scieee AI-readable full text Open interactive document viewer

Handboek der Dierkunde. Tweede, verbeterde en vermeerderde Uitgave. Tweede deel

Hoeven, J.

Abstract

(Uploaded by Plazi for the Bat Literature Project) No abstract provided.

Full text

This is a r epr oduction of a libr ary book that was digitiz ed by Google as part o f an ongoing eff ort to pr eserv e the inf ormation in book s and mak e it univ ersally accessible. https: / /books .google. com Over dit boek Dit is een digitale kopie v an een boek dat al generaties lang op bibliotheekplank en heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen mak en. Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt v an het publieke domein. Een boek dat tot het publieke domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is ge v allen, of waarv an de wettelijke auteursrechttermijn is v erlopen. Het kan per land verschillen of een boek tot het publiek e domein behoort. Boeken in het publiek e domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron v an geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te v erkrijgen zou zijn. Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weerge ge v en in dit bestand, als herinnering aan de lange reis die het boek heeft gemaakt v an uitge v er naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. Richtlijnen voor gebruik Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publiek e domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij be waren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven le veren, hebben we maatre gelen genomen om misbruik door commerciële partijen te v oorkomen, zoals het plaatsen v an technische beperkingen op automatisch zoeken. V erder vragen we u het v olgende: + Gebruik de bestanden alleen voor niet-commer ciële doeleinden W e hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen v oor gebruik door indi viduen. W e vragen u deze bestanden alleen te gebruiken v oor persoonlijk e en niet-commerciële doeleinden. + V oer geen g eautomatiseer de zoek opdrac hten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem v an Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tek enherkenning of andere wetenschapsgebieden w aarbij u toegang nodig heeft tot grote hoe v eelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. W e raden u aan hierv oor materiaal uit het publieke domein te gebruik en, en kunnen u misschien hiermee v an dienst zijn. + Laat de eigendomsverklaring staan Het “w atermerk” v an Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie o v er het project te ge ven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoek en naar boeken met Google. V erwijder dit watermerk niet. + Houd u aan de wet W at u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantw oordelijk v oor bent dat alles wat u doet le gaal is. U kunt er niet v an uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn v oor het publiek e domein in de V erenigde Staten, het ook publiek domein is v oor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. W e kunnen u niet v ertellen w at u in uw ge v al met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruik en, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boek en met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid v oor auteursrechten is behoorlijk streng. Inf ormatie ov er Zoeken naar boek en met Google Het doel v an Google is om alle informatie wereldwijd toe gankelijk en bruikbaar te mak en. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boek en uit allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitge v ers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de v olledige tekst v an dit boek doorzoeken op het web via http://books.google.com 1 7ool . 25i f Hoeven 1 HANDBOEK DER DIERK UNDE . VIII INHOUD . > . » . Bladz . 72 , 73 , 73 , 74 . 74 , 75 . 75–77 . 77 , 78 . 78 , 79 . 79-81 . 82–84 . 84-86 . 86 , 87 . 87-89 . 89 --- 91 . 91--93 . > > D . . . . » . >> . . . 94–175 . 111-175 - 111-114 . 112 , 113 . 113 , 114 . . . . > . . . . . Fam . XI . Tridacnacea . XII . Cardiacea XIII . Veneracea XIV . Cycladea . XV . Lucinacea XVI . Saxicavina XVII . Tellinacea XVIII . Mactracea XIX . Myacea XX . Pholadomyacea . XXI . Solenacea XXII . Pholadacea XXIII . Tubicola . DERTIENDE KLASSE . WEEKDIEREN . ( Mollusca ) Systematisch Overzigt der Weekdieren . Ordo I. Pteropoda Fam . I. Hyaleacea II . Clioidea Ordo IJ . Gasteropoda Fam . III . Heleropoda . IV . Dermatobranchiata V. Hypobranchiata VI . Pleurobranchiata VII . Cyclobranchiata . VIII . Aspidobranchiata IX . Aulobranchiata . X. Clennbranchiata XI . Pneumonica . Ordo III . Cephalopoda Fam . XII . Nautilacea XIII . Sepiacea . XIV . Octopoda . Over de vier laatste klassen van het dierenrijk of de gewervelde dieren in het algemeen VEERTIENDE KLASSE . Visschen . ( Pisces ) Systematisch Overzigt der Visschen Sectio I. Dermopterygii Ordo 1. Leptocardii . Fam . I Amphiozini . . . . v . 114-161 . 115-117 . 117-124 . 124 , 125 . 125—128 . 128—131 . 131–133 . 133 , 134 . 134-154 . 154–161 . >> . . . . . D >> . . . 162-173 . 168–171 . 171-173 . 173–175 . . . . . . . 176--187 . 188-419 . 249—419 . . . . 249—253 . . . 249-251 . 249-251 . INHOUD . IX Bladz . 251-253 . 251-253 . 253 . . >> . . . 254-264 . . . . 254-263 . 255-259 . 259-263 . > . . 263 , 264 . 263 , 264 . . . 264-270 . . . 265-267 . 265-267 . . . 267-270 . 267-270 . . . 270-417 . . . . . . Ordo II . Cyclostomi Fam . II . Myrinoidei III . Petromyzonini . Sectio II . Chondropterygü . Ordo III . Desmiobranchii Fam . IV . Batides V. Selachi Ordo IV , Eleutherobranchii . Fam . VI . Chimeroidei Sectio III . Ganolepidoti Ordo V Chondrostei . Fam . VII . Sturiones . Ordo VI . Ganolepidoti Fam . VIII . Sauroidei . Sectio IV . Osteopterygii . Ordo VII . Lophobranchü . Fam . IX . Lophobranchii Ordo VIII . Pectognathi Fam . X. Gymnodontes XI . Sclerodermi Ordo IX . Malacopterygii Fam . XII . Siluroidei XIII . Cyprinoirlei XIV . Cyprinodontes XV . Characini XVI . Scopelini . XVII . Salmonacei XVIII . Esociï . XIX . Mormyrini XX . Clupeacei . XXI . Heteropygii XXII . Gymnotini XXIII . Symbranchii . XXIV . Muraenoidei . XXV . Ophidini XXVI . Gadoidei . XXVII . Pleuronectae . Ordo X. Acanthopterygii Fam . XXVIII . Chromides XXIX . Pomacentrine . ט . . . . . >> . . 270-273 . 271–273 . 273-277 . 273—276 . 276-277 . 277–331 . 278-286 . 286-292 . 292-294 . 294-300 . 300-303 . 303-306 . 306–309 . 309-310 . 310-318 . 318 . 318–320 . 320-321 . 321–324 . 324 , 325 . 326-329 . 329–331 . 341_417 . 331-333 . 333-335 . D . . » . . >> . . . >> . . . D . . . . х INHOUD . >> » » • . ) ) . > > Bladz . 333-339 . 339-341 . 541—343 . 343-346 . 346-350 . 350-356 . 356-358 . 358-360 . 360-373 . 374-379 . 379-384 . 384-391 . 391 , 392 , 392—400 . 400-413 . 413-417 . Fam . XXX . Labroidei . XXXI . Aulostomi . XXXII . T'heulides . XXXIII . Halibatrachi . XXXIV . Blennioidei XXXV . Gobioidei , XXXVI . Notacanthini XXXVII . Taenioidei XXXVIII . Scomberoidei . XXXIX . Squamipennes XL . Sparoidei . XLI . Sciaenoidei XLII . Mugiloidei XLIII . Aspidoparei XLIV . Percoïdei . XLV . Osphromenidei Sectio V. Protopteri Ordo VI . Protopteri Fam . XLVI . Sirenoidci . . >> . . . . . . > . . . 417–419 . 417-419 . 417—419 . . . . . 420-548 . . 458-548 . . . . 459-477 . o . 460-461 . 460-461 . 461-468 . 461 -465 . 465-468 . 468—477 . 468—477 . . . . VIJFTIENDE KLASSE . KROIPENDE Dieren . ( Replilia ) . Systematisch Overzigt der Kruipende Dieren . Sectio I. Dipnoa Ordo I , Ophiomorpha Fam . I. Caecilivie Ordo II . Saurobatrachi Fam . II . Proteidea . III . Salamandrina Ordo III . Batrachii Fam . IV . Batrachi :. Sectio II . Monopnoa Ordo IV . Ophidii Fam . V. Viperina VI . Elapina . VII . Hydrophes VIII . Asincophes IX . Colubrina . X. Acrochordina XI . Pythonina XII . Cylindrophes XIII . Rhinophes . . . . . D . 478-548 . 478-505 . 482-485 , 485-488 . 488—489 . 489-492 . 492-496 . 496-497 . 497_499 . 499-500 . 500 , 531 . > ) . . >> » . . P . . . 1 D INHOUD . XI Bladz , 501-503 , 503-505 . . » . . > 505-542 . 505-512 . 512-516 . 516-522 . 522-534 . 534 , 535 . 535-539 . 539-542 . 542-548 . 542--548 . > . . 549-817 . . . . . 613-817 . . . ) . Fam . XIV . Typhlina . XV . Amphisbaenae Ordo V. Saurii Fam . XVI . Scincoidei XVII . Zonosauri XVIII , Lacertini . XIX . Iguanoidei XX . Chamaeleonidei . XXI . Ascalabotae . XXII . Crocodilini Ordo VI . Chelonü . Fam . XXIII . Chelonii ZESTIENDE KLASSE . VOGELS . ( Aves ) Systematisch Overzigt der Vogels Ordo 1. Natatores Fam . 1. Brevipennes II . Analinae . III . Steganopodes IV . Longipennes res . Fam . v . Macrodactyli VI . Longirostres VII . Cultrirostres . VIII . Pressirostres IX . Olides . X. Proceri XI . Alectorides Ordo II . Gallinae Fam . XII . Megapodii XIII . Penelopinae . · XIV . Phasianinae . XV . Crypturinae . XVI . Tetraoninae · XVII . Pieroclinae XVIII . Thinocorinae XIX . Columbinae 613-630 . 614-618 . 619-623 . 623–626 . 626-630 . . D . Ordo II . Gralla . » >> » . » . 630—661 . 630-634 . 634-641 . 641-651 . 651-656 . 656 , 657 . 657—660 . 660. - 661 . 661--685 . 662-664 . 664 , 665 . 665–670 . 670 , 671 . 671-677 . 677 . 677 , 678 . 678-658 . . D V » . . . >> . >> . Ordo IV . Scansores . . Fam . . 685-707 . 685-692 . 692 , 693 . 693-696 . XX Psittacinae XXI . Rhamphaslinne . XXII . Pogonophorae » . XII INHOUD . Fam . . XXIII . Trogononinae XXIV . Cuculinae XXV . Sagittilingues XXVI . Angulirostres Bladz . 696 , 697 . 697-703 . 7034706 . 706 , 707 . >> >> . . . . . . > >> . >> . y . . . D 707-799 . 709 , 710 . 710 . 710-712 . 712 , 713 . 713-716 . 716 , 717 . 717—720 . 720-723 . 723—727 . 727-735 . 735–741 . 741-744 . 744-749 . 749-757 . 757-759 . 759 , 760 . 760-762 . 762—767 . 767-771 . 771-775 . 773-782 . 782-786 . 786—792 . 792-795 . 795-799 . . Ordo V. Passerini . Fam . XXVII . Opisthocomidae . XXVIII . Bucerotinae . XXIX . Coracianae XXX . Meropinae XXXI . Halcyoninae . XXXII . Upupinae XXXIII . Trochilidae XXXIV . Anabatidae XXXV . Eriodoridae . XXXVI . Colopteridae XXXVII . Corvinae . » XXXVIII . Paradiseinae . XXXIX . Sturninae XL . Fringillinae . XLI . Alaudinae XLII . Parinae XLIII . Certhianae XLIV . Nectariniae . XLV . Liolrichinae . XLVI . Turdinae , XLVII . Motacillinae . XLVIII . Muscicapinae XLIX . Laniinae L. Chelidones LI , Nyctichelidones . Ordo VI . Raptatores . Fam . LII . Strigidae . LIII . Accipitrinae . LIV . Vulturinae ZEVENTIENDE KLASSE . ZOOGDIEREN . ( Mammalia ) > >> 2 ) . . > . > . . . • . . . . . 799-817 . 800-805 . 805_814 . 814-817 . . . . . 817—1057 . . . 888–1057 . . Systematisch Overzigt der Zoogdieren Sectio I. Mammalia acotyledona · Ordo I. Monotremala Fam . I. Monotremata . . 888-903 . . . 888-891 . 888-891 . INHO DD . XIII . . Bladz . 891–903 . 892 , 893 . 893-896 . 896-898 . 899 , 900 . 900-902 . 902 , 903 . D . 933–1057 . . 904-914 . 904--911 . 911-914 . . > . . . . » 914-926 . 915-918 . 918-920 . 920 , 921 . 921-926 . . > . . . 929-928 . 926-928 . . . . Ordo II , Marsupialia Fam . II . Glirina III . Macropoda IV . Phalangistae V. Peramelina VI . Dasyurina VII . Pedimana Sectio II . Mammalia placentalia · Ordo III . Cetacea Fam . VIII . Cetacea IX . Sirenia Ordo IV . Mutungula Fam . X Proboscidea . XI . Nasicornia XII . Lamnungia XIII . Belluae . Ordo V. Solidungula Fam . XIV . Solidungula Ordo VI . Ruminantia Fam . xv . Tylopoda XVI . Elaphic XVII . Cavicornia Ordo VII . Edenlata Fam . XVIII . Effodientia XIX . Tardigrada Ordo VIII , Glires Fam . XX . Duplicidentata XXI . Subungulata . XXII . Aculeata . XXIII . Palmipedia XXIV . Murina xxy . Cunicularia . XXVI . Muriformia XXVII . Eriomyina XXVIII . Macropoda XXIX . Sciurina Ordo ix . Ferae Fam . xxx . Pinnipedia XXXI . Felina XXXII Viverrina . 928-948 . 929-931 . 931—935 . >> 936-948 . . 948—954 . 949—953 . 953 , 954 . » . . >> • . >> . >> 955–988 . 955–957 . 937—959 . 959-961 . 961 , 962 , 962-970 . 970–975 . 975-980 . 980 , 981 . 981-983 . 983-988 . 988--1027 989–995 , 995-998 , . 998-1003 . > . » . . > . » a XIV I NII O UD . > > Blauz . 1003-1007 . 1007_1015 . -1015-1017 . 1017_1020 . 1020-1025 . 1025-1027 . 2 ) » >> . . Fam . XXXIII . Canina XXXIV . Mustelina . XXXV . Ursina XXXVI . T'alpina XXXVII . Soricina . XXXVIII . Erinaceina Ordo x . Chiroptera . Fam . XXXIX Nycterina XL Plerotocyna Ordo XI . Plenopleura . Fam . XLI . Galeopitheci Ordo XII . Quadrumana Fam . LII , Lemurina . LIII . Simiae . Ordo XIII . Bimana : Fam . XLIV . Erecta . 1027-1039 . 1028-1037 . 1037_1039 . 1039 , 1040 . 1039 , 1040 . 1040_ - 1055 . 1040--1045 . 1045-1055 . . . . . 1045-1057 . 1055-1057 . 1 1 1 VERKLARING DER PLATEN VAN HET TWEEDE DEEL . Pl.XIII – XV . Deze drie platen hebben alle op de afdeling der Weekdieren betrekking . Pl . XIII . Fig . 1. Chiton Cummingii . Voorbeeld van eene veel schalige schelp , bl . 4 ; vergelijk bl . 129 . Fig.2—7 . Voorbeelden van tweeschalige schelpen , bl . 4 . Fig . 2. Terebratula . Eene soort van Nieuw - Guinea , zie bl . 52 . A. Buikschaal met doorboorde spits . B. Rugschaal van de binnenzijde met de kalkachtige bogen . Fig . 3. Schelp van Avicula ( Meleagrina ) margaritifera ( bl . 62 ) . Op de binnenzijde ziet men eenige vastgehechte paar len . a . Indruk van de sluitspier . Fig . 4. Arca tortuosa L. , bl . 65 . Fig . 5. Schelp van Trigonia pectinata Lam . , bl . 66. Van de binnenzijde , om het slot ( cardo ) voor te stellen . Fig . 6. Venus Dione L. , Cytherea Dione lam . , bl . 77. Do schelp is geplaatst zoo als LINNAEUS haar beschreef ( zie de aant , op bl . 4 ) , namelijk met de spits A paar beneden , de fissura , b , naar voren , de lunula , a , naar achteren . Fig . 7. Venus ( Cytherea ) erycina LAM . Regter schaal van binnen . A spits ; a maanswijze bolte ; 6 spleet ; c slot of scharnier ; d indruksel der voorste , e der achterste sluitspier ; f indruksel van den mantel ; gg onderrand der schelp . In deze figuur is de schelp in de natuurlijke ligging geplaatst . Aan de linkerzijde is het vooreinde gelegen , het welk het dier bij de beweging naar voren keert . XVI VERKLARING DER PLATEN . Fig . 8-11 . Voorbeelden van eenschalige schelpen of horens , bl . 5 , 6. Fig . 8 . Fig . 8. Horen van Purpura Concholepas bl . 149 . Fig . 9. Horen van Patella bl . 131 ; Patella umbella gu . Fig . 10 , Horen van Scalaria imperialis bl . 139 . Fig . 11. Horen van Bulimus citrinus BRUG . bl . 158 . Voorbeeld van eene cochlea sinistra , zie bl . 6 . Pl . XV . Fig . 1. Horen van Oliva erythrostoma Lam . , bl . 153 , voorbeeld van een ' opgerolden horen , bl . 5. A Ope ning ; a buitenrand ; 6 binnenrand . Fig . 2. In het midden doorgedeelde horen van Nautilus Pom pilius L. , bl . 168 , als voorbeeld van een ' in zichzelven gewondenen en tevens van eenen veelkamerigen ho ren , bl . 5 , 6 ( cochlea revoluta , polythalamia ) , A. A. , De laatste kamer of holte , waarin het dier ligt ; a , a , a , de Sipho , die door de volgende kamers heenloopt . Fig . 3. Een deksel ( Operculum ) van Turbo , van de binnen zijde ; zie bl . 6 . Fig . 4. Salpa ( runcinata ?) bl . 24 , 25. In natuurl . grootte , naar een voorwerp , mij door Prof. v . BENEDEN me degedeeld . A. Het dier van die vlakte gezien , welke gewoonlijk naar boven is gekeerd , volgens ESCHRICHT de buikvlakte . De spiergordels loopen hier door . B. Het dier van de tegenovergestelde zijde , waar de spiergordels zijn afgebroken ; a ( in fig . A ) spleet opening , die bij het dier naar voren gekeerd is , b de zoogenoemde kern , of de opeengehoopte ingewanden . Fig . 5. Ascidia ( Cynthia ) Momus bl . 32 , naar SAVIGNY Mé . moires II , PI . VI , fig . 1. A Kieuwopening , B aars opening ; C , c , c buitenste omkleedsel , waarvan de helft is weggenomen om het binnenste omklcedsel d ( den mantel ) te doen zien ; e spiervezels op den mantel . Fig . 6,7 . Lingulina anatina LAM . , bl . 51 ; naar cuvier , Ann . du Mus . I , Fig . 6. Het dier in den schelp met den steel ( pedunculus ) . B. Fig . 7. Het dier uit de schelp genomen , een der mantelplaten naar boven omgeslagen ; a hersenknoop , volgens CovieR ; 6 mond ; c , c de twee armen ; d , d , d , d kamvormige kieuwplooijen op den mantel . VERKLARING DER PLATEN . XVII - Fig . 8. Het dier eener Anodonta in de schelp , waarvan de regter schaal is wegnomen , als voorbeeld der plaat kieuwige schelpdieren , bl . 52 , 53 ; vergelijk Pl . 15 , fig . 1. - a Schelp ( linker schelp van de binnenzijde ) ; b , de twee mantelplaten ; c , c buitenste kieuwen , e , d binnenste kieuwen ; g de tusschen de kieuwen uitstekende , platte buikschijf , * voelertjes om den mond ; men ziet alleen die , welke aan de regterzijde liggen ; † mond ; A voorste sluitspier ; B' b ' de met franjevormige aanbangsels bezette achterzoomen van den mantel . Pl . 15. fig . 1. Eene dwarse doorsnede van Anodonta anatina , schematisch naar NEUWYLER , Neue Denkschr . der allg . Schweizer . Gesellsch . für die gesammten Natur wissenschaften Bd . VI , 1842 , Tab . I ; aa , bb en g als in fig . 8 der vorige Plaat ; c uitwendige plaat der uitwendige kieuwen met de rugzijde aan den mantel bevestigd ; d inwendige plaat der buitenste kieuwen , e uitwendige , f inwendige plaat der bin nenste kieuwen ; h hart , in het midden door den reg ten darm doorboord . Fig . 2. Solen legumen L. bl . 88 ; naar Poli Test . utr . Sicil . I Tab . XI , fig . 15. A de voet , aan het vooreinde der schelp uitstekende , B , C de twee buizen ( tracheae ) achter uit de schelp te voorschijn komende . Fig . 3. Clio borealis GMEL . , bl . 114 , naar ESCHRICHT , Anat . Unters . Tab . I , fig . 3 ; het dier is van de buikzijde voorgesteld ; a , a vinvormige aanhangsels ; b kegel vormige aanbangsels ; c , c tasters aan den kop ; d uit gestulpte penis met eene blaas d ' aan den grond . Fig . 4. Het centrale zenuwstelsel van Helix Pomatia L. , naar BRANDT en RATZEBURG Mediz . Zool . II , Tab . 34 , f . 12 ; vergelijk bl . 103 ; 1 boven den slokdarm , 2 onder den slokdarm liggende knoop . Fig . 5. Bloedsomloop van Helix Pomatia L. , naar CUVIER , als voorbeeld der Pneumonica bl . 154 ; a hart , c voor hof , beide liggen in het geopende hartezakje ; b , ! slagaderen ; e , e aderlijke stroomen , waaruit in de ademhalingsholte de longaderen ontspringen , die in den stam d , welke naar de voorhof loopt , overgaan ; * * XXIV VERKLARING DER PLATEN . onderscheiden ; door deze gaten heen ziet men op de inwendige vleugelbeenderen f , f .; n , n . schubbeende ren ( 088a squamosa ) . Fig . 11 en 12 zijn verkleind . Fig . 13. Schedel van eenen jongen Crocodilus biporcatus ( II , bl . 541 ) . * vierde tand der onderkaak , welke door eene sleuf aan den buitenrand der bovenkaak wordt opgenomen . In de onderkaak onderscheidt men y . geledingsdeel ; x . ravenbeks - uitsteek ( os coronoideum ) ; v . kaakhoeksbeen ( os angulare ) ; u . tanddeel ( os den tale ) . De overige letters komen met fiz . 12 overeen . Fig . 14. Regter gedeelte der onderkaak van Iguana delicatis sima ( Iguana nudicollis ) II , bl . 530. Men ziet de aanhechting der tanden aan de binnenzijde van den kaakrand II , bl . 527. 2. os complementarium , ý os operculare ; de overige letters komen met fig . 13 over een . Pl . XX . Kruipende dieren . Vervolg en slot . Fig . 1. Kop van Coecilia hypocyaneu naar een jong voorwerp . Men ziet achter het oog het kieuwgat * . II , bl . 460 . Fig . 2. Voorste gedeelte van Hypochthon xanthostictus Fitz . II , bl . 463 ; voor den drievingerigen voorpoot ziet men de groote kieuwbundels . Fig . 3. Voorste gedeelte van Amphiuma tridactylum II , bl . 464 . Fig . 4. Volwassen einbryonen van Salamandra atra II , bl . 468 . A. dergelijk voorwerp uitgestrekt ; B. een zamenge vouwen embryo , zoo als het in den eijerleider des moederdiers ligt . Fig . 5,6,7 . Kop van Homalopsis angulata II , bl . 491. Fig . 5 van terzijde , fig . 6 van boven ; fig . 7 kop van een ander voorwerp der zelfde soort van onderen ; ter verklaring van de benamingen der schilden bij de slan genkoppen ( zie de aanteek . II , bl . 485 ) , gebezigd door MERREM ( Systema Amphibiorum Praefat . XII , XIII ) : Scutum vertebrale ( scuta vertebralia ) . 6,6 . Scuta occipitalia . c , c . Scuta superciliaria . d . Scuta temporalia . e , e . Scuta frontalia posteriora . f . Scuta frontalia anteriora ( een enkel sculum in het door ons afgeteekend voorbeeld ) . a . VERKLARING DER PLATEN . XXY n . 0 . g . Scutum rostrale . h . Scuta ocularia posteriora . i Scuta ocularia anteriora ( scuta oculure anterius ) . k . Scuta lorea . m . Scuta marginalia labü superioris . Scutum labiale medium ( Fig . 7 N. ) Scuta labialia accessoria ( Fig . 70 , O ) . 9 . Scuta mentalia ( Fig . 7 Q , Q ) . r ,r ,r,r . Scuta marginalia labii inferioris ( Fig . 7 R , R ) . Fig . 8. Kop van Vipera palpebrosa II , bl . 485 . Fig . 9. Staart van dezelfde soort van onderen gezien ( Scuta subcaudalia integra ) . Fig . 10. Stuk van den staart van Homalopsis angulata II , bl . 491 , eveneens van onderen gezien ( Scuta subcau dalia divisa ) . Fig . 11. Kop van Amphisbaena alba II , bl . 504 . Fig . 12. Kop van Chamaesaura anguina II , bl . 514. a . oog met kleine oogspleet tusschen de oogleden ; * uitwen dige gehooropening vóór het trommelvlies ; b . voorste poot , niet in vingers verdeeld . Fig . 13. Regter achterpoot van Platydactylus guttatus II , bl . 537 , van onderen gezien ; de duim heeft geen nagel . Fig . 14. Achterpoot en grond van den ' staart van eenen He midactylus , cuv . II , bl : 538 , Stellio platyurus van SCHNEIDER , volgens eene bij hem voorkomende af beelding . Men kan hier tevens de pori femorales opmerken , waarvan in de systematische rangschik king der saurü dikwerf melding is gemaakt . Fig . 15. Kop en linker voorpoot van Platydactylus vitattus II , bl . 537 . Fig . 16. Tong van Varanus bivittatus II , bl . 522 . Fig . 17. Tong van Tejus monitor II , bl . 520 ; nagenoeg even eens gevormd als bij onze hagedissen . Fig . 18. Tong van Calotes gutturosus II , bl . 533 . Fig . 19. Chelonia imbricata II , bl . 547 , gevolgd naar BELL , British Reptiles . Behalve deze figuur , die veel klei ner is , dan het voorwerp , zijn de overige figuren dezer plaat , alle in dezelfde grootte als de voorwerpen en naar deze zelve afgeteekend . 11. XXI . Vogels XXVI VERKLARING DER PLATEN . > Fig . 1. He skelet van Falco coerulescens van Java ( II , bl . 807 ) , in nat . grootte . A. de schedel ; B. de onderkaak ; † het vierkante been ; C. bet sleutelbeen , furcula ; 0. ravenbeksbeen of tweede sleutelbeen ; E. de bals wervels ; F. de rugwervels ; H. de staartwervels ; L. het borstbeen ; N. het schouderblad ; P. het opper armbeen ; Q. het spaakbeen ( radius ) ; R. de ellepijp ( ulna ) ; i . de hand ( de letter is bij den duim geplaatst ) ; W. het dijebeen ; X. het scheenbeen ; Y , bet kuit been ; n . enkel been , dat de plaats van voetwortel ( tarsus ) en voorvoet ( metatarsus ) inneemt ; 1 duim , 2 binnenste , 3 middelste en 4 buitenste vinger ( II , bl . 550-555 ) . De beenderen van de ledematen aan de regterzijde zijn in deze figuur weggelaten . Fig . 2. Borstbeen en sleutelbeenderen van denzelfdea vogel van voren gezien ; C , C , 0 , 0 , L. als in de vorige figuur . Fig . 3. Schedel van den struisvogel , Struthio camelus II , bl . 659 , van terzijde en verkleind , a voorhoofdsbeen ; b neusbeenderen ; c bovenkaaksbeen ; d jukbeen ( d ' quadrato - jugale ) ; e vierkant been , e ' slaapbeen , f wand been , g , g ' achterhoofdsbeen , g ' onparig bovenstuk ( pars occipitalis ) , g zijdelingsch achterhoofdsbeen ; i tusschenkaaksbcen ; k onderkaak uit verschillende beenderen bestaande ( u , v , x , y , vergelijk de krokodil schedel . Pl . XIX . ) ; I wiggebeen ; † foramen opticum ; m voorste vleugels . Fig . 4. Verbinding van het vierkante been met het os omoi deum aan de onderzijde van den schedel bij Craz globicera . Vergel . II , bl . 556 , 557 , l . wiggebeen , o os omoïdeum , p . verhemelte been , 4.9 . vierkant been Fig . 5. Een hoenderei , dat nagenoeg 24 uren bebroeid is geweest , van boven gezien , doch zoo dat men van den schaal en het schaalvlies slechts de doorsnede heeft afge beeld ; uit v . BAER , Ueber Entwickelungsgesch , der Thiere I. Taf . III , fig . 3 ; a de schaal ; b het schaal vlies , c grens tusschen het uitwendige en middelste eiwit , c ' ligamentum albuminis van TREDERN ; d grens tusschen het middelste en binnenste eiwit ; e , e ha gelsnoeren ; g grens van het kiem vlies ; g , h de do jerkring ; h grens van de ruimte der vrucht ; ĥ , i de VERKLARING DER PLATEN . XXVII vaatruimte ; i de ruimte waarin het embryo ligt ; men ziet dat als een dwarstreep in het midden dier ruimte , II , bl . 579—581 . Fig . 6. Oog van den zwaan , horizontale doorsnede , volgens D. W. SOEMMERRING . a . gezigtszenuw , b . Lard oogvlies , c . hoornvlies , d . kristallens , e . pecten , II , bl . 598-600 . Fig . 7. Tong van Rhamphastos ( lingua pennacea ) met het tongbeen , verkleind , II , bl . 692 . Fig . 8. Tongbeen van Pavo cristatus , verkleind ; verg . II , bl . 597 . Pl . XXII . Vogels . Pooten en koppen als kenmerken van eenige familiën ; bijkans alle verkleind , naar zeer verschil . lende schaal . Fig . 1. Regterpoot van Carbo II , bl . 625 . Fig . 2. Linkerpoot van Larus II , bl . 627 . Fig . 3. Regterpoot van Ibis II , bl . 641 . Fig . 4. Middelste nagel van den regterpoot van Ardea II , bl . 646 . Fig . 5. Regterpoot van Gallus II , bl . 669 . Fig . 6. Linkerpoot van Picus II , bl . 705 . Fig . 7. Linkerpoot van Paralcyon II , bl . 715 . Fig . 8. Regterpoot van Cypselus II , bl 794 . Fig . 9. Regterpoot van Caprimulgus II , bl . 796 . Fig . 10. Regterpoot van Haliaèlus II , 812 . Fig . 11. Bek van Scythrops II , bl . 626. . Fig . 12. Kop van Phoenicopterus II , bl . 651 . Fig . 13. Kop van Pavo ( muticus ) II , bl . 651 . Fig . 14. Kop van Certhia II , bl . 761 . Fig . 15. Kop van Anthus II , bl . 775 . Fig . i6 . Kop van Hirundo II , bl . 739 . Pl . XXIII , XXIV . Zoogdieren . Schedels . Deze afbeeldingen zijn geteekend naar voorwerpen van ' s Rijks Museum . Fig . 3 , 5 , 6 en 7 op Pl . XXIV zijn in natuurlijke grootte ; de overige afbeeldingen zijn in al de afmetingen verkleind , zoo als bij elke figuur afzonderlijk is opgegeven . Bij al deze figuren is a het voorhoofdsbeen , o het neusbeen , c het bovenkaaksbeen , d het jukbeen , e het slaapbeen , f het wandbeen , g het achterhoofds been , i het tusschenkaaksbeen , k de onderkaak , > XXVIII VERKLARING DER PLATEN . Pl . XXIII . Fig . 1. Schedel van Thylacinus Harrisi 1/3 II , bl . 902 . Fig . 2. Schedel van Manis javanica 2/3 II , bl . 950. Hieraan ziet men geen jukbeen II , bl . 838 . Fig . 3. Schedel van Delphinus tursio 1/6 II , bl . 910 . Fig . 4. Schedel van Hyrax capensis 2/3 II , bl . 921 . Fig . 5. Schedel van Arctomys monax 1/2 II , bl . 985 . Fig . 6 chedel van het paard , Equus Caballus 1/0 II , bl . 927 Pl . XXIV . Fig . 1. Schedel van de Lama , Camelus glama 14 II , bl . 931 . Fig . 2. Schedel van Bradypus cuculliger 23 II , bl . 953 . Fig . 3. Schedel van den Egel , Erinaceus europaeus II , bl . 1026 . Fig . 4. Schedel van Felis caracal 1/2 II , bl . 998 . Fig . 5. Uiteinde van de onderkaak van Galeopithecus varie gatus II , bl . 1039 , van boven gezien om de zonder ling ingekorvene snijtanden te toonen . Fig . 6. a , b , Stenops javanicus II , 1043 . a onderkaak van boven gezien ; zes snijtanden met twee , digt daar tegen aan liggende hoektanden ; 6 bovenkaak van voren gezien , twee snijtanden en twee hoektanden . Fig . 7. Schedel van Stenops potto II , bl . 1042 . Fig . 8. Schedel van Hylobates leuciscus 1 , II , bl . 1053 , OVER DE WEEKDIEREN IN HET ALGEMEEN ( * ) . In het voorgaande deel hebben wij het grootste gedeelte der dieren , die geen inwendig skelet of geene wervelen bezitten , afgehandeld . Er blijven ons echter nog velen ler behandeling over , die in het stelsel van LINNAEUS lot de klasse der wormen behoorden , maar welke door CUVIER , eerst als eene klasse , later als eene grootere groep , die een’hoofd vorm ( typus ) uitmaakt , bij elkander gevoegd en van de 9 ( * ) Vergelijk over deze afdeeling van het Dierenrijk , onder anderen : M. LISTER , Exercitatio anatomica de Cochleis maxime terrestribus et Limacibus . Londini 1694 , 8º . Ejusd . Hist . sive Synopsis method . Conchyliorum et Tabularum anatomicarum editio altera . Recensuit et indicibus auxil G. HODES FORD . Oxonii 1770. folio . M. ADANSON , Hist . natur , du Sénégal . Coquillages . Avec 19 pl . , Paris 1757 , 4º . J. 1. POLI , Testacea utriusque Siciliae eorumque historia et ana tome , Tabulis aen . illustrata . Parmar . fol . Tom . I , 1791 , Tom . JI , 1795. Tom . III . Pars prima posthuma ; edid . S. DELLE CUTAJE , Parmae 1826. Pars allera , auctore S. DELLE COTAJE , Parmae 1827 ( dit deel bleef onvoltooid ) . COVIER , Mémoires pour servir « l'Histoire et à l'Anatomie des Mollusques , avec 35 Pl . Paris 1817 , 4º . Als bandboeken kunnen vooral geraadpleegd worden : LAMARCK , Hisi . nat . des Animaux sans vertèbres , 2e édit . par DESBAYES el MILNE EDWARDS Tom , VI ( 1835 ) —XI , 1845 ; 1. DOCROTAY BLAINVILLE Manuel de Malacologie et de Conchyliologie , 1 vol . 80. , Paris et Strasbourg 1825-1827 avec 107 planches , en G. P. DESDAYES Traite elementaire de Conchyliologie , Paris 1838 et suiv . 8º . ( tot nog toe zijn 9 afleveringen in het licht gekomen ) . Deze twee laatste werken zullen wij , behalve Guérin's Iconogruphie , voor de afbeel dingen voornainelijk aan halen en slechts nu en dan tot uitgebreider plaat werken verwijzen , zoo als die van MARTINI en COEMNITZ , KIENER eni . PE II . 1 OVER DE WEEKDIEREN IN HET ALGEMEEN . overige wormen afgescheiden zijn ( * ) . Daar zij in de daad zulk eene groep uitmaken , welke met die der gewervelde dieren , waartoe vier klassen behooren , kan worden verge . leken , is het niet ongepast , alvorens wij tot de beschou wing der afzonderlijke klassen overgaan , die men hier met meerder of minder regt heeft aangenomen , op de alge meene kenmerken te wijzen , die de weekdieren van de overige wormen onderscheiden . Het ligchaam dezer dieren wordt door eene weeke en steeds vochtige huid bedekt , waaraan de spieren bevestigd zijn , en in welke of op welke veelal eene kalkachtige afscheiding plaals heeft . Het uitwendig omkleedsel , hetwelk ook wel mantel genoemd wordt ( hoezeer eigenlijk slechts een vrij ver lengsel aan de rugzijde dien naam behoort te dragen ) , om sluit , te gelijk met de ingewanden , ook het zenuwstelsel . De centrale deelen van dit zenuwstelsel bestaan uit knoo pen , die of eenen ring om den slokdarm vormen of meer verspreid liggen , maar nooit in eene reeks aan de buik zijde achter elkander liggen , zoo als bij de insekten . De weekdieren bieden gewoonlijk eene veel geringere gelijk heid van de regter en linker helſt des ligchaams aan , dan de , vroeger door ons beschouwde , gelede of de , in het ver volg te behandelen , gewervelde dieren . Vele hebben geen van het overige ligchaam afgescheiden hoofd . De zinluigen zijn over het geheel weinig ontwikkeld . Bij de meest zamengestelde weekdieren nogtans , bij de Sepiae en andere koppootigen , vindt men niet slechts twee , zeer ontwikkelde oogen , maar ook beginsels van een gehoorwerktuig . De ( * ) Zic I , blz . 45 en 233. Bij de op de laatstgenoemde bladzijde aangehaalde geschriften van Cuvier behoort men nog te voegen het , in een mij , verder niet bekend tijdschrift , Decade philosophique , geplaatst opstel van dezen beroemden man , waarvan ik een afzonderlijken af druk heb voor mij liggen , getiteld : Mémoire sur la structure interne et externe et sur les affinités des animaux auxquels on a donne le nom de Vers . Uit dit opstel , in 1795 in de Soc . d'Hist . nat . van Parijs voorgelezen , blijkt , dat reeds in dat jaar de klasse der weekdieren door CUVIER onderscheiden en even als in zijne latere werken om schreven werd . OVER DE WEEKDIEREN IN HET ALGEMEEN . 5 bewegingen zijn over het geheel kruipend en langzaam . Sommige , die in het water leven , zijn onbewegelijk aan onder scheidene voorwerpen vastgehecht . Vele koplooze tweescha lige weekdieren hebben wel eene springende beweging , doch deze is veel minder afwisselend dan bij de gelede dieren . De mindere ontwikkeling van de organen des dierlijken levens is oorzaak , dat vele hedendaagsche schrijvers nog altijd , gelijk vroeger LINNAEUS , de weekdieren in de rangschik king van het dierenrijk lager dan de insekten plaatsen . Volkomener dan de organen van het dierlijke leven zijn die van het plantaardige , die van afscheiding , voeding en voortplanting . De ademhalingswerktuigen zijn gewoonlijk kieuwen . Bij de meeste weekdieren is een hart aanwezig , hetgeen het slagaderlijk bloed uit de ademhalingswerktui gen ontvangt en door slagaderlijke buizen in de onderschei dene deelen des ligchaams verspreidt . Haarvaten ontbreken en de aderen worden door boezems vervangen , die geene eigene wanden hebben , maar in de onderscheidene ligchaams deelen zijn uitgehoold . Het bloed der weekdieren is ge woonlijk wit of witachtig blaauw . Sommige weekdieren zijn tweeslachtig en behoeven eene wederzijdsche bevruch ting ; bij andere zijn de geslachten afgescheiden . De meesten zijn eijerleggend ; bij anderen ontwikkelen zich de jongen in het moederlijf . De eijeren zijn door eene dunne schaal ( Chorion ) omgeven , tusschen welke en het dojervlies bij som mige eenig eiwit inligt , en welke somtijds hoorpachtig en slechts zelden met kalkachlige omkorsting bedekt is . Dik werf zijn de gelegde eijeren trosvormig verbonden of door eene geleiachtige massa aan elkander gekleefd . Het getal der op het land levende soorten is gering in vergelijking van het veel grooter aantal der in zoet- en vooral in zout water levende soorten . Voor wij tot de verdeeling der weekdieren overgaan , moeten wij kortelijk handelen over de schelpen of hoorns , welke bij de meesten het ligchaam bedekken . De eenschalige schel pen worden horens ( cochleae ) genoemd , de tweeschalige , zoo > 1 * 4 OVER DE WEEKDIEREN IN HET ALGEMEEN . als die der mossels , dragen den naam van schelpen ( conchae ) . Er zijn ook enkele weekdieren , welke door vele schelp stukken bedekt worden . Zoodanig eene veelschalige schelp ( testa mullivalvis ) heeft het geslacht Chilon , waar dwarse , in eene rij achter elkander liggende , kalkachtige platen den rug bedekken . De tweeschalige schelpen zijn aan de plaats , waar zij met elkander verbonden zijn , dikker . Men noemt dit gedeelte de spils ( apex ) . Bij de spits zijn aan den rand , binnen in de schaal , gewoonlijk uitsteeksels en hol ten , die wederzijds in elkander sluiten en aan welke men den naam van scharnier ( cardo ) geeft . Wanneer deze rand glad is , zegt men , dat er geen slot of scharnier aanwezig is ( concha acardis ) . Vóór de spits is eene kleine holte aan de schelp zigtbaar , die men de maanswijze holte noemt flunula , bij LINNAEUS anus ) ; achter de spits ligt eene , ge woonlijk smallere en meer langwerpige diepte , de spleet ( fissuru , in het fransch écusson , bij LINNAEUS vulva ) . Hierop ligt gewoonlijk de band der twee schalen ( ligamentum ) , gevormd door veerkrachtige , hoornachtige vezels , die dwars van de cene schaal naar de andere loopen . Waar deze band , gelijk bij de meeste tweeschalige weekdieren , aan de buitenzijde der schelpen is ingehecht , is het blijkbaar , dat door zijne zamentrekking de schelpen geopend worden . Doch ook , waar de band inwendig geplaatst is , worden door zijne veerkracht de twee schalen van elkander ver wijderd , terwijl hier de vezels bij de geslotene schelp door geweld ziju zamengeperst . Bij die tweeschalige schelpdie ren , die zich vrij bewegen , is de opening naar beneden , de spils naar boven en de band naar achteren gekeerd . LIN Nakus stelde bij zijoe beschrijving de tweeschalige schelpen met de spils naar beneden , en keerde den band naar vo BLAINVILLE gaf daarentegen bij zijne beschrijving aan de schelp dien stand , welken wij hebben aangewezen ( * ) . ( * ) Hetgeen bij Linnaeus de regter en linker schaal is blijft echter ook dien naam houden , omdat hij niet slechts de schelp het onderst hoven keerde , maar ook het voorste gedeelte naar achteren plaatste . ren . OVER DE WEEKDIEREN IN HET ALGEMEEN . Bij de horens ( cochleae , teslae univalves , subbivalves ) is men gewoon de volgende doelen le onderscheiden . Het uileinde der windingen noemt men spils ( apex ) , welke in het levend en zich voortbewegend dier naar boven en achteren is gekeerd . Gewoonlijk loopt hier de holte van den horen in een punt uit , doch somtijds in de spils waterpas afgeknot ( apex decollatus s . truncatus ) , hetgeen men niet met eene loevallig afgebrokene spits verwarren moet , welke steeds eene opening overlaat . Bij sommige eenschalige schelpen ( 200 als bij het geslacht Palella ) is de holle tusschen de spirs en de opening noch regts of links , noch voor- of achterwaarts gedraaid . Bij de meesten daarentegen is deze holte gewonden . Gewoonlijk loopen alsdan deze windingen schuins van boven naar beneden ( gedraaide horen , cochlea turbinata et turrita ) ; doch bij anderen loopen de windingen dwars van de linker- naar de reglerzijde , waarbij de laatsle winding de overigen van buiten omsluit ( testa convoluta s . involuta , de opgeroldo horen , b . v . bij de geslachten Conus en Oliva ) , terwijl nog andere horens in cene en dezelfde vertikale vlakte gewon den zijn , van achteren naar voren en van boven naar be neden ( in zich zelven gewonden horen , cochlea revoluta , zoo als bij het geslacht Nautilus ) . De opening ( apertura ) der horens slaat tegen de spits over . Dat gedeelle der holte , hetgeen men binnen in den mond kan zien , noemt men de keel ( faux ). De mond voren met eene bogt uitgesneden zijn ( apertura emarginata ) . Wanneer bij van voren in eene buis uitloopt ( apertura canalifera ), dau noemt men die buis den staart ( cauda s . rostrum ) . Men onderscheidt aan den mond den buiteprand ( labium exterius s . labrum ) van den binnen rand ( labium internum s , margo columellaris ) . De zuil ( columella ) noemt men dat deel , hetwelk in het midden van den horen regt van de spils naar de opening loopt , en om hetwelk , als om eene spil , de windingen zich draai jen . Niet bij alle borens is zulk eene kalkachtige spil aanwezig ; om dit deel duidelijk te zien , moet men zich van . 19 OVER DE WEEKDIEREN IN HET ALGEMEEN . uitspande , zoodat deze plooijen verdwenen ( * ) . Bijzonder schoon zijn deze kleurspelingen bij het geslacht Haliotis , waarvan de Japanners eene soort bezigen om er verlakt huisraad mede te versieren . Wanneer het vocht , hetwelk deze binnenste laag der schelpen vormt , in de gedaante van kleine droppels wordt uitgestort , ontstaan er paarlen , die menigmaal eene zeer onregelmalige gedaante hebben . Deze kunnen gevolgelijk in zeer verschillende soorten van schelpen ontstaan , ook in gewondene , eenschalige sehelpen of horens ; doch ont staan zij gewoonlijk in tweeschaligen en vooral in de Me leagrina margaritifera en Unio margaritiferus . De eerste soort van schelpdieren wordt in den Perzischen zeeboezem gevischt , de laatste vindt men in zoet water in onder scheidene deelen van Europa en ook in ons vaderland . Volgens HOME zouden de paarlen onontwikkelde eijeren tot kern hebben , welke bij toeval aan de buitenzijde van den mantel binnen de schelp gebleven waren . Zulks kan dik werf het geval zijn , maar er is geene reden om de vor ming der paarlen niet ook aan andere , op den mantel wer kende prikkels toe te schrijven . Men heeft althans waar genomen , dat beschadigingen van de schelpen en door boorwormen veroorzaakte beleedigingen de voortbrenging van paarlen ten gevolge hadden ; en het geheim van LINNAEUS om de voortbrenging der paarlen ( bij Unio ) te bevorde ren , bestond hoogst waarschijnlijk in het op verschillende plaatsen doorboren der schaal bij de schelpdieren , welke men lot deze proeven wilde bezigen ( ) . . ( * ) Annals of nat . History XII , p . 382 . ( + ) Vergelijk CHEMNITZ , Vom Ursprunge der Perlen , Naturforscher , XXV , Halle 1791 , S. 122–130 en BECKMANN's Geschichte der Erfin dungen , aldaar aangehaald . – Over den oorsprong der paarlen uit eijeren der schelpdieren zie men Phil . Transact . 1674 , vol . IX , p . 11 , 12 , en vooral E. 10ME in Phil . Transact . for the Year 1826 , Part . 3 , p . 338-341 . Deze bijzonderheid was reeds in 1673 door zekeren Deen , I. ARNOLDI te Christiania in Noorwegen , waargenomen . OVER DE WEEKDIEREN IN HET ALGEMEEN . 13 De schalen der weekdieren maken door hare verschei denheid in kleur en gedaante geen gering sieraad van de verzamelingen van natuurlijke bistorie uit . De kennis der conchyliologie is voor den geoloog van het hoogste belang , daar de versteende en uilgestorvene soorten tot onderschei ding der verschillende lagen gewigtige kenmerken opleveren . Doch daarenboven heeft de kennis der weekdieren voor de algemeene physiologie groote waarde . Aan den vermaarden Deenschen dierkundige der vorige eeuw 0. F. MULLER komt vooral de eere loe , dit gedeelle der natuurlijke geschie denis van eene liefhebberij van verzamelaars tot eene we tenschappelijke bezigheid van natuurkenners te hebben ver heven ; met nadruk vermaande hij , dat men in het vervolg zich ; niet bij eene enkele beschouwing van het huis of de schelp bepalen , maar bovenal op een naauwkeurig onderzoek van den bewoner moest toeleggen ( * ) . Reeds hadden onze swam MERDAM en MARTINUS LISTER in Engeland het inwendig zamenstel van sommige weekdieren onderzocht . Poli en Cuvier maakten dit onderzoek tot een hoofdonderwerp hupner veelvuldige nasporingen , en zoo werd in de laatste vijftig jaren , en ook in ouze dagen door de onderzoekingen van DELLE CHJAJE , owex en anderen , een vrij en helder overzigt verkregen OWEN van een , vroeger bijkans onbekend veld der vergelijkende ontleedkunde . Dit was een onberekenbaar gewin voor deze wetenschap , welke , zoo zij werkelijk op de physio logie eenen gewigligen invloed zal uitoefenen , geenszins lot eenige weinige dierklassen beperkt , maar in de daad vergelijkend en algemeen vergelijkend behoort te wezen . Sommige weekdieren hebben geen van het ligchaam af gescheiden hoofd . De hoofdmassa van het zenuwstelsel ligt hier niet bij of boven den mond , maar , zoo op die plaats ze nuwknoopen gevonden worden , moeten zij in ontwikkeling en groolle voor andere zenuwknoopen onderdoen ; gcene ze * ) Zie zijne Vermium ierrestrium et fluviatilium Historia , Hau niae 1774 , 4 ° . Tom . II . Praefat .p.1 . 14 OVER DE WEEKDIEREN IN HET ALGEMEEN . nuwen voor bijzondere zintuigen ontspringen uit de zenuw massa , die boven den slokdarm ligt . De mond gaat on middellijk in den slokdarm over en heeft geene kaken of tong . Men noemt deze koplooze weekdieren ( Acephala ) . De andere weekdieren bezitten een min of meer duidelijk afgezonderd hoofd . Deze hoofddragende weekdieren ( Cepha lophora of mollusca encephala ) zijn volkomener bewerk tuigd en slechts onder hen vindt men ook soorten , die op het land leven ; de meeste soorten echter leven in het water , even als al de koplooze weekdieren . De laatstge noemde weekdieren kunnen tot twee klassen gebragt wor den , die der naakte en tweeschalige koplooze weekdieren . ELFDE KLASSE . HUIDZAKDIEREN ( TUNICATA ) ( * ) . De hoidzakdieren zijn koplooze weekdieren zonder schaal . Het uitwendig bekleedsel is met twee openingen doorboord , maar overigens zakvormig en gebeel gesloten , van verschil lende dikte en hardheid , bij sommigen geleiachtig , bij ande ren lederachtig . Het bestaat uit een weefsel , dat somtijds vrij zamengesteld is , cellen , vezels , kernen , ook kristallen van koolstofzuren kalk insluit , en waarvan de grondzelf standigheid geen stikstof , maar alleen zuur- en waterstof bevat en in zamenstelling met het plantencellen - vlies ( cel lulose ) overeenkomt , gelijk door C. Schmidt het eerst bij Ascidia mammillaris onidekt werd ( t ) . Het darmkanaal vormt bij de meeste Salpae eenige krop kelingen , die in een kluwen vereenigd zijn , dat slechts een klein gedeelte van de ligchaamsholte inneemt en waaraan FORSKAL in zijne beschrijvingen den onbeteekenenden naam van Nucleus gegeven heeft . Bij Salpa pinnata s . cristata 0 ( * ) Vergelijk over deze klasse : COTIER Mémoire , sur les Thalides et les Biphores . Ann . du Mu séum IV , 1804 , p . 360—382 , Pl . 68 [ Mémoires sur les Mollusques Nº . 19 ] ; Memoire sur les Ascidies et leur Anatomie , Mém . du Muséum , II , 1815 , p . 10–39 , Pl . 1–0 [ [ Mém . sur les Mollus . ques , Nº . 20 ) . J. C. SAVIGNY , Mémoires sur les animaux sans vertèbres II , pre mier fascicole , Paris 1816 , 8 ° . ( + ) Zur vergleichenden Physiologie der wirbellosen Thiere , 1845 , S. 62–65 . Citroerige mikroskopische onderzoekingen nopens het maak sel der uitwendige bekleedsels bij vele tunicata , door schoone afbeel dingen opgebelderd , garen ons löwig en BÖLLIKER , Ann . des Sc . na tur . 3ième Série V , 1816 , p . 193—238 . 16 HUIDZAKDIEREN . cuv . nogtans loopt het darmkanaal regt van den mond naar den tegenovergestelden kant en heeft , digt boven en achter den mond , eene blind uitloopende en in tegenovergestelde rigting liggende verwijding of maag . De mond is inwendig gelegen en eigenlijk slechts het , met eenen gekronkelden zoom omboorde begin van den slokdarm . Eene groeve in het midden des ligchaams loopt van die opening des alge meenen omkleerdsels , waardoor het waler wordt ingelaten , naar dezen aanvang van den slokdarm , en dient waar schijnlijk om het voedsel , dat met het water wordt aan gevoerd , derwaarts te geleiden . Bij de Ascidiac vormt het darmkanaal gewoonlijk twee bogten , die tegen elkander aanliggen , en welke met de bolle zijde naar achteren gekeerd zijn . Het darmkanaal vangt in den grond der kieuwholte aan , en wordt naar achteren enger . De maag vertoont zich somlijds slechts als eene voorste verwijding van den darm , die niet scherp is afgescheiden ; bij anderen is hare gedaante langwerpig rond , zoo als bij Didemnum en Botryllus ( * ) . Het uiteinde van het darmkanaal klimt hooger dan de aanvang van den slokdarm op , in de rigting van de tweede pijpvor mige opening van het buitenste omkleedsel des ligehaams . De lever ligt als eene laag van klieren op de wanden van de maag of het darmkanaal . Speekselklieren heeft men evenmin als bij de tweeschalige weekdieren waargenomen . De bloedsomloop der tunicata biedt het merkwaardig verschijnsel aan , dat de rigting , waarin het bloed van en tot het hart stroomt , zich bij tusschenpoozen geheel omkeert , zoodat het hart beurtelings het bloed naar de ( * ) Zie SAVIGNY Mem . II , Pl . XX , XXI . Over liet darmkanaal van Ascidia vergelijke men covier , Ascidies Pl . I , fig . 5 ; Catalogue of the physiol . series of comp . Anat . of the Museum of the Royal College of Surg . 1 , Pl . 5 , fig . 1 , Phallusia nigra sav . , en VAN BE NEDEN , Recherches sur l’Embryogenie , l'Anatomie et la Physiologie des Ascidies simples , Mém . de l'Acad . royale de Belgique , ' Tome XX , 1846 , P ! I , fig . 6 . HUIDZAKDIEREN . 17 HASSELT kieu wen sluwt , en aderlijk kan genoemd worden , beur telings het bloed uit de kieuwen ontvangt en , gelijk bij de overige ongewervelde dieren , slagaderlijk is . Deze bij zonderheid werd het eerst in 1821 door VAN bij Salpa ontdekt ( * ) , maar is daarna door LISTER , MILNE EDWARDS , VAN BENEDEN en anderen , bij onderscheidene soorten van eenvoudige en zamengestelde Ascidiën waar genomen , zoo dat men haar veilig als eene algemeene eigenschap der dieren dezer klasse beschouwen mag . Het hart heeft eene langwerpige gedaante en vertoont geene plotselinge uitzetting en zamentrekking , maar eene golfs gewijs voortgaande zamensnoering en verwijding , welke aan de peristaltische beweging van het darmkanaal gelijk vormig is . Behalve in de grootere vaalstammen beweegt zich het bloed in tusschenruimten , die geene afzonderlijke wapden bezitten . De ademhalingswerktuigen zijn kieuwen , welke van die der tweeschalige weekdieren zeer verschillen . Bij het ge slacht Salpa strekt zich de kieuw als een , schuins jo de lengte loopende band , met vele digt bijeenliggende , dwarse groeven in de bionenste holte van het pijpvormig ligchaam uit . Bij de Ascidiën vormt het ademhalingswerktuig eenen zak , in wiens bodem de ingang tot den slokdarm ligt . Het zeer dunne vlies , waaruit deze zak bestaat , vertoont dwarse en overlangsche , elkander als een traliewerk onder regte hoeken kruisende strepen , waaraan een netwerk van bloed vaten beantwoordt . Zoowel de kieuwen der salpae als die der Ascidiën zijn met trilharen bedekt ( + ) . ( * ) Alg . Konst- en Letterbode 1822 , I. b ) . 115 , 116 ( vertaald in Ann . des Sc . nal . II , p . 78—81 ) . Later nam MEYEN op zijne reis deze bloedbeweging in twee tegenovergestelde rigtingen mede bij Salpa waar ; Act . Acad . Caes . Leop . Carol . XVI . I , p . 377. Hiermede is eeniger mate te vergelijken , hetgeen over de onbestendigheid der rigting van den bloedstroom bij Nephelis door J. MÜLLER ( MECKEL'S Archiv 1828 , S. 22—29 ) en bij jonge bloedzuigers door E. H. WEBER ( ibid . p . 399 , 400 ) waargenomen werd . ( + ) MILNE EDWARDS en reeds voor hem Listeỉ nemen in den kieuw II 2 18 HUIDZAKDIEREN . Mannelijke en vrouwelijke voortplantingswerktuigen zija , althans bij de Ascidiën , in een individu vereenigd . Dik werf zijn zij innig met elkander verbonden en alleen door de mikroskopische onderzoeking van het contentum te onderscheiden . Sommige Ascidiae , zoo als Ascidia ampul loides V. BENED . , hebben een geheel parigen toestel van geslachtsdeelen , die achter in den ingewandszak aan weers zijde op het darmkanaal ligt . Bij sommigen ontbreekt de eijerleider , bij anderen vindt men geen vas deferens ; een enkel lang , gekronkeld kanaal , hetgeen bij de zamengestelde Ascidiae aanwezig en veelal als eijerleider beschouwd is , inoet , volgens MILNE EDWARDS , voor het vas deferens gehou den worden . Bij de Ascidiën vindt men , behalve de ge wone voortplanting door bevruchte eijeren , ook nog eene vermenigvuldiging door knoppen ( * ) . Het zenuwstelsel biedt eenen enkelen knoop aan , die bij de Ascidiae op het binnenste bekleedsel des ligchaams , dat men gewoonlijk als mantel beschouwt , lusschen de twee buizen , waarin het ligchaam verlengd is , gelegen is . Behalve andere zenuwen , die uit dezen knoop uitstralen , ontspringt daaruit ook een zenuwring , die de buis , waardoor het water indringt ( de mond- en ademhalingsbuis ) , schijnt te omsluiten . Andere zenuwknoopen , die door sommige schrij vers bij Ascidiën worden opgegeven , zijn voor het minst als zeer twijfelachtig aan te merken ( ) . Bij Salpa ligt een zak spleetvormige openingen tusschen de vierkante mazen aan , eene soort van stigmata , waardoor het water uit dien zak gedreven wordt ( MILNE EDWARDS , Observ . s . l . Asc . comp . p . 17—20 ) . Het is moeije lijk , bij in wijngeest bewaarde voorwerpen te beslissen of het waarlijk openingen , dan wel met een doorschijnend vlies geslotene ruimten zijn . ( * ) Vergelijk over eenige meerdere bijzonderheden de afzonderlijke behandeling der geslachten in het systematisch overzigt , waarin wij ook de merkwaardige voortplanting der Salpae behandeld hebben . ( + ) Zoo vermeldt scoalk , wiens Dissert . de Ascidiarum Structura ik slechts uit aanhalingen ken , eenen zenuwknoop in het achterlijf tusschen de darmkronkelingen ; GRANT spreekt zelfs van drie knoopen , HUIDZAKDIEREN . 19 de knoop ( of eene uit meerdere vereenigde knoopen gevorm de zenuwmassa ) digt achter de voorste , breedere ope ning aan naar boven gekeerde vlakte des lig chaams ( * ) . Vele zenuwtakken loopen straalswijze uit deze zenuwmassa uit . Sporen van zintuigen ontbreken niet geheel . Bij de Ascidiae ziet men aan de kieuwopening een krans van draadvormige , somtijds vingerswijs ingesnedene of gevederde voelertjes . Bij de Salpae ligt voor de centrale massa van het zenuwstelsel een langwerpig deel van eene langwerpige gedaante , uit twee bladen bestaande , die een inwendigen gladden en eenen uitwendigen gestreepten rand bezitten , het welk ESCHRICHT als een werktuig tot het gevoel die nende beschouwt en met de vier blaadjes , die den mond bij de tweeschalige weekdieren omgeven , vergelijkt . Ook gezigtswerktuigen zijn bij de Ascidiae waargenomen . Men vindt , zoowel om de kieuwopening des inantels als rondom de opening , naar welke het uiteinde des darm kanaals loopt , een kring van oogstipjes , dikwerf van eene gele of roode kleur ( t ) . Bij Salpa ligt boven den zenuw Outlines of comp . Anal . 1811 , p . 205 , 206 . Verg . over het zenuw stelsel der Ascidiae , COVIER Sur les Ascidies p . 15. Pl . II , fig . 2 , c . fig , 5 , g . Savigny Mém . 2 , p . 117 , 118. Pl . X , fig . 2 , 1 D. enz . ( * ) Deze ligging van het centrale deel des zenuwstelsels deed ESCH RICOT aan die vlakte den naam van buikzijde geven . Zie over het zenuwstelsel van Salpu METEN ) . I. S. 395 , en de afb . , ESCARICAT Anat . physiol . Undersögelse over Salperne . Kjöbenhavn 1840. 4 ° . ( afgedrukt uit de Vidensk . Selsk . Naturvid . og math . Skr . VIII ) p . 12–14 , Tab . I , fig . 3 u , Tab . II , fig . 8 u , fig . 12 ; MILNE EDWARDS in cov . R. ani . , éd . ill . , Mollusq . Pl . 120 , fig . 10 a . Pl . 121 , fig . 2a h , fig . 26 . ( + ) Grant , Outlines p . 361 , zegt , dat er bij Ascidia ( Phallusia ) intestinalis acht roode oogstipjes rondom de kieuwopening en zes rond om de uitloozingsbuis liggen ; zoo ook volgens de onderzoekingen van WILL bij andere soorten van Cynthia sav . en Clavelina . Bij eene soort van Ascidia , door hem Ascidia vitrea genoemd , vond V. BENEDEN acht oogen aan beide openingen ; Rech , s . l . Ascid . simples p . 61. Pl . 20 HUIDZAKDIEREN . knoop een gesteeld , door pigment omgeven deel , hetgeen volgens MILNE EDWARDS als een gezigtswerktuig beschouwd moet worden ( * ) . Het spierstelsel bij Ascidiae bestaat uit eene laag van vezels , die over het inwendige ligchaamsbekleedsel ( den zoogenoemden mantel ) elkander kruisen , maar vooral in de lengte loopen . Bij de Salpae ziet men van elkander afstaande spierbanden , die als aan de eene zijde niet ge heel geslotene dwarsgordels de binnenste holte des ligchaams , de ademhalingsruimte , omgeven . Deze banden bestaan uit vezels , die aan elkander evenwijdig in de rigting der lengte van de banden loopen eu dus met de lengte - as des ligchaams eenen regten hoek maken . Over de plaatsing dezer dieren in het natuurlijk stel . sel kan , wanneer men ze lot den algemeenen typus der weekdieren brengt , geen twijfel zijn . Zij moeten namelijk als de onvolkomenste afdeeling dezer dieren beschouwd worden , die zich het naast aan de tweeschalige aansluiten . De zamengestelde Ascidiën en de voortplanting door knop vorming herinneren ons aan lagere dieren , uit de klasse der Veelvoeten . Meer bijzonder komen de Ascidiën met de Bryozoa overeen ( vergel . I , bl . 115 ) , maar liever nog IV , fig . 2. Bij Ascidia ampulloides V. Ben , kan men dergelijke oog · stipjes niet waarnemen , maar heeft het jonge , zich nog vrij bewegende dier een of twee zwarte oogstipjes ; ald . p . 40 . ( * ) Zie de aangehaalde figuren in de nieuwe uitgave van COVIER R. ani . ; dat reeds Meyen dit , boven de centrale zenuwmassa liggend , knopvormig deel zag , geloof ik uit zijne afbeelding Tab . XXVII , fig . 18 te mogen opmaken . Ook DELLE COLAJE heeft in zijne Descr . e notom . degli anim . ino . , volgens de aanhaling van v . Siebold , hetzelfde deel gekend , hel welk naar de meening van den laatstgenoemden Schr . als gehoorwerktuig zou te beschouwen zijn ; Lehrb . d . vergl . Anat . I. S. 260. Bij Chelyo soma Macleayanum van SOWERBY vond ESCIR . in de nabijheid van den zenuwknoop ecne blaas met witte stof gevuld , en een daarmede verbonden kolfvormig deel , hetwelk hij voor een gehoororgaan aanziel . Vid . Selsk . natur rid . og math . Skrivter IX . 1842 , p . 9 . HUIDZAKDIEREN . 21 zouden wij deze laatsten met de Mollusca vereenigen , dan , uilboofde dezer verwantschap , de Tunicata van de Mol lusca afscheiden . Men viodt soorten van deze klasse in alle zeeën . De Salpae zijn talrijk in de Middellandsche zee en in den Oceaan , vooral tusschen den 50 ° en 40 ° N. en Z. B .; in koudere gewesten en op hooge breedten komen zij minder voor , hoezeer zij zich echter tot den 50 ° N. en Z. breedte uitstrekken , en zelfs eenmaal in de nabijheid der Noorweegsche kust , tot bijkans op 62 ° N. B. zijn waargenomen ( * ) . Aan de kusten komen zij overigens slechts zelden , maar houden zich bij voorkeur in de opene zee , ver van het vasle land op . Ascidiën , zoowel zamen gestelde als eenvoudige , komen op veel hoogere breedten voor ; Boltenia ovifera werd in Straat Davis op 69 ° N. B. , Synoicum turgens werd op de reis van Phipps , aan de noordkust van Spitsbergen ontdekt . Van alle vormen , ja zelfs van de meeste ondergeslachten vindt men soorten in de Middellandsche zee ; het schijnbaar overwigt in aantal van soorten in die zee , boven alle andere , zal echter wel vooral daaraan zijn toe te schrijven , dat hare voortbreng sels meer aanhoudend door talrijke waarnemers onder zocht zijn , dan die der overige zeeën . ( * ) In het najaar van 1839 in groot aantal bij het eiland Breman ger ; SARS , Fauna littoralis Norvegiae . Christiania , 1846 , folio p . 63 . 28 CL . XI . TUNICATA . gemeenschappelijke centrale holte , waarin de achterste openingen der afzonderlijke diertjes uitkomen . Bij andere soorten staan de af zonderlijke diertjes niet kringvormig oun zulk eene holte en liggen de twee openingen van het ligchaam digter bijeen . De algemeene massa is met kanalen doortrokken . Hiertoe behooren de soorten , welke savigny tot zijne eerste afdeeling van Botryllus brengt ; MIL NE EDWARDS vormt daaruit , met bijvoeging van eenige nieuwe , door hem het eerst beschrevene soorten , een afzonderlijk geslacht onder den naam van Botrylloides . Didemnum sav . ( et Eucoelium ejusd . ) Corpus commune sessile , incrustans , absque cavitate centrali . Animalcula in duas partes separatas divisa , sacco branchiali , tamquam tho race , ab abdomine sejuncto . Orificium anale sine radiis . Com plures animalculorum acervi in corpore communi copferti . a . Orificium branchiale rotundatum , radiis carens . Eucoelium sav . b . Orificium branchiale radiis aut lobis sex aequalibus . Didemnum sav . , Didemnum et Leptoclinum , MILNE EDW . Sp . Didemnum candidum sav . 1. 1. Pl . IV , fig. 3. Pl . XX , fig . 1 , cov . R. ani . , Moll . Pl . 129 , fig . 3 , etc. Polyclinum sav . ( et Aplidium ejusd . ) Corpus commune sessile , polymorphum , saepe incrustans . Complures animal culorum acervi in corpore communi conferti . Animalculi in tres partes separatas divisa , ovario et corde pone abdo men ultima parte contentis . Orificium branchiale sexradia tum ; orificium anale absque radiis . Sp . Polyclinum constellatum SAV . , 1. I. P. IV , fig . 2 , Pl . XVIII , sav I. fig . I , GUÉRIN Iconogr . , Moll , Pl . 35 , fig . 4 ; aan de kusten van het eiland Mauritius ; Aplidium ficus sav . , Alcyonium ficus L. , ELLIS Koraalgewass . Pl . XVII , fig . b . B , etc. Annot . Huc etiam referendum est subgenus Amaroucium Edw . ( Amareucium rectius forsan , ah ' Qurpsów , propter sulcatos canales , corpus commune , cloacarum adinstar permeantibus ) . Sp . Amar . pro liferum MILNE Edw . Observal . s . l . Asc . compos . Pl . I , fig . 3 , Amar . aureum MILNE EDW . , cov . R. ani . éd . ill . , Moll . Pl . 130 , fig . 1 , Purascidia MILNE EDW . , novum genus , orificio branchiali octoradiato a congeneribus omnibus diversum ; R. ani . ibid , fig . 3 . Distomus GAERTN . , Distoma sav . ( nomen rejiciendum , > CL . XI . TUNICATA . 29 jam antea entozoorum generi adscriptum ) . Corpus commune sessile , coriaceum , polymorphum . Plures animalculorum acervi . Animalcula in tres partes separatas divisa . Radii sex in orificio branchiali et anali , Sp . Distomus variolosus GAERTNER , PALL . Spicil . zoolog . Fasc . X , Tab . IV , fig . 7 a . A. etc. Sigillina sav . Synoicum purps , sav . Corpus commune erectum , cylin dricum , coriaceum , basi adhaerens . Animalcula in tres partes divisa elongata , ad apicem incrassalum corporis commu pis , circulari acervo ordinata . Orificium branchiale sex radijs aequalibus , apertura analis radiis inaequalibus , tribus ma joribus , tribusque parvis , subindistinctis . Sp . Synoicum turgens PAIPPS Voyage au pole boréal en 1773 , ( vers . gall . Paris 1775 , 4 ° . p . 202 , 203. ) Pl . XII , f . 3 , sav . Mem . 1. l . Pl . III , fig . 3 , Pl . XV . Diazona sav . Corpus commune gelatinosum , sessile , orbi culare , medio excavatum . Animalcula in tres partes sepa ratas divisa , pluribus seriebus concentricis ordinata . Sex radii aequales ad orificium branchiale et anale . Sp . Dinzona violacea sav . , Polyclinum diazona cov . R. an , éd . 1 , Tab . XI , fig . 6 , éd . 2 , Tab . XIV , fig . 6 , SAVIGNY I. I. Pl . ll , fig . 3 , Pl . XII . ) Het geheele stelsel gelijkt naar eene zamengestelde bloem of eene Actinia en bereikt 6 duim in middellijn ; de kleur is fraai violet . Men heeft deze soort in de Middell . zce aan de Spaansche kusten gevonden . B. Ascidiae simplices , solitariae aut stolonibus gemmi feris socialae . Integumentum externum sacciforme , coriaceum aut gelatinosum , duabus aperturis approximatis . ( Genus Ascidia L. ) De ongesteelde zak vormige soorlen zijn scdert lang be kend en reeds door ARISTOTELES goed beschreven onder den naam van th Juov . De Anim . Hist . IV , Cap . 6 . Lin . NAEUS noemde dit geslacht in het eerst Tethys , doch ver warde daarmede ook zeer verschillende dieren , welke thans alleen dien geslachtsnaam behouden hebben . BASTER heeft daarna aan dit geslacht den naam van Ascidium 30 CL . XI . TUNICATA . gegeven ( Natuurk . Uitspanningen I , blz . 97 ) en LINNAEUS heeft in de twaalfde uitgave van zijn Systema naturae , dezen naam zonder mij bekende reden in Ascidia ver anderd . Deze Ascidiën of zakpijpen , gelijk BASTER ze noemt , zijn steeds aan andere zeeligchamen , aan de rotsen , aan schel pen , aan krabben , enz . vastgehecht . Dikwerf zijn meerdere individuën tot eene groep vereenigd ; zij vormen echter nimmer dergelijke zamengestelde ligchamen als de vorige geslachten , welke zich onderscheiden doordien de orificia analia naar elkander gekeerd zijn en meer of min werke lijk vereenigd ( SAVIGNY I. a . p , p . 120 ) , terwijl het bui tenste omkleedsel aan alle individuën , die te zamen eene groep uitmaken , gemeen is . Deze dieren slorpen waler in door de branchiale ope ning en werpen het , hoofdzakelijk door dezelfde opening straalswijze uit , hetgeen als verdedigingsmiddel tot ver . jagen van dieren , die hen aanraken , dienen kan . COVIER beweert , dat het uitwerpen van water alleen door de kieuwopening geschieden kan . Het getuigenis der schrij vers , die deze dieren levend waarnamen , is echter een stemmig , dat het uitspuiten door beide openingen ge schiedt . Carus wil bij een groot voorwerp van Ascidia mi crocosmus eene met een klapvlies toegeruste opening gezien hebben , welke van den kieuwzak naar den porus analis van het zak vormig omkleedsel geleiden zou . Andere schrijvers spreken echter van die opening niet . Volgens de voorstel . ling van Lister en MILNE EDWARDS , dat de kieuwzak zeef vormig doorboord zoude zijn ( zie boven blz . 17 ) , kon de zaak zonder zwarigheid verklaard worden . Of de Ascidiën ook water door het orificium anale opnemen , nadat door zamentrekking van den kieuwzak eene ledige ruimte ont staan is , gelijk door SAVIGNY vermoed wordt ( t . a . p . , p . 100 ) , verdient nader onderzocht te worden . De Ascidiën leven van kleine bewerktuigde deeltjes , die met het water in den kieuwzak en vandaar naar den , in den grond van dien zak zich openenden slokdarm gera ken . Men vindt somtijds ook wel kleine schaaldieren in de kieuwholte , maar deze schijnen slechts toevallig daarin te zijn geraakt , daar zij . wanneer zij door eene As . cidia worden ingezwolgen , eer schade dan voordeel aan CL . XI . TUNICATA . 31 PHC dit dier doen en in enkele gevallen zelfs het weefsel der kieuwen verscheuren . ETSENHARDT heeft waarnemingen bekend gemaakt , waaruit blijkt , dat het ligchaam der zakpijpen op eene zonderlinge wijze in eene vormlooze massa veranderen kan , waarop weder andere Ascidiën zich vasthechten en wortelen . Nov. Act . Acad . Caes . Leop . Carol . Vol . XI , 1823 , P. 249–272 . Vergelijk overigens over deze dieren ( behalve de reeds aangehaalde geschriften van coVIER , SAVIGNY en VAN BENEDEN ) CARUS , Beiträge zur Anatomie und Physiologie der Seescheiden in MECKEL'S Ar chio f . die Physiol . II , 1816 , S. 569–590 ( de bij dit opstel behoorende afbeeldingen zijn , beter uitgevoerd , andermaal uit gegeven in het Xe Deel der Noo . Act . Acad . Caes . Leop . Carol . 1821 , p . 423 ) ; W. S. MAC LEAY Anatomical observations on the Tunicata , Linn . Transact . XIV , 1825 , p . 527-555 ; LIPPI , Rhopalaea ein neues Genus der einfachen Ascidien , Mül LER'S Archio 1843. p . 45–57 ( in welk opstel eenige aanteekenin gen over verscheidene door den Schrijver bij Napels waargenomen eenvoudige Ascidiën worden aangetroffen ) . A. Tunica externa gelatinosa . Orificia duo aut sine ra diis distinctis aut pluribus quam quatuor radiis instructa . Perophora wiegu . Corpus compressum , sacciforme , tubo repenti brevis petioli ope impositum , plura individua conjungenti . Saccus branchialis amplus , usque ad posticam corporis partem productus . Sp . Perophora Listeri , een klein , op Conferva elongata , door een kruipend , rankendragend steeltje bevestigd , in gezelschap groei jend diertje , door J. J. LISTER aan de Engelsche Kust gevonden , Phil . Trans . for 1834 , P. 2 , p . 378—382 , Pl . XI ; in den steel , die de diertjes verhond , werd een dubbele bloedstroom waargenomen . De naam Perophora is door WIEGMANN aan dit geslacht van Ascidiae gegeven in zijn verslag over de uitbreiding der Zoologie in 1834 , Archio f . Naturgesch , 1835 , 1 , S. 309 . Clavelina sav . Porus branchialis et analis absque radiis . Saccus branchialis brevis , papillis carens , non plicatus . Corpus oblongum , basi allennatum , petiolatum , Sp . Clavelina borealis sav . , Ascidia clavata Pall . , Spicil . Zool . X , Tab . I , fig . 16 , sav . I.1 . Pl . I , fig . 3 , Pl . XI , fig . 2 . In de Noordzee en in de Poolzee ; Clavel . lepadiformis sav . , Ascidia le > 32 CL . XI . TUNICATA . padiformis , 0. . Müll . , Zool . Dan . Tab . 79 , fig . 5 , MILNE ED WARDS Observ . l'Asc . Tab . I , fig . 1 , Tab . II , fig . 1 etc. Subgenus : Rhopalaea PHILIPPI . Porus branchialis sexra diatus , analis octoradiatus . Saccus branchialis brevis , pa pillis obsitus , striis transversis subindistinctis . Corpus elon gatum , clavatum , petiolatum , involucro pellucido . Sp . Rhop . neapolitana PHILIPPI I. 1. Tab . IV . Phallusia sav . Corpus sessile , plerumque oblongum . Porus branchialis plerumque octo aut novem radiis , porus analis sexradiatus . Saccus branchialis non plicatus , amplus , ad fundum tunicae internae descendens aut ad fundum reflexus . Sp . Phallusia mammillala , Ascidia mammillata cov . , Mém . s . l . Ascidies . Pl . III , R. ani . éd . ill . , Moll . Pl . 125 , fig . 1 ; in de Middel . zee . De dikke , geelachtig witte , halfdoorsehijnende buitenste omkleeding vertoont onder het mikroskoop groote ovale blaasvormige cellen , zonder kernen ; deze soort wordt meer dan 4 duim groot , enz . B. Tunica externa coriacea , dura . Orificium branchiale et anale in quatuor radios fissum . Saccus branchialis plicatus . Cynthia sav . Corpus sessile . Sp . Cynthia papillata sav . , Ascidia papillosa L. , BOLADSCH de quibusd . anim . mar . p . 130. Tethyon coriaceum , Tab . X , fig . 1 , cov . Mém . Pl . II , fig . 1-3 , RANG in GUÉRIN Mag . de Zool . 1834 . Cl . V. Pl . 43 ; Middell . zee ; Cynthia microcosmus , Ascidia mi crocosmus cuv . , Ascidia Cuvierii POILIPPI , cuv . I. 1. Pl . I , fig . 1–6 ; de oppervlakte van het barde en rimpelige bekleedsel is dik werf met serturaliën , koralen , schelpdieren enz . bedekt ; ook deze soort wordt in de Middell . zee gevonden . Subgenus Dendrodoa MAC L. Sp . Dendrodoa glandariu MAC LEAY I. 1. Tab . 20 , p . 547 . Boltenia sav . Corpus ovale , petiolo tereti impositum . Sp . Boltenia fusiformis sav . , Vorticella Bolteni 1. , Ascidia cla vata SpAW ( nec PALL . ) , J. R. BOLTEN Epist . ad c . A. LINNÉ de novo quodam Zoophytor . genere Amstelred . 1771. 4 ° . C. Tab . Boltenia ovifera sav . , Ascidia pedunculalı SHAW , Vorticella ovifera L. , savigny I. 1. Pl . I , fig . 1 , B , BLAINV . , Ma lacol . Pl . 8 , fig . 3 etc. Subgenus Cystingia Mac L. color . , - CL . XI . TUNICATA . 33 Sp . Cystingia Griffithsii MAC LEAT I.1 . Tab . 19 , p . 540—545 , bij den Noordpool - cirkel , in het For Channel , bij de expeditie van kapitein PARRY aangetroffen . Veelligt beloort tot dit ondergeslacht ook Boltenia legumen LESSON , Centur , cool . Pl . 5 , fig. 1 , p . 149,150 . C. Tunica externa dura , e scutellis separatis composita . Corpus sessile . Chelyosoma SOWERBY . Corpus depressum , discoideum , corporibus alienis adhaerens . Orificia conica , ambo val vulis ses trigonis clausa . Sp . Chelyosoma Mac Leayanum , Zoological Journal 1829 , XVII , p . 46 , D. 1. ESCHRICHT Anatomisk Beskrivelse af Chelyos . Mac Leayanum , Vidensk . Selsk . naturvid . og math . Skr . IX , 1842 , P. 1-16 , Tab . I. Annot . Genera Podotethis et Syphonotethis , quorum Au ctor GERVAIS nomina tantum indicavit ( Ascidies , Dict . unit . d'Hist . nat . II . 1842 , p . 207 , 208 ) , hic commemorasse sofficiat . II , 3 TWAALFDE KLASSE . SCHELPDIEREN ( CONCHIFERA ) ( * ) . Alle tweeschalige weekdieren of schelpdieren vereenigen wij met LAMARCK onder eene enkele klasse , welke ook de Brachiopoda van CUVIER omvat . Het zijn koplooze week dieren , welker mantel steeds min of meer , en dikwerf geheel gespleten of in twee platen gescheiden is , en welke door eene tweeschalige schelp bedekt worden . De adem halingswerktuigen zijn uitwendig en liggen of tusschen den maptel en het ligchaam in de gedaante van platen , of in de zelfstandigheid van den mantel zelven . Het darmkanaal heeft eene zeer verschillende lengte en is eng door de overige ingewanden omgeven . De slokdarm is kort of er bestaat geen duidelijk afgescheiden slokdarm . Gewoonlijk is er eene maag aanwezig , doch bij Ligula is het darmkanaal bijkans overal van dezelfde wijdte en ook bij Orbicula is de maagvormige verwijding niet aanmerke lijk . Speekselklieren zijn bij de Lamellibranchiata niet aanwezig ; bij de Brachiopoda is het twijfelachtig of eene der klierachtige massa's , die het darmkanaal omgeven , als speekselklier beschouwd moet worden ( + ) . Zeer ontwik ( * ) De algemeene boekwerken over deze klasse handelen grootendeels tevens over de andere weekdieren en zijn ten deele reeds boven opge geven . lliertoe behoort vooral het groote werk van Poli . Vergelijk voorts het artikel Conchifera van Deshayes in TodD's Cyclopaedia of Anatomy and Physiology I , 1836 , p . 694—716 en R. GARNER , On the Analomy of the lamellibranchiate Conchifera , Transact . of the zoolog . Soc . II , 2 p . 87—101 , Pl . 18—20 . ( + ) Bij Ligula anatina vond CUVIER een onderscheid van kleur in deze kliermassa's , hetgeen hem de in het midden liggende , ronde en witto klier voor een speekselklier , de zijdelingsche , in rele lobben verdeelde , geelbruine voor eene lever deed houden . Owen kon dit verschil van SCHELPDIEREN . 35 keld is daarentegen de lever , die , gelijk bij de overige ongewervelde dieren , alleen slagaderlijk bloed ontvangt en geene galblaas bezit . Eene menigte lobben , die uit blinde zakjes of in takjes verdeelde , blinde buizen bestaan , omge ven de maag en het darmkanaal en storten de gal door meer dan eene opening in der zelver holte uit . Bij vele lamellibranchiata vindt men , hetzij in een blind aanhangsel aan het onderste gedeelte van de maag , hetzij in het darm kanaal zelf onder de maag een doorschijnend langwerpig deel ( het kristalachtige stijltje ) , op welks , in de maag vrij uitkomende uiteinde een klein , vliezig , in drie of meer on regelmatige uitsteeksels of punten verdeeld kraakbeenig knopje ligt ( * ) . Het nut van dezen toestel is nog niet regt bekend . Poli depkt , dat de veerkracht van dit deel de punten van het knopje tegen en in de openingen der gal buizen kan drukken en dus de toevloeijing der gal , naar dat zulks noodig is , kan matigen ; doch zoodanige regulatie toestel zou in het dierenrijk zonder voorbeeld zijn . Dat het gemelde stijltje het terugspringen van den voet bewerken zou , wordt door GARNER zonder nadere ontvouwing der wijze , kleur bij Lingula Audebardii niet waarnemen en meent , dat het bij de door Cuvier onderzochte voorwerpen aan toevallige oorzaken , zoo als uitbleeking door den wijngeest , waarin de dieren bewaard waren , toe te schrijven zou zijn ( Transact . zool . Soc . I , p . 157 ) . Ik moet echter op merken , dat het door mij onderzochte voorwerp mij dezelfde uitkomst gaf , als hetgeen Cover heeft opgeteekend , zonder dat ik nogtans dat verschil van kleur als stellig bewijs van verschil in functie durf aanmer ken . Bij de andere geslachten van Brachiopodu , die ik niet onderzocht heb , l'erebrclula en Orbicula , vond owen geen andere klier dan de lever . ( * ) Poli noemt dit knopje sagilta tricuspis ; zie over dezen toestel het beroemde werk van dezen Schrijver , Teslac . uir . Sicil . I , Introd . p . 41 , en de afbeeldingen b.v. uit Pholas dactylus ald . Tab . VII . fig . 9 , 10 , 11 , uit Tellina planatu Tab . XIV , fig . 9 , 10 , uit Cardium rusticum Tab . XVI , fig . 13 , 14 enz . Dat het kristalachtige stijltjo zich op sommige tijden niet vertoont en , zoo als V. SIEBOLD meent , zich periodisch ontwikkelt en verdwijnt ( Lehrb . d . vergl . Anal . I , S. 268 , not . 15 ) , wijst ons op eene , misschien eenige naderc opheldering be lovende overeenkomst inet de lapides cancrorum ( zie boven 1 , bl . 713 ) . i ŏ * 36 SCHELPDIEREN . > . waarop zulks geschiedt , opgegeven , waarbij wederom het vrij uitkomen van het driepuntige knopje in de maagbolte onverklaard blijſt . Erkennen wij liever , dat wij dit deel nog niet kennen , omdat wij het met geen ander in de overige dierklassen kunnen vergelijken . De bloedsomloop heeft in deze klasse altijd een cen traal deel , een hart met eene enkele kamer , somlijds twee van elkander verwijderde harten , namelijk bij de Brachio poda en bij Arca onder de Lamellibranchiata ( * ) . In dit geval vervullen echter de twee harten dezelfde rol aan beide zijden des ligchaams en zijn beide slagaderlijk gelijk het enkele hart , dat bij de overige koplooze weekdieren aanwezig is . Het bloed namelijk vloeit uit de kieuwen naar het hari , niet uit het hart naar de kieu wen . Waar een enkel hart aanwezig is , ligt het gewoon lijk tusschen twee driehoekige , met de punt naar het hart gekeerde , vliezige voorkamers . Uil het hart ontspringen de slagaderen , die zich echter niet door haarvalen in ade ren voortzelten ; het aderlijk bloed stroomt , volgens de belangrijke ontdekking van MILNE EDWARDS ( + ) , niet door , geslotene valen , maar in netvormige lusschenruimten ( la cunae ) , die zich in grootere aderlijke boezems ontlasten . De ademhalings - werktuigen zijn bij de Brachiopoda op den mantel gelegen of de vaatrijke maplel zelf dient ter ademhaling . Bij de Lamellibranchiata liggen de kieuwen als platen tusschen de randen van den mantel . Gewoonlijk zijn er aan weerszijden twee kieuwen aanwezig . Elke kieuw bestaat uit twee plalen , die aan de rugzijde meer van elkander verwijderd , aan den vrijen buitenrand vergroeid zijn . Somtijds zijn de daardoor gevormde driehoekige 9 ( * ) Voor de Brachiopoda vergelijke men COVIER , Mémoire sur l'Animal de la Lingule , Mémoires sur les Moll . , en Owen , Lettre à M. MILNE EDWARDS , Ann . des Sc . nat . , 3ième Série , Zool . III , 1845 , p . 315-320 ; voor Arca zie men poli Testac , ulr . Sic . II , p . 132 , 133 , Tab . XXV , fig . 2 . ( + ) Ann . des Sc . nat . , 3ième Serie , III , 1815 , p . 300,304 . SCHELPDIEREN 57 - voor eenc roimlen in de kieuwen , gelijk bij Anondonta , als tijdelijke bewaarplaatsen der eijeren broeiholten groote uitzetting vatbaar . Men ziet op elke plaat talrijke dwarse strepen of uitspringende lijnen , langs welke de bloedstroomen in de kieuwen voortloopen . Bij Arca , Pe . cten en Spondylus is elk dezer uitspringende lijnen in eenen vrijen draad veranderd en de kieuwen bestaan hier dus niet uit platen , maar uit afgescheidene , hoezeer door hun aantal zeer digt bijeen liggende draden ( * ) . In dczep toestand komen de kieuwen met die der beenige visschen overeen , terwijl de plaatvormige zamenvoeging , die de lamellibranchiata de meer algemeen heerschende vorm is , onder de gemelde visschen alleen als uitzonde ring , bij Xiphias gladius voorkomt . Eene andere afwijking van den gewonen typus der kieuwen ziet men bij sommige geslachten van lamellibranchiata in het aantal dezer dec len , terwijl er aan weêrszijden in plaats van twee , slechts eene kieuw aanwezig is ( + ) . Van het algemeen aangeno men gevoelen , dat de beschrevene platen kieuwen zijn , wijkt dat van BOJANUS geheel af ; hij gelooft , dat deze dee len alleen tot bewaring der eijeren zouden dienen , waar om bij ze ook geene kieuwen , maar Bruthälter noemt . BOJANCS heeft daarentegen een geheel ander orgaan , helgeen men voor hem bijkans niet had opgemerkt , als ademhalings werktuig beschreven ( S ) . Volgens zijne waarnemingen wordt Het aderlijke bloed , dat van de deelen des ligchaams terugvloeit , naar een langwerpigen , aderlijken boezem ge ( * ) MECKEL's System der vergl . Anot . VI , 1833 , p . 60. Ook bij Solenomya zijn vedervormige kieuwen ; zie PRILIPPI in WJEGMANN'S Archiv fur Naturgeschichte I , 1835 , S. 275 . ( + ) In Anatina en Pholadomyo Sowerby zijn de kieuwplaten aan weerszijden zoo zamengegroeid , dat zij cene enkele kieuw vormen ; OWEN Lectures on the comp . anat . of the invert , animals p . 283. Ook bij Lucina en Corbis vond VALENCIENNES aan weerszijden slechts eene kieuw ; Comptes rendus , 9 Juin 1815 . ( 0 ) L. II . BOJANOS , Sendschreiben an Mr. Le Chevalier G. de cu VIER über die Athem- und Kreislauficerkzeuge der zweischanligen 44 SCHELPDIEREN . zenuwstelsel in deze klasse beschouwen . In den regel kan men bij de Lamellibranchiata drie centrale zenuwmassa's aannemen , elk uit twee zijdelingsche knoopen bestaande , waarvan echter alleen de eerste twee steeds van elkander gescheiden blijven . Deze liggen bij den mond en zijn door eene boogvormige , langere of kortere , dwarse streng , eene commissuur , die voor den mond loopt , verbonden . Aan weerszijde ontspringt uit deze knoopen een lange zenuw streng , die naar de achterste zenuwmassa , de dikwerſ in een ' knoop verbondene ganglia abdominalia , loopt , en dus eenen wijden ring vormt , dien men met den slokdarmring bij andere ongewervelde dieren kan vergelijken . De lweede zenuwmassa , het par pedale , door twee kortere stren gen mede met de eerste knoopen verbonden , is bij de geslachten , die geenen voet hebbe ! ) , weinig ontwikkeld of volgens GARNER zelfs afwezig . Meestal onderscheiden zich de zenuwknoopen door eene roode of oranjcachtige kleur ( * ) : Het zenuwstelsel der Brachiopoda is nog niet volkomen be writes ( * ) Vergelijk R. GARNER On the nervous system of Molluscous Animals , Trans . of the Linn . Soc . XVII , 1835 , p . 485—488 , Pl . 24 ; DLANCIAND , Observations sur le système nerreux des Mollusques lamellibranches , Ann . des Sc . nat . , 3ième Série II , 1815 , p . 321 tot 340 , PI . 12. Hier vindt men ook een uitvoerig geschiedkundig overzigt van dit onderwerp . De twee kleine , digt bij de mondknoopen liggende zenuwknoopen van Ostrea ( Brandt und RATZEBURG Mediz . Zool . II , S. 340 , 341 ) , beschouwt BLANCHARD als beantwoordende aan het ( volgens GARNER bier ontbrekende ) par pedale . Zenuwtakjes , die uit de zijdelingsche verbindingsstreng van en achterste paar ontspringen , waarbij zelfs in sommige soorten ( Solen , Arcu ) knoopachtige zwellingen worden waargenomen , komen , zoo het schijnt , met het sympathisch zenuwstelsel der gelede dieren , bepaaldelijk met de zijdelingsche deelen daarvan bij de kreeften , die eveneens uit den halsband ontspringen ( zie boven 1 , 716 ) , overeen . De met eene buis vormige verlenging van den mantel voorziene Lamellibranchiata heb ben dikwerf tusschen de spieren , die de buizen teragtrekken , nog kleine nerenk noopen . het eerste SCHELPDIEREN . 48 kend , maar schijnt naar eenen anderen typus gevormd te zijn ( * ) . Onder de deelen , die men als zitplaatsen van zinnen be schouwen kan , komen in de eerste plaats de kegelvormige cirri in aanmerking , welke aan den mantel der lamellibran chiata somlijds langs den geheelen rand , of aan sommige deelen van den mantel , aan de openingen van den Sipho b . V. , aanwezig zijn en die bij de brachiopoda door lange , stijve , glinsterende haren vervangen worden . De mond wordt daarenboven bij de lamellibranchiata door grootere af zonderlijke tast werktuigen , door twee paren van dwars gestreepte driehoekige of langwerpig eironde blaadjes om geven , die sommige voor nevenkieuwen houden , om derzelver uiterlijke overeenkomst met de kieuwen de zer dieren . Bij de brachiopoda zijn twee lange armen , , met draden als franjes kamvormig bezet , ter zijde van den mond gelegen , waar zij , spiraalvormig opgerold , binnen de schaal verborgen worden . Gezigtswerktuigen zijn in den laatsten tijd onder de lamellibranchiata bij Pecten , Spon dylus en vele andere geslachten door mikroskopisch ont leedkundig onderzoek aangewezen , in groene , roodgele of bruine , glansrijke , dikwerf op steelljes bevestigde koopjes aan den rand van den mantel . Bij verschillende soorten heeft men meer dan honderd dergelijke oogen geteld ( t ) . (* ) COVIER , Mém . sur la Lingule p . 8 , spreekt zeer onbepaald over dit punt ; Owen vermeldt een ' zenuwknoop , tusschen de grondstukken der twee armen , en twce zenuwknoopen , terzijde van den mond . Transact , of the zool . Soc . 1 , p . 156 . ( * ) POLI spreekt reeds van deze ocelli smaragdino colore corus cantes , die op grootere cirri van den mantelrand bij Spondylus ( II , p . 107 ) en l'ecten Jacobaeus staan ( ib . p . 153 ) ; bijzonder groot en duidelijk zijn zij bij de laatstgenoemde soort ( Tab . 27 , fig . 5 , 14 ) ; hun inwendig zamenstel kon Poli niet onderzoeken , en de latere schrij vers over de weekdieren verzuimden deze bijzonderheid geheel . Eerst GARNER ( Transact . Linn . Soc . 1.1 . p . 488 ) en voor weinige jaren GROBB ( MÜLLER'S Archio 1840 , S. 24 , Taf . III , f . 1 , 3 ) , KROIN ( ald . S. 381 10+ 386 , Taf . XI , fig . 16 ) en WILL ( FRORTEP'S Neue Notizen , XXIX Bu .. January 1894 , nº . 622 , 623 ) bebben deze zaak behoorlijk in het licht gesteld . 1 46 SCHELPDIEREN . Als gehoor - werktuig beschouwt siebold een door hem bij Cyclas , Anodonta , Unio , Mya , Cardium , Tellina enz . aangetroffen , orgaan , hetgeen voor en bij de zenuwmassa van den voet gelegen is . Hier vond hij namelijk aan beide zijden een blaasje , waarin zich een platronde , door schijnende kern vrij beweegt . De kern is een concre ment , met de lapilli van den gehoorzak der beenige visschen te vergelijken ( * ) . Noch van dit raadselachtig orgaan , noch van oogen heeft men lot nog toe bij arm pootige weekdieren eenig spoor aangetroffen . De bewegingen dezer dieren zijn zeer eenvoudig . Vele lamellibranchiata en alle armpootige weekdieren zijn aan hunne plaatsen bevestigd en kunnen zich van daar niet naar elders bewegen . Andere schelpdieren hebben eene springende beweging door middel van den voet ( pes ) , welke naam gegeven wordt aan eene verlenging van den buik , die spierachtig en zeer vast is , eene zeer groote zamen trekkingskracht en prikkelbaarheid bezit en zeer verschillen de vormen kan aapnemen ( + ) . De schelpdieren bewegen zich daarmede op den grond van het water , waarin zij leven . De geographische verspreiding der schelpdieren verdient een meer opzettelijk onderzoek , dan daaraan tot nog toe besteed werd . Alle schelpdieren leven in het water , ge deeltelijk in zoet water , maar voor het grootste gedeelte in de zee . Onder die geslachten , welke in de zee leven , heeft men er eenige , waarvan in bijkans alle wereldstre ken soorten gevonden worden ; zoodanige zijn b . v . de ge slachten Solen , Mya , Anatina , Mactra , Tellina , Lucina , Donax , Venus , Cardium , Arca , Pectunculus , Mytilus , Pecten , Ostreu . Het is er echter ver af , dat al deze ge ( * ) C. TI . V. SIEBOLD , Ueber ein rüthselhaftes Organ einiger Bi valven , MÜLLER'S Archiv 1838 , S. 49–54 ( overgenomen Ann . des Sc . nat . , Sec . Serie , X Zool . p . 319 ) ; en WiegmaNN'S Archio 1841 , Ueb . d . Gehörorgan der Mollusken , S. 148 u . ff . , Ann . d . Sc . nat , Seo . Serie XIX , p . 193 , Pl . 2 B fig . 1 . ( + ) Zie poli I , Introd . p . 37 . SCHELPDIEREN . 47 slachten in verschillende zeeën op gelijke wijze vertegen woordigd zouden zijn ; van de geslachten Venus , Cardium , Arca , Ostren zijn de soorten veel talrijker in de Indische Zee en Stille Zuidzee , dan in de zeeën van het Noordelijk Halfrond . Een noordsche vorm schijnt Glycimeris te zijn , van welk geslacht de eenige tot nog toe bekende soort van Glycimeris siliqua , zeer talrijk gevouden wordt aan de groote bank van New - Foundland . Menigvuldiger daaren tegen zijn de vormen , die in warmere zeeën of in bet Zuidelijk Halfrond uitsluitend voorkomen , of van welke slechts eene of weinige soorten in de Middellandsche of Roode Zee voorkomen . Wij noemen hier de geslachten Crassatella , Tridacna , Hippopus , Malleus , Avicula , Me leagrina , Spondylus ( en het daarmede vereenigde geslacht Plicatula ) Vulsella , Placuna . Het veelvuldig voorkomen van welbewaarde overblijfsels uit deze klasse in verschillende berglagen , geeſt bij de pasporingen der geologen tot de regte kennis en onderscheiding dier lagen een hoogst be langrijk hulpmiddel . Van sommige geslachten zijn de uitgestorvene soorten veel talrijker dan de thans levende ; sommige geslachten , die vroeger de zee bevolken , zijn in het tegenwoordig tijdperk der geschiedenis van aardbol geheel verdwenen . Opmerkelijk is het , dat van de thans nog levende geslachten , die tevens uitgestorvene soorten tellen , wanneer deze laatste zeer talrijk zijn , verreweg de meeste thans uitsluitend of hoofdzakelijk in den Indischen Oceaan en in de Stille Zuidzee worden aangetroffen . Van het geslacht Trigonia is slechts eene enkele levende soort bekend , en deze wordt in de Zuidzee bij Nieuw - Holland gevonden , terwijl daartoe talrijke fossile soorten behooren , vooral uit de Jura- en Krijtſormatie . Ook de geslachten Spondylus , Lima , Avicula , Crassalella , Arca en anderen strekken daarvan ten bewijze . Omtrent de zoetwater - schelpdieren moelen wij opmer zaam maken op het groot aantal van soorten van het ge onzen 48 SCHELPDIEREN . slacht Unio , die in het westelijk halfrond , vooral in Noord Amerika , voorkomen . De Brachiopoda bieden in hunne geologische en ge ographische verspreiding veel eigenaardigs aan . Van Orbi cula en Terebratula komen zoowel in het Noorden als in het Zuiden soorten voor ; men kent er uit den Indischen Oceaan en uit de Middellandsche Zee , uit de Zuidzee aan Amerika's Westkust en uit de Noordzee . Evenwel zijn ook van deze geslachten de soorten in de Zuidelijke zeeën tal rijker en de weinige soorten van Lingula zijn alle van het zuidelijk halfrond . Uitgestorvene soorten van Terebratula zijn ongemeen talrijk en komen in zeer oude formatiën eveneens als in nieuwere voor . De Brachiopoda maken alzoo eenen van die weinige vormen uit , die aan geen bepaald tijdperk van de geschiedenis der aarde gebonden zijn en die hare onderscheidene omwentelingen hebben overleefd . DISPOSITIO SYSTEMATICA CONCHIFERORUM . CLASSIS XII . CONCHIFERA . Animalia capile distincto nullo , utrinque pallii lamina oblecta . Conchae duae , pallio incumbentes . Cor aorticum . Respiratio branchialis , branchiis plerumque lamellosis , juxta corporis margines utrinque decorrentibus , pallio obtectis ; in aliis pallio ipso branchiarum vice fungente . Hermaphro dita alia , alia seru distincto ; aquatilia omnia . ORDO I. Palliobranchiata s . Brachiopoda . Corpus depressum , pallio bilobo , aperto obleclum . Bran chiae pallio adnatae aut a pallio non distinctae . Cor du pler , arteriosum . Duo brachia longa , spiram ad instar convoluta , cirris ciliisve munita . Os simplex ad brachio rum basin . Tesla bivalvis , affixa , sessilis aut petiolata , pal lio adhaerens musculis pluribus , obliquis . Familia I. ( CLXXXIII . ) Brachiopoda . Characteres ordinis . Over deze orde en familie vergelijke men : Cuvier , Mém . sur l'Animal de la Lingule , Ann , du Mus . I , 1802 , p . 69–80 , PJ . VI , overgenomen in zijne Mémoires sur l'Hist , et l'Anat . des Mollusy . N " . 21 . BRODERIP , Descriptions of some new species of Brachio poda . Transact . Zool . Soc . I , p . 141-144 . Owen , On the Anatomy of the Brachiopoda ; ib . p . 145 - 164 , Pl . 22 , 23. ( Beide deze verhandelingen zijn ook ver taald overgenomen in de Ann . des Sc . natur . , sec . Série , III , 1835 , p . 26-30 , p . 52–77 ) . R. Owen , Lettre à 1. MILNE EDWARDS sur l'appareil de la Circulation chez les Hollusques de la classe des Brachio II . 4 50 CL . XII . CONCHIFERA . podes , Ann . des Sc . natur . , 3ième Sirie III , 1845 , Zool . p . 315-320 , PI . 4 . W. King , Remarks on certain Genera belonging to the Class Palliobranchiata , Annals of natur , History , XVIII , 1816 , p . 26-42 , p . 83-94 . Het hoofdkenmerk dezer afdeling bestaat in de adem halingswerktuigen . Bij Lingula ziet men op elke lob van den mantel aan de binnenzijile twee , in de lengte loopende heofils ! ainmen , die het bloed terugvoeren naar het , gelijk wij boven reeds zeiden , dubbele hart , daar het meest van elkander verwijderd zijn en schuins naar den vrijen rand der martellob convergeren in de gedaante van een omgekeerde V. Aan den buitenrand evenwijlige zijtakken , die eenen reg ten hoek met deze hoofd raten maken , vormen eene sier lijke kamvormige teekening op de mantelplaten . Het zijn deze vaatverdeelingen , die de ademhalings werktuigen za menstellen ; de kieuwen zijn derhalve aan den mantel ge hecht of liever de mamiel zelve is de zitplaats van de ademhaling . Van deze inrigting is die , welke bij Orbicula en Terebratula aanwezig is , meer in voorkomen dan in wezen verschillend . De ademhalingsfunctie is hier niet ge lijk bij Lingula tot een gedeelte van den mantel beperkt , maar strekt zich meer over den geheelen mantel uit , ter . wijl er zich twee raatstammen op de eene en vier op de andere lob uit talrijker takjes vormen , en het slagaderlijk bloed naar het dubbele hart terugvoeren ( owen , Transact . zool . Soc . I , p . 147 , 148 , 154 ) . Het dubbele hart ontvangt bij deze weekdieren het bloed evenwel niet onmiddellijk uit de gemelde kieu waderstammen , maar deze storten het in eene sinus uit , waaruit het door de vrije en wijde ope ning van de lwee hartooren wordt opgenomen ( Ann . des Sc , nat . , 3ième Srie , III , p . 316 , 319 ) . Een tweede kenmerk dezer orde geren de twee dus genoemde armen , die opgerold met de holronde zijde naar buiten naast den mond liggen en met cirri of draden omzoomd zijn . Bij Terebratula , waar deze draden lang en fijn zijn , verkrijgen daardoor deze twee armen het uitwendig voorkomen van kieuwen , ' t welk vroegere schrij vers ook heeft doen vermoeden , dat zij werkelijk kieuwen waren , b.v. PALLAS , Miscell . Zool . 1766 , p . 182 , GRÜNDLER , Na . turforscher II , 1774 , p . 82 , 83. Deze armen hebben in hunne CL . XII . CONCHIFERA . 51 as een ' aan beide zijden gesloten peesachtigen koker , welke , volgens owen , inweadig met een vocht opgevuld is . Spier vezels , die den koker omgeven , drukken , naar zijne meening , dil vocht naar het uiteinde en doen de armen aldus ontplooijen . In de derde plaats kenschetsen zich de Brachiopoda door het gemis van een ' veerkrachtigen band , welke bij de plaat kieuwige weekdieren aan het slot der schelpen aanwezig is en antagonistisch werkt met de sluilspieren . De schaal wordt dus hier door de armen geopend of ook , bij Terebratula , door de elasticiteit van een’zamengestelden toestel van dunne , kalkachtige bogen , die binnen aan de oppervlakte der klei nere , ondoorboorde schaal zijn vastgehecht . Hierbij komt eindelijk nog eene meer zamengestelde inrigting van het spierstelsel , hetwelk verschillende schuinsche bundels vormt , in plaats van de enkele of dubbele sluitspier , welke bij de plaatkieuwige weekdieren aanwezig is . 1. Testa acardis . Lingula BRUG . , Lam . Testa subaequivalvis , planulala , oblonga , tenuis , utrinque hians , pedunculo carnoso , cylindrico , in tus caro affixa . Sp . Lingula anatinn LaM . , BLAINV , Malacol . Pl . 51 , fig . 3 , GUÉ RIN Iconogr . Moll . Pl . 36 , fig . 1 ; uit den Oost - Indischen Oceaan . Vroeger kende men van dit dier alleen losse schalen ; zoodanig eene enkele schaal is b.v. bij RUMPHICS Amb . Rariteitk . Tab . XL , fig . L afgebeeld . LINNAECS noemde zoodanig eene schelp Patella unguis . Het eerste berigt van twec , met elkander verbondene schelpen gaf CHEMNITZ ( Naturforscher XXII , 1787 , p . 23–32 , Tab . III ) . In de laatste jaren zijn nog eenige weinige andere levende soorten van dit geslacht ontdekt . Vergelijk BRODERIP 1.1 . , en over de Anato mie van Lingula anatina , behalve CovieR en OWEN t . a . p . , ook C. vogt , Neue Denkschriften der allg . Schweizer Gesellschaft f . d . ges . Naturwiss . VII , Neuchatel 1845 m . 2 Taf . Er komen ook fossiele soorten van dit geslacht voor , bovenal in de silurische formatie , ook in den Bergkalk . In den Muschel - kalk en den bonten zandsteen vindt men Lingula tenuissima , bronn Leth . geogn . Tab . XII , fig . 6 B. Orbicula cuv . , Lax . Testa inaequivalvis , orbicularis . Valva aſfixa plana , disco fissa ; valva superior conica . 4 * 52 CL . XII . CONCHIFERA . > Sp . Orbicula Norwegica LAM . , Patella anomala Müll . , Zool . Da nic . Tab . V , BLAINV . Malacol . Pl . 55 , fiz . 5 ; op rotsen en schel pen vastzittende in de Noordzee ; Orbic , lamellosa BRODER . , Trans , zool . Soc . I , Tab . 23 , fig . 2 , aan de kusten van Peru enz . Annot . Genus Discina LAM . delcndum , ab Orbicula non distin ctum ; vide G. B. SOWERBY , Transacl . of the Linn . Soc . XIII , p . 472 . Crania RETZIUS , BRUG . Testa inaequivalvis , suborbicularis . Valva plana affixa , intus impressionibus muscularibus qua tuor , duobus mediis in unam fere confluentibus . Sp . Crania ringens DOENING I. , Anomia turbinatn pol , Test . utr . Sicil . ll , Tab . 30 , BLAING . Malac . Pl . 59 , fig . 2 ; Middell . Zee . Ge woonlijk verwart men deze soort met Anomia craniolaris L. , welke fossiel is , gelijk vele andere soorten , uit de krijtformatie . Vergelijk A. J RETZios Crania oder Todtenkopfs - Muschel , Schrif ten der Berliner Gesellsch . naturforschender Freunde Bd . II , S. 66 ; SOWERBY , Transact . Linn . Soc . XIII , p . 469-472 , Tab . 26 . II . Tosta cardine instructa . Calceola lam . ( Genus fossile ) . Thecidea DEFR . Terebratula liwYU , EROG . ( Anomiae spec . L. ) Tesla in aequivalvis , sublrigona . Apex valyae majoris ( ventralis ) per tusus foramine rotundalo , pedunculam brevem , aflixum exserenle . Cardo dentibus duobus . Intus rami duo calca rei , graciles , arcuali e disco valvae minoris ( dorsalis ) ena scentes , fulcrum brachiorum efformantes . Sp . Terebralul « caput serpentis LAM . , Anomia caput serpentis L. , Encycl . meth . , Vers . Pl . 246 , fig . 7 , BLAINV . Malacol . Pl . 52 , fig . 6 , in den Atlantischen Oceaan en de Noordzee ; Terebrat . dorsuta Lam . , BLAJNv . Malacol . Pl . 51 , fig . 1 uit de Straat van Magelhaan , enz . Veel talrijker zijn de fossiele soorten , onder welke wij om den bij . zonder symmetrieken vorm , welken Fabio colonsa met lwee aan cen gevoegde mosselen vergeleck , vermelden : Terebralula discoidea LAM . , Terebralula diplya col . , VON Bcco , Encycl . meth . , Vers . Pl . 240 , fig . 4 , uit de krijtformatie , vooral in Italië gevonden . Vergelijk 1. VON Buca Veber Terebraleln mit einem Versuch sie su classificiren und zu beschreiben . Mit 3 lithogr . Tafeln Berlin , 1831 , 40. ( Abhandl . der Akad . der Wisensch . in Berlin , physik . Klasse 1833 ) . CL . XII . CONCHIFERA . 35 L. VON Spirifer sowerby , Delthyris Dalla . , Trigonorreta KÖNIG , BRONN . Foramen valvae majoris triangulare , marginale . Fulcra brancbioram spiram ad instar revoluta . Cf. SOWERBY , Linn . I'ransact . XII , p . 514 , fig . 9 ; BOCI Ueber Delthyris oder Spirifer und Orthis , mit 2 lithogr . Taf . Berlin 1837 , 4º . ( Abh , der Akad . in Berlin , Physik . Kl . 1836 ) . De schalen zijn veelal zeer in de breedte verlengd , b.s. Spirifer speciosus BRONN , Leth . geogn . Tab . II , fig . 15 . Alle soorten behooren tot de oudere , grootendeels tot de overgangs formatiën . In de Lias of onderste oolith - lagen vindt men de laatste soort van dit geslacht , Spirifer Walcottii , hetgeen daarna onder de overblijfselen van levende wezens niet meer wordt aangetroffen . Productus SOWERBY , Strophomena DAFIN . , BRONN , Le ptaena Daly . Cardo linearis , rectus . ' Tesla inaequivalvis , alala , fere semiorbicularis , valva majori gibba , imperforata . Een geheel uitgestorven geslacht , uit de oudste tijdvakken van de geschiedenis onzer aarde . DesuayeS neemt aan , dat deze schelpdieren niet bevestigd waren , maar zich vrij bewoyen even als de meeste lamellibranchiata . Sp . Productus tubuliferus DESI . , Strophomena aculeata Bronn , Lethaea geogr . Tab . III , fig . 1 enz . Sommige schrijvers onderscheiden Strophomena als afzonderlijk geslacht van Productus . Zie over deze en andere geslachten , welke wij hier on vermeld moeten laten , w . King in Ann , and Magnz . of nai . Hist . Vol . 18 , 1846 , p . 26—42 en p . 83--91 , en over Productus , 1. TON Buco in Abhandl . der Akud . in Berlin , Physik . klasse 1841 . ORDO II . Lamellibranchiata . Corpus compressum , utrinque pallii lamina oblectum . Branchiae ad latera corporis sub utroque pallii lobo posi lac , plerumque lamellosae , utrinque duae , rarius pectina tae , e fimbriis laciniisve tenuibus , confertis compositae . Qua luor in longe plurimis tentacula lamelliformia , oralia aut trian gularia , per paria ad latera oris sita . Conchae duae laterales , pallio incumbentes , ligamento elastico ad dorsum conjunclae . Over het inwendig zamenstel dezer plaatkieuwige schelp dieren is boven reeds het noodige gezegd . De baarddra den , byssus genoemd , verdienen nog eene beknopte ver melding . Aan den voet der schelpdieren ( zie boven biz . 46 ) staat dikwerf cen bundel haren of draden , waaraan men 60 CL . XII . CONCUIFERA . deze fainilie laten . De kenmerken der groep zijn nog niet genoegzaam bepaald , omdat men de dieren dezer schelpen tot nog toe of in het geheel niet of slechts on volkomen kent . Enkele geslachten bestaan alleen in fossielen toe stand . Inoceramus SOWERBY . Testa inaequivalvis , apicibus ap proximatis . Cardo rectus , incrassalus , seric foveolarum , li gamentum divisum recipientium instructus . ( Genus fossile . ) Vele fossiele soorten , vooral uit de krijtperiode , zijn in dit geslacht vervat , terwijl men er nog geene uit de tertiaire formatiën kent . DESIATES , gelijk ook GOLDFUSS en BRONN , vereenigen thans met dit geslacht ook de geslachten Catillus en Mytiloides van BRONGNIART . Vergelijk het artikel Inocerume van DESHAYES , Dict . univ . d'Hist . nat . VII , 1846 , p . 53 , 54 en BRONN , Leth . geogn . p . 689-696 ( cerste uitgave ) . Pachymya sowerby ? Dit geslacht vereenigile DESIATES vroeger met Catillus en thans ook met Inocerumus ; vergelijk echter BRONN t . a . p . , p . 696 , 697 . Er is slechts eene soort bekend , mede uit de krijtformatie : Pachym . sigas sow . , BRONN , Leth . geogn . Tab . 31 , fig . 9 a , b . Perna BRUG . ( Osireae species L. ) Testa complanala , sub aequivalvis , latere anteriori hians , aperlura byssum emil lente . Cardo reclus , linearis , edenlulus , sulcis parallelis , ligamentum divisum excipientibus . Sp . Perna isogonun LAH . , Ostren isugonum L. , RUMPIT , Anb . Rariteitk . Tab . 47 , fiy . J , cuv . R. anim , ed . ill . , Mull . Pl . 81 , fig . 1 , Ind . Occaan ; Pernu femoralis LAM . en P. canina Laj . zijn , volgens DESIAYES , slechts varieteiten van deze soort . Perna ephip pium , Ostren ephippium L. , GUÉRIN , Iconogr . , Moll . Pl . 26 , fig . 2 , Men kent ook eenige fossiele soorten van dit geslacht uit de secundaire en tertiaire formation , Gervillia DEFL . Een fossiel geslacht , zeer verwant aan Perna , waarvan soorten uit de oölith- en krijtperiode bekend zijn . Crenalula Lan . Testa tenuis , complanata , lamellosa , non emarginala pro transilu byssi . Cardo edentulus , linearis , margine crenatus , foveis semicircularibus ligamentum cxci pientibus . enz . CL . XII . CONCIIIFERA . 61 . CF. LAMARCK Ann . du Museum III , p . 25-31 , Pl . 2 . Sp . Crenatula aticularis Lam . I.l. Pl . 2 , f . 1 , 2 , ccv . R. ani . ed . ill . , Moll . Pl . 81 , fig . 2 , aan de zee rondom de Zuid - Amerikaan sche kusten enz . Vulsella lam . Testa irregularis , elongata , tenuis , subacqui valvis , libera . Cardo in utraque valva tuberculo instructus , fovea conica exsculpto ad recipiendum ligamentum . Sp . Vulsella lingulata Lam . , Mya vulsella 1 , ROMPI . Amb . Ra riteitk . Tab . 46 , fig . A , BLAINV . Malacol . Pl . 62 , fig . 5 uit den indischen Oceaan , enz . Sommige soorten worden tusschen koralen , andere in sponsen aangetroffen . Men kent eene soort uit de tertiaire formatie ( Vulsella deperdita Lam . , uit den grofkalk ) en enkele uit de krijtperiode . Malleus LAM . Testa subaequivalvis , rudis , saepe undu lala , deformis , elongata , complanata , auriculata , antice emar ginala pro transitu byssi . Sinus rectus , triangularis inter utramque valvam ; apices parvi , divaricali . Cardo edentu lus ; fossula cardinalis oblongo - conica , ligamentum recipiens . Sp . Malleus rulgaris Lam . , Ostrea Malleus L. , RUMPI . Amb . Ra riteitk . Tab . 47 , fig . H ; D'ARGENVILLE , Conchyliologie 1757 , 4 ° . , Pl . 19 , fig . A , BLAINV . , Malac . Pl . 63 , fig . 4 ; deze schelp , gewoon lijk de poolsche hamer genoemd , wordt in den Oost - indischen Oceaan gevonden . Om bare zeldzaamheid in de verzamelingen is nog te ver melden Malleus albus Lam . , CHEMNITZ Conchyl . Tab . 206 , uit de Zuidzee . Avicula bruG . , PESHTATES . Testa subaequivalvis aut inaequi valvis , extus saepe squamosa . Cardo erlenlulus aut uno duobusve dentibus parvis . Area obliqua , submarginalis , in terdum subindistincta pro ligamento interno . Superficies interna valvarum margaritacea . Animal compressum , pallio aperto , margine incrassato , cirriſero . Pes conicus , vermiſor mis , bysso crasso , filamentis interdum coalitis . Subgenus Avicula lam . Testa ovalis , obliqua , auriculis magnis . Dens cardinalis in utraque valva infra apices . Sp . Avicula semisagitta LAM . , Mytilus Hirundo l . pro parte , BLAINV . , Malac . , Pl . 63 , fig . 8 ; Avic . Tarentina LAM . , POLI Testac . utr . Sic . Tab . 32 , tig . 17–21 etc. Men kent ook fossiele soorten uit den Muschelkalk en andere formation . 69 CL . XII . CONCHIFERA . 2 Meleagrina Lam . Testa suborbicularis , auriculis non pro ductis , cardine edentulo . Sp . Avicula margaritifera , Mytilus margaritiferus L. , RUMPA . Amb . Rariteitk . Tab . 47 , fig . F , G ; D'ARGENv . Pl . 20 , fig . A , BLAINT . Malac . , Pl . 65 bis , fig . 7 , cov . R. ani . , ed . ill . , Moll . Pl . 85 , fig . 1 ; de parelmoerschelp . De schelp is bijkans vierkant , met ronden rand , groenachtig bruin gestreept met witte vlekken , van binnen parel mocrachtig , geel- of blaauwachtig wit . Dit schelpdier levert de schoonste paarlen en wordt in den Perzischen Zeeboezem en in den Indischen Oceaan bij het eiland Ceylon en bij Borneo , in de Straat van Malacca enz . geronden . De grootste parels vindt men op de diepste plaatsen , zoo als in den Perzischen Zeeboezem hij liet eiland Khar , rak , waar zij op zeer diepe banken liggen . De Perzische parels zijn hard en daarom meer geacht dan de Ceylonsche , die dikwerf aan afschilfering onderhevig zijn . B. Dimyaria . Duae impressiones musculares , plerumque remotae , interdum approximalae . Ligamentum valvarum in plurimis externum . Familia V. ( CLXXXVII . ) Mytilacca . Pallium antice fis sum . Pes conicus aut lingulatus , byssiferus . Duae impres siones musculares in ulraque valva remotae . Musculus ad . ductor anterior saepe minimus . Pinna 1. Testa fragilis , tenuis , saepe imbricato - squa mosa , elongala , triangularis , versus apices angustala . Cardo edentulus ; ligamentum marginale . Animal ( Chimaera POLI ) pede vermiculari , subulato , transverse rugoso , basi byssum e filamentis densis , longis , sericeis obferenle . Musculus ad duclor anticus prope apices , posticus major , subcentralis . Appendix conica , contractilis ad posteriorem pallii partem ( trachea Poli ) . llamdoublet . Groote , driehoekige , dunne schelpen , die aan de punt zeer smal zijn ; over elke schelp loopt in de lengte eene kielvormige , somtijds zwakke verhevenheid , daar elke schelp uit twec , onder eenen stompen lioek zamenkomende vlakken gevormd is . llet dier steckt met de punt der schelp in het zand , en bevestigt zich daarenboven door den byssus aan andere voorwerpen . De zijde - achtige byssusdraden der soorten van de Middell . Zoe worden in Calabrië en op Sicilië tot het vervaardigen van handschoenen , kousen , beurzen enz . gehczigil . CL . XII . CONCHIFERA . 63 Sp . Pinna nobilis 1 , Pinna muricata Poli Testacea utr . Sic . Tab . 34 , fig . 1 , BLAINV , Malac . Pl . 64 , fig . 1 ; Pinna rotun data L. ( et P. squamosa GMEL . , LAM . ) , LISTER Tab . 371 , fig . 215 , Encycl . méth . , Vers . Pl . 200 , fig . 2 etc. Men kent van dit geslacht vele fossiele soorten uit de secundaire en enkele uit de tertiaire for matiën ; tot deze laatsten behoort Pinna margaritacea LaM . , Ann . du Mus . IX , Pl . 17 , fig . 3 uit den grof kalk . Mytilus L. ( pro parle ) BRUG . Testa elongata , non squa mosa , lacviuscula , aequivalvis , apicibus antrorsum positis , cardine edentulo , aut duobus dentibus obsoletis . Ligamen tum dorsale , lincare , sinu angusto el elongato marginali receplum . Duae impressiones musculares , anteriori minima . Animal ( Callitriche POLI ) pede ligulato , canaliculato , byssi ſero , pallio postice in parvam tracheam analem , tentaculi ſeram concreto , Palpi labiales quatuor elongati , lanceolati . Mytilus Lam . Apices terminales . Sp . Mytilus edulis l . + , BASTER Natuurk . Uitsp . I , p . 117– 127 , Tab . XI , fig . 9-11 , cuv . R. ani . , éd . ill . , Mollusq . Pl . 89 , mossel , moule , Miesmuschel , muscle . De schelp is langwerpig en , na het wegnemen der opperhuid , purperachtig blaauw . Men vindt deze soort in de Noordzee en in de Middell . Zee . De mossels groeijen schielijk en zijn in het tweede jaar reeds eetbaar . Somtijds zijn zij schadelijk en in het voorjaar zijn zij bij ons minder smakelijk ; gelijk de ondervinding in Zeeland geleerd heeft , zijn zij het best van Julij tot Januarij . Sommige gestellen kunnen geene mosselen verdragen en dit heeft ten deele aanleiding gegeven om deze schelpdieren in kwaden naam te brengen , alsof zij somtijds giſtig waren . De eijeren worden niet door de kieuwen , gelijk bij Anodonta en Unio , maar door den mantel opgenomen . Vergelijk voor de ontleedkunde van den mossel A. DE REIDE Anatome Mylili . Amstelod . 1683 , 80. , POLI Test . air . Sicil . II , p . 199–207 , ' Tab . 31 , C. R. TREVIRANOS , Zeitschr . f . Physiol . I , 1824 , S. 41–47 , Tab . V , fig . 26—29 . Voor de overige soorten van dit geslacht vergelijke men LAMARCK , Ilist . Nat . des Ani.s.r. en DESHAYES Encycl . meth . , Vers II , p . 557 et suiv . Modiola Lam . A pices sublaterales . Sp . Modiola tulipa Lam . , Encycł . meth . , Vers , Pl . 221 , fig . 1 , uit den Golf van Mexico enz . Er zijn langwerpige soorten , die in steenen dringen , waarvan CC VIER 6 . CL . XII . CONCUIFERA . ។ > naam het ondergeslacht Lithodomus vormt . Sp . Mytilus lithophugus L. , Mod . lithophaga LAM . , BLAINV . Malac . Pl . 64 , fig . 4. (*) . Tichogonia ROSSM . , Dreissena v . BESEDEN . Testa elongata , trigona , postice inflata , antice plana aut subconcava . Api ces terminales ; septum internum prope apices . Pallium antice concretum , pro pede excisum . Trachea analis distincta . Sp . Tichogonia Chemnitzii ROSSMüssler , Mytilus polymorphus fluviatilis PALL . , Mytilus Hagenii v . BAER , DESIATES Conchyl . Pl . 37 , fig . 9—11 enz . Pallas ontdekte dere soort liet eerst in de Wolga ; in ons vaderland werd zij het eerst in den Haarlemmer meer door 1. W. WAARDENBORG aangetroffen , die haar onder den van Mytilus lineatus Lam . beschreef , met welke zij echter niet overeenkomt ( Ann . Acad . Lugd . Bat . 1826—1827 Comment . de Moll . indig . p . 38 ) ; zij komt ook rondom Leiden in de Cingels en elders voor . VAN BENEDEN heeft het dier nader doen kennen Ann . des Sc . nat . , sec . Série III , 1835 , p . 193—213 . Pl . VIII ; CAN TRAINE , die het geslacht om den grootendeels vereenigden mantel niet in deze familie , maar bij Byssomya plaatst , noemt het My tilina . Ann . des Sc . nal . , sec . serie , VII , p . 302–312 . Het komt echter in de meeste opzigten , zoowel door de schelp als het dier , zeer met Mytilus overeen . Familia VI . ( CLXXXVIII . ) Arcacea . Pallium antice fis sum , in trachcam non productum . Pes magnus , in aliis ad replatum inserviens , in aliis bysso corneo , lamelloso , in fila menta non diviso praeditus . Branchiae e filamentis solulis factae . Testa regularis , apicibus remotis . Cardo dentibus numerosis per seriem dispositis . Duae impressiones muscu Jares remotae . Arca L. ( pro parte ) . Cardo linearis reclus . Testa trans versa , inaequilatera , apicibus , area magna interposila , dis tantibus . Animal ( Daphne POLI ) pede compresso , longitu > ( * ) In de kolominen , die de overblijfsels zijn van den tempel van Serapis bij de Golf van Bajae , ziet men cen gehecle strook , die door deze schelpdieren doorboord is , omtrent 22 voet boven de oppervlakte der zce ; zie Poli Test . ur . Sic , II , p . 216 ; de nieuwere geologie heeft daaruit een bewijs ontleend voor de inzakkingen en opheffingen van den grond , waaruit zoo vele verschijnsels hunne verklaring vinden . Vergelijk het bekende werk van LYELL Principles of Geology . CL . XII . CONCHIFERA . 65 > dinaliter fisso , plerumque byssi lamellosi , cornei ope cor poribus marinis adhaerens . Cor duples . Sp . Arca Noae L. , RUMPA . Amb . Rariteitk . Tah . 44 , fig . P , En cycl . méth . , ders , Pl . 303 , BLAINV . , Malacol . Pl . 65 , fig . 2 ; in de Middellandsche Zee en den Atl . Oceaan ; de Noachsark ; de schuit vormige gedaante heeft tot de geslachtsbenaming aanleiding gegeven . Arca tortuosa L. , ROMPI . 1. ) . Tab . 47 , fig . K , Encycl . méth . , vers , Pl . 305 , fig . 1 , BLAINV . Malac . Pl . 65 bis , fig . 1 , uit den Indischen Oceaan enz . Een zeer talrijk geslacht , waarvan ook fossiele soorten voorkomen , enkele in secundaire , maar de meeste in tertiaire formatiën . Cucullaea LAM . Testa ventricosa . Cardo utrinque costis exsertis , margini parallelis , numero variis terminatus . Sp . Arca cucullus GMEL . , Cucullaea auriculifera LAM . , BLAINV . Maluc . Pl . 65 , fig . 4 , uit den Indischen Oceaan . De fossiele soorten van deze kleine groep zijn talrijker , terwijl onder de thans levende dieren - wereld slechts deze enkele bekend is . Pectunculus Lam . ( Arcae spec . L. ) Testa orbicularis , crassa , clausa . Cardo arcuatus . dentibus obliquis , medianis obsole tis . Animal ( Axinaca Poli ) pede securiformi , ad reptatum inserviente , maximo , compresso , non byssifero ; cor unicum . Sp . Peclunculus pilosus LAM . , Arcu pilosa L. ( et glycimeris pro parte ) , BonAnni Recreat . Mentis et Oculi , Romae 1684 , fig . 80 , POLI Test . utr . Sic . Tab . 26 , fig . 2 , 3 , GCÉRIN Iconogr . , Moll . Pl . 27 , fig . 6 , DESHAYES Conchyl . Pl . 34 , fig . 23 , 24 ( * ) ; Pect . glycimeris LAM . , DESI . l . 1. fig . 21 , 22 enz . Ook van dit geslacht komen vele ‘ uitgestorvene soorten voor , terwijl de nieuwere tertiaire forma tiën ook de genoemde levende soorten in fossielen toestand bevatten . Zie over deze fossiele soorten LAMARCK Ann . du Mus . VI , p . 215— 217 , IX , Pl . 18 , fig . 6–9 en DESI AYES Descr . des Coquilles foss . des environs de Paris . Familia VII . ( CLXXXIX . ) Trigoniacea . Pallium antice fissum , trachea pulla . Pes non byssiferus , reptando inser viens . Testa aequivalvis , ipaequilatera , cardo dentibus plu ribus , per duas series ab apice divergentes dispositis . Api ces contigui , aut parum remoti . Duae impressiones muscu lares remotae ; interna valvarum superficies saepe marga ritacea . ( * ) De schelpen van deze soort bezigen de Sicilianen , volgens berigt Fan POLI , tut het vervaardigen van Cammeën . II . 3 66 CL . XII . CONCHIFERA . zee Nucula Lau . Testa transversa , apicibus contiguis . Cardo linearis , fractus , fovea ad ligamentum internum recipien dum interruptus , dentibus numerosis . Sp . Nucula margarilacea Lam . , Arca nucleus L. , BLAINV . Malac . Pl . 65 , fig . 5 , DESHAYES Conchyl . Pl . 34 , fig . 11-13 ; in de Noord en in de Middell . Zee . Deze soort wordt ook versteend aange troffen . De voet dezer schelpdieren komt met dien van Pectunculus overeen . Men zou dit geslacht , hetgeen draadvorinige kieuwen heeft , in de vorige familie kunnen laten . In de laatste jaren zijn vele soorten bekend geworden , vooral door den Engelschen reiziger COMING . Het zijn alle kleine schelpdieren . Trigonia BRUG . Testa trigona , interdum suborbicularis . Dentes cardinales oblongi , sulcati . Ligamentum externum marginale . Pes elongatus , geniculatus , parle apicali sulco ad inferiorem superficiem partis basalis recepta . Sp . Trigonin pectinata LAM . , Trigon . margaritacen , Ann . du Mus . IV , p . 355—357 , Pl . 67 , fig . 1 , BLAINVILLE Malac . Pl . 70 , fig . 1 , in de Stille Zuidzce . Dit is de eenige thans nog levende soort , welke van dit geslacht bekend is , waarvan talrijke fossiele soorten , ge deeltelijk reeds in de oudere secundaire formatiën , voorkomen . Hiertoe behoort ook het geslacht Myophoria BRONN Leth . gevgn . I , p . 168– 174 uit den Muschelkalk . Vooral echter zijn de soorten van Trigo niae talrijk in de Jura- en Krijtfor matiën . Vergelijk ook agassiz Études critiques sur les Mollusques , 1re livraison , Neufchatel , 1840 , 4 ° Familia VIII . ( CXC . ) Naïadea . Pallium plerumque fis sum , interdum postice concretum et in duas tracheas bre ves productum . Pes compressus , bysso pullo . Quatuor ten - tacula buccalia ovalia . Testa transversa , inaequilatera , intus margaritacea . Impressiones duae musculares distinctae , re motae . Ligamentum externum . Deze familie bevat zoetwater - schelpdieren . LINNAEUS vereenigde de hem bekende soorten gedeeltelijk met Mya , gedeeltelijk met Mytilus . Men zou ze allen veelligt in één groot geslacht , Unio , kunnen vereenigen . Phalanx I. Testa regularis , libera , apicibus approximatis . Unio BRUG . Animal ( Limnaea POLI ) pallio fisso , postice commissura circa anum concreto , trachea foraminiformi CL . XII . CONCHIFERA . 67 DE ST . VINCENT et DRAPIEZ anum cingente . Margo posticus utriusque lobi pallii cirris s . tentaculis instructus . Branchiae utriusque lateris pone pedem coalitae . Testa crassa , intus margaritacea , apicibus saepissime decorticatis . Cardo dentibus duobus plerum que in utraque valva , anteriori crasso , oblique striato , posteriori lamellae adinstar compresso , elongato , interdum obsoleto . ( Dentes valvae sinistrae sulco bipartiti ad dentes oppositae valvae recipiendum ) . Dit geslacht is zeer talrijk in soorten , vooral in Noord - Amerika . De kennis dezer soorten is met groote zwarigheden verbonden , omdat de natuur - onderzoekers , die haar beschreven hebben , deze beschrij ringen , gedeeltelijk in Tijdschriften , welke in Europa onbekend zijn , ver spreid uitgegeven en daarbij op elkanders gelijktijdigen of voorafgaan den arbeid weinig acht geslagen hebben . Wij vermelden hier slechts , als de meest toegankelijke , de verhandelingen van RAFINESQUE ( Ann . des Sc . physiques de M.M. BORY V , p . 287 suiv . ) , J. LEA ( Americ . philos . Transact . , new Series III , Philadelphia 1828 , p . 259–263 ; III , Part 2 , 1830 , p . 403–457 , IV , Part 1 , p . 63—121 ) en het grootendeels bibliographische opstel DE PERUSSAC in GUÉRIN's Magasin de Zoologie 1835 , waarin ook de beschrijvingen van to . say en anderen zijn aangehaald . De gedaante der menigvuldige schelpen van dit geslacht is zeer ver schillend . Voor eenige van die vormen heeft men afzonderlijke geslachten aangenomen . Zoo onderscheidt LAMARCK de soorten met eene drie . boekige schelp , en met dwarse strepen op de tanden van het slot , onder den naam van Castalia ( Sp . Castalia ambigua LAM . , BLAINV . , Malacol . Pl . 67 , fig . 4 uit Z. Amerika ) . De soorten , die eene scheeve schelp hebben en aan den achterrand een groot , plat en driehoekig verlengsel aanbieden , vereenigt hij onder het geslacht Hyria . ( Sr. Unio syrmatophorus O. FABR . Hyria avicularis LAM . , Mya syrmatophora GRONOV . Zoophylac . Tab . XVIII , fig . 1 , Unio corru gatus BLAINV . , Malacol . Pl . 67 , fig . 1 ; Hyrin corrugata LAM ., Encycl . méth . , vers . Pl . 247 , fig . 2 ) . De andere soorten laat la MARCK onder het geslacht Unio bijeen . Maar behalve Castalia en Hyria vindt men nog zeer verschillende vormen , waarvan men onder geslachten zou kunnen maken , zoo als Unio orbiculatus sildk . of Unio subrotundus RAFIN , van eenen ronden vorm ( t ) , Unio arcaeformis van ( * ) O. PABRICIOs in Kongel . Danske Videnskab . Selskabs Natur vidensk . Af handlinger 1 , 1824 , p . 55–61 . ( + ) Zie b.v. Unio verrurosa VALENC . , in TOMBOLDT et BONPLAND Re . cueil d'Observ . de Zool . et d'Anal , comp . II , Pl . 53 , fig . 2 . ** 68 CL . XII . CONCHIFERA .  LEA , mct eene platte , breede vlakte achter de spitsen enz . Bij de in Europa voorkomende soorten is de schelp gewoonlijk minder ver schillend van gedaante , langwerpig , van voren rond en stomp , van ach teren toegespitst en verlengd . Sp . Unio pictorum LAM . , Mya pictorum L. † , STORM Faun . Germ . VI , lleft 2 , Tab . a , Unio rostrata PFEIFFER Deutsche Land- und Wasserschn . I , Tab . V , fig . 8 ; Unio margariti ferus RETZ . , NILS son , Mya margaritifera i Unio sinuata Lam . ( et Unio elongata I AM .) to SCARÖTER Geschichte der Flussconchyl . 1779 , 4 ° . , Tab . IV , fig . 1 , PFEIFFER 1.1 . Tab . V , fig . 11 enz . Deze soort levert , even als du Meleagrina , schoone paarlen ( zie boven bl . 12 ) . Als eene zeer groote soort van Noord - Amerika vermelden wij : Unio undulalus say , l'nio Peruviana Lam . , Encycl . méth . , rers Pl . 248 , fig . 7. VALEN CIENNES in nomb . et BONPL . Obs . de Zool . et d'Anat , comp . II , p . 229 , Pl . 54 , fig . 3 . Anodonta BRUG . Incola teslae ( Limnaea POLI ) ejusdem formae ac animal generis praecedentis . Tesla plerumque tenuis , transversa , postice elongata , antice rotundato - trun cata . Margo cardinalis edenlulus , linearis . Riviermossel . Dit geslacht onderscheidt zich van het vorige door groolere dunheid der schelpen , en vooral door het gemis van schar nier , maar het dier is volmaakt hetzelfde als bij het geslacht Unio , waarmede DescaYES het dan ook vereenigt . Ook in de schelpen maakt Unio depressa V. MÜHLFELD ( PFEIFFER L. I. II , S. 32 , 33 , Tab . VII , fig . 3 , 1 ) den overgang tot Anodonta . De soorten van Ano dontne zijn veel minder talrijk en bieden minder verscheidenheid in den vorm der schelp aan , dan die van Unio . Sp . Anodonla cygnea LÀM . , Mytilus cygneus L. † , BLAINV . Malac . Pl . 66 , fig . 1 , PPEIFFER 1.1 . 1 , Tab . VI , fig . 4 ( Om de zamenvoeging of vergroeijing der schelpen bij de rugzijde boven den band vormt le a uit deze soort en eenige anderen het geslacht Symphynota ; zulk cene verbinding komt ook bij enkele soorten van Unio voor ) ; Anod . anutina LAM , Mytilus anatinus l . t , PFEIFFER Tab . VI , fig . 2 etc. Zoowel van Unio als Anodonta komen ook fossiele soorten voor in de kolenformatie . In de Oolith en Lias vindt men schelpen , die vroeger lot Unio gebragt worden , maar thans het geslacht Cardinia van agassiz , Pachyodon stUtCOBORY uitmaken ( Unio hybrida , Unio concinna sowERBY enz . ) Zie STUTCHBURY , Annals and Magaz . of nat . llist . VIII , 1842 , p . 481 --- 485 . Iridina lam . Animal pallio lobis postice concretis , dua - busque tracheis brevibus iostructum . Testa transversa , elon gala , cardine edentulo , lineari , interdum crenato . CL . XII . CONCIFERA . 69 - SP , vidia e.zotica LA2 , Le matel A DANSON , list . Aat , da Se - negal , Coquillages Pl . 17 , fig . 21 , BLAINV . , Malnc . Pl . 66 , fig . 3 , in Westelijk Afrika en in den Nijl ; liet dier is beschreven en afge . beeld door DESHAYES , Mém . de la Soc . d'Hist . nat . de Paris III , 1827 , p . 1—16 , PI . I ; Irid . rubens DESI . , Anatina rubens Lam . , Encycl . méth . , ders , Pl . 201 , fig . 1 . Phalanx Jl . Testa affixa , irregularis . Etheria lam . ( Aetheria ) . Pallium fissum , margine cirri fero . Tentacula circa os quatuor , oblonga , rotundala . Liga menlum externum , partim intus in sulcum penetraus . Cardo callosus , edentulus . LAMARCK , die dit geslacht het eerst deed kennen , meende , dat het in de zee gevonden werd . Men bragt het in de nabijheid van de oesters , waarvan de schelp echter door hare twee spierindruksels verschilt . Sedert werden door den reiziger CAILLAUD deze schelp vlieren in den Nijl gevonden . Daarna werd ook het dier door BANG en quoy beschreven en afgebeeld . Het komt , gelijk Rang opmerkt , met dat van Unio en Anodonta overeen , zoodat men de Etherine inderdaad het kortst als onregelmatige , met een der twee schalen vastgehechte Anodonten zou kunnen kenschetsen . Vergelijk LAMARCK Ann . du Muséum X , p . 398—408 , Pl . 29 32 ; FERUSSAC Notice s . I. Éthéries trouvées dans le Nil , Mem . de la Soc . d'Hist . nat . de Paris 1 , 1823 , p . 353-372 ; RANG el CAILLACD Mém , sur le genre Etherie et descr . de son animal , Nouv . Ann . du Museum III , 1834 , p . 128–144 , quoy in LESSON , Ilustr . de Zoologie , Pl . 58 , 59 ( 1835 ) . Sp . Etheria Lamarckii Féross . , Eth . elliptica Lam . ( et Eth . tri gonula ejusd . ) , Ann . du Mus . X , Pl . 29 , 30 , fig . 1 , BLAIN8 . Malac . , Pl . 70 bis , fiy . 2 ctc . GUÉRIN Iconogr . , Mollusq . Pl . 26 , fig . 8 . Alde bekende soorten leven in zoet water in Afrika en schijnen met Iridina , de in Amerika zoo talrijke Uniones te vervangen , welke in Afrika niet menigvuldig zijn . Familia IX . ( CXCI . ) Carditacea . Pallium fissuni . Pes compressus , sulcatus , non byssiferus . Tentacula circa os in plures lobos divisa . Tesla regularis , libera , ipaequilatera , aequivalvis . Impressiones duae musculares remotae . Cardi nis dentes plerumque duo , in aliis unicus , anteriori ob soleto . er , Cardila BRUG . ( exclus . specieb . ) , DESHAYES . ( Cardita et 76 CL . XII . CONCHIFERA . en > creluin , duabusque tracheis instructum . Ligamentum ex . ternum . Pes magous , non byssiferus . Tesla aequivalvis , libera , globosa aut ventricosa . Cardo dentibus sub apice numero variis , interdum obsoletis , dentibusque lateralibus , amolis . Duae impressiones musculares remotae . Deze kleine familie bevat schelpdieren , die in rivieren zoetwater - meren leven , even gelijk de Naïdea , van welke zij genoegzaam onderscheiden is , hoezeer Iridina ( zie boven 68 ) uit hoofde van den vereenigden mantel en de twee tracheae hiertoe gebragt zou kunnen worden . De tegenwoordige familie is naauw verwant aan de vorige , wier plaats zij in het zoet water bekleedt . Glauconome okay . Dentes cardinales tres , medio majori , saepe bifido . Testa elongata , transversa , apicibus erosis . Zoet - waterschelpen , die in uitwendig voorkomen bijkans naar Ano donta of Unio gelijken . Zij zijn alle exotisch . Het schijnt , dat sommige fossiele zoet - waterschelpen , die men vroeger tot het geslacht Venus bragt , hier hare ware plaats vinden . Galathea BRUG . , Lam . , Potamophila sow . Tesla trigona , subaequilatera . Dentes sub apice duo in valva dextra , fo veola triangulari media , dentem intermedium tertium valvae sinistrae excipiente . Ligamentum prominens , turgidum . Animal tracheis duabus , non concretis , pede oblongo , com presso . Sp . Galathea radiain Lan . ( Venus subviridis et Venus herma phrodita GMEL . ) , Listen Conchyl . Tab . 158 , fig . 13 , Encycl . meth . , vers , Pl . 250 , fig . 1 , LAMARCK Ann . du Mus . V , p . 430 , Pl . 28 , RANG Notice sur la Galathee , Ann . des Sc . nat . Tom . XXV , 1832 , p . 152–164 , PI . V. In de rivieren van W. Afrika ; de beschrijving van RANG keeft ons het dier het eerst doen kennen , terwijl men vroeger van deze soort alleen de schelp kende , die som mige schrijvers opgaven van Ceylon af komstig te zijn . Cyrena lam . Tesla crassa , ventricosa , corticala , apicibus crosis aut decorticatis . Cardo dentibus tribus in utraque valva . ( Animal tracheis duabus a basi inde discretis .) Sp . Cyrena Zeylonica Lam . , BLAINV . , Malacol . Pl . 73 , fig . 2 ; eene groolere varietcit dezer soort komt op Java voor , zie A. Mocsson , Die SANDER CL . XII . CONCHIFERA . 77 9 Land- und Süsswasser- Mollusken von Java , Zürich 1849 , 8º . , Taf . XIII . Al de soorten van dit geslacht zijn exotisch . Cyclas BRUG . ( pro parte ) , lam . Tesla ovato - globosa , te nuis , ad apices tomida . Cardo dentibus minimis , interdum subpullis . Sp . Cyclas cornea LAM . , Tellina cornea L. † , BLAINV . Malacolº Pl . 73 , fig . 1 , PPEIFFER Systemat . Anordn . U. Beschr . deutscher Land- und Wosserschn . Cassel 1821 , 4 ° . Tab . V , fig . 1 , 2 , bruin gele , doorschijnende , van binnen blaauwachtig witte schelp , 4 of 5 " groot ; in de slooten van ons vaderland niet zeldzaam . De soorten van dit geslacht , hetgeen met het vorige zeer verwant is , zijn vooral in Europa gevonden , maar er komen daarvan echter ook in an dere werelddeelen voor . PFEIFFER onderscheidt nog het geslacht Pisidium , door het gemis van lange tracheae , die bij het dier dezer soorten kort en zamengegroeid zijn . Sp . Cyclas obliqun Lam . , Cycl . fontinalis LAM . , Cycl . obtusalis LAM . Familia XV . ( CXCVII . ) Lucinacea . Pallium antice aper lum , postice concretum et apertura branchiali et trachea unica anali praeditum aut in duas trachcas , a basi inde connatas productum . Pes cylindricus , elongatus , saepe vermiformis . Ligamentum externum aut subinterdum inter margines exserlos fissurae reconditum . Impressiones duae musculares remotae , magnae , anteriore elongala . Impres sio pallii rotundata , integra . Testa libera ; cardo variabilis . in aliis edenlulus , in aliis duobus dentibus sub apice , ct uno duobusve dentibus lateralibus . Cyrenoïda JOANNIS , Cyrenella DESHAPES . Tesla ventricosa , corticata . Cardo dentibus duobus in valva dextra divergen tibus parvis , dente upo bifido in valva sinistra ; dentes Jalerales nulli . Animal tracheis duabus concretis , palpis labialibus quatuor . Sp . Cyrenoid , Dupontia JOANNIS , Gcénix Magasin de Zvol . 1835 , Mollusq . Pl . 64. Cf. Deshayes ibid . Nº . 70 , Senegal . Dit geslacht telt slechts weinige , alle uitheemsche soorten , uit liet zoet water . Vol gens DESTAYES is Cyrenella eene Lucina van het zoet water , vol . gens DE JOANNIS cene Cyrena , zonder zijdelingsche tanden aan het scharnier der schelp . In alle gevallen staat dit geslacht als in het midden tusschen deze en de vorige familie . 78 CL . XII . CONCUIFERA . - Lucina BRUG . Testa orbiculata , transversim striata , sub aequilatera , apicibus brevibus , acuminatis , antrorsum in curvis . Cardo variabilis . Animal ( Loripes Poli ) pede lon gissimo , vermiformi , trachea respiratoria foraminiformi , anali conica , invaginatione retractili . Sp . Lucina laclea Lam ., Tellina lacter L. , Encycl . meth . , ters , Pl . 286 , fig . 1 , POLT Testac . utr , Sic . I , Tab . XV , f . 26–29 hab . in mari mediterraneo ; Lucina pensylvanica LaM . , Venus pen sylvanica L. , D'ARGENV . Conchyl . Tab . 21 , fig . N , Encycl . meth . , vers . Pl . 284 , fig . 1 , hab . in Oceano ad littora Amer . Sept .; Lu cina divaricata LAM . , Tellina divaricata L. , Poli I.I. fig . 25 , En cycl . méth . , vers . Pl . 285 , fig . 4. Desnayes Conchyl . Pl . 16 , fig . 9-11 , habit . in mari mediterraneo etc. Ungulina DAUDIN , LAM . Dit geslacht is zeer verwant met Lucina , waarinede DesaaYes het vereenigt . Ungulina oblonga LAN . BLAINV . , Malac . Pl . 73 , fig . 6 , van de kast van Senegal . Daar dit dier in steenen en koralen dringt , is de uitwendige gedaante der schelp aan veel afwisseling onderhevig . Zie over bet dier , waarvan vroeger alleen de schelp bekend was , DOVERNOY Ann . des Sc . nat . , Séc . Série , Tom . 18 , p . 110—122 , Pl . V , B. Vergelijk DESHAYES ald . Tom . 19 , p . 5–11 . Corbis cuv . Testa transversa , gibba . Cardo dentibus duo bus sub apice , duobusque lateralibus . Sp . Corbis fimbriata LAM . , Venus fimbriata 1. D'ARGENT . Con chyl . Tab . 21 , fig . G , Encycl . mélh . , Vers , Pl . 286 , fig . 3. Blainv . Malac . Pl . 72 , fig . 1 , Indische Zee . Deze schelp is fijn gestreept in de lengte , tusschen aan den rand evenwijdig loopenden groeven . Vanhier de Fransche benaming la Tricotee of la Corbeille , van welken laatsten naam de generische naam Corbis eene vertaling is . Er zijn ook fos siele soorten van dit geslacht , die even fijn of nog fijner getralied zijn . Familia XVI . ( CXCVIII . ) Saxicavina ( s . Lithophaga ) . Pallii lobi maximam partem concreti , apertura angusta , anteriori , pedem parvum emittente . Tracheae duae , basi coalitae ad aperturam tentaculatae . Testa transversa , in aequilatera , postice elongata , hians . Ligamentum externum . Duae impressiones musculares remotae . Impressio pallii postice profunde sinuala . ( Animalia in saxis habitantia , hinc testae forma saepe irregularis ) . CL . XII . CONCHIFERA . 79 Deze kleine familie hecht zich aan het geslacht Venus van de eene en aan Gastrochaena van de andere zijde ; bij het laatste ge slacht zou men veelligt het geslacht Saxicava moeten plaatsen . Het zijn zee - schelpdieren , gelijk al de volgende familiën . Petricola lau . ( et Venerupis ejusd . ) Cardo dentibus Laj duobus in utraque valva , interdum tribus . Branchiae in aequales , externae minores . Venerupis Lam . Tracheae apice tantum discretae . Cardo dentibus tribus in altera valva , interdum in utraque . Sp . Venerupis irus Lam . , Donax Irus L. , Encycl . meth . , Vers , Pl . 262 , fig . 4 , POLT Test . utr . Sic . II , Tab 19 , fig . 25 , 26 ; habit . in Mari mediterraneo ; Vener . perfurans Lam . Venus perforans MONTAGO . ( Mollusci iconem dedit PHILIPPI , vide WIEGMANN , Archiv f . Naturgesch . 1845 , Tab . VII , fig . 15 -18 . Petricola Lam . Tracheae basi coalitae , parte terminali ad dimidiam fere longitudinem liberae . Cardo dentibus duo . bus in utraque valva , aut unico tantum dente in allera . Sp . Petricola roccellaria Lam . , DESI . Conchyliol . Pl . 12 , fig . 7 etc. ( over het dier van Petricola zie Ppilippt 1.1 . p . 188 , Tab . VII , tig . 11-14 ) . Fossiele soorten zijn uit de tertiaire formatiën bekend . Saxicava fleURIAU DE BELLEVUE , LAM . ( Hiatella paup . , Lam . , Byssomya cuv . ) Cardo denle obsoleto , luberculiformi , aut edentulus . Pes maximus , saepe byssiſerus . Sp . Saxicava pholadis Lam . , Mytilus pholudis L. , Müller Zool . Danic . Tab . 87 , fig . 1–3 ( infer . ) , Blainv . Malacol . Pl . 80 , fig . 5 ; Saxicnda arctica PHILIPPI , Solen minutus L. LAM , Mya arctica l . , Hiatella arctica LAM . Encycl . meth . , rers , Pl . 234 , fig . 4 , BLAINT . Malac . Pl . 80 , fig . 6 ( nomine Rhomboidis rugos . ) , cov . R. uni . Moll . Pl . 110 , fig . I elc . Familia XVII . ( CXCIX . ) Tellinacea , Pallium lobis postice concretis , margine tentaculifero . Duae tracheae discretae , saepe longissimae . Pes triangularis , compressus . Testa trans versa , aequivalvis , inaequilatera , parte posteriori saepe bre viori . Ligamentum externum . Duae impressiones muscula res remotae . Impressio pallii postice sinuata . De zijde der schelp , die gewoonlijk de langste is , is hier dikwerf de kortste , de achterste namelijk of dic , waar de band gelegen is . Ten onregte meende CAMARCK daarom , dat hij Dunax de band ver 80 CL . XII . CONCHIFERA . > plaatst was en op de lunula lag ; dit deel ligt , even als bij alle tweeschalige schelpen , achter de spits . Donas 1. Testa transversa , postice obtusa , plana . Den tes cardinales duo vel in utraque valva vel in sinistra , unicus dens bipartilus in dextra ; dens lateralis unicus vel dentes duo , subremoti , interdum obsoleti . Ligamentum breve . Animal ( Peronaea POLI ) tracheis longis , distinctis , inaequalibus , inferiori longiori ; cirri simplices ad orificium tracheae ( su perioris ) analis , cirri ramoso - digitati ad orificium tracheae branchialis . Pes magnus compressus . Sp . Donax scortum L. , D'ARGENVILLE Conchyl . Pl . 21 , fig . L , BLAINV . Malac . Pl . 71 , fig . 1 , DESAYES Conchyl . Pl . 14 , fig . 12 -15 ( Donax pubescens 1. variet . ) , hab . in Oceano Indico ; Donax trunculus L. t , POLI Teslac . utriusq . Sicil . II , Tab . 19 , fig . 12—20 ; BLAINV . Malacol . Pl . 71 , fig . 2 etc. ( Capsa LAM . Dentes laterales nulli ) . Sp . Donax brasiliensis BLAINV , Capsa brasiliensis Lam . Encycl . méth . , Vers . Pl . 261 . fig . 10 , BLAINV , Malac . Pl . 71 , fig . 3 . Psammobia lan . ( et Sanguinolaria ejusd . ) Testa trans versa , subaequilatera , utrinque subhians . Cardo dentibus duobus , rarius dente unico in utraque valva , dentes laterales nulli . Animal ( Peronaea POLI ) tracheis binis , praelongis , sub aequalibus , margine pallii tamquam serrato cirris acumi natis , conicis . Capsa BRUG , DESH . ( nec Lam . ) Testa convexa . Cardo an gustus , dentibus duobus inaequalibus in utraque valva . Ligamentuin crassum , elongatum . Lunula indistincta . Sp . Psammobia rugosa SOWERBY , REEVE , Sanguinolaria rugosa LAM , Venus deflorata L. , CHEMNITZ Conchyl . Tab . 9 , fig . 79—83 , DESHAYES Conchyl . Pl . 13 , f . 1–3 ; deze schelpsoort is in den At lantischen Occaan , in de Roode Zee en in den Indischen Oceaan aan getroffen en behoort onder de meest verbreide soorten . Het dier is nog onbekend . Sanguinolaria Lam . , DESH . Testa plana . Cardo dentibus duobus inaequalibus . Ligamentum elongatum , planum . Sp . Psammobia sanguinolenta nob . , Solen sanguinolentus gm . , Sanguinoluria rosea 1.2 . , CIEMN . Conchyl . Tab . 7 , fig . 56 . Psammobia Laxl . , DESH . Tesla plana . Cardo dentibus duo > CL . XII . CONCHIFERA . 81 bus parvis , divergentibus aut dente unico . Ligamentum elongatum , gibbum , protuberans . Sp . Psammobia vespertina LAM . , Solen vespertinus GM . , BLAINV . Malacol . Pl . 77 , fig . 4 ; Psammobia incarnala DESI . ( Tellina incarnata 1. Faun . Suec . ) , Psammob . feroensis LAM . etc. Deze twee soorten komen ook fossiel in tertiaire formatiën voor . Tellina L. ( exclusis quibusd . speciebus ) . Testa tenuis , plerumque transversa , inaequilatera , antice brevior , rotun dala , postice plicata , plica oblique a margine versus apices decurrente . Cardo angustus , dentibus duobus vel dente unico in utraque valva ; in plerisque dentes laterales duo remoti . Animal ( Peronaea Poli ) pede magno , lanceolato , pallii margine cirrato , tracheis longis , inaequalibus , alte sub arena delitescens . De soorten van dit geslacht zijn talrijk , vooral in andere wereld deelen . Bij de meesten is de schelp langwerpig en plat , b . v . Tellina radiata L. , D'ARGENVILLE Conchyl . Pl . 22 , fig . A. , Encycl . mélh . , Vers . Pl . 2 : 9 , fig . 2 , BLAING . Malacol . Pl . 71 , fig . 4 ; somtijds met een smal verlengd gedeelte van achteren eindigend , zoo als bij Tel lina rostrala L. , Tellina Spengleri GM . , LAM . , Encycl . , Vers . Pl . 287 , fig. 5 . - Bij andere is de schelp meer rond , b . v . bij Tellina lingua felis L. , ROMPI . I.l. fig . G. , GUÉRIN Iconogr . , Moll , Pl . 31 , fig . 1. In de Noordzee vindt men Tellina fabula GMEL . , LAM . , GRONOV . Zoophylac . , Tab . 18 , fig . 9. , Tellina solidula soLAND . , LAM . t , enz . Vergel . over dit geslacht spengler , Skrivter af naturh . Selskabet , IV , 2. Kööbenhavn , 1798 , p . 67—121 . Tab . 12 . Tellinides Lam . Margo posterior testae absque plica irre gulari . Sp . Tellina Timorensis BLAINV . , Tellinides Timoriensis LAM , BLAINY . , Malacol . Pl . 72 , fig . 2. ( Hoc subgenus rejecit DESTAYES , monens lento grada Tellinas nonnullas ad hanc formam ducere ) . Fragilia Desil . Testa subtrigona , gibba , antice rotundata , postice longior . Cardo dentibus duobus divergentibus in utraque valva . Sp . Tellina fragilis 1 , Petricola ochroleuci Lam . , Poli Test . utr . Sic . I , Tab . XV , fig . 22 , 24 , DESI . Conchyliol , Pl . 12 , fig . 13- 25. Jabit . in Mari mediterranco . II . 6 82 NI CL . XII . CONCHIFERA . 12 . 7 3 Familia XVIII . ( CC . ) Mactracea . Pallium antice aperlum , postice concretum , in duas tracheas , in aliis discretas , in aliis in unum coalitas , productum . Pes compressus , triap gularis . Testa aequivalvis , libera . Ligamentum internum , fovea receptum ; in quibusdam ligamentum externum simul cum interno . Duae impressiones musculares remotae . Im pressio pallii postice sinu , in aliis lato , in aliis profundo , angustiori , nolata . Amphidesma lau . ( pro parte ) RECLUZ , DESH . Tesla ro tundata , suborbiculata , tenuis . Cardo dentibus duobus in ulraque valva . Ligamentum duplex ; externum breve ; in ternum in fovea cardinis obliqua , profunda , angusta . Sp . Amphidesma variegata Lam . , Encycl . meth . , Vers . Pl . 291 , fig . 3 ; Indische Oceaan ; — Amph . solida GRAY , DESI . Conchyliol , . Pl . 11 , fig . 10–12 , Groote Oceaan , bij de kust van Peru . Syndosmya recLUZ , DESI . Testa transversa , ovalis , te nuis , latere antico breviori . Cardo dentibus duobus in valva dextra , foveola intermedia dentem unicum sinistrae exci piente . Dentes laterales duo . Ligamentum duplex ; exter num parvum , internum apophysi cochleariformi receptum . Animal tracheis duabus discretis , longis . Sp . Syndosmya alba , Amphidesma Boysii LAM . , DESI . Conchyl . Pl . 8 bis , fig . 6-8 , etc. Trigonella Da costa , DESII . ( Mactrae spec . Gmel . , Ma clrae subgenus cuv . , Lutrariae sp . LAM . ) Tesla orbiculato trigona , plana , subaequilatera , latere antico breviori , ro tundato , postico subhiante . Cardo angustus , dentibus parvis duobus in valva dextra , unico in sinistra ; fovea triangu Jaris ligamentum internum recipiens . Ligamenium exter num parvum . Animal trachcis longis , gracilibus , discretis , admodum inaequalibus . Sp . Trigonello plana Lovén , Mactra piperala GMEL . , Lulraria compressa LAM . † , BLAINV . , Malac . Pl . 77 , fig . 2 ; BASTER Natuurk . Uitsp . II , Tab . VIII , fig . 5—7 ; strandschulpje . Deze soort houdt zich diep in het zand aan de zeekusten op , en komt ook fossiel in de Crag - formatie voor . CL . XII . CONCHIFÉRA . 83 Cumingia sowERBY . Sp . Cumingia tellinoides desa . Conchyliol . Pl 8 bis , fig . 9—11 ; species omnes exoticae . Mesodesma desh . Testa transversa , latere antico longio ri , crassa , clausa . Ligamentum nonnisi internum , fovea angusta , profunda receptum . Cardo dente uno duobusve sub apice , duobusque lateralibus . Animal tracheis duabus discretis ( Peronaea POLI ) . Sp . Mesodesma Quoyi DESI . , Conchyl . Pl . 10 , fig . 13 , 14 ; — Nesodesma cornea Dese . , Amphides ma donacilla Lam . , POLI Testac . ulr . Sicil . Tab . XIX , fig . 8–11 ( Mactru cornea , babitas fere - Donacis . ) Gnathodon Gray , Rangia DESMOULINS . Sp . Gnathodon cuneatus GRAY , DESI . , Conchyl . Pl . 10 , fig . 9– 12. Cf. RANG , Nour , Ann . du Mus . III , 1834 , p . 217—230 . Pl . 12 Deze soort leeft in het brakke water van het groote meer Pontchar train in Louisiana . Anatinella sow . > Sp . Anatinella Sibbaldii sow , Mya Chemn . Conchyl . Tab . 3 , fig . 17 , 18 , desa . Conchyl . Pl . 8 bis , fig . 4 , 5 . Mactra 1. Testa transversa , inaequilatera , utrinque sub hians . Processus excavatus sub apicibus in cardine , liga menlum internum recipiens ; dens cardinalis bifidus aut furcatus ante foveam ligamenti . Animal ( Callista POLI ) tra cheis coalitis , pede compresso .. Vergel . I. Spengler Beskrivelse over det Slaegt Mactra . Skridter af naturhist . Selskabet , V. 2. Kiöbenhavn , 1802 , p . 92—128 . Macera Lau . Testa trigona ad apices tumida . Dentes la terales compressi duo in valva sinistra , inter duas lamellas valvae dextrae recepti . Sp . Mactra stultorum L. t , Poli Test . utr . Sic . I , Tab . 18 , fig . 10-12 , BLAINv . Nalac . Pl . 73 , fig . 5 , cov . R. ani . , edit . ill . , Moll . Pl . 107 , fig . 9 , 2 ; bruinachtig graauw , met lichte , straalachtige stre pen , van binnen paarsachtig ; zeer gewoon in de Noord- en Middell . Zee . Macira heloacea CIEMN . , L.M. , Mactra glauca SPENGLER , POLI , 1.1 . fig . 1–3 , spengler , 1.1 . Tab . III , fig . 1 ; in de Middell . Zee . Dit geslacht telt zeer vele soorten uit alle zeeën . Ook kent men er eenige fossiele soorten van , die in de tertiaire formatiën voorkomen . 6 * 84 . CL . XII . CONCHIFERA . Pes parvus . Lutraria Lam . ( pro parte ) , desu . Testa transversa , postice elongata , complanata , dentibus lateralibus nullis . Sp . Mactra lutraria L. , Lutraria elliptica LAM . t , LEMN . Con chyl . Tab . 24 , fig . 240 , 241 etc. Dit ondergeslacht is veel minder talrijk dan het vorige . De aangehaalde soort komt ook fossiel in tertiaire formatiën voor . Familia XIX . ( CCI . ) Myacea . Pallium sacciſorme , lobis margine fere prorsus conjunctis , antice tantum parvo fora mine ad transmittendum pedem pertusum . Tracheae plerumque coalitae , retractiles . Testa plerumque hians . Ligamentum interdum , denti aut processui cochlea riformi , ad cardinem prominulo insertum . Duae impressio nes musculares remotae ; impressio pallii postice plerumque sinu exsecta . Phalanx I. Osteodesmacea . Dens cochleariformis in utra que valva , ligamentum recipiens . Particula calcarea soluta ( ossiculum Desu . ) ligamento plerumque contenta . Tracheae duae saepe discretae . Cardilia Desh . ( An hujus loci ? ) Annot . Habitus Isocardiae . Spec . Isocardia semi - sulcatu LAM . et qaaedam aliae ; duae fossiles e stratis recentioribus . CP . DESAAYES in LAMARCK , Hist . nat . des Ani . 3. v . ed . 2 , VI , p . 448–450 et Gué RIN Magas . de Zool . 1844 , Moll . Pl . 99—101 . Myochama STRATCHBURY . Testa affixa , irregularis , inaequi valvis . Animal tracheis brevibus , discretis . Sp . Myochama anomivides STUTCOBORY , DESI . Conchyl . Pl . 8 bis , fig . 12 , 13 , etc. Thracia LEACH , DESH . Testa libera , inaequivalvis , trans versa , postice truncata , utrinque hians , umbonibus tumi dis . Ligamentum duplex ; externum parvum . Animal tra cheis duabus brevibus , discretis . > Sp . Thracia convexa DESH . , BLAINV . Malacol . Pl . 76 , fig . 6 , DESH . Conchyliol . Pl . 9 , fig . 1–6 ; in de Noordzee , Middell . Zee enz . Er zijn fossiele soorten van dit geslacht in de jura- en krijtformatie en in de tertiaire lagen . Anatina LAM . Testa libera , subaequivalvis , Transversa , CL . XII . CONCHIFERA . 85 9 tenuis , fragilis . Impressio pallii postice sinuata . Animal ira cheis duabus coalitis . Sp . Anatina subrostrata Lam . , Solen anatinus 1 , RUMPR . Amb . Rariteitk . Tab . 45 , fig . O , BLAINV . Malacol . Pl . 76 , fig . 6 , DESA . Conchyliol . Pl . 8 , fig . 20—23 ; in den Ind . Oceaan , enz . Ook van dit geslacht komen in verschillende secundaire en tertiaire lagen fossiele soorten voor . Over het dier van dit schelpgeslacht vergelijke men 1. MITTRE , Mém . s . l . genre Analine , GUÉRIN , Mag . de Zool . , 1844 , Moll . Pl . 102-104 . Periploma SCHUMACHER , DESH . Osteodesma DESH . Lyonsia TURTON , DESH . Sp . Analina norvegica soWERBY , Amphidesma corbuloides Lam . , Mya norwegica CHEMN . Conchyl . Tab . 170 , fig . 1667 , 1668 , DESH . Conchyliol . Pl . 8 , fig . 12–14 . Myadora GRAY . Phalanx II . Myacea . Ligamentum internum , foveae utrius que valvae aut processui cochleariformi ad unam valvam et foveae ad alteram adnalum . Tracheae in cylindrum car Dosum , incrassalum coalitae . Pandora BRUG . Testa inaequilatera , tenuis , inaequivalvis , valva dextra plana , sinistra convexiuscula . Cardo in valva plana dente exserto munita , valva altera emarginata ad recipiendum dentem . Ligamenlum foveae utrinque pone cardinem receptum . Sp . Pandora rostrata Lam . , Tellina inaequivalvis L. , BLAINV . Malacol . Pl . 78 , fig . 5 , cov . R. ani , ed . ill . , Moll . Pl . 110 , fig . 3 . Middell . Zee ; deze soort komt ook fossiel in de cragformatie van Engeland voor . Er zijn nog twee andere fossiele soorten uit de ter tiaire formatiën en sominige uit de Indische zee bekend . Corbula BRUG . Testa inaequivalvis , valva dextra con vexiore . Dens cardinalis in utraque valva conicus cum fo vea laterali . Ligamentum insertum denti valvae sinistrae et foveae alterius valvae . Sp . Corbula nucleus Lam , Mya inaequiralois MONTAGU t , Er cycl . meth . , Vers . Pl . 230 , fig . 4 , DESA . Conchyl . Pl . 8 , fig . 7-9 ; 99 CL . XI . CONCHIFERA . edentulo lineari , tubo calcareo contenta aut ad parietes tubi concreta . Gastrochaena SPENGLER ( Fistulana BRUG . , lam . et Gastro chaena Lam . ) Tesla tenuis , aequivalvis , utrinque hians , car dine lineari edentulo , ligamento externo elongalo . Tubus calcareus , clavatus , testam bivalvam includens . Pallium parva apertura pro transitu pedis brevis , bysso parvo instructi . Tracheae duae coalilae , longae , admodum conlractiles . Sp . Gastruchaena mumia spenGL . , Fistulana clava LAM . , SPENG LER Skrivter af Naturh . Selskab . II . 1 Pl . 2 , fig . 1 , BLAInV . Ma lac . Pl . 81 , fig . 3 ; aan de kust van Coromandel ; de buis is vrij en dikwijls kleven daaraan zandkorrels . Doch andere soorten leven in gesloten in holten van madreporen en andere steenachtige polypen huizen ; bij deze zag men de kalkachtige buis over het hoofd en zonderde die als afzonderlijk geslacht ( Gastrochaena Lam . ) van de vorigen af . [ De benaming Chaena , door A. J. RETZIOS voor Gastro chaena in plaats gesteld ( Novo Testaceor . Genera , Diss . def . a L. MÜNTER PBILLIPSSON , Lundae . 1788. p . 19 ) , heeft , hoezeer door SPENGLER zelven aangenomen , geen bijval gevonden ) . Clavagella Lam . Vagina tubulosa , calcarea , libera aut aliis corporibus marinis inclusa , clavata et saepe spinis obsita aut disco fisso tubisve calcareis , ramosis terminata . Valva altera in pariele tubi fixa , altera libera , tubi cavi tate contenta . De meeste soorten van dit geslacht zijn fossiel en komen in ter tiaire formatiën voor , b . v . Claragella echinata LAM . , Ann . du Mus . XII . Pl . 43 , fig . 9 , Clavag . bacillaris Desa . Conchyl . Pl . I , fig . 4-10 . Eene recente soort is Clao . apertu sow . , cov . R. ani . , ed . ill . , Moll . Pl . 117 , fig . 2 , uit de Middell . Zce , en Clavag . bata BROD . , waarvan het dier door Owen beschreven en ontleed is ; zie w . J. BRO Owen in Transact . of the Zool . Soc . I , 3. 1835 , p . 261—271 , Pl . 35 , fig. 1—8 , Pl . 30 , fig . 8—16 . Aspergillum lam . , Penicillus BRUG . , Arytene oken . Testa bivalvis , in pariete tubi calcarei incrustata . Tubus cy lindrico - clavatus , parle angusta aperlus , opposito fine disco clausus , foraminibus tubulosis numerosis et fissura centrali instructo . 9 DERIP en R. CL . XII . CONCHIFERA . 93 Sp . Aspergillum Javanum Lam . , Serpula penis L. , ROMPI . Amb . Rariteitk . Pl . 41 , fig . 7 , BLAINV . Malac . Pl . 81 , fig . 2 ; uit de Indische zee ; Aspergillum daginiferum Lam . , Arytene vagini fera LEOCK . , RÜPPELL All . zu der Reise im nördl . Afrika , wir . bellose Thiere , 1828 , Tab . XII , in de Roode Zee . Deze dieren leven in het zand van de vlakke zeestranden en banken , en steken met het breede einde der pijp daarin vast . Het dier , dat knodsvor mig is , werd het eerst door RÜPPELL’s reize bekend . DERTIENDE KLASSE . WEEK DIEREN ( MOLLUSC A ) . Hoezeer de benaming weekdieren in meer algemeene beleekenis genomen wordt en ook door ons in dit werk gebezigd is , gelooven wij echter dien naam in meer be paalden zin voor eene klasse van dieren te mogen gebrui ken , die wij in de vorige uitgave van dit Handboek hoofddragende weekdieren hebben genoemd . Namen van klassen behooren onzes oordeels kort te zijn , en niet met bepalingen of beschrijvingen verward te worden . Ook heeſt reeds LAMARCK den naam van weekdieren in denzell den zin aan deze afdeeling van het dierenrijk gegeven . De dieren dezer klasse hebben een , van het overig lig chaam min of meer afgescheiden hoofd . Dat hoofd bezit gewoonlijk afzonderlijke zintuigen voor gevoel en gezigt , somtijds zelfs voor het gehoor . Vele van deze dieren be zitten eene schaal , andere zijn naakt . De meeste leven in het water , doch sommigen op het land , helgeen in de twee naastvoorgaande klassen nimmer het geval is . Overi gens zijn er onder deze dieren zeer verschillende trappen van volmaaktheid in de bewerktuiging , doch wij zien hetzelfde verschil in meerdere of mindere mate ook bij andere klas sen der zoogenoemde ongewervelde dieren , ja zelfs nog bij de laagste klasse der gewervelden , die der visschen ( Ⓡ ) . Wij moeten derhalve hier de hoofdzakelijke verscheidenbe den in de inrigting der deelen volgens de natuurlijke groe pen en familiën afzonderlijk nagaan . ( * ) Het zij genoeg hier op Myrine , en vooral op Amphiorus te wijzen ; vergelijk overigens hetgeen vroeger door ons gezegd is , Deel I , bl . 46-48 . WEEKDIEREN . 95 會 . De mondholte der weekdieren vormt eene zeer spier achtige verwijding , in welker grond een met talrijke , in dwars rijen geplaalste tandjes of haken bedekt deel ligt , hetgeen gewoonlijk de tong genoemd wordt . Bij sommige is deze tong kort en breed , bij anderen bandvormig en lang ( * ) . Boven de tong ligt eene hoornachtige dwarsplaat met uit springende lijnen ( Helix , Limax ) of ter zijde van dezelve vindt men twee kaken . llet darmkanaal heeft eene ver schillende lengte , maar is gewoonlijk gekronkeld en lan ger dan het ligchaam ; zeer lang is het b . v . bij Chiton en Patella en maakt vele kronkelingen , die door de lever zeer eng omsloten zijn . De slokdarm is aan het ondereinde somtijds kropvormig uitgezet , zoo als bij Limnaeus , Pla norbis , Nautilus en Octopus , die overlangsche plooijen heeſt , even gelijk ook de slokdarm gewoonlijk bezit . De maag is bij sommigen , zoo als bij Helix , vliezig , bij an deren spierachtig . Bij velen is deze spierachtige maag in wendig met harde deelen gewapend , zoo als bij Scyllaea , Bulla , Bullaea , of het inwendig vlies , is even als in de maag der hoenderachtige vogels , hoornachtig , zoo als bij Tethys en de Cephalopoden . Men vindt in deze magen dikwerf stukken van schaaldieren ( crustacea ) , waaruit men besluiten kan , dat dergelijk eene harde bekleeding tot ver brijzeling van hard voedsel dienstbaar is . Bij sommigen is de maag zamengesteld , zoo als bij Onchidium en Aplysia , bij welke drie ( of zelfs bij het laatstgenoemde geslacht , vol gens Cuvien , vier ) magen aanwezig zijn . De eerste maag is hier vliezig , de tweede spierachtig , inwendig met grootere , 5 ( * ) Vergel . over dit onderwerp I. 1. TROSCHEL , Ueber die Mund theile einheimischer Schnecken , Wiegman's Archiv 1836 , Bd . 1 . S. 257—279 . Taf . IX , X , en vooral Lovén , in öfversigt af Kongl . Vetensk . - Akademiens Förhundlingar 1847 , p . 175—199 , welke schr . bij zeer vele geslachten deze tanden afgebeeld en beschreven heeft . Dat deze harde deelen uit kiezelaarde bestaan , werd door IAN COCK en EMBLETON bij Eolis waargenomen . Annals of nat . llist . XV . 1845 , p . 9 , 10 . 96 WEEKDIEREN . in kringen afwisselend geplaatste kraakbeenige tanden en met eene enkele rij van kleinere tanden aan den bovenrand ; de derde maag is op hare inwendige oppervlakte met ha ken , die naar voren zijn omgebogen , gewapend ; de vierde eindelijk is een langwerpige , blinde zak , welke door de lever omgeven wordt . Volgens owen zou deze blinde zak een afscheidend orgaan , cen pancreas in den eenvoudigsten vorm zijn , met de blinde aanhangsels aan den ondersten maagmond der visschen overeenkomende ( * ) . Als zooda nig beschouwt hij ook de zoogenoemde tweede maag bij de Cephalopoden , een vliezig , blind aanhangsel achter de spiermaag , hetwelk bij Sepia en Octopus een spiraalvor mig klapvlies insluit en bij Nautilus door dunne , dwarse klapvliezen in vele vakjes verdeeld is ( t ) . Het uiteinde van den regten darm ligt bij de weekdieren gewoonlijk aan de reglerzijde des ligchaams , steeds in de nabijheid der ademhalings - werktuigen . Speekselklieren , die bij de vorige klasse ontbreken , schijnen in deze vrij standvastig aanwezig te zijn . Gewoon lijk zijn er twee , maar bij vele Cephalopoden en enkele Gasteropoden , zoo als Ianthina , zijn er vier ; het voorste paar ligt dan zeer digt bij den mond . De lever is zeer ontwikkeld . Eene galblaas is bij deze klasse niet aanwezig , en de galaſscheiding geschiedt niet uit aderlijk maar uit slagaderlijk bloed . Bij Helix is de lever in vier groolere lobben verdeeld . Bij Testacella is de le ver dubbel , eene aan elke zijde , terwijl er bij Onchidium Peronii drie levers zijn , elk met eene afzonderlijke gal buis ; twee van deze buizen planten zich in den slokdarm in , zoodat de gal reeds in de maag op de spijsbrei kan werken . Ook bij vele Cephalopoden is de lever uit meer ( * ) Lectures on the compar . Anat of the invert . Anim . p . 300 . ( + ) Bij sommige cephalopoden zijn folliculi , die grooter zijn dan die der lever zelve , aan de galbuizen gehecht ; bunter beschouwde deze deelen als pancreas ( Physiol . Catalogue I. p . 229 ) , in welke meening ook V. SIEBOLD deelt . Lehrb , der vergl . Anat . I. S. 393 . WEEKDIEREN 97 dere , van elkander afgescheidene lobben gevormd . De kleur is geel bruin of , zoo als b.v. bij Nautilus , donker wijn kleurig rood . Het fijner maaksel der lever bestaat uit blinde , takvormige zakjes ( folliculi ) , welke van binnen met cene laag van galstof - vormende cellen bekleed zijn ( * ) . De urien - afscheiding ontbreekt bij de weekdieren niet , hoezeer nog niet bij alle is aangetoond , welk orgaan tot deze afscheiding dient . JACOBSON heeft het eerst waargeno men , dat in den kalkzak bij Helix en Limax , welken Cuvier het slijmafscheidend orgaan noemt ( + ) , acidum uricum aanwezig was en dat dit deel daarom de nier der week dieren moest genoemd worden ( s ) . Dit orgaan is eene zak vormige , inwendig met talrijke plooijen of platen voorziene ruimte , welke digt bij het hart ligt en eene uitvoerende buis heelt , die zich digt bij de ademhalings - opening ont last . Bij de kamkieuwigen , zoo als Murex en Buccinum , is dit deel als het purpervocht afscheidend orgaan beschreven en opent zich deszelfs on : lastingsbuis in de kieuwholte . Bij de hoofdpoolige weekdieren zijn de sponsachtige aan hangsels der aderstammen als nieren te beschouwen ( ** ) . Het hart is steeds slagaderlijk , dat is , het ontvangt de aderen der ademhalings - werktuigen en geeft de slagaderen des ligchaams af . Bij sommigen ( Haliotis , Crepidula enz . ) . ( * ) Verg . J. FRANK De hepate Molluscorum . Berolini 1844. 8º , 1. P. G. SCHLEMM ( zie boven 1. bl . 701 ) , 1. G. LINDNER Nonnulla de Hepate et Bile erertebratorum , Berolini 1844. 8 ° . , 11. MECKEL in MÜLLER'S Archiv 1846 , S. 9–12 . ( + ) Organe de la viscosité , zic Ann . du Mus . VII , p . 165 , Pl . 8 , fig . 2 , 3 , 4 , h . i , Pl . 9 , fig . 8 lb , fig . 10 c ( Mémoire sur les Moll . Nº . XI ) ; M. LISTER beschreef ditzelfde deel onder den naam van viscus cinereum . Exercitat . anat . de Cochleis , Londini 1694 , Tab . I , fig . 1 , d . ( ) Journal de Physique , Tom . 91 , p . 318 , BECKEL'S Archiv VI . 1820 , p . 370 , 371 ; Bidrag til Böddyrenes Anatomie og Physiol . , Kjöbenhavn 1823 , p . 24-28 . ( ** ) Zic de uitvoerige opgave der tot dit onderwerp betrekkelijke waarnemingen en meeningen bij 7. SIEBOLD , Lehrb . der vergl . Anat . S. 391-401 , JI . 7 baverische Stavsiuliochek München 98 WEEKDIEREN . 9 loopt de regle darm , even gelijk bij de meeste schelp dieren , door het hart heen . Gewoonlijk komen de aderen der ademhalings - werktuigen in een vliezigen voorhof ( atrium ) zamen , aan welks breeder gedeelte het breede gedeelte der kegelvormige hartkamer gehecht is . Bij de nieeste Cephalopoden zijn drie harten aanwezig ; namelijk twee zijdelingsche barten , die bet aderlijke bloed naar de kieu wen voortstuwen , en een grooter , in het midden liggend , slagaderlijk hart , hetgeen de aderen der kieuwen opneemt . Het bloed der weekdieren is witachtig ; bruin , somtijds groen of rood , is het bij eenige gymnobranchiata , waar de kleur van het ligchaam dik werf van die van het bloed afhangt ( * ) . Bloedligchaampjes zijn in geringer hoeveelheid dan bij de gewervelde dieren aanwezig ; zij zijn rond , eenigzios plat en dikwerf met korreltjes opgevuld . Het aderlijk gedeelte van het stelsel van den bloeds omloop is altijd min of meer onvolkomen . Cuvier bad reeds in het begin dezer eeuw bij Aplysia opgemerkt , dat , in de plaats van eene holader en van kieuwslagaderen , ruimten aanwezig waren , die pelvormig doorboord zijo en met de ingewandsholte in vrije gemeenschap staan ( t ) . Deze inrigting werd echter als eene uitzondering beschouwd . Eerst in de laatste jaren is het , vooral door de onderzoekingen van MILNE EDWARDS , gebleken , dat een groot gedeelte van het stelsel voor den bloedsomloop bij al de weekdieren gevormd wordt door de tusschenruimten , welke de verschillende deelen des ligchaams overlaten en die door geene afzonder lijke wanden begrensd zijn . Het aderlijk bloed omspoelt de ingewanden en wordt in de holte , waarin deze vervat zijn , als in eenen sinus opgenomen , voordat het naar de adem halings - werktuigen gevoerd wordt . De vaten , die het bloed naar deze deelen brengen ( de kieuwslagaderen ) , ontstaan P. 317 . ( * ) E. FORBES in Annals of nal . History VI , 1841 . ( + ) Ann . du Mus . II p . 299 , 300 , Mém . s . l . Moll . nº . 9. Pl . Ib , fig . 1. G , L , fig . 2 , 3 . WEEK DIEREN . 99 > niet uit haarvalen , maar hebben , dikwerf vrij aanzienlijke , openingen ; bij sommigen schijnt bet aderstelsel geheel te ontbreken , behalve de kieuwaderen , die slagaderlijk bloed voerende , naar het hart loopen ( * ) . Bij enkele weekdie ren is ook het slagaderlijk stelsel onvolkomen , vooral bij naaktkieuwigen ( t ) . Sommige weekdieren ademen de dampkringslucht door eene vaatrijke holle ; anderen en wel de meesten ade men , even als de visschen , de , in het water gemengde lucht door kieuwen . De gedaante der kieuwen is zeer verschillend , gelijk bij de onderscheidene familiën in het stelselmatig overzigt der klasse zal worden opgegeven . Bij diegenen , welke eene schelp bezitten , beschermt deze vooral de ademhalings - werktuigen , en ligt daarom , wanneer zij het gansche dier niet bedekt , gewoonlijk op deze deelen . In de voortplantings - werktuigen heerscht bij de weekdieren groote verscheidenheid . Sommige zijn tweeslachtig ; andere hebben afgescheidene geslachten . Bij die weekdieren , welker geslacht gescheiden is , heeft men echter over het algemeen geen uitwendig verschil der geslachten waargenomen ; eene hoogst merkwaardige uitzondering hierop maakt nogtans het geslacht Argonauta onder de Cephalopoden , bij betwelk men de mannelijke individuën vroeger gebeel miskend heeft , gelijk bij de be handeling van dat geslacht later vermeld zal worden . Bij sommige zijn geene uitwendige geslachts- of paringsorga nen aanwezig , en hier kan , even als bij de schelpdieren , het sexueel verschil alleen door het mikroskopisch onder zoek van den inhoud der afscheidende deelen worden er ( * ) Zie MILNE EDWARDS Ann . des Sc . nat . , 3e Serie , T. III , Zool . 1845 p . 289-315 , p . 341-353 , Tom . VIII , Zool . 1847 p . 37–76 . Bij Octopus vormt de ingewandsholte , bij Loligo de holte rondom den spierachtigen mondbulbus in den kop een ' aderlijken boezem . ( + ) In Haliotis en Patella vond MILNE EDWARDS eene slagaderlijke holte in het hoofd , waarin de groote slagader naar voren toe vrij cin digt . Ann . des Sc . nat . 3e Série VIII , p . 104-53 Pl . I , II . 7 * 100 WEEKDIEREN . kend , zoo als het dan ook bij Chiton , Patellu en Halio tis ( de cyclobranchiata en aspidobranchiata ) , die men vroe ger alle voor tweeslachtig of liever voor vrouwelijk hield , eerst in de laalste tien jaren ontdekt is ( * ) . Bij anderen heeft daarentegen eene paring plaats . zoo als bij de Cleno branchiata en bij Cyclostoma , althans eene aannadering gelijk bij de Cephalopoden . Hier is dan ook een penis aanwezig , die bij Buccinum bijzonder groot , bij de Ce phalopoden slechts kort is . De bal of de eijerstok is on parig en ligt bij de Gasteropoda digt bij de lever . Bij Nautilus heeft de eijerleider eene vrije opening aan weers zijden en komen dus de eijeren niet , gelijk anders bij ongewervelde dieren de algemeene regel is , onmiddellijk door een gesloten kanaal uit den eijerstok . Onder die weekdieren , welke hermaphroditisch zijn , waartoe benevens vele Gasteropoda , de Pleropoda behoo ren , is de toestel der geslachtsdeelen het meest onder zocht bij de geslachten Helix en Limax . Bij deze dieren ligt naar achteren tegen de lever eene klier , die uit vele lang werpige , blinde takjes , welke zich vingervormig vereenigen , beslaat , welke takken of wortels vervolgens tot eene enkelvou dige , uitvoerende buis zamenvloeijen . Deze buis loopt daarop langs het benedeneinde van eene andere , grootere , langwer pige , dikwerf tongvormig eindigende klier ; deze laatste werd door CUVIER voor den testis , en de trosvormige kleinere klier voor den eijerslok gehouden . Eene juist tegenover gestelde meening droeg TREVIRANUS voor ( + ) , welke echter door CARUS , die in de eerstgenoemde klier eijeren vond ( 5 ) weersproken werd . Hiermede in strijd waren wederom andere ( * ) Vergelijk hetgeen wij boven over dergelijke mcening bij de schelp dieren hebben gezegd , bl . 40 . ( + ) Zeitschr . für Physiologie , 1. 1324 , S. 1--30 . Ueber die Zert Fungstheile und die Fortpflanzung der Mollusken . Zoo ook PRE vost , die spermatozom in de trosvormige klier aantrof . Mém . de la Soc . de Physique et d'Hist . nul , de Genève , IV , V , en Ann . des Sc . rat . XXX , 1833 , p . 13--59 , Pl . 5 . ( s ) Carcs , Beiträge zur genauern Kenntniss der Geslechtstheile WEEKDIEREN . 101 waarnemingen , die er de aanwezigheid van spermatozoa in aan wezen . De zaak scheen onoplosbaar , tot dat hare ware loedragt door de mikroskopische onderzoekingen van . mec KEL werd opgehelderd ( * ) . De klier , die Cuvier eijerstok , TREVIRANUS bal noemt , is beide te gelijk ; het is eene dubbele , waarlijk hermaphroditische klier ; clke folliculus is dubbel , en in de uitwendige , die eijeren bevat , is eene inwendige , met zaad en spermatozoa in verschillende ontwikkeling , ingeslo ten . Het tongvormige deel , helwelk cuvier als bal beschouwde , is cene eiwit afscheidende , met hare afscheiding de eijeren omkleedende klier . Vanhier zwelt dit orgaan na de paring op , gelijk daarentegen de ware geslachtsklier , de eijerstok volgens cover , na de paring inkrimpt ( + ) . De penis is een lang , voor uitstulping vatbaar draadvormig deel , hel geen bij de paring in eene buis wordt opgenomen , die aan het einde in een rond blaasje uitloopt ( s ) . De meeste weekdieren zijn eijerleggend ; slechts enkele , zoo als Paludina vivipara en Clausilia ventricosa , zijn einiger Gasteropoden , MOLLER'S Archir , 1835 , S. 487–499 , Taf . 12 , fig . 1 , 2 . ( * ) MOLLER'S Archiv , 1844 , S. 484. Tab . XIV , fig . 18 . ( + ) Hieruit werd de meening van Cuvier vooral bestreden door M. 6. VERLoren in zijne bekroonde Commentatio de Organis generationis in Molluscis gasterop . pneumonicis , welke vele goede af beeldingen en naauwkeurige beschrijvingen en een , tot op dien tijd toe vrij volledig geschiedkundig overzigt der verschillende vroegere waarnemingen en ge voelens behelst . Ann . Acad . L. B. 1836-1837 . Vergelijk ook A. PAASCI , de Gasteropodum nonnullorum hermaphroditicorum systemate geni tali et uropoëtico . Berolin , 1842. 8 ° . ( 0 ) Dit blaasje vergeleken reeds DESIAYES en Prevost met de poche copulatire der insekten ( zie boven I , bl . 312 ) . De laatste schrijver bevestigde door dadelijke waarneming , dat de penis bij Limneen bij de paring door den steel van dit blaasje wordt opgenomen . Overigens leveren vooral de pneumonische buikpootige weekdieren eene , inet het gevoelen van STEENSTRUP , wiens werk wij vroeger aanbaalden ( 1 bl . 158 ) , mocijelijk vereenigbare inrigting op en het is uit zijne afbeeldingen niet duide lijk , waarom hij Tab . II , fig . 1 voor een vrouwelijk , fig . 2 voor een mannelijk voor werp van Helir pomatia houdt . 108 WEEKDIEREN . > De lens is groot , langwerpig rond en aan de achterste oppervlakte boller dan van voren . ( * ) De spieren der weekdieren planten zich over het alge meen aan de inwendige vlakte der huid in . Deze spieren vertoonen geenszins die dwarsstrepen op de primitive bun dels , die de mikroskopische ontleedkunde bij de spieren der gelede dieren beeft Iceren kennen . ( + ) De Gastero poden , die eene gewondene schaal bezitten , zijn daaraan door eene spier bevestigd , welke zich aan de bovenste kronkeling bij de spil vasthecht , langs de windingen ne derdaalt , om zich aan den kop met bet eene , aan het ach tereinde van den voet met het andere deel in te planten . Deze spier dient om , wanneer zij zich verkort , de slak in haar huis terug te trekken . De Gasteropoden kruipen overigens op de schijſ des buiks , op den voet , voort , waarbij zij beurtelings het voorste en dan weder het achterste gedeelte op de oppervlakte , waarover zij zich bewegen , vasthechten , en de vlakte zich in golfvormig , van voren naar achteren voortgaande dwars groeven zamentrekt . De Pleropoden zwemmen door be hulp der vleugelwijze aanhangsels , die om den mond staan . Tot hetzelfde einde dienen huidlappen aan het ligchaam ( * ) Over het oog der Cephalopoden ' vergelijke men onder anderen CUVIER Mem . s . les Moll . nº . 1 ; p . 37–41 , Pl . I , fig . 3 , Pl . II , fig . 5 ; D. W. SOEMMERRING de Oculor . Sectione horizontali . Gottingae , 1818 , fol . p . 76—73 , Tab . III ; Knoin . Nov. Ant . Acad . Caesar . Leop . Carol . N. C. , XVII , 1. 1934 , p . 339–366 , Taf . 26 ; DEGES Traité de Phy siol . comp . Paris , 1838 , 8º . 1 , p . 315-318 . Bij Nautilus kon ik , even min als OWEN , eenig spoor van de lens ontdekken ; dat dit deel door de zeer kleine opening , welke midden aan de platte voorzijde van het oog aanwezig is , zou zijn uitgevallen , komt mij onwaarschijnlijk voor . Slechts versche voorwerpen kunnen hier beslissende opheldering geven . ( + ) Dat zij bij Sagitta voorkomen , is mijns oordeels een nader be . wijs , dat dit dier geen weekdier is . Bij Cephalopoden kon ik overigens , evenmin als bij Salpa in de cirkelvormige spiergordels ( bl . 20 ) , der gelijke dwarsstrepen bespeuren , hoezeer men ze bij deze dieren wel eens aangenomen , en ook afgebeeld heeft , WEEKDIEREN . 109 der meeste Cephalopoden , die daarenboven bij het kruipen over den bodem der zee en bij andere bewegingen , bij het aangrijpen van huppe prooi , enz , vooral geholpen worden door de spierachtige , mel zuignapjes toegeruste armen , die hunden kop omgeven . De weekdieren zijn in hunne geographische verspreiding nog niet genoegzaam bekend , en het is moeijelijk eenige alge mecne besluiten uit vergelijking af te leiden , daar niet alle lan deo , kusten en zeeën even zorgvuldig doorzocht zijn . Week dieren zijn talrijker dan schelpdieren in de groote zeeën en aan rolsachtige kusten ; schelpdieren leven meer aan het vlakke strand . In warmere gewesten hebben de weekdieren in talrijkheid van soorten ver de overhand over de schelp dieren . Den grootsten rijkdom van zee - weekdieren zoo wel in geslachten als in soorten bezit ongetwijfeld de groote Oceaan , tusschen Amerika's Westkust en de Oostkust van Azië en Nieuw - Holland . Tropische vormen schijnen zich verder in het Zuidelijk dan in het Noordelijk halfrond uit le strekken . Onder de geslachten , die het talrijkst in soorten zijn , moeten wij hier vooral Purpura , Milra , Cypraea en Conus noemen ; de soorten der drie laatste geslachten zijn bijkans alle uit den grooten Oceaan en de Oostindische Zee . Merkwaardig is het , dat de week dieren aan Zuid - Amerika's west- en oostkust ten eene male verschillen , zoo dat er naauwelijks eene soort is , die aan beide kusten gemeen is . Het geslacht Chiton , dat in den grooten Oceaan zoo talrijk in soorten is , wordt aan Amerika's oostkust slechls door een paar soorten ver tegenwoordigd . Soorten , die in grootere diepte wonen , zijn natuurlijk verder verspreid dan die , welke meer in de nabijheid der kusten leven . Het is daarom niet genoeg de breedte en lengte der plaatsen te kennen , binnen welke zekere vormen voorkomen ; men behoort ook dc diepte der zee te weten , waarin zij gemeenlijk leven . Met de diepte neemt het aantal der soorten af , even als dat der landdieren met de meerdere hoogte boven de oppervlakte 110 WEEKDIEREN . 7 der zee . Onder de Cephalopoden , welke eene schaal be zitten en die in de tegenwoordige schepping spaarzaam voor komen , terwijl zij in de voorwereld zeer talrijk en verschei den in vormen waren , is Nautilus geheel tot de Indische en Zuidzee beperkt . Van de weekdieren , dat op het land leven , is geen geslacht uitgebreider dan Helix , waarvan men eenige honderde soorten kent en dat in alle landstreken voorkomt . De soorten der weekdieren zijn meer dan die der schelpdieren aan bepaalde streken gebonden en dus over het geheel meer onderscheiden in verschillende landen ( * ) . ( * ) Belangrijke bijdragen voor de kennis der geographische versprei . ding van de weekdieren leverden ons in de laatste jaren de onderzoe kingen van sars , FORBES , D'ORBIGNY , PRILIPPI en anderen . Vergelijk 1. D’ORBIGNY , Recherches sur les lois qui président à la distribution géographique des Mollusques cotiers marins , Ann , des Sc . nat . 3e Série , Tom . III , 1845 , p . 193—221 ; E. FORBES , Observations sur la distribution topographique des Mollusques marins , ald . Tom . IV , p . 117–128 , en Lovén's aantekeningen over de geographische ver breiding der Scandinavische Zee - weekdieren , öfversigt of kongl . Ve . lensk . Akademiens Forhandlingar , 1846. p . 252—274 . DISPOSITIO SYSTEMATICA MOLLUSCORUM . . CLASSIS XIII . MOLLUSCA . Animalia cute molli , madida obtecta , plerumque supra dorsum duplicaturam , margine liberam ( pallium ) efficiente . Caput magis minusve distinctum , tentaculis et saepe duo bus oculis praeditum . Testa calcarea , plerumque univalvis , in aliis multivalvis , numquam bivalvis ; in paucis interna , in quibusdam nolla . Organa circulationis et respirationis plerumque distincta ; cor semper aörticum . Annulus ner vosus circa oesophagum ; nervi a gangliis , numero variis versus periphericas corporis partes tendentes . Multa aquatilia , alia terrestria , tantum non omnia li bere natantia aut replantia . ORDO I. Pteropoda . Mollusca utrinque ad partem anteriorem expansione na latoria ceu pinda instructa , capite saepe parum distincto , hermaphrodita , marina . Vleugelpootigen . Cuvier heeft deze afdeeling der week dieren het eerst onder dien naam onderscheiden in 1804. Hij kenschetste haar door het gemis van den voet of de buik . schijf ; intusschen schijnt dit deel niet zoo zeer te ontbre . ken , dan wel op eene andere wijze gevormd en , vooral zijdelings , in de zoogenoemde vleugels of vinnen , ontwik keld te zijn . Sommige schrijvers , waaronder soulevet , ver eenigen dan ook de Pleropoda met de Gasteropoda . In alle gevallen hebben zij meer verwantschap met dezen dan 119 CL . XIII . MOLLUSCA . - SOOLEYET , met de Cephalopoda en moeten zij om de eenvoudigheid van bewerktuiging beneden de Gasteropoda geplaatst worden . Vergelijk over deze orde ccven , Ann . du Mus . IV , 1804. p . 223—234 , Mollusq . Mém . nº . 3 ; PÉRON , Ann , du Mus . XV , p . 57--09 ( deze schrijver brengt meerdere geslachten van Mollusca tot deze orde , die door Cuvier clders geplaatst worden , en ook het , tot de zeenetels behoorende geslacht Callianira , Handboek der Dierk . , I , bl . 139 ) ; J. F. J. KOSSE , ( praeside J. F. MECKEL ) de Pleropodum ordine , cet . Balae 1813. 4 ° . ; . RANG , Ann . des Sc . nat . V , 1825 , p . 283–287 ; XII , 1827 , p . 320—329 , XIII , 1828 , p . 302–319 ; - P. J. VAN BENEDEN , Exercices sootomiques ( Nour . Mém . de l'Acad . royale des Sc . de Bruxelles XII , 1839 ) av . 4 pl .; Comptes rendus , Tom . XVII , 1843 , p . 662 et suiv . Familia I. ( CCVI . ) Hyaleacea . Pleropoda capite indi stincto , postice inclusa testa tenui . Hyalea Lam . ( Cavolina GioENI , ABILDGAARD ) , Caulina Poli .) . ' Testa tenuis , pellucida , supra plana , subtus convexa , utrin que fissa . Duae pinpae magnae ad latera oris . Pallium utrinque inter fissuras testae productum , appendicibus con tractilibus . Branchiae in orbem circa reliqua viscera dis positae , fasciculatae . Sp . Hyalen tridentata Lam . , Anomia tridentala FORSK . Icon . rer . nal . Tab . 40 , fig . B , BLAInV . Malacol . , Pl . 46 , fig . 2 , DELLE CHIAJE Memorie , Tab . 80 , fig . 1 , CANTRAINE Malacol . méditerraneenne , Mem . de l'Ac . de Brux . XIII , Pl . I , fig . 3 , in de Middell . Zce , enz . Vergelijk over het geslacht Hyalea , Blainville in Dict . des Sc . nat . Tom . XXII , 1821 , p . 65-83 . Cleodora PÉRON . Annot . Secandum clar . CANTRAINE a praecedenti genere non diver sum , testa ad latera fissa uti in Hyalea , 1.1 . p . 23 . Adde genus Eurybiu RANG , Ann . des Sc . nat . XII , 328 . Creseis RANG . Testa subulata , antice orbiculari apertura instructa , ad latera non fissa . Pallium ad latera non pro ductum . Cf. Rang Ann . des Sc . nat . XIII , p . 305-318 . Annot . Hic etiam aut cum praecedenti genere ponendum est : Subgenus Cuvieriu RANG . Cf. Ann . des Sc . nat . XII , p . 322 , Pl . 45 B , fig . 1-8 , V. BENEDEN 1.l. , Pl . 4 B. CL . XIII . MOLLUSCA . 113 Spiratella Blainv . , Limacina cuv . Corpus aplice utrin que pinna triangulari auriculatum , postice convolutum , Testa fragilis , discoidea , altero latere profunde umbilicata , altero spira exsertiuscula . Sp . Spiratella arctica noh . , Limacina helicialis LAM . , BLAINV . Malac . , Pl . 48 bis , fig . 5 , V. BENEDEN , Mém . sur la Limacina ar ctica , Mém . de l'Ac . royale de Brux . Tom . XIV , 1841 , Pl.5 . Dit kleine dier is zeer talrijk in de zee aan de Noord - pool en strekt den wa’visch tot voeder ; zie O. FABRICII Faun . Groenl . p . 387-389 , bij welken schrijver het Argonauta arctica genoemd wordt . In PUIPP'S reize naar de Noordpool wordt het ( fransche uitgave p . 199 ) onder den naam van Clio helicinu vermeld , en het is waarschijnlijk , dat co VIER het Helicina heeft willen noemen , welke benaming wij althans zouden verkiezen boven die van Limacina , die misschien slechts door vergissing ontstaan is . Cymbulia Perox . Animal testa inclusum , exceptis pinnis duabus magnis , in discum orbicularem , antice emargina tum confluentibus . Duo tentacula contractilia ante os . Tesla hyalina , elongata , cymbiformis , postice truncata . Sp . Cymb . Peronii cuv . , PÉRON , Ann . du Mus . XV , Pl . 3 , p . 10 12 , cuérir Iconogr . , Moll . Pl . 4 , fig . 2 , v . BENEDEN , Mém . de l'Acad . de Brur . XII , Pl . 1. Middell . Zee ; volgens CANTRAINE verliezen deze dieren dikwerf hunne schaal . ( * ) Familia II . ( CCVII . ) Clioidea . Pteropoda nuda , capite . distinclo . Pneumodermon cuv . Pinnae duae parvae ad latera colli , cum appendice conica intermedia , sulcata . Os acetabulis numerosis , petiolatis , retractilibus . Sp . Pneumodermon Peronii cov . , Ann . du Mus . IV , Pl . 59 B. BLAINV . Malac . Pl . 46 , fig . 4 ; dit dier is in den Atlantischen Oceaan en schijnt te verschillen van hetgeen door quoy en door PÉRON ontdekt , ( * ) Misschien is het geslacht Tiedemannia DELLE CHIAJE , op derge lijke uit de schaal geraakte Cymbuliae gegrondvest . Vergelijk over Tiedemannia , v . Beneden Etudes zoolomiques en kronn in Ericuson's Archio f . Naturgesch . , 1844 , S. 324–328 . Taf . ix , fig . A. Wanneer Tiedemannia , 200 als kronn gist , cene , zich door toevallige omstandig heden ligt afzonderende schaal heeft ( ib . S. 326 ) , kan althans dit ge slacht moeijelijk van Cymbulia worden afgescheiden . II . 8 114 CL . XII . MOLLUSCA . 7 ? GAIMARD in de reis van den Astrolabe is afgebeeld ( welke afbeel ding overgenomen is in cuv . R. ani . , ed . ill . , Mollusq . Pl . 17 , fig . 2 ) , waar de zuignapjes takvorming op twee steeltjes staan . Meerdere gelijkheid nog heeft daarmede Pneumodermon violaceum D’ORBIGNY , waarvan V. BENEDEN cene ontleding en af beeldingen gegeven heeft MÜLLER's Archiv , 1838 , p . 296—304 , Pl . 9 , 10. Omtrent de adem halingswerktuigen is men nog onzeker , en de benaming Pneumoder mon berust misschien op eene dwaling . Spongiobranchea D'ORB . [ An a praecedenti distinctum genus ? ] D'ORBIGNY Voyage dans l'Amér . merid . ( overgenomen in OKEN'S Isis 1839 , S. 498 , Tab . 1 , IX , fig . 1—9 ) . Clio L. , Clione Pall . , ESCIIRICIT . Corpus oblongum , po stice acuminatum . Caput strictura a corporc discretum , cu cullo bilobo obteclum , sex conicis appendicibus , duobus que tentaculis , retractilibus , conicis coronatum . Pinnae duae ovales ad latera colli . Duo puncla ( oculi ) nigra in nucha . Foramina genitalia duo ad Jalus dextrum ventrale , anterius ante pinnas pro exilu penis longissimi , posterius pone pinnam pro oviduchu . Anus pone haec orificia , magis ver sus partem mediam . Sp . Clio borealis Gwel ,, Clione borealis t , PALL . Spic . Zool . X , Tab . I , fig . 18 , 19 , CCVIER Ann . du Mus . I , p . 242—250 , Pl . 17 , D. F. ESCHRICIT Kongel . Danske Vidensk . Selskabs Afhandl . Kjö benhavn , 1838 ( afzonderlijk uitgegeven in het Hoogduitsch , Anatom . Untersuchungen ü . d . Cl . boreal . Kopenhagen , 1838. 4 ° ) . De zes kegelvormige armen van den kop zijn met stipjes , mikroskopisch kleine zuignapjes , bedekt . Dit dier ( walvisch - aas ) , Clio limacina PHIPPS , leeft met de Clio helicina , vooral in de nabijheid van Groen . land en Spitsbergen , en maakt het voornaamste voedsel der Walvis schen van het Noorden uit , hoezeer het naauwelijks 1 duim lang wordt . De vinvormige aanhangsels beschouwde cuvier als ademha lingswerktuigen , doch het zijn waarschijnlijk netvormig elkander kruisende spiervezels , welke hij voor de valen dier huidlappen ge houden heeft . ORDO II , Gasteropoda . Mollusca capite distincio , in plurimis tentaculato , praedi ta , superficie inferiori ventris complanala aut sulcata , aut CL . XIII . MOLLUSCA . 115 in laminam compressam producta . Alia hermaphrodita , alia sexu distincta ; multa aquatilia , quaedam terrestria . Buikpootigen . Bij de meesten ligt het hart aan de lin kerzijde des ligchaams . Bij diegenen nogtans , welker ho rens links gewonden zijn ( zie boven II . bl . 6 ) , ligt het hart aan de regterzijde . De openingen der voortplantings - werk tuigen en het uiteinde van den regten darm liggen meest aan den regter kant . Bij velen zijn de geslachten geschei den ; andere zijn tweeslachtig en gewoonlijk zoo , dat er wederzijdsche bevruchting van twee of somtijds meer indi viduen plaats heeft . De ondervlakte van den buik vormt cene langwerpige , plalte schijf , welke zeer spierachtig is en waarop het dier voortkruipt , zoo als in de naakte aardslakken en de huis jes - slakken ( Helices ) algemeen bekend is ; deze overal voor . komende dieren , leveren ons een voorbeeld van den typus dezer orde . Maar bij anderen is deze buikschijf , die men gewoonlijk roet noemt , zijdelings zamengedrukt en dient tot zwemmen . Wij zullen deze weekdieren als afzonder . lijke groep van de overige afzonderen . A. Heteropoda . Familia III . ( CCVIII . ) Heteropoda . Pes compressus , pin nae similis , disco sive acelabulo suctorio instructus . Bran chiae pectinalae aut pinnatae . Sexus distincti . Vreemdpootigen . Deze weekdieren leven alle in de zee en zwemmen gewoonlijk met den vinvormigen voet omhoog rug benedenwaarts . FORSKAL , aan wien wij de eerste beschrijvingen van dieren dezer familie verschuldigd zijn , gaf daaraan den naam van Pterobranchea . Dat de geslachten gescheiden zijn , is door LAURILLARD en MILNE - EDWARDS ont dekt ; volgens CANTRAINE is echter Phyllirhoe hermaphrodiet . Phyllirhoe Peron . Corpus nudum , compressum , tenta culis duobus longissimis , subulatis . Oculi nulli . ( Organa respirationis incognita ) . Cf. PÉRON , Ann . du Mus . XV , p . 65 , Pl . II , fig . 1-3 ; quor et GAIMARD , Voyage de l'Astrolabe , Zoologie 11 , 1833 , p . 403-410 , Pl . 28 , fig . 10–18 , GUÉRIN , Iconogr . , Moll . Pl . 11 , fig . 6. Péron plaatste dit geslacht , gelijk alle de lleteropoda , bij de Pteropoda ; en den 9 8 * 116 CL . XIII . MOLLUSCA . meenen > intusschen ook nog latere schrijvers de Phyllirhoe niet bij de Heteropoda , maar bij de vorige Orde te moeten plaatsen . Voor dit laatste zien wij echter geene genoegzame reden . Even on zeker is de plaats der geslachten Monophora en Timoriena quoy et GAIM . , welke even min als Phyllirhoe eenen afzonderlijken vin vormigen voet schijnen te bezitten . Plerotrachea FORSK . , Firola BruG . , PERON . Corpus nudum , elongatum , integumento fere pellucido . Oculi duo . Tentacula ( saepissime ) nulla . Caput proboscide carnea . Branchiae pin natae , liberae , ad dorsi partem posteriorem . Sp . Plerotruches coronata PORSK . , Icon . rer . nat . Tab . 34 , fig . A. ( overgenomen in Encycl . meth . , Vers . Pl . 88. Firola , fig . 1 ) ; in de Middell . Zec . Lesceur heeſt in het Tijdschrift van de Philos . Society van Philadelphia , van de soorten van dit geslacht eene mo nographie gegeven , van welke BLAINVILLE gebruik gemaakt heeft in het artikel Firole , Dictionn , des Sc . nat . Tom . XVII , p . 62 68. Gewoonlijk ontbreken de tentacula . De soorten , bij welke zij aanwezig zijn , vereenigt d’ORBIGNY onder den naam van Cerophora . lliertoe behoort Firobu caudina RANG , GUÉRIN Magas . de Zool . 1832 , Cl . V , P ) . 3 , GUÉRIN Iconogr . , Moll . Pl . 11 , fig . 3 . Volgens D’ORBIGny zou het zonderling geslacht Sugilla ( zie boven 1 , 284 ) hier geplaatst moeten worden . Carinaria Lan . Corpus elongatum . Caput duobus tenta culis longis , subulatis , oculisque duobus sessilibus pone len taculorum basin . Testa parva ad posteriorem dorsi partem , lenuis , pellucida , conica , compressa , apice postrorsum in Nexo . Deze dieren zijn zeer gelijk aan die van het vorige geslacht , en COVJER meende in het eerst , dat de door FORSKAL beschreven Ptero tracheae slechts toevallig bare schelp verloren hadden . Mémoires , Moll . Nº . 18 , p . 31. Zij onderscheiden zich echter door het stand vastig aanwezig zijn van twee voeldraden voor de oogen en door kleine onevenheden of knobbeltjes op de huid . Sp . Curinaria cymbium ( Argonauta Cymbium L. ? ) , Ann , des Sc . nat . XVI , Pl . I , GUÉRIN , Iconogr . , Moll . Pl . 11 , fig . 1 , POLI Testac . utr . Sic . III , Tab . 14 , fig . 1—11 ; in de Middell . Zee . Eene ontleedkundige beschrijving van dit dier gaven POLI en DELLE COLAJE ( t . a . p . , p . 26–35 en Memorie sulla Storia e Notom . degli Anim . 8. v . II . p . 193—218 ) , die later door MILNE EDWARDS in vele merk waardige bijzonderheden werd aangevuld , Ann . des Sc . nat . , Ses CL . XIII . MOLLUSCA . 117 > Série , Tom . 18 , Zool . p . 323–329 , Pl . X , fig . 3 , Pl . XI . De aan wijzing van LINNAEUS , dat de schelp niet grooter dan een zandkorrel is , past niet op deze soort , die men daarom ook menigmaal met Carinaria vitrea , eene grootere soort uit dien Indischen Oceaan , heeft verward , MARTINI , Tab . 18 , fig . 163 , BLAIN V. , Malac . Pl . 47 , fig . 3 a . Atlanta LESUEUR . Caput proboscide instructum , tentaculis duobus cylindricis , oculisque duobus . Pes compressus , ver sus finem acuminatus , disco suctorio in margine . Opercu lum tenue , parti ventrali infra pedem adhaerens . Testa te nuissima , involuta , carinata . Sp . Allanta Peronii LESEUR , Corne d'Ammon LAMANON , Voyage de LA PEYROUSE , Pl . 63 , fig . 1-3 , BLAINV . Mulac . Pl . 48 bis , fig . 9 ; Atlanta Keraudrenii lestEUR ; deze soort vormt bet geslacht Ladas CANTRAINE , Malacol . mediterr . Vergelijk over deze kleine dieren , die in de Middell . Zee en onder de warme luchtstreken in den Atlantischen Oceaan voorkomen . RANG , Mém . de la Soc . d'Hist . nat . Tom . III , 1827 , p . 372–380 . Pl . 9 en D'ORBIGNY Voyage ( zie OKEN's Isis , 1839 , p . 511-519 ) . B. Gasteropoda normalia . Pes ad replandum inserviens , complanatus vel sulcatus . Sectio I. Organa respirationis in alliis nulla distincta , in aliis branchiae dorsales , nudae , integumentorum communium appendices aut productiones diversae . Wij verdeelen de gewone of normale Gasteropoden in drie afdee lingen naar de ademhalingswerktuigen en vereenigen , gelijk door den jongeren LECCKART is voorgesteld , de Gymnobranchiata en Apneustu onder den naam van Dermatobranchiata van DOMÉRIL ; zie R. LEUCKART Ueber Morphologie der wirbell . Thiere , 1848 , S. 178 . Familia IV . ( CCIX . ) Dermatobranchiata s . Gymnobran chiata . Characteres sectionis . Gasteropoda nuda , herma phrodita , marina , saepe in dorso nalaotia , pede supino . De naaktkieuwige ( nudibranches ) van Cuvier zijn in de laat ste jaren vooral onderzocht . Door QUATREFAGEs werd bij velen een in takken verdeeld darmkanaal , of liever een takvormig aanhangsel van hetzelve gevonden , gelijk wij vroeger bij Disto ma , bij sommige ringwormen , bij Acarinen , bij Phalangium enz . , hebben leeren kennen . Deze blinde takken vervullen tevens de plaats van lever . ( QUATRErages gaf aan deze inrigting den 220 VISSCHEN . zuurstofgas van de lucht niet op de elkander bedekkende deelen werken kan ( * ) . Met de halve kieuwen of de neveokieuwen , welke bij de steuren op het kieuwdeksel voorkomen , moet men de valsche kieuwen ( pseudo - branchiae ) niet verwarren , die bij vele visschen aan het verhemelte , boven en buiten waarls van de kieuwen voorkomen , somtijds een meer klierachtig , lobbig maaksel vertoonen , doch meestal eene vedervormig of kamvormig deel met eene enkele rij van blaadjes voorstellen . Daar deze deelen slagaderlijk bloed ont vangen , kunnen zij geene ademhalings - werktuigen zijn . Het daaruit terugkeerend bloed vereenigt zich in een slagadderlijken stam ( arteria ophthalmica magna ) , die het bloed naar het vaatvlies van den oogbal voert , waarin het gewoonlijk een wondernet vormt , dat met een der gelijk aderlijk wondernet , voor het , uit den oogbol weder keerend bloed verbonden , de reeds vermelde en meestal met de valsche kieuw gelijktijdig voorkomende , zoogenaamde choroidale klier vormt ( + ) . Evenmin als deze deelen behoort de zwemblaas der visschen als tot de ademhaling dienstbaar beschouwd le worden ( s ) . Deze blaas is bij de sleuren en vele beenige ( * ) Zie FLOURENS , Expériences sur le mécanisme de la respiration des Poissons , Ann , des Sc . nalur ., XX , 1830 , p . 5-25 . it ) Vergelijk J. Müller , Abhandl . der Akad . der Wissensch . zu Berlin , aus d . Jahre 1839 , S. 213—240 , 247—261 . ( s ) Over dit deel bestaan zeer vele geschriften , onder welke wij ons vergenoegen de volgende te vermelden : G. FISCIER , Versuch über die Schwimmblase der Fische , Leipzig 1795 , 30 .; DE LA ROCHE , Obser . vations sur lu ressie aérienne des Poissons , Ann . du Mus . XIV , 1809 , p . 184--217 , p . 245—289 ; 1. RATOKE Bemerkungen über die Schwimmblase einiger Fische in zijne Beiträge zur Gesch . der Thier well , 4le Abth . 1827 , S. 102—120 , en zijne latere nasporingen in MÜLLER'S Archiv 1838 , S. 413-445 , Taf . 12 ; K. E. VON BAER , Un tersuchungen über die Entwickelungsgesch . der Fische , nebst einem Anhange über die Schwimmbluse . Leipzig 1835 , 40 ; 1. S. R. JACOBI , De vesics aërea Piscium , Diss . inuug . Berolini 1840 , 4 ° . , onder lei ding van J. MÜLLER . VISSCHEN 221 visschen aanwezig en ligt boven het darmkanaal tegen de ruggegraat , maar onder de uieren , bijkans altijd als een opparig , symmetrisch orgaan . De wanden worden door twee vliezen gevormd : een uitwendig peesachtig vlies en een inwendig dun en vaalrijk slijmvlies , dat door plaat vormig epithelium aan de binnenvlakte bekleed is . Daar enboven is deze blaas naar de buikzijde door een verlengsel van het buikvlies bekleed . Bij sommige visschen loopt eene buis van deze blaas naar den slokdarm of naar de maag ; bij enkele is er eene spleet , als ecne soort van glotlis , aanwezig , die onmiddellijk van den slokdarm naar de zwemblaas geleidt . Daar de zwemblaas als cene uit . stulping van het darmkanaal ontslaat , is het waarschijnlijk , dat er ook daar , waar zij geheel gesloten is , vroeger een kanaal aanwezig was , ' t geen later tot eenen band ver groeit of geheel opgeslorpt wordt . Bij vele visschen , bij de meeste zeevisschen vooral , is de zwemblaas geheel geslo len . Eenige weinige visschen hebben eene celachtige zwem blaas , waardoor zich vooral Lepidosteus onderscheidt . De gedaante der zwemblaas is gewoonlijk langwerpig ; somtijds is het voorste eind met zijdelingsche blinde aanhangsels voorzien ; somtijds strekt zich eene reeks van zulke aan hangsels langs de geheele blaas aan weerszijde uit . In sommige visschen is zij in het midden ingesnoerd en in twee , achter elkander liggende ruimten verdeeld . De bloed vaten verdeelen zich waaijervormig in fijne takken over het inwendig slijmvlies of vormen wondernetten op be paalde plaatsen , die men als roode , klierachtige massa's beschreven beeſt . Dergelijke wondernetten meende men vroeger dat bij die visschen , wier zwemblaas eene buis bezit , afwezig waren , hetgeen echter niet algemeen gel den kan ( * ) . De lucht , welke in de zwemblaas verval is , bestaat uit een mengsel van zuurstof- en stikstofgas en somtijds ( * ) Vergelijk voor meer bijzonderlieden over deze bloedklieren der zwemblaas , J. BÜLLER Abhandl . der Akad . der Wissensch . cu Ber lin , a . dem Jahre 1839 , S. 262—271 . 222 VISSCHIEN . eene kleine hoeveelheid koolzuurgas . Bij visschen van dezelfde soort kan het scheikundige onderzoek dikwerf aanmerkelijk verschil opleveren . Volgens bor en DE LA ROCHE neemt de hoeveelheid zuurstofgas toe met de diepte , waarin de visscben leven ; zij is dus ook in het algemeen veel aanzienlijker bij de zeevisschen dan bij die , welke in zoet valer leven ; bij de laatsten is sleeds eene aanzien lijke hoeveelheid stikstofgas aanwezig , zoo dat men zelfs meende , dat de lucht der zwemblaas van den karper alleen uit dit gas bestond ; bij de zeevisschen kan de lucht der zwem blaas daarentegen zelfs 10 zuurstofgas bevatten . Deze lucht wordt door de zwerblaas , door haar inwendig vlies , afge scheiden , gelijk uit die visschen blijken kan , welke eene geheel geslotene zwemblaas bezilten ; maar ook bij diegenen , wier zwemblaas eene buis heeft , kan men , zoo als RATHKE heeft aangetoond , moeijelijk aannemen , dat de lucht van buiten in de blaas dringt . Eerder kan deze buis dienen om lucht uit te laten Verschillend zijn de meeningen omtrent het nut van de zwemblaas in dc dierlijke huishouding der visschen . De benaming , welke men aan haar gegeven heeft , duidt reeds aan , dat men deze blaas in verband met het zwem inen gebragt heeft . Dit is het gewoon gevoelen , door BORELLI het eerst voorgedragen , volgens hetwelk door zamendrukking of nitzelting der blaas , de visch zich soor telijk zwaarder of ligter maken en beurtelings in het water kan doen dalen en rijzen . Deze zamendrukking wordt door bewegingen der ribben veroorzaakt , terwijl daarenboven somtijds eigene spieren bij de zwemblaas aanwezig zijn ( Ⓡ ) . Bij vele visschen is het evenwel moeije 9 ( * ) Bij sommige visschien van de afdecling der Siluriden ( Auche nipterus , Euanemus , Synodontis , Doras en Melapterurus ) is cene beenplaat aanwezig , die schuins van den eersten wervel aan weerszijden op de zwemblaas afdaalt en als een veêr haar zamendrukt ; deze plaat kan door ccne , van den schedel afkomende spier opgetild worden , waardoor de zwemblaas zich uitzet . Zie J. Müller , Abhandl . der Akad . d . Wissensch . zu Berline a . d . J. 1812 . VISSCHEN . 223 lijk aan te wijzen , hoe zij in staat zijn zouden , de zwem blaas te verwijden en de lucht te verdunnen . Welk ge voelen men overigens omtrent het nut van dit deel aanneme , het zal moeijelijk te verklaren zijn , waarom deze blaas , 200 zij werkelijk een ' gewigtigen invloed op het leven of de huishouding der visschen heeft , bij zoo vele soorten ontbreekt en zelfs bij enkele geslachten van visschen in sommige soorten aanwezig is , terwijl zij bij anderen van den zelfden algemeenen vorm niet gevonden wordt . Zeker is het , dat cene met lucht gevulde blaas het geheele ligchaam der visschen , dat zonder dit deel slechls weinig grooler specifiek gewigt dan het water heeſt , en , daar zij legen den rug geplaatst is , bepaaldelijk dit , anders zwaar der gedeelte , soortelijk ligter maken moet , waardoor het zwaartepunt van den visch dalen en alzoo het omkantelen op den buik verbinderd worden zal . Hooge , zamenge drukle visschen hebben ook gewoonlijk eene wel ontwik kelde zwemblaas . Volgens müLLER's proeven dienen echler de vinnen en vooral de vertikale vinnen ( rug- en aarsvin ) hoofdzakelijk om het omkantelen te belellen . Bij som mige visschen staat de zwemblaas , als klankversterkend en geluid - geleidend deel , volgens de ontdekkingen van E. I. WEBER , met het gehoorwerktuig in verband . Dat deze blaas een tweede adembalings - werktuig is en met de blaasvormige longen van sommige kruipende dieren zou overeenkomen , gelijk sommigen meenen , wordt door den loop der bloedvalen genoegzaam wederlegd ; zij zoude dan aderlijk en niet slagaderlijk bloed moeten ontvangen ( * ) . De pisafscheiding geschiedt door twee , tegen de rugge graat liggende nieren , die dikwerf met elkander aan het achtereinde vereenigd zijn . Bij de meeste beenige visschen ( * ) G. Fischer lieeft deze meening , dat de zwemlılaas een ademlia lingswerktuig is , aldus gewijzigd , dat zij tot ademhaling der lucht in het water besteind zeu zijn , terwijl de kieuwen tot ontbinding van liet water zelf dienen zouden ; maar bij de ademhaling der visschen wordt het water niet ontbonden , gelijk boven recds vermeld is . 224 VISSCHEN . > strekken zij zich van den kop tot achter in het ligchaam boven den anus uit . Zij zijn gewoonlijk van een los , sponsachtig weefsel ; een onderscheid tusschen de inwen dige en uitwendige zelfstandigheid ( substantia corticalis en medullaris ) bestaat hier niet . De geheele nierzelfstandigheid wordt gevormd door blind eindigende buisjes , die zich in de pisleiders openen . Deze komen gewoonlijk in eene blaas te zamen , of verwijden zich aan hun ondereinde . De blaas ligt op den reglendarm en de urethra opent zich achter dezen ( * ) . Bijnieren ( capsulae renales , renes succenturiati ) , die men vroeger bij de visschen meende afwezig te zijn , ko men bij de kraakbeenige visschen als gele , aan de binnen zijde der nieren liggende smalle , langwerpige strepen en bij de beenige visschen gewoonlijk als twee wilachtige , kleine , ronde ligchaampjes , meest aan het achtereinde der nieren voor ( + ) . De voortplantings - werktuigen der visschen zijn over het gebeel niet zeer zamengesteld . Steeds zijn de geslachten gescheiden , maar dikwerſ is er , gelijk bij lagere dieren , eene groote gelijkvormigheid van de kiem- en zaadberei dende deelen ( eijerstokken en ballen ) aanwezig . Somtijds is de geheele toestel der voortplantings - werktuigen enkel lot deze onmisbare en wezenlijke deelen beperkt . Gewoonlijk worden er lwee eijerstokken en twee ballen gevonden ; er zijn echter visschen , bij welke deze deelen onparig zijn , waarvan de voorbeelden menigvuldiger bij de vrouwelijke ( * ) Zie over dit onderwerp A. J. D. STEENSTRA TOOSSAINT , Commentatio de systemate uropoético Piscium , Ann . Acad . Lugd . Bat . 1835. De opening der urethra achter den anus is een bijzonder kenschetsende bijzonderheid der visschen . Reeds hebben RATIKE en V. BAER daarait afgeleid , dat de nieren der visschen niet met die der hoogere gewer velde dieren , maar met de embryonale corpora Woffiana ( de primor diale nieren ) overeenstemmen . Bij het embryo der visschen vindt men buiten deze nieren althans geene corpora Woffi ana . A. RATIKE in BOR Daca's Physiologie II , s . 569 ; V. BAER Entwickelungsgesch , der Thiere , II , 1837 , S. 314 . ( t ) Vergel . STANNios in Müller's Archiv 1839 , S. 97—101 , Taf IV . VISSCHEN . 995 voorwerpen voorkomen . Slechts één eijerstok is ontwik keld bij den baars , bij Blennius viviparus , Ammodytes to bianus , Cobitis barbatula , Cobitis taenia ; ook bij vele haaijen ( Scyllium , Carcharias , Sphyrna , Mustelus en Ga leus ) is slechts één eijerstok aanwezig , meestal aan de reglerzijde gelegen . Bij de meeste beenige visschen vormen de eijerstokken twee lange en groote zakken , die aan weerszijden naast het darmkanaal en de lever liggen ( de zoogenoemde kuit ) . Van de inwendige oppervlakte ont springen plooijen , die gewoonlijk dwarse tusschenschotten vormen ; in deze plooijen ontwikkelen zich de eijeren , welke in sommige visschen in den rijtijd ongemeen talrijk zijn , en somtijds eenige honderdduizenden bedragen . Het onderste gedeelte van den eijerstok heeft deze platen niet , en dient alleen om de eijeren door te laten ; men kan het dus eenen eijerleider noemen , en wij vinden hier de inrigting , die bij de ongewervelde dieren normaal is , maar daarentegen bij de gewervelde dieren anders niet voorkomt , dat namelijk de eijerleider eene onmiddellijke voortzetting van den eijerstok is . De twee eijerleiders komen vervol gens in een enkel kanaal zamen , hetwelk zich voor de urethra achter den arus in eene kleine groef , somtijds in eene papil opent . Bij andere visschen ( de alen , de zal men , de Cyclostomen ) bestaat de eijerstok uit eene lang werpige plaat , die door eene verdubbeling van het buikvlies aan de ruggegraat gehecht is en vele uitspringende plooijen heeft ; eijerleiders zijn niet aanwezig ; de in deze plooijen zich ontwikkelende eijeren raken los als zij tot rijpbeid gekomen zijn , vallen in de buikholle en worden door eene of twee buikopeningen ontlast ( * ) . In de Plagio ( * ) Zie eene afbeelding van het ovarium bij den zalm in carus , Tabulae anulom . comparativam illustrantes Fasc . V , Tab . IV , fig . VU , van Petromyzon marinus in Catalogue of the Series of compar . Anatomy , contuined in the Museum of the royal College of Sur geons IV . Pl . 59 , van den aal ald . Pl . 60 , en in HORNBAUM - HORNSCIOCI Diss . inaug . de Anguillarum Sexu et Generatione . Grijphiae . 1842 4º . II . 13 226 VISSCHEN . stomen en bij Chimaera zijn de eijerstokken veel kleiner , dan bij de overige visschen ; zij liggen in het voorste gedeelte der buikholte bij de lever , en vormen trossen zoo als bij de vogels , terwijl eenige eijeren op de oppervlakte meer ontwikkeld , andere binnen in het stroma , als kleinere korrels verborgen zijn . Er zijn hier altijd twee eijerleiders , ook dan wanneer er slechts een eijerslok is . Deze hebben eene gemeenschappelijke opening naast of vóór de eijerstokken en zijn geenszins onmiddellijk daarmede verbonden , 200 als bij de beenige visschen . Zij zijn zeer lang , van binnen met overlangsche plooijen voorzien en verwijden zich aan het onderste gedeelte . Boven deze verwijding ligt een klierachtig weefsel , dat den eijerleider als eene ringvormige uitzetting omgeeſt ; het is bij de eijerleggende meer ont wikkeld en bestaat uit vele blind eindigende , digt bijeen liggende buisjes , die zich binnen in den eijerleider ope nen ( * ) . Bij de levendbarende haaijen zou men het on derste , wijde gedeelte der cijerleiders baarmoeder kunnen noemen , die dan dubbel is , even gelijk bij de buideldieren en het vogelbekdier in de klasse der zoogdieren . De ballen ( bij de beenige visschen hommen genoemd ) liggen bij de mannelijke voorwerpen op dezelfde plaats , welke de eijerstokken bij de vrouwelijke voorwerpen in Zij zijn in deze klasse grooter dan bij eenige andere gewervelde dieren , en de afscheiding van sperma is even overvloedig als de eijeren talrijk zijn in het ova rium . Aan de binnenzijde van elk der ballen loopt het vas deferens , en de twee vaten vereenigen zich in een langer of korter gemeenschappelijk kanaal , hetgeen zich met de urethra verbindt en alzoo in ecne groeve of papil achter den anus opent ( + ) . Bij de meeste beenige visschen be staat het weefsel der ballen uit buizen , die met het blin . nemen . ( * ) Bij de roggen heeft J. Müller dit deel afgebeeld in zijn groot werk , De penitiori glandularum structura . Tab . 11 , fig . 14 , 15 . ( + ) Zie eene afbeelding der testes bij Triglu lyra in de boven . aangehaalde Tabulae van CAROS , Fase , V , Tab . fig . 4 . VISSCHEN . i 227 de uiteiude naar de buitenzijde dezer deelen gekeerd zijn en somtijds zich daar in twee takken splitsen en zich naar binnen in het afvoerende vat openen ( * ) . Bij de alen ( + ) en bij Petromyzon zijn daarentegen de testes plaat vormige strooken even als de ovaria , van een korrelig weefsel . Afvoerende buizen ontbreken ; het sperma wordt door de buikholte opgenomen en door eene opening ach ter den anus ontlast . Bij de plagiostomen zijn de testes van een blaasvormig weeſsel , terwijl in deze blaasjes kor rels vervat zijn , die met sperma zijn gevuld . Fijne buisjes ( vasa efferentia ) loopen naar de bijballen ( epididymes ) , die achter de testes liggen , en van deze ontspringen de twee afvoerende vaten , welke eerst zeer gekronkeld , ver volgens regter over de nieren heenloopen , en zich aan het einde in twee zaadblaasjes verwijden , die van binnen met ringvormige tusschenschotten voorzien zijn ; van hier wordt het zaadvocht naar de roede gevoerd , die in de cloaca ligt . Er zijn daarenboven achter het bekken , naast den staart aanhangsels , welke van binnen door kraakbeenige deelen ondersteund worden ; zij dienen om het wijſje bij de paring te omvalten en zich aan haar ' staart vast te klemmen ( S ) . ( * ) Deze buisvormige structuur , het eerst door RATIKE waargenomen , is vervolgens door TREVIRANOS en J. MÜLLER nader in het licht gesteld . Zie TREVIRANCS , Zeitschr . für Physiol . II , Darmstadt 1827. S. 10–13 , Tab . II , fig . 4 , MULLER De penitiori glandular . struct . p . 104 , Tab . XV , fig . 8 . ( † ) Het is volgens schlüsser evenwel niet onwaarschijnlijk , dat hetgeen HOHNBAUM - DORNSCHOca als tesles bij de aler beschreef , slechts onontwik kelde ovaria waren en dat de mannelijke alen nog onbekend zijn . G.scalüs SER de Petromyzontum et Anguillarum Sexu . Diss . inaug . Dorpati . 1848 . ( 9 ) Vergel . TREVIRANCS , Ueber die Zeugungsorgane des Dorn hay , Zeitschr . für Physiol . II . 1827. S. 3——10 , Tah . III ; STANNIUS , in Müller's Archio 1840 , S. 41–43 . Over de geslachtsdeelen der visschen raadplege men voorts vooral RATIKE Beitr . Gesch . der Thierwelt 2te Abth . $ . 117–206 , en in MüLLER'S Archiv 1836 . S. 171—186 , en over de ontwikkeling dezer deelen , Beitr . sur Gesch . der Thierw . , 3te Abth . S. 1–18 . Verder J. MÜLLER Ueber den 13 * 228 VISSCHEN . 9 等 基 * De meeste beenige visschen paren niet , maar de man neljes besproeijen de door de wijfjes gelegde eijeren met hun zaadvocht . Het is waarschijnlijk , dat de mannetjes door den reukzin geleid worden , waardoor zij in den rij tijd zich rondom de wijfjes van hunue soort verzamelen , en in derzelver nabijheid komen . Onder diegenen , welke paren , zijn ook nog eijerleggende soorten . Levendbarend zijn onder de beenige visschen slechts weinige , b . v . Anablebs , Blennius viviparus . Bij de kraakbeenige daar entegen zijn onder de Plagiostomen slechts de Rajae in bijzonderen zin en de soorlen der haaijen van het ge slacht Scyllium eijerleggend . Het ei heeſt bij deze roggen en baaijen eene vaste , hoorpachtige , langwerpige , platte schaal , waarvan de vier hoeken bij de roggen in spilsen , en bij de haaijen in lange kronkeldraden , die om elkan der gewonden zijn , uitloopen . De ontwikkeling der visschen onderscheidt zich van die der geschubde kruipende dieren , der vogels en visschen doordien er geen amnion noch allantois gevormd wordt . Bij den aanvang bespeurt men ook hier die verdeeling of doorklieving van den dojer , waarvan wij bij verschei dene klassen van ongewervelde dieren reeds melding ge maakt hebben ( * ) . Nadat de dojer weder glad geworden is , ontstaat de kiemschijf en breidt zich in haren groei over den dojer uit , tot dat zij Jien geheel omgeeſt . Na dat deze aldus lot eene blaas geworden is , of bij andere visschen reeds vóór dat tijdperk , ontstaat er in dat gedeel te der kiemschijf , hetwelk het eerst gevormd was , eene körnigen Bau der Foden bei mehreren Fischen , in TIEDEMANN und TREVIRANOS , Zeitschr . f . Physiol . IV . 1831 , S. 100–113 . en 1. STAN NIOS , Ueber die männliche Geschlechtstheile der Rochen u . Haien , MÜLLER'S Archiv 1840 , S. 41-43 . ( * ) Waarnemingen over dit onderwerp bij kunstmatig bevruchte vischeijeren zijn door Rosconi bekend gemaakt , Müller's Archiv 1836 . S. 278—288 , Taf . XIII . De eijeren bekomen cene verhevenheid of uit . puiling en deze , niet de geheele dojer , is de zitplaats van de regelmatig toenemende groeven . Latere waarnemingen toonen , dat dit verschijnsel van de ontwikkeling en verandering van de kiemblaas aſhangt . VISSCHEN . 999 langwerpige groeve , als eerste begin van het embryo . Twee uitspringende randen omgeven deze groeve en komen digter bijeen , terwijl zich op den grond der groef de rugge streng als eerste begin van het skelet ( vergel . boven bl . 182 , 185 ) vormt . Het binnenste blad van het kiemvlies ( hel slijmvliesblad ) verkrijgt eene insnoering en verdeelt zich alzoo in een onder de ruggestreng liggend kanaal en in een ' dojerzak . Bij sommige visschen wordt deze dojer zak door de uit het weivliezige blad gevormde buikbe kleedsels met het darmkanaal in de buikbolte opgenomen ; er is dus bij dezen een inwendige dojerzak aanwezig , en de buik van het embryo ver het embryo vertoont eenen eenen buitengewo nen omvang ( Cyprinus , Perca , Salmo ); bij anderen trekt zich het buikbekleedsel even als het slijmvliesblad door eene insnoering zamen , en de dojerzak hangt buiten de buikholle , daaraan door korten steel bevestigd ( Blennius viviparus , Cottus gobio , Syngnathus ) . Bij de Plagiostomen ( Roggen en Haaijen ) wordt eveneens een uitwendige dojerzak waargenomen , die hier echter eenen langeren steel heeft , welke bij sommige haaijen uitwendig met villi bezet is . Bij de meesten dezer visschen zet zich de navel - darmgang binnen den buik nog in eenen tweeden , inwendigen dojerzak uit : eenen blinden zak , die een groot gedeelte der buikholle inneemt , en zich in het voorste blaasvormige gedeelte van het darmkanaal , boven het begin van het spiraalvormig klapvlies , inplant ( * ) . De zijwanden van het ligchaam van het embryo , die in het eerst glad eenen ( * ) Dit blaasvormig gedeelte van het darmkanaal noemde Collins bursa Entiuna , naar GEORG ENTE , door wien hetzelve het eerst ontdekt werd ; System of Anatomy 1685. Tab . 33 , fig . 2 g . Bij Carcharias en Mustelus laevis müll . , is alleen een uitwendige dojerzak aanwezig en deze hecht zich door vele plooijen aan de inwendige vlakte van het wijdere , onderste gedeelte des eijerleiders , hetgeen men baarmoeder noemt . Deze haaijen hebben dus eene placenta , die echter van de placenta der zoogdieren verschilt , en door den dojerzak gevormd wordt . Vergelijk vooral J. MÜLLER Ueber den glatten Hai des Aristoteles u . s . w . Abh . d . Akad . zu Berl . Jahrg . 1810. Physik , math . Kl . S. 187-257 m . Abb . 236 VISSCHEN . tusschen de groote zijdelingsche spieren loopt , somtijds dieper , maar bij andere bijkans onmiddellijk onder de huid , en die , bij visschen , waar zij dieper ligt , eenen oppervlak kigen tak geeft , welke in de lengte onder de linea lateralis voortloopt . Bewegingszenuw is deze nervus lateralis niet ( ) ; hare takken gaan , ook wapneer zij dieper gelegen is , naar de huid . De sympathrische zenuw is bij de Cyclostomen niet aan wezig en schijot door den n . vagus te worden vervangen . Bij de Plagiostomen ontbreekt het kopgedeelte ( pars cephalica ) ; bij de bcenige visschen is dit gedeelte buiten den schedel aan weerszijde tusschen den nervus trigeminus , glossopharyngeus en vagus gelegen , waar het drie , achter elkander liggende knoopen aanbiedt , die door eene , in de lengte loopende streng , eene voortzetting van den slam of de grensstreng van den romp verbonden zijn . Meestal zijn de lwee grensstrengen door eenen dwarsen tak onder de voorste wervelligchamen met elkander verbonden . Er zijn twee nervi splanchnici , gemeenlijk een aan elke zijde ; bij verscheidene visschen ontspringen zij beiden uit éénen knoop aan de reglerzijde en zijn dan slechts zeer zelden aan den oorsprong in eenen stam vereenigd ( + ) . Het gevoel is bij de visschen weinig ontwikkeld . Eigen lijke tastorganen , zoo als ooze vingers , waarmede de ge daante der voorwerpen kan onderzocht worden , ontbreken , hoezeer de lippen misschien gedeeltelijk tot tasten kunnen ( * ) Evenmin is zulks een , niet zoo algemeen bij de visschen voor komende ramus lateralis n . trigemini , welke ontspringt als een tak , die naar boven tot den schedel opklimt , meestal door een takje van den n . vagus versterkt wordt , en vervolgens langs den geheelen rug ( onder de rugvin ) voortloopt . Deze zenuw ontvangt van alle rugmerg . zenuwen een klein zenuwtakje . ( t ! Verg . over den nervus sympathicas der visschen E. 1. WEBER Anatomiu compar . nervi sympathici Lipsiae 1817. 8 ° . P. 35–66 , C. M. GILTAY Diss . inaug . de neroo sympathico L. B. 1834 8º . p . 41—74 en STANNUS , Das pheripherische Nerrensystem d . Fische , S. 131-113 . VISSCHEN . 237 dienen . Dikwijls zijn er weeke , kegelvormige aanhangsels of draden aan de lippen of kaken , die , even als de baard haren of knevels der zoogdieren , ler onlwaring van uit wendige beletselen dienen , en de visschen in staat stellen dezen te vermijden . De gebeele huid is weinig geschikt om een fijn gevoel toe te laten ; zij is de zitplaats eener , meestal zeer ontwikkelde slijmafzondering en gewoonlijk met schubben bedekt ( zie boven bl . 190 ) . De schubben vertoonen vele , aan den rand evenwijdig loopende strepen , en schijnen daarom , even als de schelpen der tweescha lige weekdieren , uit op elkander liggende platen gevormd le zijn , zoo als LEEUWENHOECK meende . Latere waarnemers hebben echter dit laagvormig ontstaan der schubben als hoornachtige plaleu bestreden . De schubben liggen niet alleen in de opperhuid , maar werkelijk in de huid en worden door haar ingesloten ; op eene vezelachtige , uit verbindingsweefsel gevormde laag , ligt eene laag van pig mentcellen , welke door eene plaveivormige epidermis overdekt wordt . De schubben bevallen eene aanzienlijke hoeveelheid phosphorzuren kalk ( in wel gedroogde schub ben maakt deze stof dikwerf for van de gewigtsdeelen 4,0 uit ) en eene veel geringere koolstofzuren kalk ( * ) . De smaak der visschen schijnt zeer gering te zijn . Het geen men bij de visschen de tong noemt , bestaat alleen uit het met een slijmvlies bekleede , voorste uiteinde van het longbeep . Dit deel is daarenboven dikwerf met tan den gewapend en bezit geene eigene spieren , zoodat het slechts tegelijk met de kieuwbogen bewogen wordt . De long keelgats - zenuw geeft er geene takken aan , maar verspreidt tegenwerpingen van ( * ) Vergelijk over het maaksel der visschubben AGASSIZ ( Poiss . foss .) , MANDL ( Ann . des Sc . nat . 20 Serie , Tom . XI . 1839 , p . 347 , en de AGASSIZ ald . Tom . XIV . 1840 , p . 98 suiv . ) en PETERS in Müller's Archio 1811 , Jahresbericht S. 209–216 . Bij de waar de schubben met een verglaas bedekt zijn , toont liet mikroskopisch onderzoek beenderligchaampjes aan , gelijk aan die , welke in het beenweefsel voorkomen . Ganoiden , 258 VISSCUEN . zich vooral in den eersten kieuwboog , hoczeer ook een , meestal kleinere , tak zich in het verhemelte verspreidt . Wanneer de visschen den smaakzin bezitten , schijnt het verhemelte veeleer dan de tong de zitplaats van dien zin te wezen . Het reukorgaan ligt gewoonlijk voor de oogen aan weerszijde op de bovenvlakte van den kop ; slechts bij de Cyclostomen en Amphiocus is het enkel of onparig . Bij Lophius piscatorius vertoonen zich de reukorganen als twee kleine , door eenen steel aan de bovenlip bevestigde bekertjes . De holte is van binnen met een slijmvlies be kleed , hetwelk op den bodem plooijen heeft , die uit een middenpunt als stralen voortkomen , of welke dwarse strepen , aan weerszijde van eene , in de lengte loopende as vormen . Bij de beenige visschen beeſt elke neusholte gewoonlijk lwee openingen , eene aan de voorzijde en cene aan het achtereinde . Behalve bij de Myxinoiden staat de neusholte met de mondholte in geene verbinding , zoo als bij de gewervelde dieren , die door longen ademen , het ge val is . De oogen der visschen liggen , de schollen ( het geslacht Pleuronecles ) uitgezonderd , aan weerszijde van den kop , dikwerf meer naar boven , somtijds geheel ter zijde , zoo 200 als bij de hamervisschen ( Zygaenae ) . De beenige oogholte is niet volkomen gesloten , maar naar voren en achteren open . De oogbol is gewoonlik van voren platter en van achteren onregelmatig bolrond . Hoezeer hij weinig bewe gelijk is , heeft bij echter bij de meeste visschen zes spie ren , vier regte en twee schuinsche , even als bij den mensch . In sommige visschen wordt de oogbol , die alsdan klein is , door eene onverdunde en ondoorschijnende voort zelling der huid bedekt ; bij de meesten vormt de huid om den voorrand van den oogbol eene kringvormige plooi , en gaat dan dun en doorschijnend , als bindvlies over den oogbol heen . Slechts weinige hebben oogleden met vrije randen ; sommige haaijen ook een derde ooglid , de mem . VISSCHEN . 239 brana niclitans . Traanklieren ontbreken . Het harde oog vlies ( sclerotica ) is veerkrachtig en peesachtig ; het bevat van binnen eene kraakbeenige schijf , welke somtijds ten deele verbeent . Het hoornvlies is plat of althans niet zeer bol . Binnen tegen de sclerotica ligt de buitenste plaat van het vaatrijke vlies ( choroïdea ) , een glinsterend zilver- of goudkleurig vlies , hetwelk in den regenboog overgaat ; daarop ligt de vaatlaag , welke door een net van bloed valen gevormd en door eene zwarte kleurlaag bedekt is ; deze laatste gaat aan de achterzijde van de iris in het druivenvlies over . Aan den ingang van de gezigtszenu w . in den oogbol ligt bij de meeste beenige visschen een vaatrijk ligchaam , hetwelk de genoemde zenuw als met eenen opvolkomen ring omgeeft ( glandula choroidalis , vergel . boven bl . 218 ) . De plaats , waar de gezigtszenuw in den oogbol komt , ligt dikwerf niet in de as vari het oog . Het netvlies ontstaat uit eene streep of onregelmatige wille vlek , waar zich de , meestal als een geplooide band gevormde oogzenuw ontvouwt . Bij vele beenige visschen dringt een verlengsel van de choroidea als een zeissen vormige band ( processus falciformis ) van den ingang der gezigtszenuw door het glasachtig vocht , en hecht zich aan den rand van het beursje van de kristallens ; veelal ge schiedt die aanhechting door middel van een doorschijnend knopje ( campanula Halleri ) , welks maaksel nog niet ge noegzaam bekend is . Het glasachtige vocht is vloeibaarder , dan bij de overige gewervelde dieren . De kristallens is bijna kogelrond en zeer groot ; zij dringt met hare voorste oppervlakte door de pupil . Het waterachtig vocht is slechts in geringe hoeveelheid aanwezig ( * ) . Het gehoororgaan der visschen bestaat alleen vit dat ( * ) Vergelijk ROSENTIAL , Zergliederung des Fischauges in Reil's Archio X. S. 393—414 ; D. w . SOEMMERRING , De oculorum hominis animaliumque sectione horizontali . Goettingae 1818 , fol . P. 62-71 ; GOTTSCHE Ueber die Retina in Auge der Gratenfische , MÜLLER'S Archio 1834. I , S. 457-466 . 240 VISSCHEN . gedeelle , hetwelk bij de hoogere gewervelde dieren den dool hof ( labyrinthus ) uitmaakt . De uitwendige gehoorweg , de trom melholte , de Eustachiaansche buis en de gehoorbeentjes ontbre ken . De vliezige doolhof ligt bij de beenige visschen en steuren grootendeels vrij in de schedelholle ter zijde der hersenen en door dezelfde velachtige zelfstandigheid omgeven ; bij de Plagiostomen en Cyclostomen ligt het gehoorwerktuig aan weerszijde van den schedel in eene afzonderlijke ruimte en is door een ' kraakbeenigen doolhof omsloten . Bij bijkans alle visschen zijn drie , zeer groote halfronde bui zen aanwezig ( canales semicirculares ) , waarvan de twee regt standige ( het voorste en achterste kanaal ) het tusschen beide liggend deel gemeen hebben , en dus te zamen slechts met drie openingen in den voorhof uitloopen , terwijl het buitenste , horizontale kanaal met twee openingen daarin uitkomt . Dit voorhof ( vestibulum , alveus communis ) ligt on der de halfronde buizen , en heeft eenen langwerpigen zak tot aanhangsel , die daarvan door eene insnoering afgeschei den is . Het achterste gedeelte van den zak heeft een . klein blaasvormig aanhangsel ( cysticula Brescuer ) , terwijl er voor aan den alveus communis mede eene kleine ver wijding ( utriculus , appendix clavata vestibuli ) gezien wordt . In elk dezer drie deelen ligt een klein steentje , waarvan dat , hetwelk in het voorste gedeelte van den zak ligt , bet grootste is . Deze steentjes zijn bij de beenige visschen hard , veelal gegroefd , aan den rand gekarteld en somtijds zeer glin stereod en zuiver wit ; bij de Plagiostomen en steuren zijn zij weeker en korrelig ; zij bestaan uit koolstofzuren kalk ( © ) . Bij de Cyclostomen heeft men noch gehoorbeentjes noch zulk een gruis gevonden . Bij dezen is ook het gehoor werktuig veel eenvoudiger . Bij Petromyzon en Ammocoe les vindt men slechts twee ballcirkelvormige kanalen . Zij zijn kort en dik , en liggen tegen het vestibulum membra > 9 ( * ) Verg . E. KRIEGER De Otolithis , Dissert . inaug . physiol . Bero . lini 1840. 40 . VISSCHEN . 241 nosum aan , waarin zij , behalve met het breede einde , ( de twee ampullae ) ook door eene gemeenschappelijke opening daar , waar zij zich vereenigen , uitkomen . Bij Myxine en Bdellostoma müll . is de geheele vliezige dool bof een enkel cirkelvormig kapaal , hetgeen ten deele als een canalis semicircularis , ten deele als vestibulum kan worden beschouwd . Bij de Plagiostomen verlengt zich het kraakbeenig labyrinth tot onder de huid en loopt tot boven op den schedel ; bij de roggen is hier ook de vlie zige doolhof tot op den schedel verlengd en geleidt tot een vliezig zakje , dat , tusschen den schedel en de huid liggende , zich met eene of met drie kleine openingen op de huid opent . Deze deelen zijn met eene kalkachtige stof opgevuld . Bij eenige beenige visschen strekt zich de doolhof door een verlengsel , hetwelk zich met dat der tegenovergestelde zijde vereenigt ( sinus impar ) en vervol . gens buiten het achterhoofd aan weerszijde in een atrium uitzet , tot den eersten wervel uit . Hier wordt het , door mid del van eenen schakel van kleine beentjes ( * ) met de zwemblaas in verbinding gebrazt , zoodat de geluidtrillingen zich daardoor kunnen versterken . Bij andere beenige vis schen strekt zich de zwemblaas zonder dergelijke beentjes tot aan vliezige plaatsen uit , welke in den schedel met bet gehoorwerktuig in aanraking zijn ( + ) . ( * ) De beentjes werden door E. I. WEBER , aan wien wij deze ont dekking te danken hebben , gehoor beentjes genoemd . GEOFFROY ST. HILAIRE , J. F. MECKEL en SAAGMANS MOLDER brengen deze beentjes tot de eerste wervels ; het grootste , zwaardvormige achterste been , dat met de zwemblaas onmiddellijk verbonden is , zou de rib van den tweeden wervel zijn . Zie de naauwkeurige onderzoekingen van den laatstge noemde in Bijdragen tot de Natuurk . Wetensch . VI . 1831 , bl . 84—105 . ( Volgens owen behooren deze beentjes , even als de beenige labyrinth tot het Splanchnosceletum . Lectures II , p . 210 ) . ( + ) De eerste goede beschrijvingen van het gehoororgaan der vis schen zijn bekend gemaakt door P. CAMPER , Verhandelingen oan de Holl . Maatsch . der Wetensch . le Haarlem VII , 1 , bl . 79—117 met aſb . , 1763. Groot zijn in dit opzigt de verdiensten ran MONRO en II . 46 249 VISSCHEN . 1 De spieren der visschen bestaan uit los vereenigde , gemeen lijk wille vezels . Aan weerszijde van den romp ligt eene groole spiermassa , die zich van den kop en den beengordel der borslvinnen 10l aan den grond der staarlvin nitstrekt , aan wier stralen zij met peesachtige banden eindigt . Deze spier massa is door pezige strooken ( ligamenta inter muscularia ) , eren als door ribben , in achter elkander liggende segmenten verdeeld ; de randen dezer strooken verloonen zich op de op pervlakte onder de huid , als heen en weergebogene , van den rug naar den buik nederdalende , peesachtige inkervingen ( in scriptiones tendinoae ) . Deze spiermassa is de zijdelingsche rompspier - laag , waarvan bij den mensch alleen het rugdeel aanwezig is en zich tot de verschillende rugspieren ontwik keld heeft . Bij de visschen strekt zich daarentegen deze laag ook over den buik uit . Waar buikvinnen aanwezig zijn , verwijderen zich de twee zijdelingsche spiermassa's van el kander , om eene spleet over te laten , waarin deze vinnen worden opgenomen ; de meer terzijde gelegen borstvinnen en bare spieren gaan daarentegen door eene splijting van het voorste gedeelte van elk der zijdelingsche spieren , die zich hier in twee bundels deelt . Door de zijdelingsche spieren wordt de ruggegraat links of regts gebogen . Daarin ligt het voornaamste middel der voorwaartsche beweging van den visch , door zijdelingsche buigingen of krommin gen en ontspanningen van den slaart , of bij rolronde vis schen , zoo als de alen , van den geheelen roup ( * ) . De 11 SCARPA . Eene veel omvattende en naauwkcurige behandeling van dit onderwerp gaf E. I. WEBEB in zijn geschrift De Aure et Auditu hominis et animalium , Pars I. De Aure animalium aquatilium , Cum Tub . X , Lipsiae 1820 46. Vergel . voorts G. BRESCIET , Recherches analom . et physiol . sur l'organe de l'ouie des Poissons , avec 17 Planches . Paris 1838 , 4º . en J. MÜLLER Ueber den eigenthümlichen Bau des Gehörorganes bei den Cyclostomen . Berlin 1838. Mit 3 Kupfertafeln fol . ( afzonderlijk afgedrukt uit de Abhandlungen der Akad . der Wissensch . su Berlin , aus d . Jahre 1837. ) ( * ) s . J. BRUCNANS deed opmerken . dat het bij de uitademing uit VISSCHEN . 945 oppervlakte , die alzoo tegen het water botst , ' kan grooter of kleiner zijn , naarmate van de meerdere of mindere uitspreiding der vertikale vinnen ( rug- , aars- en staartvin ) , welker stralen zich van elkander verwijderen en opriglen kunnen . Zulks geschiedt door spieren , die op elk tusschen doorobeen aan weêrszijde twee in getal zijo : eene voor en eene achter de uitspringende lijn , die men op de oppervlakte dezer beentjes ziet . De voorste spier beweegt den straal naar voren en spreidt dus de vin uit ; de ach terste trekt den straal naar den rug , of bij de aarsvin naar den buik , en doet dus de vin lager worden . Boven deze spieren ligt er aan elke zijde van iederen straal eene oppervlakkige , aan de huid ingeplante spier ; deze opper vlakkige spieren , welker vezels op die der groote zijspie ren eene dwarse rigting hebben , bewegen de vinnen zijdelings . De buik- en borstvinnen werken als riemen , en die nen den visch hoofdzakelijk tot besturing van zijne vaart en verzekering van zijnen stand in het water . Bij som mige visschen zijn de borstvinnen groot genoeg om voor eenigen tijd het ligchaam in de lucht te kunnen onder steunen ( vliegende visschen , Exocoetus , Dactylopterus ) . De borstvinnen kunnen zich van het ligchaam verwijderen of daartegen aangedrukt worden , zich uitspreiden en naar boven of beneden bewegen . De voor- en achterwaartsche beweging hangt van den beengordel af , waaraan deze vinnen gehecht zijn , en is zeer beperkt . Deze vinnen worden door spieren bewogen , die zich aan de binnen en buitenylakte aanhechten en aan de stralen inplanten . Die van de binnenzijde trekken de borstvinnen nader lot het lijf ( musculi adductores ) , die van de buitenzijde ver wijderen ze daarvan ( musculi abductores ) . De buikvinnen de kieuwopeningen stroomende water , mede aan de voorwaartsche be weging der visschen dienstbaar is . Verhandel . der eerste Klasse van het Hollandsche Instituut I , bl . 185—217 . Amsterd . 1812 . 16 * 244 VISSCHEN . kunnen hare stralen bijeen brengen of verwijderen , zich loodregt beneden waarts of waterpas naar buiten en naar binnen bewegen . De kop is op den romp zeer weinig of in het geheel niet bewegelijk ; de kaken , de verhemelte - bogen , het tong been , de kieuwbogen zijn daarentegen zeer bewegelijk . De voornaamste spieren , die de mondholte verwijden en de kieuwdeksels bewegen , zijn aan de binnen- en buiten zijde van den boog van het verhemelle en aan de been deren , die de onderkaak met den schedel verbinden , ingeplant . De herstellingskracht der visschen is tot het weder aangroeijen van weggenomen gedeelten der vinnen beperkt . Vele visschen kunnen zeer oud worden ; men verhaalt van karpers en snoeken , die meer dan eene eeuw geleefd hebben . Meestal zoeken zij , inzonderheid de zeevisschen , hun voedsel ' s nachts , op en worden dan ook meest gc vangen ; veelligt slapen zij bij dag . Vele visschen houden waarschijnlijk eenen winterslaap . Van het instinct der visschen is weinig bekend . De hoofd neiging van den visch is het najagen van voedsel , en de meeste leven van levende prooi . Om die te bedwelmen bezitten sommige het vermogen van electrieke schokken te geven . Het merkwaardigste voorbeeld van kunstdriſt in het bemagtigen van prooi levert een Oost - Indische zoet water visch ( Toxotes jaculator ) op , welke druppels op in sekten werpt , die zich in zijne nabijheid op waterplanten bevinden , om ze daardoor in het water te doen vallen . Het instinct , dat op de instandhouding der soort , de voort planting gerigt is , biedt minder merkwaardigs aan bij deze klasse , dan bij die der insekten en vogels , hoezeer men enkele visschen kent , die eene soort van nest onder het water voor hun kroost toebereiden ( * ) . ( * ) Hiertoe behoort de duxis van ARISTOTELES , een zeevisch , die een jest van bladeren ( algen ) maakt Hist . Anim . L. VIII , cap . 30 ( volgens COVIER een Gobius ) , Hist . nat . des Poiss . XII , p . 7 , de Doras Han VISSCHEN . 245 Vele soorten van visschen veranderen op vaste tijden des jaars van verblijf . Zoo klimmen b . v . sommige visschen in de lente oſ den zomer tot aan de monden der rivie ren op , tot schieting van hunne kuit , zoo als de elft ( Clupea alosa ) ; de zalmen stijgen zelfs ver landwaarls in , tegen den stroom der rivieren op . Sommige zouden in ontelbare scholen jaarlijks togten ondernemen , zoo als de haringen , die volgens Gilpin , in den noordelijken Oceaan jeder jaar eene in zich zelven terugkomenden loopkring beschrijven , zoodat zij in Januarij en Februarij bij Georgia en Carolina aankomen , zich in April bij New - York ver toonen en daar in de baaijen en rivieren hunne kuit schieten , daarop weder in zee trekken en zich doord waarls naar New - Foundland begeven . Zij trekken vervolgens noordoost waarts naar de Orkadische eilanden , waar zij zich in Junij bevinden , verdeelen zich rondom de Britsche eilanden omstreeks Augustus en voegen zich weer bijeen , om in October en November zuidwestwaarts te trekken , terwijl zij zich in December op eenigen afstand van Ame rika's westkust . op omstreeks 189 of 20 ° N.B. bevinden . Dan trekken zij weder noordwaarts naar Georgia enz . ( * ) . Deze opgaven steunen evenwel op de onderstelling , dat de haring van de oostkust van Noord - Amerika met dien van de Noordzee tot dezelfde soort behoort , hetgeen later ge bleken is , het geval niet te zijn ( t ) . In het algemeen Io heerscht er over het trekken der visschen nog veel OA zekerheid . De meeste visschen trekken niet , of huone tog cockii , cuv . et VAL . , volgens de waarnemingen van HANCOCK ; hiertoe behooren eindelijk ook verschillende soorten van zoetwater - stekelbaarzen , Gasterosteus , wier mannetjes bet nest bouwen , volgens de voor korten tijd bekend geworden waarnemingen van coste . Vergelijk Dict . univer sel d'Hist . nat . VIII , 1817 , p . 650 , 651 , Poissons , Pl . 20 . ( * ) Observations on the annual Passage of Herrings , Trans actions of the American philosophical Society , Vol . II , Philadelphia 1786 , p . 236—239 . ( + ) De haring van New - York is Clupea elongala LESOEDR . Zie cor . et val . , Hist . nat . des Poiss . XX , p . 247 . 282 CL . XIV . PISCES . perforante instructa . Dens corneus unicus in palato ; dentes minores duplici serie utrinque in lingua , recurvi . Branchiae utrinque ductibus internis ad oesophagum tendentibus . Over deze familie is vooral door de , reeds vroeger aan gehaalde onderzoekingen van J. MÜLLER , een helder licht verspreid : Vergleichende Anatomie der Myrinoiden , Ab handl . der Königl . Akademie der Wissenschaften zu Berlin 1834 , 1838 , 1839 , 1842. Het doorboorde verhemelte , de zamenhang van de neus- en mondholte , komt bij andere visschen niet voor , en is daarentegen een algemeen ken merk der door longen ademende , gewervelde dieren . De onderrand van den mond wordt , daar er geen onderkaak aanwezig is , door het voorste einde van het tongbeen ge vormd . Myxine L. Spiracula duo approximala ad ventrale lalus pone branchias , utroque spiraculo ductus externos sex branchiarum , sui lateris recipiente . Oculi minimi , musculis occulti . Sp . Myxine glutinosa L. , Gastrobranchus coecus BLOCI , LINN . Mus . Ad . Fred . Tab . VIII , fig . 4 , BLOCI Syst . Ichth . , Tab . 104 ; COVIER R. ani . , ed . ill ., Poiss . , Pl . 120 , fig . 3 , leeft in de Noordzee . Linnaeos bragt dit dier tot de wormen , de twee zijdelingsche deelen der tong als dwarse kaken ( maxillae transversales ) beschouwende , die bij de gewervelde dieren niet voorkomen . Er is eene buis , die onmiddellijk van den slokdarm naar het linker spiraculum geleidt ; eene dergelijke buis komt ook bij het volgende geslacht voor , zich naast het achterste spiraculum branchiale der linkerzijde begevende . Het dier wordt omstreeks 11 " lang . Bdellostoma mülL . , Heptatrema DUMÉR . Branchiae utrinque sex vel septem , singulae spiraculo externo instructae . Oculi parvi , trans cutem conspicui . Visschen uit de zuidelijke zeeën , waaraan men den naam van Heptatremn niet wel laten kan , daar voorwerpen met zes kieuw gaten aan weêrszijden , of met zes aan de regter- , zeven aan de linkerzijde zijn aangetroffen . De soorten zijn nog niet genoeg be paald ; met Myxine glutinosa komen zij in inwendig maaksel zeer overeen , niettegenstaande de uitwendige kenmerken ; dikwijls bereiken zij echter eene meerdere grootte . Zeven kieuw - openingen aan weêrs zijden zijn aanwezig bij Petromyzon cirratus , Bdellostoma Forsteri CL . XIV . PISCES . 953 Müll .; zie Bloco Syst . Ichth . , p . 531 , 533. Tot dit geslacht behoort eene door LACEPÈDE onvolkomen beschrevene en slecht afgebeelde soort , Gastrobranchus Nombey ; Poiss . I , Pl . 23 , fig . 1 . Familia III . ( CCXXII . ) Petromyzonini ( Hyperoartia ) . Corpus cylindricum , ore antico , labio circulari aut lunato . Cavitas olfactoria foramine nasali externo supra aperta , postice in canalem , palatum non perforantem , coecum pro ducta . Thorax cartilagineus , branchiarum apparatum sus tentans , ex striis utrinque sub cute a dorso versus ventrem descendentibus compositus . Pipnae duae dorsales , postica cum caudali conjuncta . Ammocoetes DUMÉR . Dentes nulli . Branchiae intus in pharyoge apertae . Aperturae branchiales externae parvae , in sulco longitudinali sitae . Labium superum semicirculare . Cf. DUMÉRIL , Dissertation sur les Poissons cyclostomes ( Maga sin encyclopédique 1808 ) ; RATIKE Beiträge zur Gesch . der Thier weli , IV , 1827 , S. 66—102 , Tab . II , III . Sp . Ammocoetes branchiulis , Petromyzon branchialis L. GUÉRIN , Iconogr . , Poiss . Pl . 70 , fig . 3 , YARRELL Brit . Fishes II , p . 459 . In zoetwater in vele landen van Europa , meest op den bodem of in het zand zich ophoudende ; deze soort bereikt 6 of 7 " lengte . Petromyzon L. ( excl . Petr . branchiali ) . Dentes labiales et linguales plures . Branchiae intus in tubo suboesophageo , postice coeco apertac . Annulus labialis circularis , cirris multis , parvis fimbriatus . Sp . Petromyzon marinus L. † , Bloco Ichtk . , Tab . 77 , GUÉRIN Iconogr . , Poiss . Pl . 70 , fig . 1 , YARRELL , Brit . Fisches II , p . 448 ; Petromyzon fluvialilis 1. t , BLOCI Ichth . , Tab . 78 , fig . 1 , cuv . R. ani . éd . ill . , Poiss . Pl . 120 , fig . 1 ( nomine Petr , marini ) . De cerste soort , die in de zee leeft , komt tegen den zomer in de rivie ren , en bereikt eene lengte van meer dan twee voet ; de laatste , veel kleinere , schijnt altijd in zoetwater ta blijven . Men noemt deze visschen Lamprei ( Lampelra van lambendo petras ) , Pricke , enz . Deze dieren gebruiken hunne tong als een zuiger en hechten zich met den mond aan onderscheidene ligchamen vast ; zij ademen dan door de zijdelingsche kieuw - openingen in en uit . Over de anatomie is de verhandeling van 1. RATIKE ( Bemerkungen über den innern Bau der Pricke , Petromyzon fluviatilis . Dantzig 1825 , 40. ) als hoofd - werk te beschouwen . 254 CL . XIV . PISCES . II . Organon olfactus duplex . A. Bulbus musculosus ad basin arteriae branchialis , val vulis numerosis per series longtudinales dispositis . SECTIO II . Chondropterygii . Pinnac rațiis cartilagineis suffultae . Pinnae pectorales et ventrales . Sceletum cartilagineum ; arcus cartilaginei clausi , canalem pro medulla spinali efformantes ; in plerisque corpora vertebrarum distincta , in aliis chorda dorsalis per sistens , sub arcubus medullam includentibus sita , continua . Cauda supra recursa , pipna caudali infera . Cutis plerum que squamis parvulis , osseis aspera , aut scutis majoribus dispersis oblecta , interdum nuda . Os sub capite positum . ( Coslae in plerisque distinclae ; vesica nalatoria nulla . ) ORDO III . Desmiobranchii s . Plagiostomi . Branchiae margine externo culi adhaerentes , utrinque aperturis faleralibus , externis patentes . Operculum verum nullum . Os fissura transversa in inferiori capitis parle . Cranii ossa suluris non distincta . Copula gaudent . Vergelijk J. Mül.LER und J. DENLE , Systematische Beschreibung der Plagiostomen . Mit 60 Steindrucktafeln , Berlin 1841 , folio . Deze orde kan in vele opzigten als de meest zamen . gestelde en hoogst bewerktuigde in de klasse der visschen beschouwd worden , waarom sommige nieuwere schrijvers haar ook aan het hoofd der klasse en ver van de Cyclosto men plaatsen . De overtuiging , dat het eene onmogelijkheid is om de verwantschap der natuurlijke wezens te bewaren , wanneer zij in eene enkele reeks gerangschikt zijn , hield ons terug om in de vroegere , meer algemeen aangeno mene verdeeling der visschen zulk eene omkeering in te voeren . De schedel dezer visschen verloont geene naden . Een enkel been hecht de onderkaak aan den schedel en neemt de plaats in van het jukbeen , van het tympanicum , epitympanicum en praeoperculum ( zie boven blz . 202 , 203 ) . Aan den ach terrand van dit been zijn kraakbeenige , vingerwijs verdeelde , CL . XIV . PISCES . 255 kraakbeenige aanhangsels gehecht , die aan de opercula der beenige visschen beantwoorden . Er zijn onder de huid kraakbeenige dunne strepen , die de randen der uitwendige kieuw.openingen ondersteunen , en den meer zamengestel den toestel der Pelromyzonten vervangen . Daaruit blijkt dui delijk , dat die toestel bij Petromyzon niet homoloog is met de kieuwbogen . Boven op den kop liggen , met weinige uitzonderingen , twee openingen , achter de oogen , voor het vierkante been of het suspensorium der onderkaak ; zij geleiden naar den mond en kunnen het water doorlaten , dat naar de kieu . wen gevoerd wordt ( foramina temporalia , évents , Spritz löcher ) . Er heeft bij deze visschen eene werkelijke paring plaats ; vergelijk boven blz . 227 , 228. Alle hebben een spiraalvormig klapvlies in het darmkanaal . Familia IV . ( CCXXIII . ) Batides . Corpus depressum . Aperturae branchiales sublus ad collum , utrinque quinque . Palpebrae oculis adnatae vel nullae . Cingulum cartilagineum pinnas pectorales sustentans superne ad vertebrarum colun nam adhaerens . Deze familie bestaat vooral uit het geslacht Raja L. , waarbij men , 200 als wüLLER heeft aangelound , Squalus Pristis L. voegen moet , die wel den overgang toi de vol . gende familie maakt , maar echter met de roggen in de wezenlijke kenmerken overeenkomt ; de kieuw - openingen zijn aan de buik zijde geplaatst , enz . Bij deze familie staan de rugvinnen gewoonlijk zeer naar achteren . Bij sommige soorten van ruggen komen enkele malen voorwerpen voor , met een vlies midden op de schijf des ligchaams , zoo als bij Raja clavata ; ten onregte heeft men deze afwijkingen als bijzondere soorten beschouwd . Zie eene afbeelding bij LACEPÈDE Poiss . I , Pl . VII , fig . 1 . Vele soorten hebben stekels of knobbels op den rug , op de vinnen en den staart , welke in getal en ontwikkeling verschillen naar den leeftijd en naar de verschillende ge slachten . A. Cauda gracilis . Corpus discoideum , latum . + Aculeus serratus ad caudae basin . Cephaloptera Dumér . ( Plerocephala Swains . ) Pinnae pe 236 CL . XIV . PISCES . ctorales latissimae , versus apicem acuminatae , ante caput auriculas ad instar productae . Dentes parvi . Sp . Cephaloptera Giorna RISSO , Raja giorna LAC . , Poiss . V. Pl . 20 , fig . 3 , GUÉRIN , Iconogr . , Poiss . Pl . 69 , fig . 4,5 ; wordt meer dan 4 voet breed ; deze soort komt in de Middell . Zee voor , maar men kent ook soorten uit Oost - Indië , Japan en Brazilië . Ceratoptera Müll . et HENLE . Myliobatis cuv . Pinnae pectorales Jalae , versus apicem acuminatae , ad latera capitis interruptae , antice caput cin gentes . Dentes magni , ex fibris aut cylindris verticalibus compositi , laminas transversas efformantes , planas , musivo opere utramque maxillam obtegentes . Cauda flagelliformis , longissima , aculeo serrato pone pinnam dorsalem armata . Sp . Myliobatis aquila Risso , Raja aquila L. , YARRELL Bril . Fis hes II , p . 445 , Middell . Zee , enz . Subgenera . Rhinoptera KooL , Aëtobatis müll , et nenLE . Sp . Aëtobatis flagellum , Raja flagellum . Bloco Syst . Ichth . , Tab . 73 habit . in Mari Indico , etc. Trygon Adans . Pinnae pectorales caput cingentes et ante caput saepe in acumen productae . Corporis discus ovalis , orbicularis aut obtuse - rhombicus . Dentes alternis seriebus positi , rhombici . Cauda plerumque corporis longitudine , apterygia , aculeo serrato unico aut duplici praedita . Adde genera Urolophus et Trygonoptera Müll , et HENLE . Anacanthus EHRENB . Trygonibus affine genus , defectu aculei in cauda distinctum . Sp . Trygon pastinaca BONAP . t , Raja pastinaca L. , BLOC . Ichth . Tab . 82 , c . L. BONAPARTE Fauna ltalica 1841 , III , Tab . 156 ; in de Middell . en Noordzee , enz . Sommige soorten , met zeer lange borstvinnen en daardoor zeer brceden schijf , gelijken eenigzins naar de vorige geslachten , maar hebben een korten staart . ( Sp . Raja altavela L. , Syst . nat . ed . X , BONAP . I. 1. Tab . 158 , uit de Middell , Zee ) . Deze soorten vormen het geslacht Pleroplateu Müll , et IENLE . Raja l . ( pro parte . ) Pinnae pectorales caput cingentes ad pinnas ventrales usque productae . Discus corporis rhom biens . Cauda gracilis , depressa , aculeo carens , supra bipin CL . XIV . PISCES . 287 pata , ad latera limbo membranoso aucta . Dentes conferti , rhombei , plani , interdum , praesertim in maribus , acuti . Dit geslacht is bet talrijkste in soorten van deze familie . Deze soor . ten zijn eijerleggend , terwijl al de andere roggen levendbarend zijn . Sp . Raju clavata L. ( et Raja rubus Gm . ) , Bloch Ichth . , Tab . 83 , 84 , PRIES , ECKSTRÖM och SUNDEVALL Scandinaviens Fiskar , Tab . 35 ; het ligchaam van boven digt bezet met kleine haakjes en met enkele grootere stekels , die uit eenen platten , ronden wortel als een spijkerknop voortkomen ; van boven vuil bruin , van onderen wit ; deze soort wordt 2-3 voet groot , enz . De buikvinnen zijn gewoonlijk diep ingesneden en in twee lobben verdeeld . Uit eene soort , waarin dat niet wordt waargenomen , vormen MÜLLER en DENLE het geslacht Sympterygia , B. Cauda carnosa , fusiformis . Torpedo Doner . Corpus cute nuda , inermi obtectum , disciforme , rotundatum . Cauda apice pinpala ; pinna dor salis supra caudam , plerumque duplex . Dentes conici , acu minati , conferli . Temera Gray . Pinna dorsalis nulla . Dentes plani . Sp . Temera Hardwickii GRAY . Torpedo auctor . ( Astrape , MÜLL . et HENLE , Narcine venle , et Torpedo Müll . et Henle ) . Pinna dorsalis interdum unica ( Astrape ) , plerumque duplex . Dentes acuti . Vergelijk J. F. M. VON OLFERS , Die Gattung Torpedo in ihren na turhistorischen und antiquarischen Beziehungen erlautert . Mit 3 Tafeln , Berlin 1831 ; P. G. J. HENLE , Ueber Narcine , eine neue Gattung , nebst einer Synopsis der electrischen Rochen . Mit 4 Steintafeln , Berlin 1834 , 4º . De soorten van de Middellandsche Zee behooren alle tot het onder geslacht Torpedo der nieuweren ; de uitlandsche soorten tot Narcine ( Norcine en Astrape ) , met uit den mond op eene plaat vooruit sprin gende , in afwisselende rijen geplaatste , kleine tandjes . De naam Raja Torpedo van het Systema naturae is een collectieve naam , daar LINNAEUS al de beschrijvingen dezer visschen tot ééne soort bragt . Deze visschen ( Núpun , Torpedo , Sidder - rog , Zitterroche , Krampfroche ) zijn sedert lang bekend en werden reeds bij de ouden vermeld wegens hunne zonderlinge eigen schap , van pijnlijke en verdoovende schokken te kunnen geven . Dat deze eigenschap een gevolg is van electriciteits II . 17 288 CL . XIV . PISCES . ontwikkeling werd eerst in de laatste helft der vorige eeuw duidelijk , vooral door de proeven van WALSH ( Phil . Trans act ., 1774 ) . Verder hebben in onze eeuw vele schrijvers , TODD , H. en J. DAVY , enz . ( vergelijk Phil . Transact . of the Royal Soc . of London 1816 , 1832 , 1834 ) deze proeven voortgezet en ook de scheikundige en magneto - electrische eigenschappen dezer visschen door proefnemingen in het licht gesteld . Het electrieke orgaan van den sidderrog ligt aan weerszijden des ligchaams en bestaat uit eene menigte zeshoekige prisipa’s of vlierige , naast elkander geschikte en regtstandig op de rug- en buikvlakte staande buizen , welke talrijke , mikroskopisch fijne , dwarse tusschenschotten aan bieden , waarover zich de fijnste zenuwtakjes verspreiden en tusschen welke vocht vervat is . Deze zenuwtakjes ont springen uit sterke takken van den nervus vagus en ook van het vijfde paar , die zich naar den electrieken toestel begeven . Vergelijk , onder de vroegere schrijvers , S. LORENZINI Observacioni intorno alle Torpedini . Firenze 1678 , 4º . , en J. HUNTER in Philos . Transact . 1773 , p . 481 sqq .; en , onder de nieuweren , vooral P. SAVI , Études anatomiques sur le syst , nerveux el sur l'organe électrique de la Torpille ( met schoone afbeeldingen opgehelderd en gevoegd achter C. MATTEOCCI , Traité des phénomènes electro - physiologiques , Paris 1844 , 80. ) en R. WAGNER , Ueber den feineren Bau des electri schen Organs im Zitterrochen . Mit einer lithogr . Tafel . Göttin gen 1847 ( Aus d . Abhandl . der Königl . Gesellsch . der Wissensch . , IU Bd . ) Sp . Torpedo ocellata RUDOLPOI , Torpedo Narke , Risso , BLOCH Ichth . Tab . 122 , BLÓMENB . Abh . naturh . Gegensi . No. 57 ; — Tor pedo marmorata RODOLPII , Torpedo Galvunii BONAP . , cuv . R. ani . , éd . ill . , Poiss . Pl . 116 etc. Rhinobatus scan . Discus corporis oblongus aut cordatus , antice acuminatus . Pinnae pectorales ante ventrales desi nentes . Caput ante oculos carinatum . Dentes conſerti , in quincunce ordinati . Cutis plerumque aspera , squamis spi nisve dispersis ; series spiparum ad medium dorsi . Cauda pinnis dorsalibus duabus et pinna terminali biloba . Subgenera Platyrhina müll . et HENLE ; Trygonorhina m . et a . , Rhinobatus scun . , Rhynchobatus M. et n . , Rhina SCHN . Sp . Rhinobatus laevis Bl . SCIN . , Syst , Ichih . Tab . 71 , GUÉRIN CL . XIV . PISCES . 259 Iconogr . , Poiss . Pl . 69 , fig . 1 ; habit . in mari Indico et rubro . Rhi nob . Columnae BONAP . ( Raja rhinobatus L. ) etc. Annot . Platyrhina M. et 1. ( Sp . Raja chinensis LAC . ) Torpedini aſfine genus , habitu a Rhinobato differt . Cf. Tabul . apud MÜLLER et IENLE . Pristis lata . Corpus elongatum , antice depressum , squa mis parvis , planis obtectum . Pinnae pectorales a capite distantes , ad ventrales non productae . Cauda pionis dorsa libus duabus et pinna apicali . Dentes parvi , in planum conferti . Caput antice productum in processum ensiformem , depressum utrinque dentibus ad marginem armatum . Sp . Pristis antiquorum LaTo . , Squalus pristis L. , Bloch Ichth . , Tab . 120. Cov . R. ani . , ed . ill . , Poiss . , Pl . 117 , fig . 2 ; de zaag cisch ( serra marina of serra piscis ) TEPLOTUS ; de benaming van dit dier is ontleend van het geduchte wapen , waarmede zijn kop voor zien is ; het bedraagt van de lengte des ligehaams , en heeft aan weerszijden van 20 tot 30 langwerpig - kegelvormige tanden . Vergelijk Latiam in Transact . of the Linn . Soc . II , p . 282 en verv . ( Pristis Perotteti van den Senegal zou alleen in zoetwater gevonden worden ) . Familia V. ( CCXXIV . ) Selachii ( s . Squali ) . Aperturae branchiales ad latera colli . Palpebrae distinctae , margine libero . Corpus elongatum . Cingulum cartilagineum pinna rum pectoralium imperfectum , supra cum vertebrarum columpa non conjunctum . Pinnae pectorales ante caput non produclae . Pinna analis in multis . De haaijen . Deze groep is aan soorten iets minder talrijk dan de vorige , hoezeer men er omstreeks 100 van kent ; meer dan een vierde gedeelte van dat getal leeft in de zeeën van ons werelddeel . Overigens schijnt deze groep , even als die der Roggen en meer nog dan deze , tot het oostelijk halfrond onzes aardbols te behooren ; van de Zuid Amerikaansche kusten , Brazilië en de West - Indiën zijn slechts weinige soorten , veelligt slechts 1/40 van het geheele aantal . Zij leven alle in de zee , hoewel eene soort van Carcharias in den Ganges , 60 uren van de zee , gevonden is . Onder deze visschen zijn sommige wijd verspreid , 200 als Spinax acanthias ( Sq . Acanthias L. ) , Mustelus vulgaris ( Squalus Justelus L ) , die in de Middellandsche Zee , den 17 * 260 CL . XIV . PISCES . Oceaan , bij de Kaap , ja , zelfs in de Zuidzee voorkomen . Onder deze familie vindt men de grootste visschen ; vele worden meer dan 6 voet , Selache maxima ( Squalus mari . mus ) wordt meer dan 30 voet lang . Squatina DUMÉR . Corpus depressum ; caput rotundatum , ore antico , oculis ad superiorem partem posilis , parvis . Foramina temporalia duo pone oculos . Dentes acuminati , conici . Fissurae branchiales in collo constricto pone caput sitae , approximatae . Pinnae pectorales rhombicae , antice juxta latera capitis productae . Pinnae duae dorsales supra caudam . Pinna analis nulla . Sp . Squutina vulgaris Risso , Squalus Squatina L. + , BLOCA Ichth . , Tab . 116 ; YARRELL British Fishes , II , p . 407 ; in de Middellandsche en Noordzee . Vergelijk 1. BOURSSE Wils Diss . med . inaug . , continens observationes anat . de Squatina inevi , L. B. , 1844 , 8º . Pristiophorus müll . et uente . Caput in processum pla num , oblongo - triangularem , utrinque serralum productum . Cirri duo longi sublus in medio rostro . Pinna analis nulla . Sp . Pristiophorus cirratus , Pristis cirralus lati . Linn . Trans act . II , Pl . 26 , fig . 5 , Pl . 27 , Stille Zuidzee , Nieuw - Holland , Japan . Bij uitwendige gelijkvormigheid met Pristis is deze visch echter een ware haai , met zijdelingsche kieawopeningen , die vóór de borst vinnen gelegen zijn , terwijl zij bij Pristis daaronder geplaatst zijn . Squalus L. ( exclusis quibusd . specieb . ) Corpus elonga tum , capite in rostrum supra os producto . Branchiarum aperturae ad latera , apte pionas pectorales aut supra ipsas positae . Pinnae dorsi plerumque duae , anteriori ad me dium fere dorsum anle pinpas ventrales posila . A. Squali pinna anali nulla . Scymnus cuv . Foramina temporalia . Dentes acuminati . Pinnae dorsales duae , inermes , parvae aut mediocres , prima ad medium dorsi aut secundae propior . ( Subgenera : Echinorhinus BLAINV . , Laemargus et Scymnus Müll . et HENLE ) . Sp . Scymnus lichia BONAP . , Squalus americanus GM . , BONAP . Fauna ital . IU , Tab . 112 , Middellandsche Zee , Atlant . Oceaan ; > CL . XIV . PISCES . 261 Scymnus borealis FLEMING , Scymnus micropterus VALENCIENNES , Nouv . Ann . du Mus . I , p . 454 , Pl . 20 , in de Noordzee , enz . Spinac cuv . ( et Centrina ejusd . ) Foramina temporalia . Spina ante utramque pinnam dorsalem , libera aut in an teriori pinnarum parte contenta , ad apicem exserta . Dentes parvi , acuminati , conferti seriebus pluribus . Sp . Squalus Acanthius L. , BLOCO Ichth . Tab . 85 , Skandinao . Fiskar Tab . 46 ; de doornhaai of speerhaai ; deze soort behoort onder de kleinere haaijen en bereikt zelden 3 voet lengte . B. Squali pinna anali instructi . † Pinna dorsi unica . Notidanus cuv . Foramina temporalia parva . Aperturae branchiales utrinque sex ( Hesanchus RAFIN . ) aut septem ( Heptanchus RAFIN . ) Sp . Squalus cinereus Gm . , uit de Middellandsche Zee . tt Pinnis dorsalibus duabus . a ) Foraminibus temporalibus . Cestracion cuv . Oculi absque membrana nictitante . Spi na ante utramque pinnam dorsi . Dentes conferti , antici acuminati , seriebus pluribus ordinati , postici plani , rhom bici . Caput supra planum aut subconcarum . Sp . Squalus Philippi scan . Port Jackson Shark , Voyage of Governor PAILLIP to Botany Bay . London 1789. 4 ° . , afgebeeld tegenover p . 383. De tanden zijn afgebeeld bij cov . , R. ani . , ed . ill , Poiss . Pl . 115 , fig . 3 en in ower Odontogr . , Pl . 10 , 11 ; Groote Oceaan , bij Nieuw - Holland en eene zeer gelijke soort aan de kusten van Japan . De eenige vertegenwoordiger van eene talrijke groep van fossile visschen , die vooral in de steenkolen - periode leefden . Selache cuv . Oculi absque membrana nictitante . Dentes parvi , conici , non serrati . Pinnae dorsales inermes . Apertu . rae branchiales magnae . Sp . Squalus maximus GüNNER , GMEL . , BLAINV . Mémoire sur le squale pelerin , Ann du Mus . XVIII , p . 88—135 , Pl . VI . Adde genera Alopias Rafin . , Odontaspis agass . , Lamna COV . Foramina temporalia parva , interdum minima , hinc saepe praetervisa . Canda in Squalo vulpe Gm . ( Alopias RAFIN . ) corpore longior . Mustelus cuv . Oculi membrana nictitante praediti , Den tes parvi , obtusi , rhombici , conferti . Pinnae dorsales iner 268 CL . XIV . PISCES . conferli , pone banc serier et in palalo . ( Corpus elon gatum ) . Wij vereenigen hier drie geslachten , die veelligt met even veel regt elk in eene afzonderlijke familie geplaatst zouden moeten worden , gelijk MÜLLER van Lepidosteus en Polypterus twee afzonderlijke familiën vormt . Bij deze ge . slachten inoet nog Amia L. gevoegd worden , zoo als de onderzoekingen van Vogt en MÜLLER hebben aangetoond . Doch Amia kan noch inet Lepidosteus , noch met Polypte . rus in vaauwer verband worden gebragt . Daarom zou nien ook voor dit geslacht eene afzonderlijke familie moeten aannemen . In de verdeeling van Cuvier staan deze drie geslachten , met nog vele andere beenige visschen , in de fainilie der Clupeacii , onder de malacopterygii abdominales . De familie der Sauroidei van AGASSIZ bevat een groot aantal uit gestorvene geslachten , die na de Jura - formatie niet meer worden aangetroffen , zoo als Diplopterus , Pygopterus , Saurichthys enz . Talrijker evenwel zijn de Ganolepidoti , die door Agassiz tot eene andere familie , welke geheel uitgestorven is , die der Lépidoides , gebragt worden , waartoe het geslacht Palaeoniscus behoort ( * ) ; deze onderscheiden zich gewoonlijk door kleine tanden . Eene derde familie der Ganolepidoti , die zich door platte , ronde , in veelvuldige reeksen geschaarde tanden kenschetsen , die der Pycnodontes , is mede geheel uitgestorven . Hiertoe brengt men het geslacht Placodus agass . , met zeer groote platte tanden in het verhemelte , waarvan de overblijfsels in den Muschelkalk worden aangetroffen . Zie agassiz Poiss . foss . II , 2 , p . 217—222 , Pl . 70. De omvang van dit Handboek veroor Jooft ons niet , over deze uitgestorvene vischgeslachten in verdere bij zonderheden te treden . Lepidosteus Agassiz ( Lepisosteus LaceP . ) Maxillae produ clae , anguslae . Squamae durae osseae , rhombcae in series obliquas a dorso postrorsum versus ventrem descendentes dis positae . Membrana branchiostega radiis tribus . Pippa dorsalis ( * ) In het Kupferschiefer komt daarvan eene soort voor , die ter eere van den Geoloog , die deze formatie door zijne onderzoekingen naauwkeuriger leerde kennen , Palaeoniscum Freislebenense ( BLAIN VILLE , Nouv . Dict . d'Hist . nat . , nouv . edit . XXVII , p . 320 ) of Palaeo niscus Freislebeni agass . genoemd is . Reeds COVIER merkte de overeen komst van deze fossile visschen met Lepidosteus en Acipenser op . Rech . s . I. Ossem . foss . , 3ième Ed . , V , 2 , p . 307 , 308 . 1 > CL . XIV . PISCES . 269 parva , versus caudam remota , supra analem aut paullulum pone ipsam posila . Radius primus pippae dorsalis , analis , pin Darum pectoralium et ventralium et radii externi pinnae cau dalis squamis aculeatis , imbricatis tecti , serrati . Columna vertebrarum juxta marginem superiorem pinnae caudalis producta . Sp . Lepidosteus osseus LAC . , Esox osseus L. , Lepidosleus Bison DEKAY , BLOCA Ichth . Tab . 390 , AGASSIZ Poiss . foss . 11 , Tab . A ( excepta figura sceleti ); - Lepidosteus sputulu Lac . Poiss . V , PI . 6 , fig . 2 ; met een platten kop en korter kaken ; deze soort wordt 7 voet lang . RAFINESQUE onderscheidt nog verschillende andere soorten . Het zijn zoetwater - visschen van de nieuwe wereld , vooral van Noord Amerika . De staartvin is , even als bij de steuren en haaijen , aan de onder zijde van de wervelkolom aangehecht . De stekelachtige bekleeding der eerste vinstralen ( AGASSIZ noemt dere deelen fulcru ) is een ken merk , hetgeen ook bij vele Ganolepidoti der voorwereld voorkomt . Er is eene halve kieuw op het kieuwdeksel gehecht . Men vindt eene zeer lange , tot den anus zich uitstrekkende , geheel celachtige zwem blaas , die in twee zijdelingsche helften verdeeld is , en inet eenen lang werpigen ingang ( glouis ) in den slokdarm , onder de bovenste ossa pharyngealiu uitkomt ; zie mijne afbeelding daarvan in MüLLER's Archio 1841 , Taf . X , fig . 4. De anatomie dezer visschien is vooral door de onderzoekingen van Jor . MÜLLER , in zijne reeds aangehaalde verhandeling , Ueber den Bau und die Grenze der Ganoiden , op gehelderd . Polypterus GEOFFR . Caput ovale , antice rotundalum , supra depressum . Cirri duo supra os . Spiracula duo ad latera capitis . Squamae durae , osseae , rhombeae , in series oblique postrorsum decurrentes dispositae . Membrana branchiostega radio unico , plano . Pinna caudalis rotundata . Pinpae dor sales numerosae , singulae radio unico antice suffultae , ad marginem posteriorem radios molles transversos sustentante . Pinna analis parva , prope caudalem sita . Sp . Polypterus bichir GEOFFROY SAINT - HILAIRB , Ann . du Mus . 1 , 1802. p . 57–68 , Pl . V , AGASSIZ Poiss . foss , 11 , Tab . C ; met 16 rugvinnen ; deze visch leeft in den Nijl en wordt nagenoeg 2 ' groot ; eene andere soort van Senegal beeft slechts 10 rugvinnen , Pol . Sene galus COVIER , GOÉRIN Magas . de Zool . 1839 , Poiss . Pl . I ; eene derde sport eindelijk van den wilten Nyl , werd onlangs onder den 270 CL . XIV . PISCES . 1 R naam van Polypterus Endlicheri bekend gemaakt , in KOTSCOY . Ab bildungen u . Beschreibungen neuer Thiere u . Pflanzen . Sluttgart 1849. Tab . X.XII , fig . 1 ; zij heeft 12 rugvinnen . Deze visschen hebben geene kieuw op het kieuwdeksel . De zwem blaas is lang , zakvormig , dubbel en zonder cellen , inwendig met fijne overlangsche plooijen . Zij opent zich aan de onderzijde van den slokdarm . Zie GEOFFROY t . a . p . , p . 65 , en J. Müller in zijn Archiv , 1841 , S. 224 , 225 . Amia L. Caput osseum , depressum , antice rolundatum . Cirri nasales duo . Corpus squamis magnis , margine libero rotundatis obteclum . Membrana branchiostega radiis 10—12 . Pinna dorsalis longa , depressa . Piona analis brevis . Pinna caudalis rotundata , radiis ad marginem inferiorem et po steriorem vertebrarum per pinnam oblique sursum decur rentium adhaerentibus . Er zijn verschillende soorten van dit geslacht , alle uit zoetwater van Noord - Amerika ; welke soort LINNAEOS met zijne Amia calva be doelde , is niet met zekerheid te bepalen ; zie VALENCIENNES in COVIER et VALENCIENNES Pist . nat . des Poissons XIX ( 1846 ) p . 402-432. Amia caloa BONATERRE Eno . Meth . , Poiss . , Pl . 99 , fig . 408 , Bloco , SCHNEIDER Syst . Ichth . Tab . 80 is Amia lentiginosa VAL . De zwemblaas is celachtig en dubbel . Er is geen het kieuwdeksel . Vergelijk 1. Franque Diss . inaug . nonnulla ad Amiam calram L. accuratius cognoscendom , Berolini 1847 , onder leiding van J. Müller , met af beelding van het skelet , de hersenen , het hart en de ingewanden . B. Bulbus arteriosus , elasticus , valvulis duabus ad basin . ( Cf. sapra , p . 254. ) kieuw op SECTIO IV . Osteopterygii . Pinnae radiis osseis suffultae . Sceletum osseum . Columna dorsalis e vertebris distinctis . Branchiae liberae . ( Nervi optici decussantes s . cruciatim sibi invicem impositi ) . ORDO VII . Lophobranchii cuv . Laminae branchiales latae , clavatae , non numerosae , duplici serie juxta arcus branchiales dispositae , transverse plicatae . Aperlura branchialis parva , supera , operculo magno , CL . XIV . PISCES . 971 fere per totum ambitum cuti affixo . Radii membranae branchiostegae parvi , tenuissimi . Corpus loricatum , angu losum . Troskieuwigen . Het zonderling maaksel der kieuwen is , 200 het schijnt , het eerst opgemerkt door TIEDEMANN ( MEC KEL's Archiv für die Physiol . II , 1816 , S. 110–112 , Tab . II , fig . 7 , 8 ) , doch naauwkeuriger onderzocht door RATHKE ( Ueber den Kiemenapparat , S. 50 , 51 , Tab . IV , f . 2 ) en door RETZIUS . De afwijking van de gewone structuur der kieuwen is , volgens dat onderzoek , meer schijnbaar dan wezenlijk . Ratake ontzegt aan deze visschen de kieuwstralen , hetgeen echter , volgens mijne waarnemingen , onjuist is . Al de tot deze orde behoorende soorten zijn van eene geringe grootte ; slechts enkelen groeijen tot de lengte van 1 ' . - Bij het seepaardje ( S. hippocampus L. ) , eene soort , van deze orde , heeft men eenen winterslaap waargenomen , gedurende welken de ademhaling verminderd is ; zie Rus coni in MECĶEL'S Archiv f . d . Physiol . V , S. 268—270 . De eijeren worden onder den buik of aan den grond van den staart , meestal onder twee , in de lengte loopende huidplooijen , die als eene dubbele deur toekleppen , gedra gen , en wel , zoo als Eckström en andere Noordsche schrij vers hebben waargenomen , door het mannetje , aan wien het wijfje ze ter verzorging toebetrouwt , en waarbij ook de reeds geboren jongen nog eenigen tijd vertoeven . Die Fische in des Scheeren von Mörkö , beschrieben von c . U. ECKSTRÖM . Berlin 1835 , 8º . , S. 122 , 132 , 133. Bij Soleno stomus vormen de buikvinnen eenen zak , welke tot het zelfde einde dient . Familia IX . ( CCVII .) Lophobranchii ( Characteres ordinis etiam familiae unicae ) . Os edentulum . Pegasus L. Rostrum elongatum , ore infero . Corpus de pressum . Pinnae ventrales angustae , setaceae aut cirriformes pone pectorales amplas . Pipna dorsalis apali opposita . Sp . Pegasus draconis L. , BLOCÍ Ichth . Tab . 109 , fig . 1 , 2 , Syst . Ichth . Tab . 107 ; eene afbeelding van het skelet vindt men bij ROSENTIAL , Ichthyot . Tafeln , Tab . X , fig . 13–17 ; het ceedraakje . De breede bortvinnen gelijken naar uitgespannen vleugels ; deze kleine , 272 CL . XIV , PISCES . zonderling gevormde vischjes worden in de Oost - Indische zecën ge vonden . — Pegasus natans L. , GRONOV . Zoophyl . I , Tab . XI , fig . 1 , 2 , inet een langwerpiger , smaller ligchaam en langen snuit . ( De af beelding bij Cuvier , R. ani . , éd . ill . , Poiss . Pl . 111 , fig . 2 stelt niet deze , maar de vorige soort voor ) . Eene derde soort , die LINNAEOS vermeld heeft , Pegasus volans , is mij onbekend . Solenostomus seba , LACEP . Rostrum elongatum , compres sum , ore terminali . Pippae ventrales pone pectorales posi tae , maximae , inter se concretae et ad corporis latera connexae . Pippae dorsales duae , posterior anali opposita . Pippa caudalis acuminata , radiis mediis elongatis . Sp . Solenostomus paradoxus LAC . , Fistularia paradoxa Pall . Spicil . Zvol . , fasc . VIII , p . 32–35 , Tab . IV , fig . 6 ; van Amboina , enz . ; wordt 2 ' ' groot . Syngnathus L. Rostrum elongatum , tubulosum , ore ter minali , Pindae ventrales nullae . Pinna dorsi unica . Bij sommigen is de romp hooger dan de staart en krom gebogen ; zij vormen het ondergeslacht der zcepaardjes , of Hippocampus cuv . Syngnathus hippocampus l . is een collectiere naam , waaronder verschillende soorten vervat zijn . Sp . Hippocampus brevirostris ccv . , YARRELL , Brit . Fishes II , p . 342 ; GUÉRIN Iconogr . , Poiss . Pl . 65 , fig . 2. Deze visschen hebben geene staartvin ; de staart is een grijp of rolstaart , waarmede zij zich om zeeplanten slingeren ; de wijfjes hebben eene kleine aarsvin , die bij de mannetjes ontbreekt ( * ) . Bij anderen is het ligchaam van eene meer gelijkmatige dikte en zeer langwerpig ; zij worden naaldvisschen genoemd en vormen het ondergeslacht : Syngnathus cuv . * Pinnis pectoralibus et caudae nullis . Sp . Syngnathus Ophidion L. + , YARRELL Brit . Fishes , suppl . II , p . 47 , p ECKSTRÖM I.1 . Tab . VI , fig . 3 , 4 ; groenachtig , 6'1—9 ' ' lang . Eene lage rugvin is de eenige vin , welke dit diertje bezit ; bij de eerste ontwikkeling zijn echter borstvinnen aanwezig . Het mannetje draagt de eijeren onder den platten buik in kleine bolten of cellen , die in ( * ) Eene soort van Nieuw - Holland met bladachtige aanhangsels , Syn gnathus foliatus spaw , is afgebeeld en beschreven door LACEPEDE , Ann . du Mus . IV , p . 203 , 204 , Pl . 58 , fig . 3 , sygnathe à bande rolles . CL . XIV . PISCES . 273 drie rijen in de lengte geplaatst zijn , en door geene klappen of overlangsche huidaanhangsels bedekt worden . ** Pinnis pectoralibus et pinna caudali . Sp . Syngnathus Acus L. + , cov , R. ani . , ed . ill . , Poiss . Pl . 111 , fig . 1 , YARRELL Brit . Fishes ll , p . 325 , ECKSTRÖM 1.1 . fig . 1 , 2 , enz . Deze diertjes voeden zich voornamelijk van kleine schaaldieren ( Pa laemon enz . ) . Vergelijk over dit geslacht en vooral de tot ontleedkunde en ontwikkeling betrekkelijke bijzonderheden , RETZits in OKEN's Isis , 1835 , S. 396–404 , Taf . XI ( uit de Verhandelingen der Akademie van Stockholm voor 1833 ) ; 1. RATIKE Reise - Bemerkungen aus l'aurien , Riga u . Leipzig , 1837 , 4º . , S. 152–178 ; FRIEs in WIEG MANN'S Archio f . Naturgesch . 1832 , S. 236—256 , V. SIEBOLD in ERICHSON's Archiv 1842 , S. 292-300 . ORDO VII . Pectognathi ( s . Plectognathi cov . ) Branchiae pectinatae , lamellis angustis , numerosis . Ossa supramaxillaria ad latera ossium intermaxillarium immobili nexu cohaerentia . Arcus palatinus immobilis . Corpus vel scctis multangularibus , vel aculeis squamisve asperis ob teclum . Vesica natatoria in plerisque magna , semper ductu destilula . Opercula ; radii membranae branchio stegae , densa membrana obtecti . Pectognathi ( van Txtos , samengegroeid , rast , verbonden en yuć.gos de kaak ) , beenige visschen met zaâmgegroeide kaken . Met uitzondering van het ondergeslacht Triacanthus cuv . ( Balistes biaculeatus ) , ontbreken bij allen de buikvinnen . De meeste soorten komen in de zeeën der warme gewesten voor , bovenal in de Indische en Stille Zuid - zee . De karakters dezer orde zijn het eerst bepaald door coviar in zijne Mém . sur la composition de la mâchoire supérieure des Poissons ; Mém . du Muséum II , 1815 , p . 102 et suic . Familia X. ( CCIX . ) Gymnodontes cov . Maxillae parte anteriori ex ore exsertae , substantia eburnea , e dentibus minimis , concretis confecta obductae . Bij deze visschen dragen slechts de drie voerste kieuw bogen kieuwen , de vierde niet . De tandvorming is door CUVIER ( Lec . d'Anat . comp . III , p . 126 , 127 , PI . 32 , fig . 8 ) en daarna uitvoeriger en naauw keuriger door owen beschreven ( Odontography p . 77- 82 , 18 274 CL . XIV . PISCES . 7 Pl . 38 , 39 ) . Behalve de tandbekleeding vooraan de kaken , ziet men bij Diodon in de boven- en onderkaak , achter den rand een ' in het midden verdeelden , platten knobbel met dwarse strepen op de oppervlakte , gevormd door achter elkander uitspringende randen van dwarse tand platen . Bij sommige soorten van Tetrodon vindt men een dergelijken maaltand - knobbel , maar veel kleiner , in de bovenkaak ; bij andere ontbreekt die , zoowel in de boven als onderkaak . Orthragoriscus scin . Corpus compressum , non aculeatum , truncatum . Maxillae medio indivisae . Pinnae dorsalis et analis remotae , altae , cum caudali ad partem posteriorem truncatam corporis confluentes . Kiomppisch . De visschen van dit geslacht bebben geene zwem blaas ; hun kiemvlies bezit zes stralen . Achter den met tandzelfstan digheid bekleeden , gladden rand der kaken staan eenige kleine , ke gelvormige tanden , onregelmatig gerangschikt . Daar de kaken in het midden onverdeeld zijn , zouden deze soorten in het stelsel van LINNAEUS tot het geslacht Diodon moeten gebragt worden , lioezeer hij de hem bekende soort onder Tetrodon geplaatst heelt . Sp . Orthragoriscus mola scan . , Tetrodon mola 1. t , WILLUGIB . , Tab . 1 , 26 , block Ichth . Tab . 128. Zonnevisch , DOMSMA , Verhan del . van de Haarl . Maatsch . XII , 1770 , bl . 413—422 , met eene af b . Het skelet , bart en darmkanaal zijn beschreven en zeer schoon afgebeeld in . f . I. J. WELLENBERGI , Diss . inaug . , Observ . anat . de Ortkragorisco mola , L. B. 1840 , 4º . ( Uit de beenige stukken aan den rand der staartvin bij het voorwerp door W. beschreven , heeft men gemeend , dat het tot het geslacht Ozodura RANZANI behoort , maar het is alsdan cene andere soort dan R. beschreef , gelijk niet slechts het verschillend getal der vinstralen , maar ook de vorm des ligchaams bewijst , die bij Ozodura Orsini langwerpig is . ) De geslachten Ozodura , Trematopsis en Diplanchias van RANZANI , gelijk ook de op verdeeling der onderkaak of der beide kaken be rustende geslachten van denzelfden schrijver , Tympanium en Ce phalus , zijn mij onbekend , doch schijnen niet genoegzaam gestaafd , en , gedeeltelijk althans , op onzekere of verkeerde opgaven te berusten . Zie RANZANI's verhandeling in Nov , comment . Acad . Scientiarum Bononiensis , 1839 , waarvan TROSCIEL een uittreksel gaf in ERICH son's Archiv f . Naturgesch . 1811 , II , S. 140 , 141 . Mola NARDO . Sp . Cephalus mola Risso , Mola luna xaRDO . CL . XIV . PISCES . 975 9 Molacanthus swaINS . , Pallasia NARDO . Sp . Molacanthus Pallasii swains . , Diodon molu Pall . , Spicil . Zool . VIII , Tab . 4 , fig . 7 . Diodon L. Maxillae indivisae . Corpus spinis acutis undi que adspersum . Pinna dorsalis parva , remota , anali opposita . Egelvisschen , Pennevisschen . Zij kunnen zich opblazen door in hunne ruime maag lucht op te nemen en drijven dan met den buik omhoog . Daarenboven hebben zij cene , in twee lobben verdeelde zwemblaas . Vergelijk over dit geslacht cover , Mém . du Mus . , IV , 1818 , p . 121-138 , Tab . VI , VII . Bij sommigen zijn de stekels driekantig of scherp gekield , b . v . Diodon tigrinus cov . R. ani . , ed . ill . , Poiss . Pl . 111 , fig . 3 , van de 0. Indische zee , en eene andere van Z. Ame rika , welke alle door LINNAEUS als Diodon atringa ( zeker wel eene drukfout voor Atinga ) worden bijeengevoegd . Voorts soorten met langere ronde pennen , even als die van den egel , Diodon hystrix L. , Diodon punctatus COV . , BLOCI Ichth . Tab . 126 , van den Indischen Oceaan . Eindelijk is er eene soort met fijne stekels als naalden , Diodon pilosus MITCHILL . Triodon cuv . Maxilla superior bipartita , inferior integra . Corpus aculeis brevibus muricatum . Saccus pendulus sub corpore . ( Organon olfactus antice et postice pertusum ) . Sp . Triodon bursarius cov . , Tetrodon bursarius REINW . , Trio don macropterus less . et GARN . , Voy . de DUPERREY , Poiss . nº . 4 , cov . R. ani . , ed . ill . Pl . 112 , fig . 1 , uit de 0. Indische zee . Tetrodon L. Maxillae ambae bipartitae . Corpus aculeis brevibus praesertim sublus muricatum . ( Organon olfactus in multis cirrum aut tentaculum referens .) Viertand of Stekelbuik . Er zijn 5 stralen in het kieuwvlies . De kop is gewoonlijk kort en stomp . De stekels zijn zeer verschillend ; somtijds ontbreken zij geheel op den rog . Het reukorgaan vertoont zich bij vele als een gegroefd of gespleten aanhangsel voor en boven de oogen , Tetrodon lineatus L. Bij sommigen is het'eene zeer kleine groeve als een naaldenprik , met opgeworpen rand , zoo als bij Tetrodon rostratus , Block Ichth . Tab . 146 , fig . 2 ; bij anderen cene groote , wijde holte , met geplooide randen , zoo als bij Tetrodon grandispina , eene nieuwe soort van Borneo in het Leidsch Museum ( Chelonodon MÜLLER ) . Andere hebben ondoorboorde tentacula , waarin de reuk . zenuw gaat ( Arothon MüLLER ) . Andere eindelijk zouden gelieel zon der neusopeningen of tentacula zijn ( Anosmius PETERS , Müll . ) . Op 18 * 976 CL . XIV . PISCES . deze verscheidenheden van het reukorgaan heeft vooral J. DÜLLER opmerkzaam gemaakt ( Abh . der Akad . su Berlin 1844 , Bau der Genoiden S. 78 , 79 ) . De soorten zijn zeer talrijk . Sp . Tetrodon lineatus L. , Fahaca HASSELO . Iter Palaest . p . 400—405 , met in de lengte loopende , bruine strepen op den rog en aan de zijden ; van onderen wit . De stekels zijn fijn en aan de punt als geknopt . Men houdt deze en eenige andere soorten voor vergiftig . ( Deze soort is geheel verschillend van Tetrodon lineatus BLOCI , Faun . Japon . , Pisc . Tab . 125 , fig . 1 , 2. ) Vele soorten komen in de Japansche zee voor , zoo als Tetrodon firmamentum SCIL . , Faun . Jap . Pisc . Tab . 120 , f . 2 , Tetr.rubripes SCOL . , Faun . Jap . , Pisc . Tab . 123 , fig . 1 enz . Familia XI . ( CCX . ) Sclerodermi . Rostrum conicum aut pyramidale . Os anticum , dentibus instructum . Corpus squa mis duris , interdum minimis , aut lorica , ex areolis angula ribus composita obteclum . Balistes L. Corpus compressum , squamis aut cute verra cosa , scabra obtectum . Dentes utriusque moxillae octo , lati , cuneati , Pinna dorsalis anterior ex uno pluribusve aculeis facta , capiti proxima , aut ipsi capiti inserta , posterior mol lis , anali opposita . Hoorncisschen . Hoezeer er geene buikvinnen aanwezig zijn , wordt er bij allen een bekken gevonden ( zie boven bl . 198 , 199 ) , waarvan de twee beenderen vergroeid zijn . Hierdoor ontstaat een beenige kiel onder aan den buik , die van voren met de beenderen der borstvinnen , van achteren met de beenderen , die de aartsvin dragen , verbonden is ; zie eene af beelding in ROSENTHAL Ichthyol . Tafeln , Tab , XII , fig.3 . Bij velen zijn de schuhben zeer klein of door stekelachtige oneven heden ор de huid vervangen . Hiertoe behooren de geslachten Tria canthus , Alutera en Monacanthus van CoviER . Bij anderen , welke het ondergeslacht Balistes cov . vormen , zijn vrij groote , ruitvormige schabben aanwezig ; dikwerf vindt men achter de kieuwopening eenige grootere schubben of vijfhoekige , hoornachtige plaatjes . Vele soorten hebben drie of meer evenwijdige rijen van hoornach tige stekels aan weerszijde van den staart . Sp . Balistes aculeatus L. , cov . R. ani . , ed . ill . , Poiss . Pl . 112 , fig . 2 ; Bal . Conspi cillum SCAN . , LAC . I , Pl . 15 , fig . 2 ( Baliste americain ) . Faun . Japon . , Pisc . Tab . 129 , fig . 1 , eene groote soort , zwart ; de buik aan weerszijde met groote bleekgele of vuil witte , eironde vlekken ; van Japan ; Bal . lineatus BLOCH , SCIN . , Syst . ichth . Tab . 87 enz . Bij sommige soorten van Monacanthus cuv , heeft de staart aan wcêrs . CL . XIV . PISCES . 277 zijde eene menigte harde borstels . Sp . Bal . tomentosus L. , GRONOV . , Mus . Ichth . Tab . VI , fig . 5 . Ostracion 1. Dentes utriusque maxillae decem aut duo decim . Corpus trigonum aut tetragonum , loricatum , scuto inflexili , continuo , ex areolis hexagonis composito , aperturis perforato pro cauda molli , pinnis atque ore . Apertura bran chialis linearis . Koffervisch . De soorten van dit geslacht zijn niet zeer talrijk en leren alle in de tropische zeeën . Sp . Ostracion triqueter L. , BLOC . Ichth . Tab . 130 , fig . 3 , GUÉR . Iconogr . , Poiss . Pl . 66 , fig . 3 , cov . R. ani . , éd . ill ., Poiss . Pl . 112 , fig . 2 ; uit de West - Indische zee ; Ostracion cornutus Lg . BLOCE Ichth . Tab . 133 , Faun . Japon . Pisc . Tab . 131 , fig . 4 , uit 0. Indië en Japan enz . ORDO IX . Malacopterygii . Branchiae pectinatae , laciniis angustis . Ossa supramaxil laria intermaxillaribus non adpata . Radii pinnarum arti calati , molles , excepto interdum primo radio pionarum pectoralium aut pippae dorsalis . Weekvinnigen . De stralen der vinnen zijn geleed en naar de punt toe meestal gespleten . Deze orde is grootendeels overeenstemmende met die der Cyclolepidoti van AGASSIZ , daar de schubben aan den achterrand gewoonlijk zonder tandjes zijn . Eenige der malacopterygii nogtans behooren tot de ctenolepidoti van Agassiz , dat is , zij hebben getande schubben . De verdeelingen van Müller , die op de zwem MÜLLER blaas berusten , kunnen wij , hoe hoog wij de verdiensten van dezen schrijver in de ontleedkunde en systematische rangschikking der visschen ook schatten , hier niet volgen . Het aanwezig zijn van eene luchtbuis of het ontbreken daar van en het gesloten zijn der zwemblaas kan geen hoofd karakter geven voor twee afdeelingen , waarin de zwem blaas zelve dikwerf afwezig is . Daarom laten wij hier de Physostomi en Anacanthini van Müller in dezelfde af . deeling bijeen . 1. Malacopterygii abdominales . Vesica natatoria in ple risque , ductu pneumatico tantum non semper praedita . Pinnae ventrales pone pectorales in abdomine sitae , in paucis nullae . 984 CL XIV . PISCES . lang en is , na de stcuren , de grootste zoetwatervisch van Europa , waar hij vooral in de oostelijke gedeelten , zoo als ook in sommige streken van Azië voorkomt . In ons vaderland vindt men dezen visch , zoo het schijnt , alleen in het Haarlemmermeer , met welks droogmaling der halve deze soort uit de lijst onzer inlandsche dieren zal wegvallen . Eene af beelding van het skelet vindt men bij ROSENTIAL Ichth . Tafeln IX , f . 1–7 en bij BRANDT D. RATZEBORG , I. 1. Tab . VI . Cetopsis agass . Pinna dorsi et pinnae pectorales muticae . Oculi minimi , cute obtecti . Membrana branchiostega ra diis 9 . Sp . Cetopsis coecutiens Agass .; Cet . Candira AGASS , Brazilië . Saccobranchus VALENC . , Heteropneustes MÜLL . Corpus nudum . Dentes conferti , setacei in maxillis et osse vomeris . Pinna dorsi unica , parva , mutica , supra pectorales pinnas sita . Radius primus pinnae pectoralis osseus , denticulatus . Piona analis longa , fere ad caudalem usque excurrens . Radii membranae branchiostegae 7. Cirri 8. Sacci duo laterales ad dorsum infra musculos , vertebris incumbentes , cum cavi tate branchiali conjuncti . Sp . Saccobranchus fossilis , Silurus fossilis Bloco . Ichth . Tab . 370 , fig . 2 ; IAMILTON , Fishes of the Ganges , Pl . 37 , fig . 46 ; in Bengale . De zonderlinge , lange luchtzakken ontvangen eenen tak der kieuwslagaderen en hunne aderen gaan naar de aörta ; zij zijn gevolgelijk , aan de kieuwen toegevoegde ademhalingswerktuigen ; zie J. TAYLOR , Edinburgh Journal of Science , V , 1831 ( een uittreksel daarvan vindt men in OKEN's Isis . 1835 , S. 308 ) . Clarias GRONOV . , VALENC . , Macropteronotus Lacep . , Ilete robranchus GEOFFR . Caput cataphractum . Corpus nudum . Dentes tenuissimi , conferti in utraque maxilla et osse vome ris . Membrana branchiostega radiis 9–13 . Pinnae dorsales duae , altera adiposa , aut unica , longa , radiis suffulta . Cirri 8 aut 6. Appendices arborescentes , ad tertium et quartum arcum branchialem adhaerescentes . a ) Pinna dorsi unica ; cirris 8. Clarias GRONOV . , VALENC . Sp . Clarias Hasselquisti valenc . , Silurus anguillaris 1. ( excl . synon . ) , sonnini Voyage en Egypte Pl . 22 , fig . 2 , cov . R. ani . , éd . ill . , Poiss . Pl . 101 , fig . 2 ( de kieuwaanhangsels fig . 2 2 b ) . Charmush uasselquist II . palaestin . , p . 371 , Karmouth sonnins ; CL . XIV . PISCES . 985 in den Nijl ; Clarias marpus VALENC . , Gronov . Zoophylac . Tab . 8 , fig . 3—5 etc. b ) Pinnis dorsi 2 ; cirris 6. Heterobranchus VALENC . Sp . Heterobranchus Geoffroyi VALENC . , Heterobranchus bidor salis GEOFFR . etc. Plotosus laceP . Caput et corpus nuda . Dentes conici , conferti in maxillis , globosi aut rotundati in osse vomeris . Membrana branchiostega radiis 10 aut 11. Pinnae dorsi duae , radiis suffultae , altera elongata , ad apicem acumina tum caudae cum caudali et anali confluens . Radius pri mus pinnae dorsi et pinnarum pectoralium deptatus . Sp . Plotosus lineatus VALENC . , LACEP . Poiss . V , PI . 3 , fig . 2 , Platystacus anguillaris Bloco Ichth . Tab . 373 , fig . 1 , 2 , Syst . Ichth . Tab . 74 ? ) ; Plotosus albilabris VALENC . , GUÉRIN Iconogr . , Poiss . Pl . 53 , fig . 3 etc. Malapterurus LACEP . Caput et corpus nuda . Dentes parvi , congesti juxta seriem lunatam in utraque maxilla . Membrana branchiostega radiis 7–8 . Pinna dorsalis unica , adiposa , remota . Pinna pectoralis mutica . Ailia GRAY , VALENC . Pinnae ventrales pectoralibus admo tae , subthoracicae . Pinna analis longa . Corpus compressum . Cirri octo longi . Sp . Malapterus ( sic ) Ailia Bengalensis Gray Indian Zoology , Pl . 85 , fig . 2 . Malapterurus LAC . , VALENC . Pinnae rentrales remotae . Pinna analis brevis . Corpus teres . Cirri sex , breves . Sp . Malapterurus electricus LAC . , Silurus electricus GMEL . , Er cycl . méth . , Poiss . Pl . 62. fig . 245 ( copie van de afb , door BROOSSONET gegeven ; zie zijne verhandeling Mem . de l'Acad . royale des Sc . de Paris 1782 p . 692 et suiv .) cov R. ani . , éd . ill . , Poiss . Pl . 99 ; beefoisch , le treinbleur ; deze visch leeft in den Nijl en andere rivieren van Afrika , in den Senegal en zelfs tot den 19 ° Z. B. in de Zambeze . Hij kan , even als Torpedo en Gymnotus electricus , schokken geven , waar omtrent ADANSON , FORSKÅL BROUSSONET waarnemingen hebben medegedeeld . Het electriek orgaan ligt onder de bekleedsels aan weerszijde van het ligchaam , tusschen twee peesachtige , uit kruisdra den gevormde vliezen , waarvan het binnenste eene laag van los ver bindingsweefsel bedekt , hetgeen men als een tweede of inwendig electriek orgaan beschouwd heeft . Het eigenlijke electrieke orgaan en 286 CL . XIV . PISCES . is bij den buik het diksto , geleiachtig , doorschijnend en bestaat uit vele , met het bloote oog reeds zigtbare , meestal ruitvormige cellen ; het ontvangt zijne zenuwen van den nervus vagus . Zie GEOFFROY ST . - HILAIRE Ann . du Mus . I , p . 401--403 , Pl . 26 , fig . 4 ; RODOLPOT , Abhandl . der Akad . der Wissensch . zu Berlin , aus d . Jahre 1824 , S. 137–144 , Taf . 1 - IV ; J. Müller , Handb . der Physiol . I , 3tte Aufl . 1838 , S. 66 ; VALENCIENNES , Archives du Muséum d'Hist . nat . II , 1841 , p . 43–61 , Pl . IV ; W. PETERS in MÜLLER'S Archio , 1845 , S. 375–377 , Taf . 13 , fig . 8–11 . Deze visch wordt ook gegeten en als zeer smakelijk geroemd ; hij bereikt eene lengte van 1 tot 2 voet . Trichomycterus ( HUMBOLDT ) nob . Corpus nudum , teres , versus caudam compressum . Pinnae muticae . Pinna dor salis unica , radiis suffulta . Denles parvi , selacei , conferti in maxillis ; palatum edentulum . Membrana branchiostega radiis 8. Cirri sex , duo aole nares filiformes , duo conici maxillares utrinque ad latera oris . Trichomycterus VALENC . Pinnac ventrales . Sp . Trichomycterus punctulatus VALENC . , Hist . nat . des Poiss . XVIII , Pl . 553 , enz . Zoetwatervisschen van Zuid - Amerika , die den overgang tot het geslacht Cobitis maken . Zij hebben , eren min als het volgende vischgeslacht , eene zwemblaas . Eremophilus HUMB . , Valenc . Pinnac ventrales nullae . Sp . Eremophilus Mutisië HoMBOLDT , Observ . de Zool . I p . 17–19 . Pl . VI , VALENCIENNES , 1. 1. Pl . 553 , in zoetwater op de hooge vlakte van Bogota . von HOMBOLDT had reeds den naam Trichomycterus voor dezen visch voorgesteld , dien VALENCIENNES aan de met buikvinnen voorziene , later gevondene soorten gegeven heeft . Familia XIII . ( CCXII . ) Cyprinoidei . Corpus ſere semper squamis rolundatis obtectum . Pipna dorsalis unica , radiata . Os parvum , edenlulum , in multis cirrosum . Membrana branchioslega radiis tribus . Ossa pharyngealia inferiora dentibus magnis armala . Vesica natatoria ossiculorum ap paratu cum labyrintho conjuncta , medio constricta aut in anteriorem et posteriorem divisa . a ) Squamae nullae . Aulopyge HECKEL . ( Cirri quatuor , mediocres . Apertura uro - genitalis et anus in feminis ad apicem processus carnei , ad anteriorem partem pinnae analis adnali ) . CL . XIV . PISCES . 987 Sp . Aulopyge Hügelii , HECKEL , Abbildungen und Beschreibun gen der Fische Syriens , Stuttgart 1843 , 8 ° ( aus RUSSEGGER's Rei sen abgedruckt ) S. 31 ; Dalmatië en Bosnië . Deze visch , dien ik niet gezien heb , wordt door DECKEL als eenen tusschen Cobitis barbatula en Cyprinus Barbus in het midden staanden yorm beschouwd . b ) Corpus squamosum . Cobitis L. ( excl . quibusd . spec . ) Corpus yix ad caudam angustatum , elongatum , squamis parvis tectum , mucosum . Os edentulum , cirris ( 6–10 ) munitum . Pipnae omnes muticae , ventrales remotae , sub pinna dorsali sitae . Meerslang , Modderkruiper . De zwemblaas ligt bij de meeste in eene beenige holte , die aan den derden wervel is vastgehecht ( zie WEBER , de Aure unimal . aquatilium , p . 63 , 64 , Tab . VI , ROSENTIAL Ichthyot . Tafeln , Tab . X , fig . 8 ) . LINNAEUS telde in zijn geslacht Cobitis drie soorten op , die hiertoe behooren . ( Cobitis Anablebs en Cob . heteroclita 1 , moeten tot andere geslachten gebragt wor den ) . Deze drie soorten zijn : Cobitis barbatula L. t , ( FRIES , EKSTRÖM och sondevall , Skandinaviens Fiskar , Tab . 53 ) , Cob . taenia 1.t en Cob . fossilis t , alle van Europa ; maar er zijn later vele soor ten van dit geslacht in verschillende gedeelten van Azië ontdekt . Het zijn allen zoetwatervisschen , waarvan weinige meer dan 6 ' ' lang worden . Cobitis fossilis L. ( BLOCI , Ichth . Tab . 31 , fig . 1 ) komt hij verandering van weder naar de oppervlakte van het water en is zeer taai van leven ; deze visch slikt lucht in , ontneemt daaraan het zuurstofgaz en geeft door den anus koolzuurgaz van zich ( * ) . Bij deze soorten is de staartvin rondachtig , maar er zijn ook uitlandsche soorten met eene gevorkte staartvin ( Schistura McLLELLAND ) . Bij eene , door VALENCIENNES onder den naam van Cobitis malapterura be schrevene soort uit Syrië , is er eene huidplooi op den rug ; als be ginsel van eene tweede rug- of vetvin aanwezig , hetgeen aan de vorige familic herinnert . Vergelijk echter DECKEL , die aan deze huid plooi weinig gewigt liecht . Fische Syriens S. 151 . Homaloptera VAN HASSELT , Balitora GRAY . Corpus elon gatum , squamis parvis tectum , infra partim nudum . Os inferum , parvum , cirris 6. Oculi parvi , in superiore parte capitis siti . Pionae pectorales magnae , complanatae . Pinna dorsalis supra ventrales posita . ( * ) Zie over deze darmademhaling ERMAN in GILBERT'S Annalen , Bd . XXX , 1808 , S. 140-159 . 288 CL . XIV . PISCES . Sp . Homaloptera ocellata V. HASS . ( afgeb . in de cerste uitgave van dit Hand boek , Pl . 13 , fig . 12 ) ; - Homaloptera erythrorhina — V. DASS . , VALENC . Hist . nat . des Poiss . XVIII , Pl . 524 , uit Java . Dit geslacht staat , zoo als het schijnt , tusschen Cobitis en Cyprinus in het midden . De staartvin is gevorkt , en niet afgeknot , zoo als bij de meeste soorten van Cobitis . Volgens VALENCIENNES ontbreekt de zwemblaas . Cyprinus l . Caput nudum , ore parvo , edentulo . Dentes ossium pharyngealium inferiorum magni ; lamina dura sub occipite , pharyngealium superiorum locum tenens . Mem brana branchiostega radiis planis , latis . Karper ; een groot geslacht of eene natuurlijke groep van ondergeslachten , waarin men al de door LINNAEUS op genoemde soorten laten kan , met uitzondering van Cypri . nus denter ( Salmo dentex HASSELQ . ) en Gonorhynchus GRO Nov. Er blijven dan 29 soorten overig , welke aan LINNAEUS bekend waren , terwijl men er thans meer dan 400 kent ( * ) . Bij eenigen is de rug . en aarsvin , of alleen de eerste , van voren met eenen harden en getanden straal voorzien ; bij anderen zijn al de stralen week . Bij sommigen is de rugvin zeer lang , bij anderen daarentegen de aarsvin ; bij velen zijn beide deze onparige vinnen kort . Sommige hebben vier of twee baarddraden ( cirri ) aan den mond . Op deze kenmerken , waarbij laler nog die gevoegd zijn , welke de verschillende inrigting der tanden van de ossa pharyngealia oplevert ( AGASSIZ , Heckel ) , berust de verdee ling der groepen , die men onzes inziens alleen als onder geslachien , niet als genera beschouwen kan . Deze visschen leven in zoetwater en eten vooral zaden , kruiden , doch ook insekten , wormen enz . De meeste vindt men in Azië en Europa ; vele soorten zijn inlandsch . Vergel . over dit geslacht onder anderen N. G. LESKE , Ichthyologiae Lipsiensis Specimen , Lippae , 1774 , 8º .. AGASSIZ , Distribution des genres des Cyprins , Mém . de la Soc . des Sc . natur . de Neuf chatel , 1836 , Tom . I , p . 33 suiv . ( WIEGMANN'S Archiv f . Naturg . 1838 , S. 73–82 ) ; J. DECKEL , Ueber einige neue Cyprinen , nebst einer systematischen Darstellung der Europ . Gattungen dieser Gruppe , Arn . des Wiener - Museums , I , 1836 , S. 219-234 , Taf . ( * ) L. C. BONAPARTE berekent dit getal zelfs op 650 , waarvoor mij de gronden onbekend zijn . CL . XIV . PISCES . 989 19—21 ; en Fische Syriens , S. 114-53 u . s . w . Taf . I ( af beeldin gen der pharyngeale tanden ) . + Pinna dorsi longa ( e . i . supra pinnas ventrales incipiens , usque ad posteriorem pinnae analis partem producta ) . Cyprinus cuv . Aculeus dentatus in anteriori parte pin nae dorsi et ani . Pinna analis brevis . Dentes pharyngeales masticatorii , corona plerumque sulcata . Sp . Cyprinus carpio 1. t , BLOCK Ichth . Tab . 16 , YARRELL Brit . Fish . I , p . 305 , cov . R. ani . , éd . ill . , Poiss . Pl . 93 , fig . 1 ; de Karper , la Carpe , der Karpfen ; vier korte baarddraden aan de bovenkaak , de rog rond , olijfkleurig , de buik geel ; in stille waters , vooral in het zuiden van Europa ; deze soort kan 3 ' lang worden . Eene verscheidenbeid met zeer groote schubben en kale plekken wordt Spiegelkarper genoemd ; bloco Ichth . ' Tab . 17. Er komen somtijds monsterachtige voorwerpen voor , met een bolrond hoofd en korten , ingedrukten snuit . Bij anderen zijn geene baarddraden . Zij vormen het geslacht Ca rassius Nilsson , Cyprinopsis FITZINGER . Sp . Cyprinus carassius 1. t , BlocI Ichth . Tab . 11 , Skandinaviens Fiskar , Tab . 31 ; de Sleenkarper , met een zeer hoog ligchaam , wordt zelden meer dan 1 ' lang . C. Gibelio BLOCI , GMEL . , welke minder hoog en langwer piger is , moet , volgens ECKSTRÖM , slechts als eene verscheidenheid van deze soort beschouwd worden . Cyprinus auratus L. , BLOC . Ichth . ' Tab . 93 ; de goudvisch ( Kin Yu ) , uit China en Japan , thans bij ons in vijvers ; het eerst hier te lande overgebragt in het midden der vorige eeuw ( zie basTER Ver . hand . van de Haarl . Maatsch . VII , bl . 215—246 , Natuurk . Uitsp . II , bl . 83—101 , Tab . XI ) ; volgens bloca in Engeland reeds in 1611 , onder de regering van JAKOB I , ingevoerd . Er zijn van dezen visch zeer vele verscheidenheden , ook afwijkingen in de vinnen ; sommige hebben geen rugrin . Gibelion Heckel . Pinna dorsalis et analis absque radio Osseo . Pinna analis brevis . Sp . Cyprinus abramoides SYKES , Transact . of the Zool . Soc . II . Part 5 , Pl . 61 , fig . 2 ; uit Indië , gelijk de andere soorten dezer at dceling Rhodeus agass . Pinna dorsalis et analis elongata . Pinna awalis absque radio osseo . Sp , Cyprinus amarus + Bloco , Tab , 8 , fig . 3 etc. ( Adde genus Denario HECK . ) tt Pinna dorsi brevis , II . 19 290 CL . XIV . PISCES . a ) Pinna analis dorsali brevior , aut dorsalem aequans . Barbus cuv . Radius osseus in pinna dorsali et interdum in pinna anali . Cirri quatuor . Pinna dorsalis sapra ven trales posita . Dentes pharyngeales cylindrici , apicem versus uncinati , fossa ovali ante apicem exsculpti . Sp . Cyprinus burbus L. t , Bloco Ichth . Tab . 18 ; de barbeel enz . Ann . Adde genera Systomus MACCLELL . , Labeobarbus RÜPP . , Lu . ciobarbus HECK . , Schizothorax DECK . , Scaphiodon HECK . Catostomus LESUEUR ( et Rhytidostomus HECK . ) Labeo cuv . Pinna dorsalis alta , ante pinnas ventrales in cipiens . Radius osseus nullus . Os labris carneis , crassis , cirris duobus , interdum nullis . Dentes pharyngeales com pressi , aggregati , corona oblique truncata . Sp . Cyprinus niloticus FORSK . , GMEL . , cov , et VALENC . Poiss , XVI , Pl . 485 , GUÉR . Iconogr . , Poiss . Pl . 46 , fig . 3 ; Cypr . Fors kalii , Labeo Forskálii RÜPPELL , Mus . Senckenb . II , Taf . III , fig . 1 , door FORSKÅL als verscheidenheid der vorige beschreven enz . Cyrene Heck . , Dangila VALENC . Rohita valenc . Tylognathus HECK . Discognathus HECK . Gobio cuv . Pinna dorsalis et analis absquc radio osseo . Caput supra planum . Os cirris duobus . Dentes pharyngeales uncinati . Sp . Cyprinus gobio L. , Gobio fluviatilis cuv . t , Block Ichth . Tab . 8 , fig . 2 , cov . et val . Poiss . XVI . Pl . 481 ; de grondel , le goujon enz . Isocephalus heck . ( Cirrhina cuv . , Val . , additis quibusdam aliis spec . ex Ind . Orient . ) Tinca cuv . Pinna dorsalis et analis absque radio osseo . Pinna dorsalis pone pinnarum ventralium initium ipserta . Dentes pharyngeales compressi , clavati . Squamae minutae , muco obtectae . Cirri duo parvi . Sp . Cyprinus tinca 1. t . BLOCI Ichth . Tab . 14 , Skandinav . Fiskar Tab . 52 , cov . R. ani . , éd . ill . , Poiss . Pl . 94 , fig . 1 ; de zeelt ; groenachtig , met 10 stralen in de aarsvin ; deze visch bereik zelden meer dan 1 ' lengte , komt bijkans in geheel Europa voor , doch in het Noorden zeldzaam , en wordt waarschijnlijk niet hooger dan tot 60 ° N , B , aangetroffen . CL . XIV . PISCES . 291 Chondrostomus AGASS . Pinna dorsalis atque analis absque radio osseo . Cirri nulli . Os inferum , margine in aciem car tilagineam attenuato . Dentes pharyngeales masticatorii , com pressi , corona ovali angusta . Sp . Cyprinus nasus L. t , Blocu Ichth . Tab . 3 etc. Adde genera Gymnostomus , Chondrochylus et Chondrorhyn chus IECK . Leuciscus KLEIN , cuv . Pinna dorsalis et analis absque ra . dio osseo . Os anticum vel superum , labiis mollibus . Dentes pharyngeales uncinati . Abdomen pone pinpas ventrales plus minusve carinatum . Cirri plerumque nulli , rarius duo vel quatuor . Sp . Cyprinus erythrophthalmus l . t , Block Ichth . Tab . 1 , Skan . dinaviens Fiskar Pl . 16 ; de ruischvoren ; Cyprinus rutilus L. t , Block Ichth . Tab . 2 , Skand . Fiskar Pl . 15 , de voren enz . Een zeer talrijk ondergeslacht ; de schubben zijn gewoonlijk mid delmatig groot ; zij zijn klein bij Phacinus agass . Hiertoe behooren de geslachten Squalius en Scardinius BONAP . , ldus , Leucos , Phoxinellus , Argyreus en Leucosomus van IECKEL en Opsarius van m'CLELLAND ( ten deele ) . b ) Pinna analis dorsali longior . * ) Os superum ; maxilla inferior apice adscendens . Aspius Agassiz ( Aspius et Alburnus neck . ) Pinna dorsa lis et analis absque radio osseo . Cirri nulli . Corpus sub compressum , infra rotundatum . Dentes pharyngeales unci . Isati . Pinna dorsalis supra spatium inter pinnas ventrales et pinnam analem posita . Sp . Cyprinus alburnus L. t ; Bloch Ichth . Tab . 8 , fig . 4 , Skan din . Fiskar Pl . 51 ; de nesteling , de alfi , enz . Chela cuv . ( Pelecus agass . ) Pinna dorsalis et analis absque radio osseo . Cirri interdum quatuor aut duo , plerumque nulli . Corpus subtus carinatum , compressum aut cultratum . Dentes pharyngeales uncinati . Pinna dorsalis remota , supra analem posita . Sp . Cyprinus culiratus l . , Leuciscus cultralus valenc . , BLOCI Ichth . Tab . 37 , in Rusland enz . Hierbij voegen zich eenige soorten van Indië . Door het aanwezig zijn van twee of vier lange baarddraden wordt het geslacht Nuria van VALENCIENNES gekenmerkt . ** Os anticum . ( Cirri nolli . ) 19 * 292 CL . XIV . PISCES . c ) Pinna dorsalis et analis absque radio osseo . Abramis cuy . ( Blicca , Bliccopsis , Abra mis , Ballerus heck . ) Sp . Cyprinus Brama 1. t , BLOCH Ichth . Tab . 13 , Skandin . Fiskar Pl . 41 , de brasem , la brème ; hoog , de lange aarsvin heeft , 28 tot 29 stralen , deze visch wordt meer dan 1 ' lang . B ) Pinna dorsalis radio osseo . Subgenera Acanthobrama , Osteobrama , Glossodon Heckel . Familia XIV . ( CCXIII . ) Cyprinodontes . Dentes parvi in maxillis . Dentes pharyngeales superiores et inferiores conici aut subulati , conferti . Margo superior oris ab osse inter maxillari formatus . Radii membranae branchiostegae 5-6 . Pinna adiposa nulla . Caput , opercula et genae squamis obtecta . [ Vesica natatoria simplex . Appendices pyloricae nullae . Pisces parvi aut mediocres , squamis saepe magnis ; multi vivipari . ] Deze kleine familie is door hare tanden en door meer dan 3 stralen in het kieuwvlies van de vorige , met welke zij in habitus overeenkomt , onderscheiden en daarvan het eerst door Agassiz afgezonderd . De nieeste soorten worden in Amerika gevonden . Enkele echter komen in Europa , in Syrië en Egypte voor . Anablebs ARTEDI , Bl . ( species Cobitidis L. ) Dentes graci les , subulati in utraque maxilla ; palatum edentulum . Oculi protuberantes ; cornea transverse divisa in duo segmenta . Caput inter oculos depressum . Nares in papillam tubula rem produclae . Membrana branchiostega radiis S. Pinnae pectorales squamosae . Pinna dorsalis parva , remola , pone analem sita ; pinna analis in maribus ad marginem pos teriorem processus conici , squamosi adhaerens . Hoogkijker . Het oog dezer visschen herinnert ons aan den vorm van dit zintuig bij het insektengeslacht Ascalaphus . ( Zie boven 1 , bl . 492 , 493. ) Door eene dwarse , ondoorschijnende streep wordt het hoornvlies in twee helften verdeeld ; de iris schijnt mede dubbel te zijn , en alzoo cene dubbele pupil te vormen , doch is eigenlijk slechts zamengetrokken door twee , onder de dwarse streep van het hoornvlics tot elkander komende verlengsels van de iris . De verbin CL . XIV . PISCES . 995 . ding tusschen de twee schijnbare pupillen is vooral bij de jonge visschen zeer zigtbaar . De lens is peervormig en het breedere deel ligt onder het bovenste , grootcre segment van het hoornvlies . De andere deelen van het oog leveren niels bijzonders op . Het maaksel dezer oogen is beschreven door ARTEDI , CAMPER , LACÉPÈDE , BLOCI , J. F. MECKEL ( Archiv f . die Physiol . IV . 1818 , S. 124 , 125 ) , en bovenal nanuwkeurig dvor D. W. SOEMMERRING ( De oculorum sectione horiz . , Gottingae 1818 , p . 68 , 69 met eene afbeelding ) en door va LENCIENNES ( Hist . nat . des Poiss . XVIII , p . 264 , 265. Pl . 539 ) . Deze visschen , waarvan men langen tijd slechts , cene soort aannam , worden in Suriname gevonden ; zij zijn levendbarend . Sp . Anablebs tetrophthalmus bloco , Cobitis Anablebs L. , Anablebs Gronovii VALENC . , Gronov . Zoophyl . Tab . I , fig . 1—3 , bloco Ichth . Tab . 361 , Syst . Ichth . Tab . 71 , cov . et valenc . Poiss . XVIII , Pl . 538. Het skelet is afgeb . bij ROSENTIAL , Ichthyot . Tafeln Tab . X , fig . 9 , 10. Twee andere soorten heeft VALENCIENNES vermeld en afgebeeld , t . a . p . Pl . 590 , 541 . Cyprinodon Lac . Caput depressum ; os intermaxillare protractile . Dentes in maxillis parvi . Membrana branchio slega radiis 5 , rarius 6. Corpus compressum . a ) Membrana branchiostega radiis 5 . Poecilia Bl . , VAL . Dentes in maxillis mobiles , incurvi , serie simplici ; dentes conſerti , tenuissimi pone hanc seriem . Sp . Poecilia surinamensis VALENC . , cuv . R. ani . , ed . ill . , Poiss . Pl . 95 fig . 1 ; vergelijk DUVERNOY , zie hoven bl . 230 , enz . Mollienisia LesoECR . Sp . Mollienisia latipinna les . , cov . 1. 1 . fig . 4 ; deze soort van N. Amerika onderscheidt zich door ecne zeer lange rugvin ( van 14 stralen ) en door de plaatsing van de buik vinnen digt achter de borstvinnen . Cyprinodon Lac . , Lebias cuv . Dentes maxillares serie sim . plici , apice tripartiti . Sp . Cyprinodon calaritanus val . , Lebias calaritana BONELLI etc. Fundulus lac . Dentes maxillares tenuissimi , conferti . Sp . Fundulus coenicolus VAL . , Cobitis heteroclita L. , cov . et VAL . Poiss . 18. Pl . 530 enz . Al de soorten van dit ondergeslacht zijn uit Amerika . b ) Membrana branchiostega radiis 6 . Hydrargyra lac . ( Cyprinodon val . antea . ) Dentes maxil lares tenuissimi , conferti . 500 CL . XIV . PISCES . overigens schijnt dit geslacht naauwelijks van Xiphorhynchus te ver schillen ( * ) . Xiphostoma spix . Dentes in osse intermaxillari , supra maxillari et maxilla inferiori tenues , minuti , numerosi , or dine unico . Ossa palati dentibus minutis aspera . Caput conicum , acuminatum . Membrana branchiostega radiis 5 . Pinna dorsi remota , pone pinnas ventrales sita . Sp . Xiphostoma lucius spix , Hydrocyon lucius cov . , Mém , du Mus . V , Pl . 26 , fig . 2 en eenige andere soorten van Zuid Amerika . Familia XVI . ( CCXV . ) Scopelini müll . Corpus in aliis squamnosum , in aliis nudum . Dentes aculi , conici in maxillis plerumque etiam in palalo et lingua . Membrana bran chiostega radiis plerumque numerosis . Pseudobranchiae . Pinnae dorsales duae , posterior adiposa , interdum radiis obsoletis . Ovaria oviduclu praedita . Vesica natatoria pleris que nulla . Wanneer men deze kleine familie van de volgende nog afscheiden wil , blijſt vooral het aanwezig zijn van eijer leiders als het gewigtigste kenmerk over , terwijl zij van de voorgaande door kieuwvormige valsche kieuwen onder scheiden wordt . Het kenmerk dat de bovenrand der mond . opening door de tusschenkaaksbeenderen gevormd wordt ; is wel bij velen aanwezig , b . v . Scopelus en Saurus , maar echter geenszins algemeen . Bij Paralepis vindt men eene zwemblaas , die bij de overigen ontbreekt . a ) Ossa intermaxillaria cum supramaxillaribus marginem superiorem oris efformantia . Slernoptyx HERMANN . Corpus compressum , altum , alepi dotum . Dentes maxillares parvi , breves , ordinibus pluri bus , dentes palatini pauci . Membrana branchiostega radiis 8. Pinnas rentrales minimae . Plica membranosa , longa , humilis , pinpae adiposae loco . Sp . Sternoptyx diaphana HERMANN , Naturforscher XVI , Tab . 1 , ( * ) De tong is volgens VALENCIENNES met tanden gewapend . Dit doet ons eenigermate verlegen staan of dit geslacht hier goed geplaatst is . CL . XIV . PISCES . 301 fig . 1 , 2 , S. 8–36 ; COVIER R. ani . , éd . 2 , Pl . 13 , fig . 1 in den Atlantischen Oceaan bij de keerkringen ; een klein vischje van om . trent 2 duim lengte , hetgeen slechts zeldzaam gevonden is . Argyropelecus cocco . Corpus compressum , altum , nodum , cauda attenuata . Dentes maxillares subulati , inaequales , unico ordine . Membrana branchiostega radiis 9 . Sp . Argyropelecus hemigymnus cocco , C. L. BONAP . Faun . Ital , III , Tab . 121 , fig . 3. Cov . R. ani , ed . ill . , Poiss . Pl . 103 , fig . 3 . met zilverkleurige ronde vlekjes langs den buik , 1 } duim lang , in de Middell . zee ; — Argyropelecus Olfersii valeNC . , Sternoptyx Ol fersii cov . R. ani . , sec . édit . Pl . 13 , fig . 2 ; uit den Atlantischen Oceaan bij de Canarische eilanden en digt bij de Kaap de Goede Hoop gevonden , van welke laatste localiteit ook het Museum te Lei den voorwerpen dezer soort ontving . Gonostoma Rafin . , VALENC . Gonostomus cocco . Ossa inter maxillaria brevia , supramaxillaribus ossibus praesertim mar ginem superiorem oris efficientibus . Dentes maxillares unico ordine , aculi , conici plerisque minimi , paucis magnis interpositis . Dentes palatini parvi , acuti conferti . Membrana branchiostega radiis 14. Pinna dorsi prima remola , supra pindae analis longae initium posita . Squamae mediocres , deciduae . 9 9 Gonostoma denudatu ( of beter Gonostomus acanthurus cocco ) C. L. BONAPARTE Faun . lial . III , Tab . 119 , fig . 1 , Middell . zee . Chauliodus BLOCH , scun . Caput magnum , ante oculos breve , oris rictu maximo . Dentes maxillares serie unica , conici , acuti , anteriores longi , exserti . Dentes palatini remoti , aculi , ordine unico . Pinna dorsalis anterior capiti admola , ab altera longo intervallo remota . Squamae magnae , te nues , deciduae . Membrana branchiostega radiis 17 . Sp . Chauliodus Sloani Bloco Syst . Ichth . Tab . 85 , Chauliodus selinotus Bonap . Faun . llal . III , Pl . 123 , fig . 2 , Middell . zec . b ) Ossa intermaxillaria longa , juxta supramaxillaria ossa descendentin , marginem superiorem oris efformantia . Scopelus cov . Dentes maxillares parvi , numerosi , serie bus pluribus ; dentes palatini minimi , lingua glabra . Oris 309 CL . XIV . PISCES . riclus magnus . Membrana branchiostega radiis 9. Squamae saepe deciduae . Sp . Scopelus Humboldtii cuv . , Gasteropelecus Humboldti Risso , Ichthyol . de Nice 1810 , Pl . X , fig . 38. S : opelus Benoisti BONAP . Faun . Ital . III , Tab . 119 , fig . 4 , Middell . zee ; Scopelus borealis NILSSON , ström Skrivter af Naturhistorie - Selskabet II , 2 , 1793 , Tab . I , fig . 2 van de Noorweegsche kust enz . Het zijn allen kleine vischjes , met zilverkleurige stipjes langs de zijden en onder aan den buik . Tot dit geslacht moet men Lampanyclus , Ichthyocorus van C. L. BONAPARTE , Maurolicus cocco , BONAP . , en Myclophum RAFIN . , BONAP . terugbrengen . Tot Maurolicus , welk geslacht J. MOLLER wil behou den , brengt deze schrijver den Scopelus borealis , dien wij boven vermeld hebben . Odontostomus Cocco . Dentes superiores in osse inter maxillari parvi , recurvi , dentes inferiores elongati , acumi nati , mobiles . Palatum dentibus longis armatum . Membrana branchiostega radiis 8 . Sp . Odontostomus hyalinus cocco , BONAP . Faun . Ital . III , Pl . 120 , fig . 6 ; deze soort schijnt geene schubben te bezitten ; zij wordt 5 " groot en leeft in de Middell . zee . Saurus cuv . ( et Saurida VALENC . ) Dentes subulati , con ſerti in maxillis , ordinibus pluribus , interni longiores ; den tes acuti , numerosi in lingua et palalo . Membrana bran chiostega radiis 16 , aut pluribus . ( * ) Sp . Saurus foetens VALENC . , Salmo foetens L. , Encycl . méth . , Poiss . Pl . 70 , fig . 285 ( copie van de figuur van CATESBI ) ; - Sau rida nebulosa VALENC . , Poiss . XXII , Pl . 643 etc. Aulopus cuv . Dentes parvi , acuti in maxillis , palato , osse vomeris et lingua . Pinnae ventrales ſere sub pectoralibus positae . Squamae magnae . Oculi magni . Membrana bran chiostega radiis 10–16 . a ) Membrana branchiostega radiis 16 . Sp . Aulopus filamentosus , Salmo filamentosus ELOCI , Schriften der Gesellsch . naturf . Freunde zu Berlin X , 1792 , S. 424 , Tab . IX , fig . 2 , BONAP . Faun . Ital . III , Tab . 121 , fig . 1 ; bij bet mannetje ( * ) Het buitengewoon groot aantal van 25 kieuwstralen heeft valen . Ciennes bij Saurus Ophiodon gevonden . CL . XIV . PISCES . 303 zijn 3 stralen van de rugvin zeer verlengd ; de rand der schubben is met fijne stekels als behaard . In de Middell . zee . b ) Membrana branchiostega radiis 10 . Sp . Aulopus Agassizi VALENC . , Chlorophthalmus Agassizi BONAP . Fauna Ital . III , Tab . 121 , fig . 2 ; mede in de Middell . Zee . Paralepis cov . , RISSO . Dentes minimi in osse inter maxillari , dentes maxillae inferioris et palati subulati , acuminati , majores , interpositis minoribus , Membrana bran chiostega radiis 7. Pinna dorsi prima remota . Corpus elon gatum , squamosum . Sp . Paralepis coregonoides Risso , cv , et val . Poiss . III , PL . 67 , GUÉRIN Iconogr . , Poiss . Pl . X , fig . 3 , van de Middell . zee . Hiermede is zeer verwant Paralepis borealis REINI . , Köngl . Danske Videns kabernes Selskabs Afhandl . VII , 1838 , p . 115 , 125 , 126 , van Groenland en IJsland . Risso bragt dit vischgeslacht eerst bij de Sal moniden , CCVIER later bij de Acanthopterygii digt bij Sphyraena ; REINHARDT wees het wederom cene plaats onder de malacopterygii aan ; zie het vijfde deel der aangehaalde natuurkundige verhandelin lingen van het Koninklijk Gezelschap te Koppenhagen 1832 , S. LXXV , LXXVI . Sudis RAFINESQUE , BONAP . , MÜLL . ( nec cuv . ) Palatum ca rina serrata , edentulum . Dentes inferiores plani . Sp . Paralepis hyalinus cuv . Sudis hyalina Rafin . , Bonap . Faun . Ital . III , Tab . 124 , fig . 1 ; de schubben , behalve die van de zijlinie , vallen ligt af ; de rugvin staat vóór de buikvinnen . Het verhemelte zou geene tanden hebben , maar gezaagd zijn . In de Middell . zee . Familia XVII . ( CCXVI . ) Salmonacei . Corpus squamo sum , squainis interdum deciduis . Pipna altera dorsalis adi posa . Oris margo superior ad latera ossibus supramaxilla ribus efformatus . Membrana branchiostega radiis 6-15 ( plerumque 10--12 ) . Pseudobranchiae pectinatae . Vesica natatoria simplex . Ovaria absque oviduclu , ovis ex ovariis in abdominis cavum delabentibus . Argentina L. ( pro parte ) . Dentes in lingua et vomere ; in maxillis nulli , Membrana branchiostega radiis 6. Squa mac deciduae . Sp . Argentina sphyraena l . ( deleatur citatio GRONOVII ) , RONDELET de Piscib , mar . p . 227 , la petite sphyrène ; BRUNNICA Ichthyol . . ) 304 CL . XIV . PISCES . Massiliensis , Hafniae 1768 , p . 79 , 80 , GOUAN Histor . Pisc . p . 197 , 198 , COVIER , Mém . du Mus . I , 1818 , p . 228—236 , Pl . XI , fig . 1 ; in de Middell . zee ; wordt slechts 8 of 10 " lang ; maag donker zwart ; zwemblaas glinsterend zilverkleurig . Bronnica heeft het eerst de verwantschap van dit vischje met de zalmen ingezien . Salmo L. ( exclusis Characinis ) . Dentes in maxillis , pa lato , osse vomeris et lingua in plerisque , in aliis deutes nulli . Membrana branchiostega radiis 7-15 . Corpus squa mosum . Een talrijk geslacht van visschen , vooral in het Noordelijke Eu ropa ( * ) . Men kan hier de volgende ondergeslachten aan nemen : Coregonus cuv . Dentes nulli . Membrana branchiostega radiis 7--9 . Corpus elongatum , capite acuminalo . Squamae mediocres . Pinna caudalis furcata . Sp . Salmo oxyrhynchus L. t , Bloch Ichth . Tab . 25 ( onder den naam van Salmo Lavaretus ) . cov . et val . Poiss . XXI , PI . 630 ; de kop eindigt in eenen spitsen , voor den mond verlengden snoet . Deze vischi , bij ons louting genoemd , wordt in het Noorden gevonden , en komt in Maart en April dikwerf voor in de monden onzer rivie ren ; de buikvinnen beginnen achter het midden der rugvin ; in het kieuwvlies zijn 7 stralen . Salmo Lavaretus cuv . , Salmo Wartmanni BLOC Ichth . Tab . 105 , cov . et val . Poiss . XXI , Pl . 627 ; 8 stralen in het kieuwvlies ; de kop is niet boven den mond verlengd ; uit de meren van Zwitser . land . ( Salmo Lavaretus l . is eene vereeniging van verschillende soorten ). Coregonus Willug bii JARDINE , YARRELL Brit . Fish , JI , p . 89 ; in meren van het zuiden van Schotland ( Dumfries ); deze visch schijnt zich vooral van kleine zoetwater - schaaldieren , watervlooijen enz . ( + ) te voeden . Thymallus cuv . Dentes brevissimi , conici , unico ordine in maxillis ; palatum dentibus minimis , paucis instructum . Lingua glabra . Pinna dorsi longa , alta . Pinna caudalis ſur • cata . Membrana branchiostega radiis 8--10 . Sp . Salmo Thymallus L. , Bloco Ichth . Tab . 24 ( waarschijnlijk Thymallus gymnothorax val . , cov . et val . Poiss . Pl . 625 ) enz . ( * ) Vergelijk Sir William JARDINE , Natur . History and Illustrations of the Scotish Salmonidae , folio , 1841 en verv . ( + ) Cyclops , zic boven 1 , blz . 732 , Daphnia blz . 739 enz . CL . XIV . PISCES . 505 7 Bij deze visschen heeft de rugvin 20 of meer stralen , terwijl er on geveer 15 zijn bij de soorten van het vorige ondergeslacht . Mallotus cuv . Dentes brevissimi , conici in palato et maxillis , paulo longiores in lingua . Pinnae pectorales magnae . Pinna dorsalis supra ventrales posita . Pinna cau dalis furcata . Membrana branchiostega radiis 8. Squamae parvae . Sp . Sulmo arcticus O. FABR . , Clupea villosa GMEL . , Salmo groen landicus Bloco Ichth . Tab . 381 , fig . 1 , cov . et Val . Poiss . Pl . 622 ; bij het mannetje zijn langs de zijstreep lange , smalle schubben , die digt bijeen staan en door hare weekheid naar vilt gelijken . Men vindt somtijds op het strand van Groenland deze visschen , als moderne versteeningen , in eene kleiachtige aarde ingesloten . Zie de afbeeldin gen bij Agassiz Poiss . foss . V , Pl . 60. Vergel . ald . V , 2 , p . 98—100 , Mallotus villosus . Osmerus artedi ( pro parte ) , cuv . Dentes in maxillis par vi , incurvi , conici , crassi in osse vomeris et lingua , conici , duplici ordine in palato . Membrana branchiostega radiis 8. Pinna caudalis furcata . Salmo Eperlanus L. t , Bloco Ichth . Tab . 28 , fig . 2 , cov . et val . Poiss . XXI , Pl . 620 ; de spiering , een bij ons in de monden der rivieren overvloedig voorkomend vischje . Salmo cuv . ( Salar , Fario , Salmo valeNC . ) Dentes conici , unico ordine in maxillis ; dentes in osse vomeris , in palato et lingua . Membrana branchiostega radiis plerumque 10 aut 11 ( rarius 9 aut 12 ) . Piona caudalis truncata aut po blice concava , emarginata . Salmo Furio l . , BLOCI Ichth . Tab . 22 , Salor Ausonii val . , COV . et val . Poiss . XXI , Pl . 618 ; de forel ; in kleine , snelstroomende beekjes . Salmo Salar 1. t , Bloco Ichth . Tab , 20 , Salmo Salmo VALENC . , cov . et val . Poiss . XXI , Pl . 614 ; de salm , le Saumon , the Sau mon , der Lachs ; 11 breede kieuwstralen , de rug donker blaauw , met zwart - bruine , ronde vlekken , welke , na eenig verblijf in zoet Water , worden uitgewischt . Deze is de grootste soort van dit geslacht , die 3 ' lang kan worden ; men heeft er somtijds gevangen welke 50 oude ponden wogen . Deze visch leeft ' s winters in zee , nadat hij de kuit in zoetwater geschoten heeft . De eijeren blijven omstreeks 100 dagen of langer liggen , voordat zij ( in het voorjaar ) uitkomen . In de Niddell . ice vindt men deze soort niet ; zij is vooral talrijk in II . 20 [Document text truncated for crawler view.]