staat. Aan de oeverzijde kan ingeschat worden hoeveel hoger het winterpeil is. Permanentie: Voor habitattype 2190_a wordt aangekruist of de plas permanent water bevat of niet. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen: permanent waterhoudend (nooit droogvallend), semi-permanent (soms droogvallend) of periodiek droogvallend (jaarlijks droogvallend). 8.1.5.2. Maximale waterdiepte De maximale waterdiepte wordt bepaald door middel van een plooimeter, de sonar of de lengteaanduiding op het koord van de dreghark. De diepteklasse van deze maximale waterdiepte wordt vervolgens aangekruist op het veldformulier. 8.1.5.3. Helderheid van de waterkolom Indien er geen bodemzicht is, wordt de secchi-diepte bepaald. De schijf wordt langzaam in het water gelaten en de diepte waarop het onderscheid tussen de witte en de zwarte vlakken niet meer zichtbaar is, wordt afgelezen van de maatverdeling op het touw. Dit wordt enkele malen herhaald. Indien de schijf tot op de bodem zichtbaar is, wordt de waterdiepte van de meetplaats genoteerd als secchi-diepte. De meting van de secchi-diepte dient - indien mogelijk - op het diepste punt van de plas uitgevoerd te worden. Zie ook protocol sfp-113-nl 2023.04. 25
A. Bijlage 1: Determinatiewerken A.1. Algemene flora’s •Duistermaat L. (2020) Heukels’ Flora van Nederland. (24ste editie) Naturalis/Noordhoff ISBN 97890-01-58956-1 •Eggelte H. (2000) Veldgids Nederlandse Flora. KNNV. ISBN 90 5011 135 1. • Verloove, Filip & Van Rossum, Fabienne. (2023). Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten) (fourth Dutch edition, 2023). Agentschap Plantentuin Meise. •Rich T.C.G. & Jermy A.C. (1998) Plant Crib. Botanic Society of British Isles. ISBN 0 901158 28 3. •Rothmaler, W. (1994) Exkursionsflora von Deutschland, Gefässpflanzen: Atlasband 3. Gustav Fischer. ISBN 3-334-60829-8. • Schou J.C., Moeslund B., van de Weyer K., Lansdown R.V., Wiegleb G., Holm P., Baastrup-Spohr L. & K. Sand-Jensen (2023) Aquatic Plants of Northern and Central Europe including Britain and Ireland. WILDGuides ISBN 9780691251011 A.2. Geïllustreerde flora’s •Blaymey M., Grey-Wilson C. (1989) Geïllustreerde Flora . Thieme. ISBN 90 5210 059 4. • Weeda & Westra (1994) De Nederlansde oecologische flora 1-5. KNNV. ISBN 90 5011 129 7. 32
A.3. Atlas • Van Landuyt W. et al. (2006) Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brusselse Gewest. Nationale plantentuin van België. ISBN90 726 1968 4. A.4. Herkenning van wateren/of oeverplanten • Haslam et al. (1987) British Water Plants. FSC Publications. ISBN 1 85153 107 3. • Hoogers et al. (1983) Herkenning van de voornaamste wateren oeverplanten in vegetatieve toestand. Pudoc, Wageningen. ISBN 90 220 0833 9. • Meriaux et al. (s.d.) Guide pratique de détermination des plantes aquatiques à l’état vegetatif du bassin Artois-Picardie. Agence de l’eau. •Orton et al. (2000) zoekkaart algemeen voorkomende waterplanten. AMINAL. •Preston C.D. (2001) Aquatic plants in Britain and Ireland. BSBI. ISBN 0 946589 69 0. •Roelf Pot (2002) Veldgids Wateren oeverplanten. KNNV. ISBN90 5011 151 3. • van de Wijer, Schmidt, Kreimeier, Wassong (2018) Fachbeiträge des LfU Heft Nr. 119. Bestimmungsschlüssel für die aquatischen Makrophyten (Gefässpflanzen, Armleuchteralgen und Moose) in Deutschland. Ministerium für Ländliche Entwicklung, Umwelt und Landwirtschaft des Landes Brandenburg. A.5. Gerichte determinatiewerken •Aichele & Schwegler (2002) Grassengids. Tirion. ISBN 90-5210-467-0. • Bruinsma et al. (2018) Determinatietabel van kranswieren van de Benelux. Stichting Jeugdbondsuitgeverij. ISBN 978 90 5107 060 6. • Fitter et al. (1984) Grasses, sedges, rushes and ferns of Britain and Northern Europe. Collings. ISBN 0 670 80688 9. •Hermans et al. (1988) Zeggen van Limburg. KNNV. ISBN 90 5011 020 7. •Hubbard (1992) Grasses. Penguin. ISBN 0-14-013227-9. •Krause W. (1997) Susswasserflora van Mitteleuropa, 18 Charales (Charophyceae). Gustav Fischer. ISBN 3-437-25056-6. 33
•Lansdown, R.V. (2008) Water Starworts: Callitriche of Europe. BSBI. ISBN 978 09 011 583 69. • Maier E.X., Bruinsma J. et al. (1998) Handboek Kranswieren. Charaboek Hilversum. • Moore (2005) Charophytes of Great-Britain and Ireland. BSBI. ISBN090115816X. • Muller et al. (2006) Plantes invasives en France . Museum Histoire Naturelle. ISBN 2856535704. • Philips et al. (1980) Grassen, varens, mossen en korstmossen. Centraal Boekhuis. ISBN 90-274-4579-6. •Preston C.D. (1995) Pondweeds of Great Britain and Ireland. BSBI. ISBN 0 901158 24 0. •Schotsman D.H. (1967) Les Callitriches. Lechevalier. •Urbaniak J., Gabka M. (2014) Polish charophytes. An illustrated guide to identification.. Wydawnictwo Uniwersytetu Przyrodniczego we Wrocławiu. ISBN 978-83-7717-166-0. • van der Ploeg (1990) De Nederlandse breedbladige fonteinkruiden. KNNV. ISBN 90 5011 036 3. • van Wijk (1986) De smalbladige fonteinkruidsoorten in Nederland, herkenning en oecologie. KNNV. • Schubert H., Blindow I., Nat E., Korsch H., Gregor T., Denys L., Stewart N., van de Weyer K., Romanov R., Casanova M.T. (2024). Charophytes of Europe. ISBN : 978-3-031-31897-9. A.6. Artikels •Denys L., Packet J., Van Landuyt W. (2004) Neofyten in het Vlaamse water: signalement van vaste waarden en rijzende sterren. Natuur.focus. •Van Landuyt W. (2007) Herkenning van de vier in België voorkomende drijvende Lemna-soorten. Dumortiera. 34
B. Bijlage 2: Veldformulier habitattype 2190_a PDF Veldformulier habitattype 2190_a 35
C. Bijlage 3: Veldformulier habitattype 3110 PDF Veldformulier habitattype 3110 36
D. Bijlage 4: Veldformulier habitattype 3130_aom PDF Veldformulier habitattype 3130_aom 37
E. Bijlage 5: Veldformulier habitattype 3130_na PDF Veldformulier habitattype 3130_na 38
F. Bijlage 6: Veldformulier habitattype 3140 PDF Veldformulier habitattype 3140 39
G. Bijlage 7: Veldformulier habitattype 3150 PDF Veldformulier habitattype 3150 40
H. Bijlage 8: Veldformulier habitattype 3160 PDF Veldformulier habitattype 3160 41