Circulaire economie in de praktijk: lessen voor starten en opschalen
Abstract
Bij zeven bedrijven is, op basis van een literatuuronderzoek, nagegaan wat de invloed van circulaire initiatieven is op het bedrijfsmodel, welke barrières voor het schalen van een circulair initiatief worden ervaren en op welke wijzen de organisaties met deze obstakels zijn omgegaan. De lessen van deze organisaties zijn onder andere: een combinatie van bedrijfsmodellen, bijvoorbeeld pay-per-use en direct sale, kan noodzakelijk zijn. Het opstellen van een separaat bedrijfsmodel voor het circulaire initiatief waarbij de businesscase positief moet zijn, is nodig. Een korte doorlooptijd van ontwikkeling is van belang en dit betekent starten met pilots en 'minimum viable products'.
Full text
Circulaire economie in de praktijk: lessen voor starten en opschalen Brigit Verschuren, Arco van de Ven Received 15 May 2024 | Accepted 16 April 2025 | Published 8 December 2025 Samenvatting Bij zeven bedrijven is, op basis van een literatuuronderzoek, nagegaan wat de invloed van circulaire initiatieven is op het bedrijfsmodel, welke barrières voor het schalen van een circulair initiatief worden ervaren en op welke wijzen de organisaties met deze obstakels zijn omgegaan. De lessen van deze organisaties zijn onder andere: een combinatie van bedrijfsmodellen, bijvoorbeeld pay-per-use en direct sale, kan noodzakelijk zijn. Het opstellen van een separaat bedrijfsmodel voor het circulaire initiatief waarbij de businesscase positief moet zijn, is nodig. Een korte doorlooptijd van ontwikkeling is van belang en dit betekent starten met pilots en ‘minimum viable products’. Relevantie voor de praktijk Dit artikel laat op basis van zeven circulaire initiatieven met verschillende organisaties zien welke problemen zij hebben ervaren bij het starten en schalen van deze initiatieven en welke lessen hieruit te trekken zijn. Trefwoorden ESG, circulariteit, barrières circulariteit 1. Inleiding Duurzaamheid speelt een steeds belangrijkere rol in de strategievorming van organisaties (Scheepens et al. 2022). Naast dat veel organisaties dit als onderdeel van hun wezen, hun “purpose”, zien (Gulati 2022), dwingt weten regelgeving organisaties steeds vaker om doelstellingen op het gebied van duurzaamheid te formuleren en hierover te rapporteren. Onderdeel van het duurzaamheidsvraagstuk is het kunnen voldoen aan de klimaatdoelstellingen. Een belangrijke manier om aan de E (van Environmental, Social en Governance) invulling te geven is het hergebruik van materialen, het streven naar een zogenoemde circulaire economie. Binnen de circulaire economie gaat het over het efficiënt omgaan met materialen en grondstoffen door middel van hergebruik. Inmiddels is de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) ingevoerd1 en ook verplicht gesteld voor niet beursgenoteerde ondernemingen, wat standaarden met betrekking tot circulariteit en duurzaamheid meer op de agenda van bedrijven zet (De Angelis 2021). Om ook echt een positieve impact te genereren moeten bedrijven circulariteit integreren in de bedrijfsvoering. In nadere uitwerking van CSRD in de European Sustainability Reporting Standards wordt het onderwerp circulaire economie uitgewerkt in zogenoemde datapunten over het gebruik en hergebruik en de mate van afval van resources (EFRAG 2023). Het Planbureau voor de Leefomgeving (Hanemaaijer et al. 2023) spreekt van een toenemende urgentie van de grondstoffenproblematiek. De versnelling van de transitie naar een circulaire economie is nog niet zichtbaar en dat is zorgelijk. Mishra et al. (2022, p. 1002) geven aan dat er maar beperkt onderzoek is gedaan naar de financiële Copyright Brigit Verschuren, Arco van de Ven. This is an open access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License (CC-BY-NC-ND 4.0), which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium, provided the original author and source are credited. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(6) (2025): 379–392 DOI 10.5117/mab.99.127586 Research Article
https://mab-online.nl Brigit Verschuren, Arco van de Ven: Circulaire economie in de praktijk: lessen voor starten en opschalen 380 en operationele impact op organisatieniveau. Inzicht in ervaringen van knelpunten in de praktijk bij het opstarten en opschalen van circulaire initiatieven kan behulpzaam zijn bij het versnellen van deze transitie. In dit artikel wordt besproken en geanalyseerd hoe zeven bedrijven in Nederland zijn omgegaan met het starten en schalen van circulaire initiatieven en welke lessen hieruit zijn te trekken. Allereerst zal op basis van een literatuuronderzoek worden ingegaan op de invloed van circulaire initiatieven op het bedrijfsmodel en de barrières die mogelijk hierbij een rol spelen. In paragraaf drie wordt ingegaan op de methodiek van het empirisch onderzoek en in paragraaf vier worden de resultaten besproken. Het artikel sluit af met een concluderende paragraaf. 2. Literatuuronderzoek 2.1. Circulariteit Discussies over circulariteit, het hergebruik van grondstoffen en het niet meer bestaan van afval, hebben geleid tot de term circulaire economie. Volgens Murray et al. (2017) is dit begrip gecreëerd als een tegenhanger van de bekende lineaire economie, die wordt gedefinieerd als het omzetten van natuurlijke bronnen via een productielijn naar uiteindelijk afval. Circulaire economie blijft een heel breed begrip. Murray et al. (2017) geven aan dat de circulaire economie een term is voor alles wat wordt gedaan om minder materialen te gebruiken, om materialen te hergebruiken en om materialen te recyclen. Dit geldt voor alle processen binnen de economie, dus zowel binnen de productie, de consumptie als de distributie. 2.2. Bedrijfsmodellen Vanuit het begrip van circulariteit en de circulaire economie ontstaat de vertaling naar het toepassen van de circulaire concepten voor de bedrijfsvoering in organisaties. Bocken et al. (2018) laten zien dat ten opzichte van het conventionele bedrijfsmodel een aantal extra aspecten nodig zijn om het gehele circulaire programma te kunnen overzien. Zo moet de impact van het bedrijfsmodel op de aspecten planet en people worden toegevoegd aan de financiële waardepropositie. Hiermee wordt de waardepropositie niet meer alleen financieel gedreven. Vervolgens moeten ook de retourstromen worden toegevoegd aan de kostenen opbrengstenstromen om inzichtelijk te krijgen hoe het bedrijfsmodel er zal uitzien als de producten weer terugkomen. De hoge mate van onzekerheid over de ontwikkelingen in de tijd maakt het ook nodig dat er bedrijfsmodellen per levenscyclus van het product worden gemaakt (Nußholz 2018). Bedrijfsmodellen waarbij de effecten van circulariteit per levensfase worden meegenomen helpen in het inzichtelijk, begrijpelijk en betrouwbaar maken van de effecten van de circulaire initiatieven voor bedrijven en voor hun geldverstrekkers. 2.3. Barrières bij het starten en schalen van circulaire initiatieven Het inzichtelijk maken van de bedrijfsmodellen zegt nog niks over problemen die zich kunnen voordoen bij het starten en schalen van circulaire initiatieven. In de literatuur worden knelpunten die de transitie binnen organisaties kunnen belemmeren barrières genoemd. Drie verschillende barrières worden in de literatuur onderkend in het kader van het starten of schalen van een circulair initiatief: knelpunten met betrekking tot de financiering, obstakels met betrekking tot noodzakelijk te veranderen beheersingsmechanismen (management control), en tot slot barrières die van buiten de grenzen van de organisatie komen zoals institutionele barrières, maatschappelijke barrières en infrastructurele en technologische barrières. 2.3.1. Barrières in relatie tot financiering Vermunt et al. (2019) geven aan dat de financiële barrières gelinkt zijn aan gebrek aan financiële middelen, hoge initiële investeringskosten en hogere kosten van het nieuwe bedrijfsmodel. Deze hogere kosten zijn gerelateerd aan het complexere bedrijfsmodel en de onzekerheid over het verdere verloop van het initiatief tijdens de levenscyclus. Ook Masi et al. (2018) geven aan dat er dergelijke financiële barrières zijn. Zo zijn er grote investeringen nodig voor het ontwikkelen van de producten en zijn niet alle negatieve maatschappelijke effecten, zoals CO2-kosten, onderdeel van de kostprijs van de bestaande producten waartegen het initiatief moet concurreren. Dit betekent dat de kostprijs van producten met gerecyclede materialen vaak hoger is dan van producten met “virgin” materialen. Om de barrières te overkomen die gerelateerd zijn aan de financiering, geven Bocken et al. (2018) aan dat er bij circulaire bedrijfsmodellen vaak een verschuiving is te zien in de wijze van betaling voor de producten of diensten. In plaats van het verkopen van het circulaire product wordt het gebruik van het product in rekening gebracht. In concepten zoals “pay per use (PPU)” of “product as a service (PAAS)” hoeft een gebruiker geen eigenaar te worden, maar betaalt de gebruiker alleen voor het gebruik. Voor de organisatie die de circulaire initiatieven ontplooit, leidt dit echter wel tot langere terugverdientijden en een hogere mate van onzekerheid over de mate van gebruik van de diensten en daarmee van de toekomstige opbrengsten. Hierdoor ontstaat een hogere en minder voorspelbare financieringsbehoefte. Met betrekking tot de kosten concluderen Sandberg and Hultberg (2021) dat circulaire bedrijfsmodellen vaak gekarakteriseerd worden door complexere routes, producten en onzekerheden in de logistieke keten bij het opschalen van de activiteiten. Dat zorgt ervoor dat de traditionele aannames in de economie van schaalvoordelen uitdagender zijn voor dit soort type bedrijven. Dit kan eveneens leiden tot een langere terugverdientijd.
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(6): 379–392 https://mab-online.nl 381 Aboulamer et al. (2020) geven aan dat ondanks het gegeven dat private investeerders vaker kijken naar drie duurzaamheidspijlers (ecologisch, sociaal en economisch), de financiële implicaties nog steeds doorslaggevend zijn. Investeerders zien barrières om te financieren doordat: • de complexiteit van het bedrijfsmodel is vergroot (meer partners, meer cycli, meer samenwerking in de keten); • er een gebrek aan data is voor investeerders; zij kunnen geen vergelijking maken met andere initiatieven, omdat die er nog veel te weinig zijn; • het lastig is om de betrouwbaarheid van het model in te schatten. De waarde, timing en zekerheid van de retourstroom zijn niet gemakkelijk te bepalen; • de belangrijkste assets van een circulair bedrijf de immateriële vaste activa zijn (Aboulamer et al. 2020). Dit terwijl investeerders juist waarde hechten aan materiële activa; • een circulair bedrijfsmodel vaak meer tijd nodig heeft om relevant en winstgevend te worden, terwijl investeerders veelal een tijdshorizon hebben van vijf tot zeven jaar. Door deze barrières is het voor investeerders lastig om de waarde te bepalen van circulaire bedrijfsmodellen, wat leidt tot het niet verstrekken van financiering of tot het vragen van een hogere risico-opslag. Svensson and Funck (2019) benoemen daarnaast de beoordelingsbias (betrouwbaarheid) als een probleem bij het honoreren van investeringsaanvragen. Het probleem komt naar voren in cost accounting en in het beoordelen van investeringsaanvragen. De methodes voor cost accounting van vandaag zijn gebaseerd op een lineair gedachtegoed, wat het lastig maakt om te bepalen hoe de kosten en de waarde moeten worden bepaald van de materialen die worden gerecycled. En daarbij moet ook worden meegenomen dat er geen duidelijkheid is over hoe vaak je de cirkel van hergebruik mee kunt tellen. 2.3.2. Barrières in relatie tot management control Svensson and Funck (2019) onderzochten in hoeverre de management control verandert wanneer er circulaire bedrijfsmodellen ingezet worden. Ze tonen aan dat cultural controls erg belangrijk zijn en dat het van groot belang is om de normen en waarden rondom circulariteit uit te dragen en te communiceren. Op deze manier kunnen ze ervoor zorgen dat de medewerkers ook intrinsiek de cultuur van de circulaire economie gaan doorleven. Ze geven ook aan dat langetermijnplanning en de vertaling naar werkplannen veranderen omdat de strategische doelen veranderen. Daarnaast verandert ook de manier van het maken van budgetten, komen er nieuwe KPI’s en in sommige gevallen worden beloningen veranderd. Svensson and Funck (2019) concluderen dat wanneer er organisatiebreed circulaire bedrijfsmodellen worden geïntroduceerd, dit impact zou moeten hebben op het gehele systeem van management control; zowel op cultural controls als op formal controls. 2.3.3. Barrières buiten directe invloed van de organisatie Met betrekking tot de classificatie van barrières wordt aangesloten bij de taxonomie van Masi et al. (2018). Zij onderscheiden institutionele, infrastructurele, maatschappelijke en technologische barrières die bedrijven bij circulaire initiatieven kunnen ervaren. Ook in de studie van Vermunt et al. (2019) worden dezelfde barrières benoemd, maar in een iets andere classificatie. Institutionele barrières In de institutionele theorievorming worden instituties omschreven als de ‘rules of the game’. Deze breed geaccepteerde gedragsregels zijn bepalend in de omgang tussen individuen en organisaties (Nabielek et al. 2022:13). Bij veranderd beleid zijn deze instituties, gedragsregels, vaak lastig te veranderen. De institutionele barrières worden door Masi et al. (2018) ingedeeld in de volgende specifieke knelpunten: • Ongelijk speelveld dat in stand wordt gehouden door huidige marktpartijen. • Subsidieregelgeving die de lineaire economie ondersteunt. • Mededingingswetgeving die noodzakelijke samenwerking in het ecosysteem verhindert. • Circulariteit is niet effectief opgenomen in innovatiebeleid van de overheid. • Beleid rondom recycling is ineffectief om hoogwaardige kwaliteit van hergebruikte producten te garanderen. • Governanceproblemen rondom eigenaarschap, verantwoordelijkheden en mogelijke verplichtingen. Infrastructurele barrières Ook kunnen er knelpunten in de aanwezige infrastructuur optreden. De huidige infrastructuur is ingericht op de lineaire economie, waarbij de volgende knelpunten worden onderkend (Masi et al. 2018): • weinig tot geen werkende voorbeelden van circulaire bedrijfsmodellen; • platformen om informatie te delen tussen verschillende stakeholders zijn schaars; • het vertrouwen in het verband met delen van gegevens is laag; • het uitwisselen van materialen is beperkt door een beperkte capaciteit waar het gaat om retourlogistiek; • beperkte heldere gestandaardiseerde kwantitatieve informatie en doelstellingen. Maatschappelijke barrières Het onderkennen van de urgentie van circulaire economie is afhankelijk van de maatschappelijke context. De volgende barrières worden hierbij onderkend:
https://mab-online.nl Brigit Verschuren, Arco van de Ven: Circulaire economie in de praktijk: lessen voor starten en opschalen 382 • De urgentie ontbreekt (soms door het ontbreken van maatschappelijke kennis). • Het Bruto Nationaal Product laat niet zien wat de voorof achteruitgang is van de maatschappij. • Tegenwerking van grote partijen die grote belangen hebben om vast te blijven houden aan de status quo. Technologische barrières Het hergebruik van materialen is afhankelijk van technische (on)mogelijkheden. Enkele technologische barrières: • Er is een beperkte aandacht voor het ontwikkelen van een oplossing voor het eind van de levensduur binnen het huidige ontwerp van de producten. • Er is een beperkte beschikbaarheid en capaciteit van recyclebaar materiaal. • Het is lastig om een verschil te maken tussen de biologische en technologische cirkel. De biologische cirkel gaat om producten creëren die biologisch afbreekbaar zijn en vaak vanuit biologische aard zijn ontwikkeld. De technologische cirkel gaat over producten die zijn gemaakt met producten die gerecyclede content hebben of recyclebaar zijn. De lineaire technologie gaat al heel lang mee en wordt daardoor door veel mensen het meest vertrouwd en dus gebruikt. Gebrek aan data en kennis leidt dan tot een barrière. Uit de literatuur is op basis van de bovenstaande onderzoeken een raamwerk afgeleid dat in het onderzoek is gehanteerd. 3. Onderzoeksmethode Het doel van dit exploratieve onderzoek was nagaan tegen welke barrières organisaties zijn aangelopen die een circulair concept in de markt hebben gelanceerd en hoe zij hiermee om zijn gegaan. Een Worldcat Virtual Library Search heeft in augustus en september 2022 plaatsgevonden naar peer-reviewed artikelen over ‘problems circular business models’ over de periode 2017–2022. Van de 441 artikelen is op basis van de samenvatting een analyse gemaakt van artikelen die zich naast het bedrijfsmodel ook toespitsten op de beperkingen/barrières. Dit heeft geleid tot zes artikelen die in het artikel zijn gebruikt en inzicht geven in welke belangrijke aspecten vanuit empirisch onderzoek het bedrijfsmodel kunnen beïnvloeden en welke mogelijke barrières het succesvol starten en schalen kunnen beïnvloeden (Figuur 1). Voor het empirisch onderzoek is gezocht naar organisaties waarvan het bekend was dat er circulaire initiatieven aanwezig waren die werden opgeschaald. Allereerst is met collega’s van de eerste auteur nagegaan of er dergelijke organisaties in het klantenbestand (Berkvens, Niaga en Solarge) aanwezig waren. Vervolgens is gevraagd naar bekendheid van initiatieven in relatienetwerk van het adviesbureau van de eerste auteur (Bugaboo, Auping). Tot slot is ook via het persoonlijke netwerk van de eerste auteur gezocht naar suggesties voor andere initiatieven (Bikeflip en Gulpener) die voor het onderzoek relevant konden zijn. Op basis van deze uitkomsten is via een websearch naar publicaties van de initiatieven bij de organisaties gezocht, om zo beter zicht te krijgen op de details van deze initiatieven. Ook zijn de duurzaamheidsverslagen bestudeerd, om na te gaan of deze bijvoorbeeld niet in begin van het initiatief zaten, maar dat er recent pogingen tot het Figuur 1. Conceptueel raamwerk met betrekking tot de invloed en barrières van circulaire initiatieven.
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(6): 379–392 https://mab-online.nl 383 opschalen hadden plaatsgevonden. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de bovengenoemde zeven initiatieven die zijn benaderd voor het onderzoek. Naast het bestuderen van de duurzaamheidsverslagen zijn interviews afgenomen met leden van het managementteam die direct betrokken waren bij de ontwikkeling en implementatie van het circulaire initiatief (1 CEO, 2 CFO’s, 1 Co-founder, 1 Productmanager duurzaamheid, 1 Business development directeur en 1 Directeur sustainability & innovation). De initiatieven van de zeven organisaties verschillen in de wijzen waarop circulariteit wordt nagestreefd, door: 1. Het aanbieden van nieuwe circulaire producten. • Bugaboo is een bedrijf dat kinderwagens verkoopt en heeft een grote ambitie om net-zero te zijn in 2035. Ze proberen verschillende bedrijfsmodellen uit om kinderwagens langer mee te laten gaan, zoals refurbishment, lease van kinderwagens en een nieuwe service met het terugkopen van kinderwagens. • Bikeflip is opgericht in 2020 en heeft een concept van kinderfietsen opkopen en opknappen en via een kinderfietsabonnement aanbieden. 2. Het circulair(der) maken van de bestaande producten. • Solarge maakt recyclebare zonnepanelen die 50% lichter zijn en 80% minder CO2-uitstoot hebben dan conventionele panelen en 100% PFAS-vrij zijn. • Berkvens ambieert een toekomstige deurencollectie waarin deuren geen afval meer worden, geen uitstoot meer hebben en waarbij alle grondstoffen bestaan uit materialen zonder toegevoegde zeer zorgwekkende stoffen. • Auping streeft een duurzame wereld na, waarin niks wordt verspild en alles wordt hergebruikt. Zij zijn gestart met de introductie van circulaire matrassen in 2018. • Niaga levert technologie om circulaire oplossingen te maken in de applicaties panelen, matrassen en tapijten. Met materiaalkennis, applicatiekennis en een specifieke lijm (adhesive) hebben ze de technologie ontwikkeld waarmee klanten circulaire producten kunnen maken. 3. Het meer circulair maken van het productieproces van een bestaand product: • Gulpener Bierbouwerij heeft de ambitie een duurzame vrije brouwer te zijn. Circulariteit is geen losstaande activiteit, maar een integraal onderdeel van de bierbrouwerij. Ook op andere aspecten zijn er verschillen tussen de organisaties te onderkennen. Auping, Berkvens en Gulpener zijn familiebedrijven met een rijke historie van respectievelijk 90 jaar (Berkvens) en meer dan tweehonderd jaar (1888 Auping en 1825 Gulpener). Daarnaast zijn er ook relatief jonge organisaties: Solarge (2018), Bikeflip (2019) en Bugaboo (1999). Niaga is ook een jong bedrijf, dat nu een onderdeel is van het Duitse chemieconcern Covestro en in 2014 in samenwerking met DSM startte met de genoemde technologie van circulaire oplossingen. In de semigestructureerde gesprekken, die begin 2023 zijn gehouden, zijn deze aspecten in het kader van het circulaire initiatief van de organisatie ter sprake gebracht. De interviews zijn gestart met vragen over de uitleg van het circulaire initiatief en vervolgens zijn de verschillende thema’s uit het conceptuele raamwerk ter sprake gebracht; aanpassing van het bedrijfsmodel, verandering in de beheersing en de ondervonden barrières. Alle gesprekken zijn getranscribeerd en gecodeerd op basis van de codes die zijn afgeleid uit het literatuuronderzoek. Het overzicht van deze codes en de referenties naar de literatuur is opgenomen in Bijlage 1. 4. Resultaten 4.1. Bedrijfsmodellen Uit de gesprekken komt naar voren dat de introductie van een circulair initiatief (veel) meer is dan het bedenken en lanceren van een nieuw product of dienst. Bij alle organisaties blijkt het ecosysteem een centrale rol te spelen en nodig te zijn om op de lange termijn succesvol te zijn. Het ontwikkelen van dit ecosysteem vergt veel tijd en aandacht, en betekent voor de organisaties vaak een toenemende complexiteit en onvoorspelbaarheid. Bij Gulpener valt dit mee, omdat de verbeteringen zijn gericht op circulariteit in het bestaande proces waarbij het huidige ecosysteem verder benut en uitgebreid wordt. Bij het aanbieden van nieuwe circulaire producten, zoals bij Bugaboo en Bikeflip, is de onzekerheid het grootst. De markt vraagt om bewijs dat de keten ook echt gesloten kan worden, en dat moet worden aangetoond met – en aan – nieuwe partners in de keten. Zonder dit bewijs geven de organisaties aan dat klanten niet willen overstappen naar nieuwe circulaire technologie. Dit zorgt voor een dilemma bij de organisaties, want er is ook urgentie om met een minimum viable product (MVP) zo snel mogelijk op de markt te komen. Een MVP is een versie van het product dat het mogelijk maakt om een bouw-meten-leren loop te creëren met een minimale doorlooptijd voor het ontwikkelen van het product (Ries 2011, Part Two). Om de toenemende complexiteit behandelbaar te maken, knippen de bedrijven het bedrijfsmodel op tussen de eerste productie en verkopen van het circulaire product en de retourstromen. Bij alle bedrijven zijn nieuwe bedrijfsmodellen in de maak of getoetst, maar bij allemaal zijn daarnaast ook direct inkomsten nodig om het initiatief levensvatbaar te houden. Vaak gebeurt dit door een combinatie te zoeken met direct sales. Bij vijf van de zeven bedrijven wordt geprobeerd om de retourstromen van de toekomst vandaag al direct winstgevend te maken. Hier worden separate modellen voor gemaakt en men realiseert zich dat de retourstroom een bedrijfsmodel op zichzelf moet gaan worden. De organisaties geven aan dat dit gepaard
https://mab-online.nl Brigit Verschuren, Arco van de Ven: Circulaire economie in de praktijk: lessen voor starten en opschalen 384 gaat met onzekerheid over de potentiële waarde van de retourstromen. De kosten van recycling op schaal en de onduidelijkheid over timing van de retourstroom spelen hierbij een belangrijke rol. Bij de andere twee organisaties, Gulpener en Bikeflip, is er geen sprake van een direct retourproduct, maar betreft het circulariteit van het proces en het hergebruik van fietsen van andere leveranciers. De circulaire initiatieven die gericht zijn op het verbeteren van bestaande producten of het proces houden vast aan de directe verkoop van het product. Bij Berkvens, het initiatief van circulaire deuren, zijn er wel andere bedrijfsmodellen onderzocht. Maar in de Business to Business (B2B)-markt is de gebruiker een andere partij dan de koper van de deuren, hetgeen een ‘pay per use’ lastig maakt. De klant van Berkvens, de aannemer, werkt met een direct salesmodel voor hun klanten, hetgeen een ander salesmodel zeer lastig maakt. Bugaboo en Bikeflip, die inzetten op refurbish producten, beproeven wel concepten waarbij voor het gebruik betaald moet worden. Zo is Bugaboo naast de running business die ze hebben, gestart met een leaseconcept via een pilot. Bij Bikeflip is de basis van het bedrijfsmodel “product as a service” (fietsabonnement voor kinderen). Auping heeft een succesvol leaseconcept in de markt gezet, maar de financieringsbehoefte en het kredietrisico bleken achteraf te hoog. Het onderzoek laat zien dat in de case-organisaties meerdere bedrijfsmodellen worden gebruikt en dat de bedrijven ook per onderdeel van de levenscyclus verschillende modellen maken. Er komt duidelijk naar voren dat de ini tiële productintroductie van een circulair concept op zichzelf winstgevend moet zijn om de introductie te laten slagen. Het direct meerekenen van een eventuele opbrengst van de retourstroom wordt niet gedaan bij de initiële productintroductie maar wordt wel gemodelleerd. De retourstroom wordt in veel van de gevallen gezien als een apart bedrijfsmodel. De complexiteit voor de organisaties is vergroot in het aantal verschillende bedrijfsmodellen dat toegepast wordt, maar door het knippen van de bedrijfsmodellen per onderdeel van de levenscyclus van het product wordt deze complexiteit behapbaar. Ook geven de organisaties aan dat – om de onzekerheid te beperken – het noodzakelijk is om zo spoedig mogelijk het initiatief in de markt te testen. De wijze waarop dit gebeurt verschilt onderling sterk. Bij Bugaboo gebeurt dit via een minimum viable product. Auping heeft sneller een product op de markt kunnen brengen door het circulaire initiatief onder een andere naam te lanceren en zo een reputatierisico te beperken. 4.2. Barrières 4.2.1. Financiering Wat werd bij de verschillende initiatieven onderkend met betrekking tot de in de literatuur genoemde barrières bij het financieren? Het belang van de aantoonbaarheid van winstgevendheid van de circulaire initiatieven blijkt uit de gehouden interviews. Met betrekking tot de onzekerheden in het bespreken van de businesscase met financiers kwamen de volgende aspecten naar voren: • De complexiteit van het bedrijfsmodel is vergoot. De hogere complexiteit van het bedrijfsmodel blijkt uit de noodzakelijkheid van het opzetten van een ecosysteem met diverse partners, wat een langere en minder voorspelbare doorlooptijd impliceert. • Gebrek aan vergelijkbare bedrijven met financiering. Als barrière wordt vergelijkbaarheid alleen door Solarge benoemd. Solarge loopt, zo geven zij zelf aan, ‘op de troepen vooruit’ en dat geeft onzekerheid voor financiers. Doordat Solarge al eerder vreemd vermogen heeft kunnen aantrekken, is de betrouwbaarheid van Solarge als partij vergroot voor volgende financieringsrondes. • Onzekerheden met betrekking tot retourstromen. Er zijn onzekerheden als het gaat om de retourstroom, zowel bij Bugaboo, Solarge, Berkvens als Niaga. Bij allemaal is de vraag: wanneer komt het product terug en wat is de waarde van de materialen wanneer het product terugkomt? De onzekerheid hierover maakt het lastig om een businesscase of bedrijfsmodel op te bouwen voor de recyclingpropositie. Er wordt waarde gezien in het terugkrijgen van de materialen, maar het kwantificeren daarvan is lastig. Bij zonnepanelen zit hier nog een extra complicerende factor bij, aangezien de technologie elk jaar 8% goedkoper en 2% efficiënter wordt, wat kan leiden tot een andere incentive qua timing om panelen toch te vervangen. Algemene conclusie is dat er geloof is dat er een business te maken is op het gebied van de retourstromen, maar door de relatief lange levensduur van de producten is de inschatting hoe dat er precies uit gaat zien vandaag heel moeilijk te maken. Het sneller op de markt brengen levert de nodige ervaringen op die gebruikt worden in de onderbouwing van de businesscase. • Bestaand systeem van risicomanagement van financiers past niet bij dit nieuwe type business. De bestaande risicomanagementsystematiek van financiers komt als een barrière naar voren bij Bikeflip, waar ze zien dat de financieringsbronnen, zoals een ontwikkelingsmaatschappij, een heel lange looptijd hebben van aanvraag tot toekenning. Terwijl deze bronnen nodig zijn om de startup-fase door te komen en te kunnen gaan schalen. Naast barrières die betrekking hebben op de onzekerheid van de businesscase worden in de literatuur ook bedrijfseconomische obstakels genoemd. • Materialen van gerecycled materiaal zijn duurder dan virgin materialen. Het probleem – van een hogere kostprijs van materialen die nodig zijn voor circulariteit ten opzichte van niet duurzame materialen – geldt specifiek bij Niaga. Daar speelt het probleem dat materialen die gemakkelijker zijn om te recyclen vaak ook duurder zijn. Als je materialen mixt, is het mogelijk om goedkopere materialen toe te voegen en zo kosten te besparen en prestaties op hetzelfde niveau te
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(6): 379–392 https://mab-online.nl 385 houden. Daarnaast neemt de vraag naar gerecyclede materialen toe, wat de prijs van gerecycled materiaal weer verhoogt. Dit maakt de businesscase voor financiering lastig. Bij de productiekosten van virgin materialen zijn de externaliteiten (zoals vervuiling en uitstoot) van de productie niet meegenomen, terwijl de kosten voor de virgin materialen zelf wel worden doorberekend. Bij Auping is juist recycling bedrijfseconomisch aantrekkelijk. Het produceren met gerecyclede matrassen is aanzienlijk voordeliger dan het produceren van matrassen met nieuwe grondstoffen. • Langere terugverdientijd door het switchen naar PAAS. Drie organisaties (Bugaboo, Bikeflip, Auping) hebben initiatieven ontplooid om naar een pay-as-aservicse (PAAS) model over te stappen en ervaren de problematiek van een langere terugverdientijd. Een langere terugverdientijd door het switchen naar PAAS komt voor bij Bugaboo en Bikeflip. Het geld moet verdiend worden over de gehele looptijd van de service, in tegenstelling tot direct sales waar de opbrengst gerealiseerd wordt bij de verkoop. Bugaboo heeft daarom naast het leaseconcept direct sales en Bikeflip heeft sociale fietsprojecten vanuit gemeenten die leiden tot een directe verkoop. Bij Berkvens is de toegevoegde waarde in verhouding tot de totale investering voor de klant gering en heeft de klant geen prikkel om te leasen in plaats van te kopen. Daarnaast is de gebruiker weer een andere partij dan de klant van Berkvens. Daarom is een PAAS-oplossing moeilijk implementeerbaar. Bij Auping was er sprake van een te succesvol leaseconcept. Het leaseconcept is gestopt, omdat de uitstaande consumentenfinanciering problematisch werd. Naast de langere terugverdientijd en extra financieringsbehoefte was er ook sprake van een toegenomen kredietrisico dat een rol speelde bij het stoppen van het aanbieden van het leaseconcept. • Te grote investering voor productontwikkeling. Te grote investeringen als barrière tot het schalen komen slechts bij enkele initiatieven naar voren, waarbij het initiatief betrekking had op het ciriculairder maken van een bestaand product. Bij Auping wordt een omvangrijke investering genoemd in relatie tot aanpassen van de productielijn. Ook bij Niaga wordt genoemd dat het omschakelen naar een circulair product betekent dat schonere, maar ook duurdere materialen moeten worden gebruikt, wat de variabele productkosten hoger maakt. Het overschakelen op een nieuwe technologie vergt naast de investering in apparatuur en materialen ook het leren werken met de techniek. Dit kost in eerste instantie tijd en dus geld. Bugaboo geeft juist aan dat voor hun initiatief grote investeringen vooraf niet per se nodig zijn en er gewerkt kan worden met MVP’s, waarbij snel kan worden geleerd en worden aangepast. Dan kan er een businesscase en bedrijfsmodel worden opgebouwd wat winstgevend wordt. De grote investering wordt pas gedaan wanneer er genoeg bewijs is uit de markt dat het concept werkt. 4.2.3. Barrières in relatie tot management control Het geloof dat circulariteit noodzakelijk is, speelt een belangrijke rol bij alle organisaties. Het belang van cultuur als managementcontrolmechanisme wordt in alle cases herkend. Het zoeken naar winstgevendheid, gegeven het toepassen van circulaire initiatieven, blijkt uit de gesprekken. Het belang van ‘tone at the top’ wordt door de geïnterviewde medewerkers, die tot de top van de organisatie kunnen worden gerekend, erkend. Aandeelhouders, eigenaren/ families, RVC, CEO worden allemaal benoemd als belangrijke pleitbezorgers van het circulaire gedachtegoed. In een aantal interviews worden de cultural controls zelfs benoemd als kritieke succesfactor voor het schalen van het circulaire initiatief. Dit hangt ook samen met het gegeven dat de oorsprong van de circulaire initiatieven soms uit frustratie is ontstaan. Bij Bikeflip bijvoorbeeld ontstond er frustratie over het feit dat de 3.8 miljoen gebruikte fietsen die over zijn (nog goed zijn), wel worden weggegooid. Duurzaamheid en de wens tot circulariteit zit in het DNA van veel van de cases. Aanpassingen op – en belemmeringen van – aanwezige formal controls, worden weinig benoemd. Bugaboo geeft ook aan dat de normale processen, gericht op de running business, niet “fit for purpose” zijn voor de circulaire initiatieven. Processen zullen dus moeten worden aangepast naar de complexere organisatie van een circulair initiatief. 4.2.4. Barrières buiten directe invloed van de organisatie 4.2.4.1. Institutionele barrières In de cases zijn de institutionele barrières hoog. Alhoewel circulariteit maatschappelijk steeds relevanter wordt gevonden en de legitimiteit hoog is, wordt er ervaren dat het financieel nog steeds aantrekkelijk is om geen “groene” keuzes te maken. De consument kiest, volgens alle bedrijven, nog steeds op prijs en als het groene alternatief duurder is, dan wordt het niet gekozen. Stimulering van circulaire initiatieven met behulp van subsidies blijft achter. Uit de initiatieven blijkt dat de praktijk en de regelgeving achterlopen en niet in lijn zijn met het overheidsbeleid om circulariteit te bevorderen of af te dwingen. Ook is er tegenwerking van grote partijen gevoeld die een belang hebben bij het handhaven van de status quo. Zo is er in de tapijtmarkt een lobby geweest voor de status quo. Ook Auping geeft aan dat er angst en weerstand is vanuit de gevestigde orde. Bij Solarge komt naar voren dat de huidige financiers van zonnepanelendaken vaak eisen rondom de financiële stabiliteit stellen. Dit wordt vertaald naar een verplichte rating die leveranciers moeten hebben. Solarge voldoet hier niet aan, wat het heel moeilijk maakt voor de eindklant om een dak te financieren met circulaire zonnepanelen van Solarge. Daardoor kiezen de gebouweigenaren voor andere producenten die geen circulair of een low-carbon alternatief hebben, maar wel een triple A-status. Dit kan worden gezien als een vorm van ‘coercive isomorphism’;
https://mab-online.nl Brigit Verschuren, Arco van de Ven: Circulaire economie in de praktijk: lessen voor starten en opschalen 386 dwang om gelijkvormige standaarden te hanteren om de legitimiteit te verhogen (DiMaggio and Powell 1983). Alhoewel de overheid circulariteit beleidsmatig wil bevorderen, wordt circulariteit in (overheids)aanbestedingen nog niet standaard als verplichting meegenomen. Er komt wel wetgeving aan (eco-design, extended producer responsibility), maar dit is een lang proces en de organisaties merkten hiervan nog weinig tot geen effect. Ook blijkt bestaande regelgeving en naleving daarvan nog vaak een probleem. Bij zonnepanelen geldt bijvoorbeeld dat een zonnepaneel wordt gezien als elektrisch apparaat, waarvoor een standaard verwijderingsbijdrage geldt. De verwijderingsbijdrage is echter zo laag dat het lang niet genoeg is om de recycling er ook mee uit te voeren. Vervolgens moet iedereen die een zonnepaneel levert lid zijn van de stichting die het retourproces faciliteert en organiseert. Echter, hierop wordt niet gehandhaafd, wat een ‘level playing field’ niet bevordert. Bij Berkvens komt naar voren dat het ontbreken van standaardisatie problematisch is. Er zijn geen standaardmaten voor deuren, hetgeen de herbruikbaarheid lastiger maakt. Ook worden er de verslaggevingsproblemen en onzekerheden onderkend. Bij Solarge komt naar voren dat volgens hen de boekhoudkundige regels niet helder zijn voor producten die je vandaag in de markt zet maar straks gaat terugkrijgen. Is hierbij sprake van een verplichting en moet dit leiden tot het opnemen van activaen passivaposities op de balans? Dit vereist het inhuren van specifieke expertise om met deze onzekerheid om te gaan. Bij Solarge worden ook positieve ontwikkelingen in regelgeving genoemd, waar zij baat bij hebben. De zonnepanelen van Solarge zijn opgenomen als de meest low-carbon van Nederland in de nationale milieudatabase. Inmiddels is er een Wet milieuprestatie gebouwen (MPG), en daarin is een CO2-budget opgenomen. Het gebruik van panelen die een lage CO2 hebben, helpt om te bouwen binnen het gestelde CO2-budget. Op deze manier heeft de wetgever wel CO2 ingeprijsd, maar via een CO2budget. De vraag is wel: hoe wordt CO2 geprijsd en wat gaat het emissiehandelssysteem (ETS) doen? Ten tijde van het onderzoek was dit nog onzeker. 4.2.4.2. Infrastructurele barrières Uit de gesprekken blijkt dat het uitwisselen en hergebruik van materialen wordt beperkt door onduidelijkheid rondom retourstromen. Maar aangegeven wordt dat de retourstromen wel georganiseerd kunnen worden of zelfs al goed georganiseerd zijn (Gulpener). Uiteindelijk vormt dit niet de grootste barrière. Bij Bugaboo wordt gemeld dat er nog helemaal geen platform voor tweedehands kinderwagens is, zoals bij auto’s of fietsen. Het ontbreken van deze infrastructuur draagt eraan bij dat het product tweedehands als kwalitatief minderwaardig wordt gezien. Deze kwaliteitsperceptie of het bewustzijn van de circulaire mogelijkheden bij de eindgebruiker wordt als een barrière genoemd. Het ontbreken van de infrastructuur bij Niaga geeft aan dat er ook nog veel onduidelijkheid is bij de eindgebruikers over wat de standaardkwaliteit van het product moet zijn. Zij weten vaak niet wat de betere keuze is en er is veel “greenwashing” in de markt. Gulpener merkt dat de aansluiting op het energienetwerk lastig is. De noodzakelijke omschakeling naar een warmtepomp was niet mogelijk doordat de aansluiting door de netbeheerder niet wordt vrijgegeven. 4.2.4.3. Maatschappelijke barrières Het geen rekening houden met het einde van de levensduur van het product is volgens de taxonomie van Masi et al. (2018) een maatschappelijke barrière. Bij de bedrijven in dit onderzoek wordt juist rekening gehouden met het einde van de levensduur door specifieke aanpassingen te maken ten behoeve van hergebruik (Bugaboo), het aantal onderdelen te verminderen (Berkvens), of een circulair product te ontwikkelen, of zo te ontwerpen dat het meerdere cycli herbruikbaar is (Auping en Solarge). Bikeflip heeft als enige aangegeven dat het gebrek aan beschikbaar technisch geschoold personeel een barrière is. De circulaire economie zou steeds meer moeten hergebruiken en vaak is daar technisch personeel voor nodig en daar is een tekort aan. Bikeflip lost dit op door de combinatie te maken met een leer-werkbedrijf. De beperkte beschikbaarheid en constante kwaliteit van gerecyclede materialen komen ook naar voren als een barrière. Bij de zonnepanelen is er gewoonweg te weinig materiaal beschikbaar.2 Bij Niaga wordt gerecycled polyester duurder door de hoge vraag. 4.2.4.4. Technologische barrières De in het conceptuele raamwerk genoemde soorten technologische barrières komen niet naar voren in de casestudies. Wel zijn er nog enkele andere barrières benoemd die gelinkt zijn aan technologie. Zo wilde Gulpener overschakelen op een warmtepomp om van het gas af te kunnen en een zo duurzaam mogelijk brouwhuis operationeel krijgen, maar er was nog geen techniek beschikbaar bij de warmtepompproducenten die het brouwproces kon ondersteunen. Er was dus technologieontwikkeling nodig om te kunnen verduurzamen. Bij Bikeflip ontbreekt de specifieke software. De tweedehandsfietsen die Bikeflip weer beschikbaar stelt zijn allemaal uniek, wat administreren lastig maakt. Daarbij geldt voor alle fietsen dat de voorraad 1 is. Dus als een fiets gekozen wordt op de website, moet die er gelijk af. Er is geen software beschikbaar om hier goed mee om te gaan. Bij Solarge wordt aangegeven dat er verschillende technologische oplossingen zijn en dat het niet duidelijk is wat de winnende technologie voor recycling van kunststoffen zal gaan worden. Dit is voor Solarge de belangrijkste ontbrekende component. In Figuur 2 zijn de belangrijkste resultaten opgenomen en de beïnvloedingsmogelijkheden van organisaties.
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(6): 379–392 https://mab-online.nl 387 Thema/barrière Belangrijkste conclusies Bedrijven Bedrijfsmodellen Het ecosysteem speelt een centrale rol om op lange termijn succesvol te zijn, wat veel tijd en aandacht vergt om te ontwikkelen. Bij het aanbieden van nieuwe circulaire producten is de onzekerheid het grootst, omdat de markt om bewijs vraagt dat de keten ook echt gesloten kan worden. Er worden separate modellen gemaakt voor de retourstomen om deze winstgevend te maken. De retourstroom wordt een bedrijfsmodel op zichzelf. Veel van de circulaire initiatieven worden in de markt gezet via direct sales. Een bedrijfsmodel met alleen lease of PAAS is moeilijk, omdat er een liquiditeitsprobleem kan optreden door de langere periode waarover de inkomsten worden uitgesmeerd. Wordt door alle bedrijven genoemd. Alleen bij Gulpener speelt dit minder. Bikeflip en Bugaboo Auping, Berkvens, Bugaboo, Niaga en Solarge Auping (leaseconcept), Bikeflip (PAAS), Bugaboo (leaseconcept) Financiering Het bedrijfsmodel is complexer door het gebruik van meer partners en doordat er een heel ecosysteem in beweging moet komen. Wordt door alle bedrijven genoemd. Er is een gebrek aan vergelijkbare bedrijven met financiering wat voor onzekerheid zorgt bij financiers. Het is lastig om een businesscase te maken op de retourstroom (welke waarde van het materiaal, wat gaat recycling kosten), zeker als de cycli relatief lang zijn (10-15 jaar) en als er nog geen bestaande markt is voor de materialen die in de toekomst terug gaan komen. Bestaand systeem van risicomanagement van financiers past niet bij nieuwe type business. Materialen van gerecycled materiaal zijn duurder dan virgin materialen. Langere terugverdientijd door het switchen naar PAAS. Voor de productontwikkeling is vaak een hogere investering nodig, in variabele kosten maar ook in productiekosten, en soms ook in de nieuwe investeringen. Conclusie is om te starten met pilots of MVP’s. Solarge Berkvens, Bugaboo, Niaga en Solarge Bikeflip Niaga. Bij Auping is recycling juist bedrijfseconomisch aantrekkelijk. Auping, Bikeflip en Bugaboo Auping en Niaga. Bugaboo werkt met MVP’s. Management control systeem Het is belangrijk om het circulaire gedachtegoed intrinsiek te laden door communicatie, missie en visie. De tone at the top is hierbij essentieel. In alle bedrijven wordt duidelijk dat er vanuit de top duidelijke keuzes worden gemaakt ten behoeve van circulariteit/ESG en dat dit goed uitgedragen wordt. Formal controls komen weinig naar voren, waarschijnlijk omdat er veel meer focus is op de cultural controls, dit is niet verder onderzocht. Wordt door alle bedrijven benoemd. Wordt door alle bedrijven weinig benoemd. Institutionele barrières Voor de bedrijven zijn de institutionele barrières hoog. Er wordt ervaren dat het financieel nog steeds aantrekkelijk is om geen “groene” keuzes te maken. De praktijk en de regelgeving lopen achter en zijn niet in lijn met het overheidsbeleid om circulariteit te bevorderen of af te dwingen. De financiers stellen eisen rondom de financiële stabiliteit waaraan niet voldaan wordt, waardoor de klant naar andere producenten gaat. Ontbreken van standaardisatie zorgt voor problemen. Boekhoudkundige regels zijn nog niet helder voor producten die je vandaag in de markt zet maar straks terug gaat krijgen. Dat strengere regelgeving bevorderd kan werken blijkt uit de Wet Milieuprestatie Gebouwen. Het invoeren van een CO2-budget maakt de producten van Solarge aantrekkelijker. Alle bedrijven Solarge Berkvens Solarge Solarge Infrastructurele barrières Er is nog steeds onbekendheid over wat er nodig is in de circulaire economie. Het is niet duidelijk dat er met veel partijen moet worden gewerkt om grote impact te kunnen maken. Het is nog niet duidelijk dat tweedehands via een bedrijfsloop niet slechter is dan Gedeeltelijk, door te starten met het creëren van awareness bij de eindconsumenten – maar dit is heel duur en nieuw, vanuit virgin materiaal. Duidelijkheid over wat echt goed is, is nodig. Status quo of de gevestigde orde heeft er alle belang bij om de processen te houden zoals ze zijn, in sommige gevallen zet de industrie zelfs een gezamenlijke lobby op tegen vernieuwing of wetgeving ten behoeve van circulariteit. moeilijk. Gedeeltelijk, zorgen voor een product dat competitief aan status quo in de markt komt. Maatschappelijke barrières Het product wordt ontwikkeld vanuit de gedachte dat het product aan het einde van de levensduur hergebruikt of gerecycled kan worden. Het gebrek van technisch geschoold personeel is een barrière, maar wordt opgelost door de combinatie te maken met een leerwerk bedrijf. De beperkte beschikbaarheid en constante kwaliteit van gerecyclede materialen is een barrière. Alle bedrijven Bikeflip Niaga Technologische barrières De in de theorie genoemde technologische barrières komen niet naar boven. Andere technologische beperkingen, zoals het niet kunnen beschikken over gewenste software, geschikte warmtepompsystemen en helderheid die ontbreekt over toekomstige technologische standaarden worden wel benoemd. Niet benoemd door de bedrijven. Bikeflip (softwarepakket), Gulpener (warmtepomp), Solarge (inzicht in de winnende recyclingtechnologie voor kunststoffen). Figuur 2. Belangrijkste conclusies over thema’s en barrières.