Handboek der Dierkunde. Tweede, verbeterde en vermeerderde Uitgave. Tweede deel
Abstract
(Uploaded by Plazi for the Bat Literature Project) No abstract provided.
Full text
This is a r epr oduction of a libr ary book that was digitiz ed
by Google as part o f an ongoing eff ort to pr eserv e the
inf ormation in book s and mak e it univ ersally accessible.
https: / /books .google. com
Over dit boek
Dit is een digitale kopie v an een boek dat al generaties lang op bibliotheekplank en heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen mak en.
Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt v an het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is ge v allen, of waarv an de wettelijke auteursrechttermijn is v erlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publiek e domein behoort. Boeken in het publiek e domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron v an
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te v erkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weerge ge v en in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt v an uitge v er naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publiek e domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij be waren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven
le veren, hebben we maatre gelen genomen om misbruik door commerciële partijen te v oorkomen, zoals het plaatsen v an technische beperkingen op
automatisch zoeken.
V erder vragen we u het v olgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commer ciële doeleinden W e hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen v oor gebruik door
indi viduen. W e vragen u deze bestanden alleen te gebruiken v oor persoonlijk e en niet-commerciële doeleinden.
+ V oer geen g eautomatiseer de zoek opdrac hten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem v an Google. Als u onderzoek
doet naar computervertalingen, optische tek enherkenning of andere wetenschapsgebieden w aarbij u toegang nodig heeft tot grote hoe v eelhe-
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. W e raden u aan hierv oor materiaal uit het publieke domein te gebruik en, en kunnen u misschien
hiermee v an dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het “w atermerk” v an Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie o v er het
project te ge ven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoek en naar boeken met Google. V erwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet W at u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantw oordelijk v oor bent dat alles wat u doet le gaal is. U kunt er
niet v an uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn v oor het publiek e domein in de V erenigde Staten, het ook publiek domein is
v oor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. W e kunnen u niet v ertellen w at u in uw ge v al
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruik en, wanneer het
eenmaal in Zoeken naar boek en met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid v oor auteursrechten is behoorlijk streng.
Inf ormatie ov er Zoeken naar boek en met Google
Het doel v an Google is om alle informatie wereldwijd toe gankelijk en bruikbaar te mak en. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boek en uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitge v ers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de v olledige tekst v an dit boek doorzoeken
op het web via http://books.google.com
1
7ool
.
25i
f
Hoeven
1
HANDBOEK
DER
DIERK
UNDE
.
VIII
INHOUD
.
>
.
»
.
Bladz
.
72
,
73
,
73
,
74
.
74
,
75
.
75–77
.
77
,
78
.
78
,
79
.
79-81
.
82–84
.
84-86
.
86
,
87
.
87-89
.
89
---
91
.
91--93
.
>
>
D
.
.
.
.
»
.
>>
.
.
.
94–175
.
111-175
-
111-114
.
112
,
113
.
113
,
114
.
.
.
.
>
.
.
.
.
.
Fam
.
XI
.
Tridacnacea
.
XII
.
Cardiacea
XIII
.
Veneracea
XIV
.
Cycladea
.
XV
.
Lucinacea
XVI
.
Saxicavina
XVII
.
Tellinacea
XVIII
.
Mactracea
XIX
.
Myacea
XX
.
Pholadomyacea
.
XXI
.
Solenacea
XXII
.
Pholadacea
XXIII
.
Tubicola
.
DERTIENDE
KLASSE
.
WEEKDIEREN
.
(
Mollusca
)
Systematisch
Overzigt
der
Weekdieren
.
Ordo
I.
Pteropoda
Fam
.
I.
Hyaleacea
II
.
Clioidea
Ordo
IJ
.
Gasteropoda
Fam
.
III
.
Heleropoda
.
IV
.
Dermatobranchiata
V.
Hypobranchiata
VI
.
Pleurobranchiata
VII
.
Cyclobranchiata
.
VIII
.
Aspidobranchiata
IX
.
Aulobranchiata
.
X.
Clennbranchiata
XI
.
Pneumonica
.
Ordo
III
.
Cephalopoda
Fam
.
XII
.
Nautilacea
XIII
.
Sepiacea
.
XIV
.
Octopoda
.
Over
de
vier
laatste
klassen
van
het
dierenrijk
of
de
gewervelde
dieren
in
het
algemeen
VEERTIENDE
KLASSE
.
Visschen
.
(
Pisces
)
Systematisch
Overzigt
der
Visschen
Sectio
I.
Dermopterygii
Ordo
1.
Leptocardii
.
Fam
.
I
Amphiozini
.
.
.
.
v
.
114-161
.
115-117
.
117-124
.
124
,
125
.
125—128
.
128—131
.
131–133
.
133
,
134
.
134-154
.
154–161
.
>>
.
.
.
.
.
D
>>
.
.
.
162-173
.
168–171
.
171-173
.
173–175
.
. .
. .
.
.
176--187
.
188-419
.
249—419
.
.
.
.
249—253
.
.
.
249-251
.
249-251
.
INHOUD
.
IX
Bladz
.
251-253
.
251-253
.
253
.
.
>>
.
.
.
254-264
.
.
.
.
254-263
.
255-259
.
259-263
.
>
.
.
263
,
264
.
263
,
264
.
.
.
264-270
.
.
.
265-267
.
265-267
.
.
.
267-270
.
267-270
.
.
.
270-417
.
.
.
.
.
.
Ordo
II
.
Cyclostomi
Fam
.
II
.
Myrinoidei
III
.
Petromyzonini
.
Sectio
II
.
Chondropterygü
.
Ordo
III
.
Desmiobranchii
Fam
.
IV
.
Batides
V.
Selachi
Ordo
IV
,
Eleutherobranchii
.
Fam
.
VI
.
Chimeroidei
Sectio
III
.
Ganolepidoti
Ordo
V
Chondrostei
.
Fam
.
VII
.
Sturiones
.
Ordo
VI
.
Ganolepidoti
Fam
.
VIII
.
Sauroidei
.
Sectio
IV
.
Osteopterygii
.
Ordo
VII
.
Lophobranchü
.
Fam
.
IX
.
Lophobranchii
Ordo
VIII
.
Pectognathi
Fam
.
X.
Gymnodontes
XI
.
Sclerodermi
Ordo
IX
.
Malacopterygii
Fam
.
XII
.
Siluroidei
XIII
.
Cyprinoirlei
XIV
.
Cyprinodontes
XV
.
Characini
XVI
.
Scopelini
.
XVII
.
Salmonacei
XVIII
.
Esociï
.
XIX
.
Mormyrini
XX
.
Clupeacei
.
XXI
.
Heteropygii
XXII
.
Gymnotini
XXIII
.
Symbranchii
.
XXIV
.
Muraenoidei
.
XXV
.
Ophidini
XXVI
.
Gadoidei
.
XXVII
.
Pleuronectae
.
Ordo
X.
Acanthopterygii
Fam
.
XXVIII
.
Chromides
XXIX
.
Pomacentrine
.
ט
.
.
.
.
.
>>
.
.
270-273
.
271–273
.
273-277
.
273—276
.
276-277
.
277–331
.
278-286
.
286-292
.
292-294
.
294-300
.
300-303
.
303-306
.
306–309
.
309-310
.
310-318
.
318
.
318–320
.
320-321
.
321–324
.
324
,
325
.
326-329
.
329–331
.
341_417
.
331-333
.
333-335
.
D
.
.
»
.
.
>>
.
.
.
>>
.
.
.
D .
.
.
.
х
INHOUD
.
>>
»
»
•
.
)
)
.
>
>
Bladz
.
333-339
.
339-341
.
541—343
.
343-346
.
346-350
.
350-356
.
356-358
.
358-360
.
360-373
.
374-379
.
379-384
.
384-391
.
391
,
392
,
392—400
.
400-413
.
413-417
.
Fam
.
XXX
.
Labroidei
.
XXXI
.
Aulostomi
.
XXXII
.
T'heulides
.
XXXIII
.
Halibatrachi
.
XXXIV
.
Blennioidei
XXXV
.
Gobioidei
,
XXXVI
.
Notacanthini
XXXVII
.
Taenioidei
XXXVIII
.
Scomberoidei
.
XXXIX
.
Squamipennes
XL
.
Sparoidei
.
XLI
.
Sciaenoidei
XLII
.
Mugiloidei
XLIII
.
Aspidoparei
XLIV
.
Percoïdei
.
XLV
.
Osphromenidei
Sectio
V.
Protopteri
Ordo
VI
.
Protopteri
Fam
.
XLVI
.
Sirenoidci
.
.
>>
.
.
.
.
.
.
>
.
.
.
417–419
.
417-419
.
417—419
.
.
.
.
.
420-548
.
.
458-548
.
.
.
.
459-477
.
o
.
460-461
.
460-461
.
461-468
.
461
-465
.
465-468
.
468—477
.
468—477
.
.
.
.
VIJFTIENDE
KLASSE
.
KROIPENDE
Dieren
.
(
Replilia
) .
Systematisch
Overzigt
der
Kruipende
Dieren
.
Sectio
I.
Dipnoa
Ordo
I
,
Ophiomorpha
Fam
.
I.
Caecilivie
Ordo
II
.
Saurobatrachi
Fam
.
II
.
Proteidea
.
III
.
Salamandrina
Ordo
III
.
Batrachii
Fam
.
IV
.
Batrachi
:.
Sectio
II
.
Monopnoa
Ordo
IV
.
Ophidii
Fam
.
V.
Viperina
VI
.
Elapina
.
VII
.
Hydrophes
VIII
.
Asincophes
IX
.
Colubrina
.
X.
Acrochordina
XI
.
Pythonina
XII
.
Cylindrophes
XIII
.
Rhinophes
.
.
. .
.
D
.
478-548
.
478-505
.
482-485
,
485-488
.
488—489
.
489-492
.
492-496
.
496-497
.
497_499
.
499-500
.
500
,
531
.
>
)
.
.
>>
» . .
P
.
. .
1
D
INHOUD
.
XI
Bladz
,
501-503
,
503-505
.
.
»
.
.
>
505-542
.
505-512
.
512-516
.
516-522
.
522-534
.
534
,
535
.
535-539
.
539-542
.
542-548
.
542--548
.
>
.
.
549-817
.
.
.
.
.
613-817
.
.
.
)
.
Fam
.
XIV
.
Typhlina
.
XV
.
Amphisbaenae
Ordo
V.
Saurii
Fam
.
XVI
.
Scincoidei
XVII
.
Zonosauri
XVIII
,
Lacertini
.
XIX
.
Iguanoidei
XX
.
Chamaeleonidei
.
XXI
.
Ascalabotae
.
XXII
.
Crocodilini
Ordo
VI
.
Chelonü
.
Fam
.
XXIII
.
Chelonii
ZESTIENDE
KLASSE
.
VOGELS
.
(
Aves
)
Systematisch
Overzigt
der
Vogels
Ordo
1.
Natatores
Fam
.
1.
Brevipennes
II
.
Analinae
.
III
.
Steganopodes
IV
.
Longipennes
res
.
Fam
.
v
.
Macrodactyli
VI
.
Longirostres
VII
.
Cultrirostres
.
VIII
.
Pressirostres
IX
.
Olides
.
X.
Proceri
XI
.
Alectorides
Ordo
II
.
Gallinae
Fam
.
XII
.
Megapodii
XIII
.
Penelopinae
.
·
XIV
.
Phasianinae
.
XV
.
Crypturinae
.
XVI
.
Tetraoninae
·
XVII
.
Pieroclinae
XVIII
.
Thinocorinae
XIX
.
Columbinae
613-630
.
614-618
.
619-623
.
623–626
.
626-630
.
.
D
.
Ordo
II
.
Gralla
.
»
>>
»
.
»
.
630—661
.
630-634
.
634-641
.
641-651
.
651-656
.
656
,
657
.
657—660
.
660.
-
661
.
661--685
.
662-664
.
664
,
665
.
665–670
.
670
,
671
.
671-677
.
677
.
677
,
678
.
678-658
.
.
D
V
»
.
.
.
>>
.
>>
.
Ordo
IV
.
Scansores
.
.
Fam
.
.
685-707
.
685-692
.
692
,
693
.
693-696
.
XX
Psittacinae
XXI
.
Rhamphaslinne
.
XXII
.
Pogonophorae
»
.
XII
INHOUD
.
Fam
.
.
XXIII
.
Trogononinae
XXIV
.
Cuculinae
XXV
.
Sagittilingues
XXVI
.
Angulirostres
Bladz
.
696
,
697
.
697-703
.
7034706
.
706
,
707
.
>>
>>
.
.
.
.
.
.
>
>>
.
>>
.
y
.
.
.
D
707-799
.
709
,
710
.
710
.
710-712
.
712
,
713
.
713-716
.
716
,
717
.
717—720
.
720-723
.
723—727
.
727-735
.
735–741
.
741-744
.
744-749
.
749-757
.
757-759
.
759
,
760
.
760-762
.
762—767
.
767-771
.
771-775
.
773-782
.
782-786
.
786—792
.
792-795
.
795-799
.
.
Ordo
V.
Passerini
.
Fam
.
XXVII
.
Opisthocomidae
.
XXVIII
.
Bucerotinae
.
XXIX
.
Coracianae
XXX
.
Meropinae
XXXI
.
Halcyoninae
.
XXXII
.
Upupinae
XXXIII
.
Trochilidae
XXXIV
.
Anabatidae
XXXV
.
Eriodoridae
.
XXXVI
.
Colopteridae
XXXVII
.
Corvinae
.
»
XXXVIII
.
Paradiseinae
.
XXXIX
.
Sturninae
XL
.
Fringillinae
.
XLI
.
Alaudinae
XLII
.
Parinae
XLIII
.
Certhianae
XLIV
.
Nectariniae
.
XLV
.
Liolrichinae
.
XLVI
.
Turdinae
,
XLVII
.
Motacillinae
.
XLVIII
.
Muscicapinae
XLIX
.
Laniinae
L.
Chelidones
LI
,
Nyctichelidones
.
Ordo
VI
.
Raptatores
.
Fam
.
LII
.
Strigidae
.
LIII
.
Accipitrinae
.
LIV
.
Vulturinae
ZEVENTIENDE
KLASSE
.
ZOOGDIEREN
.
(
Mammalia
)
>
>>
2
)
.
.
>
.
>
.
. .
•
.
.
.
.
.
799-817
.
800-805
.
805_814
.
814-817
.
. .
. .
817—1057
.
.
.
888–1057
.
.
Systematisch
Overzigt
der
Zoogdieren
Sectio
I.
Mammalia
acotyledona
·
Ordo
I.
Monotremala
Fam
.
I.
Monotremata
.
.
888-903
.
.
.
888-891
.
888-891
.
INHO
DD
.
XIII
.
.
Bladz
.
891–903
.
892
,
893
.
893-896
.
896-898
.
899
,
900
.
900-902
.
902
,
903
.
D
.
933–1057
.
.
904-914
.
904--911
.
911-914
.
.
>
.
.
.
.
»
914-926
.
915-918
.
918-920
.
920
,
921
.
921-926
.
.
>
. .
.
929-928
.
926-928
.
.
.
.
Ordo
II
,
Marsupialia
Fam
.
II
.
Glirina
III
.
Macropoda
IV
.
Phalangistae
V.
Peramelina
VI
.
Dasyurina
VII
.
Pedimana
Sectio
II
.
Mammalia
placentalia
·
Ordo
III
.
Cetacea
Fam
.
VIII
.
Cetacea
IX
.
Sirenia
Ordo
IV
.
Mutungula
Fam
.
X
Proboscidea
.
XI
.
Nasicornia
XII
.
Lamnungia
XIII
.
Belluae
.
Ordo
V.
Solidungula
Fam
.
XIV
.
Solidungula
Ordo
VI
.
Ruminantia
Fam
.
xv
.
Tylopoda
XVI
.
Elaphic
XVII
.
Cavicornia
Ordo
VII
.
Edenlata
Fam
.
XVIII
.
Effodientia
XIX
.
Tardigrada
Ordo
VIII
,
Glires
Fam
.
XX
.
Duplicidentata
XXI
.
Subungulata
.
XXII
.
Aculeata
.
XXIII
.
Palmipedia
XXIV
.
Murina
xxy
.
Cunicularia
.
XXVI
.
Muriformia
XXVII
.
Eriomyina
XXVIII
.
Macropoda
XXIX
.
Sciurina
Ordo
ix
.
Ferae
Fam
.
xxx
.
Pinnipedia
XXXI
.
Felina
XXXII
Viverrina
.
928-948
.
929-931
.
931—935
.
>>
936-948
.
.
948—954
.
949—953
.
953
,
954
.
»
.
.
>>
•
.
>>
.
>>
955–988
.
955–957
.
937—959
.
959-961
.
961
,
962
,
962-970
.
970–975
.
975-980
.
980
,
981
.
981-983
.
983-988
.
988--1027
989–995
,
995-998
,
.
998-1003
.
>
.
»
.
.
>
.
»
a
XIV
I
NII
O
UD
.
>
>
Blauz
.
1003-1007
.
1007_1015
.
-1015-1017
.
1017_1020
.
1020-1025
.
1025-1027
.
2
)
»
>>
.
.
Fam
.
XXXIII
.
Canina
XXXIV
.
Mustelina
.
XXXV
.
Ursina
XXXVI
.
T'alpina
XXXVII
.
Soricina
.
XXXVIII
.
Erinaceina
Ordo
x
.
Chiroptera
.
Fam
.
XXXIX
Nycterina
XL
Plerotocyna
Ordo
XI
.
Plenopleura
.
Fam
.
XLI
.
Galeopitheci
Ordo
XII
.
Quadrumana
Fam
.
LII
,
Lemurina
.
LIII
.
Simiae
.
Ordo
XIII
.
Bimana
:
Fam
.
XLIV
.
Erecta
.
1027-1039
.
1028-1037
.
1037_1039
.
1039
,
1040
.
1039
,
1040
.
1040_
-
1055
.
1040--1045
.
1045-1055
.
.
.
.
.
1045-1057
.
1055-1057
.
1
1
1
VERKLARING
DER
PLATEN
VAN
HET
TWEEDE
DEEL
.
Pl.XIII
–
XV
.
Deze
drie
platen
hebben
alle
op
de
afdeling
der
Weekdieren
betrekking
.
Pl .
XIII
.
Fig
.
1.
Chiton
Cummingii
.
Voorbeeld
van
eene
veel
schalige
schelp
,
bl
.
4
;
vergelijk
bl
.
129
.
Fig.2—7
.
Voorbeelden
van
tweeschalige
schelpen
,
bl
.
4
.
Fig
.
2.
Terebratula
.
Eene
soort
van
Nieuw
-
Guinea
,
zie
bl
.
52
.
A.
Buikschaal
met
doorboorde
spits
.
B.
Rugschaal
van
de
binnenzijde
met
de
kalkachtige
bogen
.
Fig
.
3.
Schelp
van
Avicula
(
Meleagrina
)
margaritifera
(
bl
.
62
)
.
Op
de
binnenzijde
ziet
men
eenige
vastgehechte
paar
len
.
a
.
Indruk
van
de
sluitspier
.
Fig
.
4.
Arca tortuosa
L.
,
bl
.
65
.
Fig
.
5.
Schelp
van Trigonia
pectinata
Lam
. ,
bl
.
66.
Van
de
binnenzijde
,
om
het
slot
(
cardo
)
voor
te
stellen
.
Fig
.
6.
Venus
Dione
L.
,
Cytherea
Dione
lam
.
,
bl
.
77.
Do
schelp
is
geplaatst
zoo
als
LINNAEUS
haar
beschreef
(
zie
de
aant
,
op
bl
.
4
)
,
namelijk
met
de
spits
A
paar
beneden
,
de
fissura
,
b
,
naar
voren
,
de
lunula
,
a
,
naar
achteren
.
Fig
.
7.
Venus
(
Cytherea
)
erycina
LAM
.
Regter
schaal
van
binnen
.
A
spits
;
a
maanswijze
bolte
;
6
spleet
;
c
slot
of
scharnier
;
d
indruksel
der
voorste
,
e
der
achterste
sluitspier
;
f
indruksel
van
den
mantel
;
gg
onderrand
der
schelp
.
In deze
figuur
is
de
schelp
in
de
natuurlijke
ligging
geplaatst
.
Aan
de
linkerzijde
is
het
vooreinde
gelegen
,
het
welk
het
dier
bij
de
beweging
naar
voren
keert
.
XVI
VERKLARING
DER
PLATEN
.
Fig
.
8-11
.
Voorbeelden
van
eenschalige
schelpen
of
horens
,
bl
.
5
,
6.
Fig
.
8
.
Fig
.
8.
Horen
van
Purpura
Concholepas
bl
.
149
.
Fig
.
9.
Horen
van
Patella
bl
.
131
;
Patella
umbella
gu
.
Fig
.
10
,
Horen
van
Scalaria
imperialis
bl
.
139
.
Fig
.
11.
Horen
van
Bulimus
citrinus
BRUG
.
bl
.
158
.
Voorbeeld
van
eene
cochlea
sinistra
,
zie
bl
.
6
.
Pl
.
XV
.
Fig
.
1.
Horen
van
Oliva
erythrostoma
Lam
. ,
bl
.
153
,
voorbeeld
van
een
'
opgerolden
horen
,
bl
.
5.
A
Ope
ning
;
a
buitenrand
;
6
binnenrand
.
Fig
.
2.
In
het
midden
doorgedeelde
horen
van
Nautilus
Pom
pilius
L.
,
bl
.
168
,
als
voorbeeld
van
een
'
in
zichzelven
gewondenen
en
tevens
van
eenen veelkamerigen
ho
ren
,
bl
.
5
,
6
(
cochlea
revoluta
,
polythalamia
) ,
A.
A.
,
De
laatste
kamer
of
holte
,
waarin
het
dier
ligt
;
a
,
a
,
a
,
de
Sipho
,
die
door
de
volgende
kamers
heenloopt
.
Fig
.
3.
Een
deksel
(
Operculum
)
van
Turbo
,
van
de
binnen
zijde
;
zie
bl
.
6
.
Fig
.
4.
Salpa
(
runcinata
?)
bl
.
24
,
25.
In
natuurl
.
grootte
,
naar
een
voorwerp
,
mij
door
Prof.
v
.
BENEDEN
me
degedeeld
.
A.
Het
dier
van
die
vlakte
gezien
,
welke
gewoonlijk
naar
boven
is
gekeerd
,
volgens
ESCHRICHT
de
buikvlakte
.
De
spiergordels
loopen
hier
door
.
B.
Het
dier
van
de
tegenovergestelde
zijde
,
waar
de
spiergordels
zijn
afgebroken
;
a
(
in
fig .
A
)
spleet
opening
,
die
bij
het
dier
naar
voren
gekeerd
is
,
b
de
zoogenoemde
kern
,
of de
opeengehoopte
ingewanden
.
Fig
.
5.
Ascidia
(
Cynthia
)
Momus
bl
.
32
,
naar
SAVIGNY
Mé
.
moires
II
,
PI
.
VI
,
fig
.
1.
A
Kieuwopening
,
B
aars
opening
;
C
,
c
,
c
buitenste
omkleedsel
,
waarvan
de
helft
is
weggenomen
om
het
binnenste
omklcedsel
d
(
den
mantel
)
te
doen
zien
;
e
spiervezels
op
den
mantel
.
Fig
.
6,7
.
Lingulina
anatina
LAM
. ,
bl
.
51
;
naar
cuvier
,
Ann
.
du
Mus
.
I
,
Fig
.
6.
Het
dier
in
den
schelp
met
den
steel
(
pedunculus
) .
B.
Fig
.
7.
Het
dier
uit
de
schelp
genomen
,
een
der
mantelplaten
naar
boven
omgeslagen
;
a
hersenknoop
,
volgens
CovieR
;
6
mond
;
c
,
c
de
twee
armen
;
d
,
d
,
d
,
d
kamvormige
kieuwplooijen
op
den
mantel
.
VERKLARING
DER
PLATEN
.
XVII
-
Fig
.
8.
Het
dier
eener
Anodonta
in
de
schelp
,
waarvan
de
regter schaal
is
wegnomen
,
als
voorbeeld
der
plaat
kieuwige
schelpdieren
,
bl
.
52
,
53
;
vergelijk
Pl
.
15
,
fig
.
1.
-
a
Schelp
(
linker
schelp
van
de
binnenzijde
) ;
b
,
de twee
mantelplaten
;
c
,
c
buitenste
kieuwen
,
e
,
d
binnenste
kieuwen
;
g
de
tusschen
de
kieuwen
uitstekende
,
platte
buikschijf
,
*
voelertjes
om
den
mond
;
men
ziet
alleen
die
,
welke
aan
de
regterzijde
liggen
;
†
mond
;
A
voorste
sluitspier
;
B' b '
de
met
franjevormige aanbangsels
bezette
achterzoomen
van
den
mantel
.
Pl
.
15.
fig
.
1.
Eene
dwarse
doorsnede
van
Anodonta
anatina
,
schematisch
naar
NEUWYLER
,
Neue
Denkschr
.
der
allg
.
Schweizer
.
Gesellsch
.
für
die
gesammten
Natur
wissenschaften
Bd
.
VI
,
1842
,
Tab
.
I
;
aa
,
bb
en g
als
in
fig
.
8
der
vorige
Plaat
;
c
uitwendige
plaat
der
uitwendige
kieuwen
met
de
rugzijde
aan
den
mantel
bevestigd
;
d
inwendige
plaat
der
buitenste
kieuwen
,
e
uitwendige
,
f
inwendige
plaat
der
bin
nenste
kieuwen
;
h hart
,
in
het
midden
door
den
reg
ten
darm
doorboord
.
Fig
.
2.
Solen
legumen
L. bl
.
88
;
naar Poli
Test
.
utr
.
Sicil
.
I
Tab
.
XI
,
fig
.
15.
A
de
voet
,
aan
het
vooreinde
der
schelp
uitstekende
,
B
,
C
de
twee
buizen
(
tracheae
)
achter
uit
de
schelp
te
voorschijn
komende
.
Fig
.
3.
Clio
borealis
GMEL
. ,
bl
.
114
,
naar
ESCHRICHT
,
Anat
.
Unters
.
Tab
.
I
,
fig
.
3
;
het
dier
is
van
de
buikzijde
voorgesteld
;
a
,
a
vinvormige
aanhangsels
;
b
kegel
vormige
aanbangsels
;
c
,
c
tasters
aan
den
kop
;
d
uit
gestulpte
penis
met
eene
blaas
d
'
aan
den
grond
.
Fig
.
4.
Het
centrale
zenuwstelsel
van
Helix
Pomatia
L.
,
naar
BRANDT
en
RATZEBURG
Mediz
.
Zool
.
II
,
Tab
.
34
,
f
.
12
;
vergelijk
bl
.
103
;
1
boven
den
slokdarm
,
2
onder
den
slokdarm
liggende
knoop
.
Fig
.
5.
Bloedsomloop
van
Helix
Pomatia
L.
,
naar
CUVIER
,
als
voorbeeld
der
Pneumonica
bl
.
154
;
a
hart
, c
voor
hof
,
beide
liggen
in
het
geopende
hartezakje
;
b
,
!
slagaderen
;
e
,
e
aderlijke
stroomen
,
waaruit
in
de
ademhalingsholte
de
longaderen
ontspringen
,
die
in
den
stam
d
,
welke
naar
de
voorhof
loopt
,
overgaan
;
*
*
XXIV
VERKLARING
DER
PLATEN
.
onderscheiden
;
door
deze
gaten
heen
ziet
men
op
de
inwendige
vleugelbeenderen
f , f .;
n
,
n
.
schubbeende
ren
(
088a
squamosa
) .
Fig
.
11
en 12
zijn
verkleind
.
Fig
.
13.
Schedel
van
eenen
jongen
Crocodilus
biporcatus
(
II
,
bl
.
541
)
.
*
vierde
tand
der
onderkaak
,
welke
door
eene
sleuf
aan den
buitenrand
der
bovenkaak
wordt
opgenomen
.
In
de
onderkaak
onderscheidt
men
y
.
geledingsdeel
;
x
.
ravenbeks
-
uitsteek
(
os
coronoideum
)
;
v
.
kaakhoeksbeen
(
os
angulare
) ;
u
.
tanddeel
(
os
den
tale
) .
De
overige
letters
komen
met
fiz
.
12
overeen
.
Fig
.
14.
Regter
gedeelte
der
onderkaak
van
Iguana
delicatis
sima
(
Iguana
nudicollis
)
II
,
bl
.
530.
Men
ziet
de
aanhechting
der
tanden
aan
de
binnenzijde
van den
kaakrand
II
,
bl
.
527.
2. os
complementarium
,
ý
os
operculare
;
de
overige
letters
komen
met
fig
.
13
over
een
.
Pl
.
XX
.
Kruipende
dieren
.
Vervolg
en
slot
.
Fig
.
1.
Kop
van
Coecilia
hypocyaneu
naar
een
jong
voorwerp
.
Men
ziet
achter
het
oog
het
kieuwgat
*
.
II
,
bl
.
460
.
Fig
.
2.
Voorste
gedeelte
van
Hypochthon
xanthostictus
Fitz
.
II
,
bl
.
463
;
voor den
drievingerigen
voorpoot
ziet
men
de
groote
kieuwbundels
.
Fig
.
3.
Voorste
gedeelte
van
Amphiuma
tridactylum
II
,
bl
.
464
.
Fig
.
4.
Volwassen
einbryonen
van
Salamandra
atra
II
,
bl
.
468
.
A.
dergelijk
voorwerp
uitgestrekt
;
B. een
zamenge
vouwen
embryo
,
zoo
als
het
in
den
eijerleider
des
moederdiers
ligt
.
Fig
.
5,6,7
.
Kop
van
Homalopsis
angulata
II
,
bl
.
491.
Fig
.
5
van
terzijde
,
fig
.
6
van
boven
;
fig
.
7
kop
van
een
ander
voorwerp
der
zelfde
soort
van
onderen
;
ter
verklaring
van
de
benamingen
der
schilden
bij
de slan
genkoppen
(
zie
de
aanteek
.
II
,
bl
.
485
)
,
gebezigd door
MERREM
(
Systema
Amphibiorum
Praefat
.
XII
,
XIII
)
:
Scutum
vertebrale
(
scuta
vertebralia
) .
6,6
.
Scuta
occipitalia
.
c
,
c
.
Scuta
superciliaria
.
d
.
Scuta
temporalia
.
e
,
e
.
Scuta
frontalia
posteriora
.
f
.
Scuta
frontalia
anteriora
(
een
enkel
sculum
in
het
door
ons
afgeteekend
voorbeeld
)
.
a
.
VERKLARING
DER
PLATEN
.
XXY
n
.
0
.
g
.
Scutum
rostrale
.
h
.
Scuta
ocularia posteriora
.
i
Scuta
ocularia
anteriora
(
scuta
oculure
anterius
) .
k
.
Scuta
lorea
.
m
.
Scuta
marginalia labü
superioris
.
Scutum
labiale
medium
(
Fig
.
7
N.
)
Scuta
labialia
accessoria
(
Fig
.
70
, O )
.
9
.
Scuta
mentalia
(
Fig
.
7
Q
,
Q
)
.
r
,r ,r,r .
Scuta
marginalia
labii
inferioris
(
Fig
.
7
R
,
R
)
.
Fig
.
8.
Kop
van
Vipera
palpebrosa
II
,
bl
.
485
.
Fig
.
9.
Staart
van
dezelfde
soort
van
onderen
gezien
(
Scuta
subcaudalia
integra
) .
Fig
.
10.
Stuk
van den
staart
van
Homalopsis
angulata
II
,
bl
.
491
,
eveneens
van
onderen
gezien
(
Scuta
subcau
dalia
divisa
) .
Fig
.
11.
Kop
van
Amphisbaena
alba
II
,
bl
.
504
.
Fig
.
12.
Kop
van
Chamaesaura
anguina
II
,
bl
.
514.
a
.
oog
met
kleine
oogspleet
tusschen
de oogleden
;
*
uitwen
dige
gehooropening
vóór
het
trommelvlies
;
b
.
voorste
poot
,
niet
in
vingers
verdeeld
.
Fig
.
13.
Regter
achterpoot
van
Platydactylus
guttatus II
,
bl
.
537
,
van
onderen
gezien
;
de
duim
heeft
geen
nagel
.
Fig
.
14.
Achterpoot
en
grond
van den
'
staart
van
eenen
He
midactylus
,
cuv
.
II
,
bl
:
538
,
Stellio
platyurus
van
SCHNEIDER
,
volgens
eene
bij
hem
voorkomende
af
beelding
.
Men
kan
hier
tevens
de
pori
femorales
opmerken
,
waarvan
in
de
systematische
rangschik
king
der
saurü
dikwerf
melding
is
gemaakt
.
Fig
.
15.
Kop
en
linker
voorpoot
van
Platydactylus
vitattus
II
,
bl
.
537
.
Fig
.
16.
Tong
van
Varanus
bivittatus
II
,
bl
.
522
.
Fig
.
17.
Tong
van
Tejus
monitor II
,
bl
.
520
;
nagenoeg
even
eens
gevormd
als
bij
onze
hagedissen
.
Fig
.
18.
Tong
van
Calotes
gutturosus
II
,
bl
.
533
.
Fig
.
19.
Chelonia
imbricata
II
,
bl
.
547
,
gevolgd
naar
BELL
,
British
Reptiles
.
Behalve
deze
figuur
,
die
veel
klei
ner
is
,
dan
het
voorwerp
,
zijn
de
overige
figuren
dezer
plaat
,
alle
in
dezelfde
grootte
als
de
voorwerpen
en
naar
deze
zelve
afgeteekend
.
11.
XXI
.
Vogels
XXVI
VERKLARING
DER
PLATEN
.
>
Fig
.
1.
He
skelet
van
Falco
coerulescens
van
Java
(
II
,
bl
.
807
)
,
in
nat
.
grootte
.
A.
de
schedel
;
B.
de
onderkaak
;
†
het
vierkante
been
;
C.
bet
sleutelbeen
,
furcula
;
0.
ravenbeksbeen
of
tweede
sleutelbeen
;
E.
de
bals
wervels
;
F.
de
rugwervels
;
H.
de
staartwervels
;
L.
het
borstbeen
;
N.
het
schouderblad
;
P.
het
opper
armbeen
;
Q.
het
spaakbeen
(
radius
) ;
R.
de
ellepijp
( ulna
) ;
i
.
de
hand
(
de
letter
is
bij
den
duim
geplaatst
) ;
W.
het
dijebeen
;
X.
het
scheenbeen
;
Y
,
bet
kuit
been
;
n
.
enkel
been
,
dat
de
plaats
van
voetwortel
(
tarsus
)
en
voorvoet
(
metatarsus
)
inneemt
;
1
duim
,
2
binnenste
,
3
middelste
en
4
buitenste
vinger
(
II
,
bl
.
550-555
)
.
De
beenderen
van
de
ledematen
aan
de
regterzijde
zijn
in
deze
figuur
weggelaten
.
Fig
.
2.
Borstbeen
en
sleutelbeenderen
van
denzelfdea
vogel
van
voren
gezien
;
C
,
C
,
0
,
0
,
L.
als
in
de
vorige
figuur
.
Fig
.
3.
Schedel
van
den
struisvogel
,
Struthio
camelus
II
,
bl
.
659
,
van
terzijde
en
verkleind
,
a
voorhoofdsbeen
;
b
neusbeenderen
;
c
bovenkaaksbeen
;
d
jukbeen
(
d '
quadrato
-
jugale
) ;
e
vierkant
been
,
e
'
slaapbeen
,
f
wand
been
,
g
,
g
'
achterhoofdsbeen
,
g
'
onparig
bovenstuk
(
pars
occipitalis
) ,
g
zijdelingsch
achterhoofdsbeen
;
i
tusschenkaaksbcen
;
k
onderkaak
uit
verschillende
beenderen
bestaande
(
u
,
v
,
x
,
y
,
vergelijk
de
krokodil
schedel
.
Pl
.
XIX
.
)
;
I
wiggebeen
;
†
foramen
opticum
;
m
voorste
vleugels
.
Fig
.
4.
Verbinding
van
het
vierkante
been
met
het
os
omoi
deum
aan
de
onderzijde
van
den
schedel
bij
Craz
globicera
.
Vergel
.
II
,
bl
.
556
,
557
,
l .
wiggebeen
,
o
os
omoïdeum
,
p
.
verhemelte
been
,
4.9
.
vierkant
been
Fig
.
5.
Een
hoenderei
,
dat
nagenoeg
24
uren
bebroeid
is
geweest
,
van
boven
gezien
,
doch
zoo
dat
men
van
den
schaal
en
het
schaalvlies
slechts
de
doorsnede
heeft
afge
beeld
;
uit
v
.
BAER
,
Ueber
Entwickelungsgesch
,
der
Thiere
I.
Taf
.
III
,
fig
.
3
;
a
de
schaal
;
b
het
schaal
vlies
,
c
grens
tusschen
het
uitwendige
en
middelste
eiwit
,
c
'
ligamentum
albuminis
van
TREDERN
;
d
grens
tusschen
het
middelste
en
binnenste
eiwit
;
e
,
e
ha
gelsnoeren
;
g
grens
van
het
kiem
vlies
;
g
,
h
de
do
jerkring
;
h
grens
van
de
ruimte
der
vrucht
;
ĥ
,
i
de
VERKLARING
DER
PLATEN
.
XXVII
vaatruimte
;
i
de
ruimte
waarin
het
embryo
ligt
;
men
ziet
dat
als
een
dwarstreep
in
het
midden
dier
ruimte
,
II
,
bl
.
579—581
.
Fig
.
6.
Oog
van
den
zwaan
,
horizontale
doorsnede
,
volgens
D.
W.
SOEMMERRING
.
a
.
gezigtszenuw
,
b
.
Lard
oogvlies
,
c
.
hoornvlies
,
d
.
kristallens
,
e
.
pecten
,
II
,
bl
.
598-600
.
Fig
.
7.
Tong
van
Rhamphastos
(
lingua
pennacea
)
met
het
tongbeen
,
verkleind
,
II
,
bl
.
692
.
Fig
.
8.
Tongbeen
van
Pavo
cristatus
,
verkleind
;
verg
.
II
,
bl
.
597
.
Pl
.
XXII
.
Vogels
.
Pooten
en
koppen
als
kenmerken
van
eenige
familiën
;
bijkans
alle
verkleind
,
naar
zeer
verschil
.
lende
schaal
.
Fig
.
1.
Regterpoot
van
Carbo
II
,
bl
.
625
.
Fig
.
2.
Linkerpoot
van
Larus
II
,
bl
.
627
.
Fig
.
3.
Regterpoot
van
Ibis
II
,
bl
.
641
.
Fig
.
4.
Middelste
nagel
van den
regterpoot
van
Ardea
II
,
bl
.
646
.
Fig
.
5.
Regterpoot
van
Gallus
II
,
bl
.
669
.
Fig
.
6.
Linkerpoot
van
Picus
II
,
bl
.
705
.
Fig
.
7.
Linkerpoot
van
Paralcyon
II
,
bl
.
715
.
Fig
.
8.
Regterpoot
van
Cypselus
II
,
bl
794
.
Fig
.
9.
Regterpoot
van
Caprimulgus
II
,
bl
.
796
.
Fig
.
10.
Regterpoot
van
Haliaèlus
II
,
812
.
Fig
.
11.
Bek
van
Scythrops
II
,
bl
.
626.
.
Fig
.
12.
Kop
van
Phoenicopterus
II
,
bl
.
651
.
Fig
.
13.
Kop
van
Pavo
(
muticus
)
II
,
bl
.
651
.
Fig
.
14.
Kop
van
Certhia
II
,
bl
.
761
.
Fig
.
15.
Kop
van
Anthus
II
,
bl
.
775
.
Fig
.
i6
.
Kop
van
Hirundo
II
,
bl
.
739
.
Pl
.
XXIII
,
XXIV
.
Zoogdieren
.
Schedels
.
Deze
afbeeldingen
zijn
geteekend
naar
voorwerpen
van
'
s
Rijks
Museum
.
Fig
.
3
,
5
,
6
en
7
op
Pl
.
XXIV
zijn
in
natuurlijke
grootte
;
de
overige
afbeeldingen
zijn
in
al
de
afmetingen
verkleind
,
zoo
als
bij
elke
figuur afzonderlijk
is
opgegeven
.
Bij
al
deze
figuren
is
a
het
voorhoofdsbeen
,
o
het
neusbeen
,
c
het
bovenkaaksbeen
,
d
het
jukbeen
,
e
het
slaapbeen
,
f
het
wandbeen
,
g
het
achterhoofds
been
,
i
het
tusschenkaaksbeen
,
k
de
onderkaak
,
>
XXVIII
VERKLARING
DER
PLATEN
.
Pl
.
XXIII
.
Fig
.
1.
Schedel
van
Thylacinus
Harrisi
1/3
II
,
bl
.
902
.
Fig
.
2.
Schedel
van
Manis
javanica
2/3
II
,
bl
.
950.
Hieraan
ziet
men
geen
jukbeen
II
,
bl
.
838
.
Fig
.
3.
Schedel
van
Delphinus
tursio
1/6
II
,
bl
.
910
.
Fig
.
4.
Schedel
van
Hyrax
capensis
2/3
II
,
bl
.
921
.
Fig
.
5.
Schedel
van
Arctomys
monax
1/2
II
,
bl
.
985
.
Fig
.
6
chedel
van
het
paard
,
Equus
Caballus
1/0
II
,
bl
.
927
Pl
.
XXIV
.
Fig
.
1.
Schedel
van
de
Lama
,
Camelus
glama
14
II
,
bl
.
931
.
Fig
.
2.
Schedel
van
Bradypus
cuculliger
23
II
,
bl
.
953
.
Fig
.
3.
Schedel
van
den
Egel
,
Erinaceus
europaeus
II
,
bl
.
1026
.
Fig
.
4.
Schedel
van
Felis
caracal
1/2
II
,
bl
.
998
.
Fig
.
5.
Uiteinde
van
de
onderkaak van
Galeopithecus
varie
gatus
II
,
bl
.
1039
,
van
boven
gezien
om
de
zonder
ling
ingekorvene
snijtanden
te
toonen
.
Fig
.
6.
a
,
b
,
Stenops
javanicus
II
,
1043
.
a onderkaak
van
boven
gezien
;
zes
snijtanden
met
twee
,
digt
daar
tegen
aan
liggende
hoektanden
;
6
bovenkaak
van
voren
gezien
,
twee
snijtanden
en twee
hoektanden
.
Fig
.
7.
Schedel
van
Stenops
potto II
,
bl
.
1042
.
Fig
.
8.
Schedel
van
Hylobates
leuciscus
1
,
II
,
bl
.
1053
,
OVER DE
WEEKDIEREN
IN
HET
ALGEMEEN
(
*
)
.
In
het
voorgaande
deel
hebben
wij
het
grootste
gedeelte
der
dieren
,
die
geen
inwendig
skelet
of
geene
wervelen
bezitten
,
afgehandeld
.
Er
blijven
ons
echter
nog
velen
ler
behandeling
over
,
die
in
het
stelsel
van
LINNAEUS
lot
de
klasse
der
wormen
behoorden
,
maar
welke
door
CUVIER
,
eerst
als
eene
klasse
,
later
als
eene
grootere
groep
,
die
een’hoofd
vorm
(
typus
)
uitmaakt
,
bij
elkander
gevoegd
en
van
de
9
(
*
)
Vergelijk
over
deze
afdeeling
van
het
Dierenrijk
,
onder
anderen
:
M.
LISTER
,
Exercitatio
anatomica
de
Cochleis
maxime
terrestribus
et
Limacibus
.
Londini
1694
,
8º
.
Ejusd
.
Hist
.
sive
Synopsis
method
.
Conchyliorum
et
Tabularum
anatomicarum
editio
altera
.
Recensuit
et
indicibus
auxil
G.
HODES
FORD
.
Oxonii
1770.
folio
.
M.
ADANSON
,
Hist
.
natur
,
du
Sénégal
.
Coquillages
.
Avec
19
pl
. ,
Paris
1757
,
4º
.
J.
1.
POLI
,
Testacea
utriusque
Siciliae
eorumque
historia
et
ana
tome
,
Tabulis
aen
.
illustrata
.
Parmar
.
fol
.
Tom
.
I
,
1791
,
Tom
.
JI
,
1795.
Tom
.
III
.
Pars prima
posthuma
;
edid
.
S.
DELLE
CUTAJE
,
Parmae
1826.
Pars
allera
,
auctore
S.
DELLE
COTAJE
,
Parmae
1827
(
dit
deel
bleef
onvoltooid
) .
COVIER
,
Mémoires
pour
servir
«
l'Histoire
et
à
l'Anatomie
des
Mollusques
,
avec
35
Pl
.
Paris
1817
,
4º
.
Als
bandboeken
kunnen
vooral
geraadpleegd
worden
:
LAMARCK
,
Hisi
.
nat
.
des
Animaux
sans
vertèbres
,
2e
édit
.
par
DESBAYES
el
MILNE
EDWARDS
Tom
,
VI
(
1835
)
—XI
,
1845
;
1.
DOCROTAY
BLAINVILLE
Manuel
de
Malacologie
et
de
Conchyliologie
,
1
vol
.
80.
,
Paris
et
Strasbourg
1825-1827
avec
107
planches
,
en
G. P.
DESDAYES
Traite
elementaire
de
Conchyliologie
,
Paris
1838
et
suiv
.
8º
.
(
tot
nog
toe
zijn
9
afleveringen
in
het
licht
gekomen
)
.
Deze
twee
laatste
werken
zullen
wij
,
behalve
Guérin's
Iconogruphie
,
voor
de
afbeel
dingen
voornainelijk
aan
halen
en
slechts
nu
en
dan
tot
uitgebreider
plaat
werken
verwijzen
,
zoo
als
die
van MARTINI
en
COEMNITZ
,
KIENER
eni
.
PE
II
.
1
OVER
DE
WEEKDIEREN
IN
HET ALGEMEEN
.
overige
wormen
afgescheiden
zijn
(
*
)
.
Daar
zij
in
de
daad
zulk
eene
groep
uitmaken
,
welke
met
die
der
gewervelde
dieren
,
waartoe
vier
klassen
behooren
,
kan
worden
verge
.
leken
,
is
het
niet
ongepast
,
alvorens
wij
tot
de
beschou
wing
der
afzonderlijke
klassen
overgaan
,
die
men
hier
met
meerder
of
minder
regt
heeft
aangenomen
,
op
de
alge
meene
kenmerken
te
wijzen
,
die
de
weekdieren
van
de
overige
wormen
onderscheiden
.
Het
ligchaam
dezer
dieren
wordt
door
eene
weeke
en
steeds
vochtige
huid
bedekt
,
waaraan
de
spieren
bevestigd
zijn
,
en
in
welke
of op
welke
veelal
eene
kalkachtige
afscheiding
plaals
heeft
.
Het
uitwendig
omkleedsel
,
hetwelk
ook wel
mantel
genoemd
wordt
(
hoezeer
eigenlijk
slechts
een
vrij
ver
lengsel
aan
de
rugzijde
dien
naam
behoort
te
dragen
) ,
om
sluit
,
te
gelijk
met
de
ingewanden
,
ook
het
zenuwstelsel
.
De
centrale
deelen
van
dit
zenuwstelsel
bestaan
uit
knoo
pen
,
die
of
eenen
ring
om
den
slokdarm
vormen
of
meer
verspreid
liggen
,
maar
nooit
in
eene
reeks
aan
de
buik
zijde
achter
elkander
liggen
,
zoo
als
bij
de
insekten
.
De
weekdieren
bieden
gewoonlijk
eene
veel
geringere
gelijk
heid van
de
regter
en
linker
helſt
des
ligchaams
aan
,
dan
de
,
vroeger
door
ons
beschouwde
,
gelede
of
de
,
in
het
ver
volg
te
behandelen
,
gewervelde
dieren
.
Vele
hebben
geen
van
het
overige
ligchaam
afgescheiden
hoofd
.
De
zinluigen
zijn
over
het
geheel
weinig
ontwikkeld
.
Bij
de
meest
zamengestelde
weekdieren
nogtans
,
bij
de
Sepiae
en
andere
koppootigen
,
vindt
men
niet
slechts
twee
,
zeer
ontwikkelde
oogen
,
maar
ook
beginsels
van
een
gehoorwerktuig
.
De
(
*
)
Zic
I
,
blz
.
45
en 233.
Bij
de op de
laatstgenoemde
bladzijde
aangehaalde
geschriften
van
Cuvier
behoort
men
nog
te
voegen het
,
in
een
mij
,
verder
niet
bekend
tijdschrift
,
Decade
philosophique
,
geplaatst
opstel
van
dezen
beroemden
man
,
waarvan
ik
een
afzonderlijken
af
druk
heb
voor
mij
liggen
,
getiteld
:
Mémoire
sur
la
structure
interne
et
externe
et
sur
les affinités
des
animaux
auxquels
on a
donne
le
nom
de
Vers
.
Uit
dit
opstel
,
in
1795
in
de
Soc
.
d'Hist
.
nat
.
van
Parijs
voorgelezen
,
blijkt
,
dat
reeds
in
dat
jaar
de
klasse
der
weekdieren
door
CUVIER
onderscheiden
en
even
als
in
zijne
latere
werken
om
schreven
werd
.
OVER
DE
WEEKDIEREN
IN
HET ALGEMEEN
.
5
bewegingen
zijn
over
het geheel
kruipend
en
langzaam
.
Sommige
,
die
in
het
water
leven
,
zijn
onbewegelijk aan
onder
scheidene
voorwerpen
vastgehecht
.
Vele koplooze
tweescha
lige
weekdieren
hebben
wel
eene
springende
beweging
,
doch
deze
is
veel
minder
afwisselend
dan
bij
de
gelede dieren
.
De
mindere
ontwikkeling
van
de
organen
des
dierlijken
levens
is
oorzaak
,
dat
vele
hedendaagsche
schrijvers
nog
altijd
,
gelijk
vroeger
LINNAEUS
,
de
weekdieren
in
de
rangschik
king
van
het
dierenrijk
lager
dan
de
insekten
plaatsen
.
Volkomener
dan
de
organen
van het
dierlijke
leven
zijn
die
van
het
plantaardige
,
die
van
afscheiding
,
voeding
en
voortplanting
.
De
ademhalingswerktuigen
zijn
gewoonlijk
kieuwen
.
Bij
de
meeste
weekdieren
is
een
hart
aanwezig
,
hetgeen
het
slagaderlijk
bloed
uit
de
ademhalingswerktui
gen
ontvangt
en door
slagaderlijke
buizen
in
de
onderschei
dene
deelen
des
ligchaams
verspreidt
.
Haarvaten
ontbreken
en
de
aderen
worden
door
boezems
vervangen
,
die
geene
eigene
wanden
hebben
,
maar
in
de
onderscheidene
ligchaams
deelen
zijn
uitgehoold
.
Het
bloed
der
weekdieren
is
ge
woonlijk
wit
of
witachtig
blaauw
.
Sommige
weekdieren
zijn
tweeslachtig
en
behoeven
eene
wederzijdsche
bevruch
ting
;
bij
andere
zijn
de
geslachten
afgescheiden
.
De
meesten
zijn
eijerleggend
;
bij
anderen
ontwikkelen
zich
de
jongen
in
het
moederlijf
.
De
eijeren
zijn
door
eene
dunne
schaal
(
Chorion
)
omgeven
,
tusschen
welke
en
het
dojervlies
bij
som
mige
eenig
eiwit
inligt
,
en
welke
somtijds
hoorpachtig
en
slechts
zelden
met
kalkachlige
omkorsting
bedekt
is
.
Dik
werf
zijn
de
gelegde
eijeren
trosvormig
verbonden
of
door
eene
geleiachtige
massa
aan
elkander
gekleefd
.
Het
getal
der
op
het
land
levende
soorten
is
gering
in
vergelijking
van
het
veel
grooter
aantal
der
in
zoet-
en
vooral
in
zout
water
levende
soorten
.
Voor
wij
tot
de
verdeeling
der
weekdieren
overgaan
,
moeten
wij
kortelijk
handelen
over
de
schelpen
of
hoorns
,
welke
bij
de
meesten
het
ligchaam
bedekken
.
De
eenschalige
schel
pen
worden
horens
(
cochleae
)
genoemd
,
de
tweeschalige
,
zoo
>
1
*
4
OVER
DE
WEEKDIEREN
IN
HET
ALGEMEEN
.
als
die
der
mossels
,
dragen
den
naam
van
schelpen
(
conchae
) .
Er
zijn
ook
enkele
weekdieren
,
welke
door
vele
schelp
stukken
bedekt
worden
.
Zoodanig
eene
veelschalige
schelp
(
testa
mullivalvis
)
heeft
het
geslacht
Chilon
,
waar
dwarse
,
in
eene
rij
achter
elkander
liggende
,
kalkachtige
platen
den
rug
bedekken
.
De
tweeschalige
schelpen
zijn
aan
de
plaats
,
waar
zij
met
elkander
verbonden
zijn
,
dikker
.
Men
noemt
dit
gedeelte
de
spils
(
apex
) .
Bij
de
spits
zijn
aan
den
rand
,
binnen
in
de
schaal
,
gewoonlijk
uitsteeksels
en
hol
ten
,
die
wederzijds
in
elkander
sluiten
en
aan
welke
men
den
naam
van
scharnier
(
cardo
)
geeft
.
Wanneer
deze
rand
glad
is
,
zegt
men
,
dat
er
geen
slot
of
scharnier
aanwezig
is
(
concha
acardis
) .
Vóór
de
spits
is
eene
kleine
holte
aan
de
schelp
zigtbaar
,
die
men
de
maanswijze
holte
noemt
flunula
,
bij
LINNAEUS
anus
)
;
achter
de
spits
ligt
eene
,
ge
woonlijk
smallere
en
meer
langwerpige
diepte
,
de
spleet
(
fissuru
,
in
het
fransch
écusson
,
bij
LINNAEUS
vulva
)
.
Hierop
ligt
gewoonlijk
de
band
der
twee
schalen
(
ligamentum
) ,
gevormd
door
veerkrachtige
,
hoornachtige
vezels
,
die
dwars
van
de
cene
schaal
naar
de andere
loopen
.
Waar
deze
band
,
gelijk
bij
de
meeste
tweeschalige
weekdieren
,
aan
de
buitenzijde
der
schelpen
is
ingehecht
, is
het
blijkbaar
,
dat
door
zijne
zamentrekking
de
schelpen
geopend
worden
.
Doch
ook
,
waar
de
band inwendig
geplaatst
is
,
worden
door
zijne
veerkracht
de
twee
schalen
van
elkander
ver
wijderd
,
terwijl
hier
de
vezels
bij
de
geslotene
schelp
door
geweld
ziju
zamengeperst
.
Bij
die
tweeschalige
schelpdie
ren
,
die
zich
vrij
bewegen
,
is
de
opening
naar
beneden
,
de
spils
naar
boven
en
de
band
naar
achteren
gekeerd
.
LIN
Nakus
stelde
bij
zijoe
beschrijving
de
tweeschalige
schelpen
met
de
spils
naar
beneden
,
en
keerde
den
band
naar
vo
BLAINVILLE
gaf
daarentegen
bij
zijne
beschrijving
aan
de
schelp
dien
stand
,
welken
wij
hebben
aangewezen
(
*
)
.
(
*
)
Hetgeen
bij
Linnaeus de
regter
en
linker
schaal
is
blijft
echter
ook
dien
naam
houden
,
omdat
hij
niet
slechts
de
schelp
het
onderst
hoven
keerde
,
maar
ook
het
voorste
gedeelte
naar
achteren
plaatste
.
ren
.
OVER
DE
WEEKDIEREN
IN
HET
ALGEMEEN
.
Bij
de
horens
(
cochleae
,
teslae
univalves
,
subbivalves
)
is
men
gewoon
de
volgende
doelen
le
onderscheiden
.
Het
uileinde
der
windingen
noemt
men
spils
(
apex
)
,
welke
in
het
levend
en
zich
voortbewegend
dier
naar
boven
en
achteren
is
gekeerd
.
Gewoonlijk
loopt
hier
de
holte
van
den
horen
in
een
punt
uit
,
doch
somtijds
in
de
spils
waterpas
afgeknot
(
apex
decollatus
s
.
truncatus
) ,
hetgeen
men
niet
met
eene
loevallig
afgebrokene
spits
verwarren
moet
,
welke
steeds
eene
opening
overlaat
.
Bij
sommige
eenschalige
schelpen
(
200
als
bij
het
geslacht
Palella
) is
de
holle
tusschen
de
spirs
en
de
opening
noch
regts
of
links
,
noch
voor-
of
achterwaarts
gedraaid
.
Bij
de
meesten
daarentegen
is
deze
holte
gewonden
.
Gewoonlijk
loopen
alsdan
deze
windingen
schuins
van
boven
naar
beneden
(
gedraaide
horen
,
cochlea
turbinata
et
turrita
) ;
doch
bij
anderen
loopen
de
windingen
dwars
van
de
linker-
naar
de
reglerzijde
,
waarbij
de
laatsle
winding
de
overigen
van
buiten
omsluit
(
testa
convoluta
s
.
involuta
,
de
opgeroldo
horen
,
b
.
v
.
bij
de
geslachten
Conus
en
Oliva
)
,
terwijl
nog
andere
horens
in
cene
en
dezelfde
vertikale
vlakte
gewon
den
zijn
,
van
achteren
naar
voren
en
van
boven
naar
be
neden
(
in
zich
zelven
gewonden
horen
,
cochlea
revoluta
,
zoo
als
bij
het
geslacht
Nautilus
) .
De
opening
(
apertura
)
der horens
slaat
tegen
de
spits
over
.
Dat
gedeelle
der
holte
,
hetgeen
men
binnen
in
den
mond
kan
zien
,
noemt
men
de
keel
(
faux
).
De
mond
voren
met
eene
bogt
uitgesneden
zijn
(
apertura
emarginata
) .
Wanneer
bij
van
voren
in
eene
buis
uitloopt
(
apertura
canalifera
),
dau
noemt
men
die
buis
den
staart
(
cauda
s
.
rostrum
) .
Men
onderscheidt
aan
den
mond
den
buiteprand
(
labium
exterius
s
.
labrum
)
van
den binnen
rand
(
labium
internum
s
,
margo
columellaris
) .
De
zuil
(
columella
)
noemt
men
dat
deel
,
hetwelk
in
het
midden
van
den
horen
regt
van
de
spils
naar
de
opening
loopt
,
en
om
hetwelk
,
als
om
eene
spil
,
de
windingen
zich
draai
jen
.
Niet
bij
alle
borens
is
zulk
eene
kalkachtige
spil
aanwezig
;
om
dit
deel
duidelijk
te
zien
,
moet
men
zich
van
.
19
OVER
DE
WEEKDIEREN
IN
HET
ALGEMEEN
.
uitspande
,
zoodat
deze
plooijen
verdwenen
(
*
) .
Bijzonder
schoon
zijn
deze
kleurspelingen
bij
het
geslacht
Haliotis
,
waarvan
de
Japanners
eene
soort
bezigen
om
er
verlakt
huisraad
mede
te
versieren
.
Wanneer
het
vocht
,
hetwelk
deze
binnenste
laag
der
schelpen
vormt
,
in
de
gedaante
van
kleine
droppels
wordt
uitgestort
,
ontstaan
er
paarlen
,
die
menigmaal
eene
zeer
onregelmalige
gedaante
hebben
.
Deze
kunnen
gevolgelijk
in
zeer
verschillende
soorten
van
schelpen
ontstaan
,
ook
in
gewondene
,
eenschalige
sehelpen
of
horens
;
doch
ont
staan
zij
gewoonlijk
in
tweeschaligen
en
vooral
in
de
Me
leagrina
margaritifera
en
Unio
margaritiferus
.
De
eerste
soort
van
schelpdieren
wordt
in
den
Perzischen
zeeboezem
gevischt
,
de
laatste
vindt
men
in
zoet
water
in
onder
scheidene
deelen
van
Europa
en
ook
in
ons
vaderland
.
Volgens
HOME
zouden
de
paarlen
onontwikkelde
eijeren
tot
kern
hebben
,
welke
bij
toeval
aan
de
buitenzijde
van
den
mantel
binnen
de
schelp
gebleven
waren
.
Zulks
kan
dik
werf
het
geval
zijn
,
maar
er
is
geene
reden
om
de
vor
ming
der
paarlen
niet
ook
aan
andere
,
op den
mantel
wer
kende
prikkels
toe
te
schrijven
.
Men
heeft
althans
waar
genomen
,
dat
beschadigingen
van
de
schelpen
en
door
boorwormen
veroorzaakte
beleedigingen
de
voortbrenging
van
paarlen
ten
gevolge
hadden
;
en
het
geheim
van
LINNAEUS
om
de
voortbrenging
der
paarlen
(
bij
Unio
)
te
bevorde
ren
,
bestond
hoogst
waarschijnlijk
in
het
op
verschillende
plaatsen
doorboren
der
schaal
bij
de
schelpdieren
,
welke
men
lot
deze
proeven
wilde
bezigen
(
)
.
.
(
*
)
Annals
of
nat
.
History
XII
,
p
.
382
.
(
+
)
Vergelijk
CHEMNITZ
,
Vom
Ursprunge
der
Perlen
,
Naturforscher
,
XXV
,
Halle
1791
,
S.
122–130
en
BECKMANN's
Geschichte
der
Erfin
dungen
,
aldaar
aangehaald
.
–
Over den
oorsprong
der
paarlen
uit
eijeren
der
schelpdieren
zie
men
Phil
.
Transact
.
1674
,
vol
.
IX
,
p
.
11
,
12
,
en
vooral
E.
10ME
in
Phil
.
Transact
.
for
the
Year
1826
,
Part
.
3
,
p
.
338-341
.
Deze
bijzonderheid
was
reeds
in
1673
door
zekeren
Deen
,
I.
ARNOLDI
te
Christiania
in
Noorwegen
,
waargenomen
.
OVER
DE
WEEKDIEREN
IN
HET
ALGEMEEN
.
13
De
schalen
der
weekdieren
maken
door
hare
verschei
denheid
in
kleur
en
gedaante
geen
gering
sieraad
van
de
verzamelingen
van
natuurlijke
bistorie
uit
.
De
kennis
der
conchyliologie
is
voor
den
geoloog van het hoogste
belang
,
daar
de
versteende
en
uilgestorvene
soorten
tot
onderschei
ding
der
verschillende
lagen
gewigtige
kenmerken
opleveren
.
Doch
daarenboven
heeft
de
kennis der
weekdieren
voor
de
algemeene
physiologie
groote
waarde
.
Aan
den
vermaarden
Deenschen
dierkundige
der
vorige
eeuw
0. F.
MULLER
komt
vooral
de
eere
loe
,
dit
gedeelle
der
natuurlijke
geschie
denis
van
eene
liefhebberij
van
verzamelaars
tot
eene
we
tenschappelijke
bezigheid
van
natuurkenners
te
hebben
ver
heven
;
met
nadruk vermaande
hij
,
dat
men
in
het
vervolg
zich
;
niet
bij
eene
enkele
beschouwing
van
het
huis
of
de
schelp
bepalen
,
maar
bovenal
op
een
naauwkeurig
onderzoek
van
den
bewoner
moest
toeleggen
(
*
)
.
Reeds
hadden
onze
swam
MERDAM
en
MARTINUS
LISTER in
Engeland
het
inwendig
zamenstel
van
sommige
weekdieren
onderzocht
.
Poli
en
Cuvier
maakten
dit
onderzoek
tot
een
hoofdonderwerp
hupner
veelvuldige
nasporingen
,
en
zoo
werd
in
de
laatste
vijftig
jaren
,
en
ook
in
ouze
dagen
door
de
onderzoekingen
van
DELLE
CHJAJE
,
owex
en
anderen
,
een
vrij
en
helder
overzigt
verkregen
OWEN
van
een
,
vroeger
bijkans
onbekend
veld
der
vergelijkende
ontleedkunde
.
Dit
was
een
onberekenbaar
gewin
voor
deze
wetenschap
,
welke
,
zoo
zij
werkelijk
op
de
physio
logie
eenen
gewigligen
invloed
zal
uitoefenen
,
geenszins
lot
eenige
weinige
dierklassen
beperkt
,
maar
in
de
daad
vergelijkend
en
algemeen
vergelijkend
behoort
te
wezen
.
Sommige
weekdieren
hebben
geen
van
het
ligchaam
af
gescheiden
hoofd
.
De
hoofdmassa
van het
zenuwstelsel
ligt
hier
niet
bij
of
boven
den
mond
,
maar
,
zoo
op
die
plaats
ze
nuwknoopen
gevonden
worden
,
moeten
zij
in
ontwikkeling
en
groolle
voor
andere
zenuwknoopen
onderdoen
;
gcene
ze
*
)
Zie
zijne
Vermium
ierrestrium
et
fluviatilium
Historia
,
Hau
niae
1774
,
4
°
.
Tom
.
II
.
Praefat
.p.1
.
14
OVER
DE
WEEKDIEREN
IN
HET
ALGEMEEN
.
nuwen
voor
bijzondere
zintuigen
ontspringen
uit
de
zenuw
massa
,
die
boven
den
slokdarm
ligt
.
De
mond
gaat
on
middellijk
in
den
slokdarm
over
en
heeft
geene
kaken
of
tong
.
Men
noemt
deze
koplooze
weekdieren
(
Acephala
) .
De
andere
weekdieren
bezitten
een
min
of
meer
duidelijk
afgezonderd
hoofd
.
Deze
hoofddragende
weekdieren
(
Cepha
lophora
of
mollusca
encephala
)
zijn
volkomener
bewerk
tuigd
en
slechts
onder
hen
vindt
men
ook
soorten
,
die
op
het
land
leven
;
de
meeste
soorten
echter
leven
in
het
water
,
even
als
al
de
koplooze
weekdieren
.
De
laatstge
noemde
weekdieren
kunnen
tot
twee
klassen
gebragt
wor
den
,
die
der
naakte
en
tweeschalige
koplooze
weekdieren
.
ELFDE
KLASSE
.
HUIDZAKDIEREN
(
TUNICATA
)
(
* ) .
De
hoidzakdieren
zijn
koplooze
weekdieren
zonder
schaal
.
Het uitwendig
bekleedsel
is
met
twee
openingen
doorboord
,
maar
overigens
zakvormig
en
gebeel
gesloten
,
van
verschil
lende
dikte
en
hardheid
,
bij
sommigen
geleiachtig
,
bij
ande
ren
lederachtig
.
Het
bestaat
uit
een
weefsel
,
dat
somtijds
vrij
zamengesteld
is
,
cellen
,
vezels
,
kernen
,
ook
kristallen
van
koolstofzuren
kalk
insluit
,
en
waarvan
de
grondzelf
standigheid
geen
stikstof
,
maar
alleen
zuur-
en
waterstof
bevat
en
in
zamenstelling
met
het
plantencellen
-
vlies (
cel
lulose
)
overeenkomt
,
gelijk
door
C.
Schmidt
het
eerst
bij
Ascidia
mammillaris
onidekt
werd
(
t
)
.
Het
darmkanaal
vormt
bij
de meeste
Salpae
eenige
krop
kelingen
,
die
in
een
kluwen
vereenigd
zijn
,
dat
slechts
een
klein
gedeelte
van
de
ligchaamsholte
inneemt en waaraan
FORSKAL
in
zijne
beschrijvingen
den
onbeteekenenden
naam
van
Nucleus
gegeven
heeft
.
Bij
Salpa
pinnata
s
.
cristata
0
(
*
)
Vergelijk
over
deze
klasse
:
COTIER
Mémoire
,
sur
les
Thalides
et
les
Biphores
.
Ann
.
du
Mu
séum
IV
,
1804
,
p
.
360—382
,
Pl
.
68
[
Mémoires
sur
les
Mollusques
Nº
.
19
]
;
Memoire
sur
les
Ascidies
et
leur
Anatomie
,
Mém
.
du
Muséum
,
II
,
1815
,
p
.
10–39
,
Pl
.
1–0
[
[
Mém
.
sur
les
Mollus
.
ques
,
Nº
.
20
)
.
J.
C.
SAVIGNY
,
Mémoires
sur
les
animaux
sans
vertèbres
II
,
pre
mier
fascicole
,
Paris
1816
,
8
°
.
(
+
)
Zur
vergleichenden
Physiologie
der
wirbellosen
Thiere
,
1845
,
S.
62–65
.
Citroerige
mikroskopische
onderzoekingen
nopens
het
maak
sel
der
uitwendige
bekleedsels
bij
vele
tunicata
,
door
schoone
afbeel
dingen
opgebelderd
,
garen
ons
löwig
en
BÖLLIKER
,
Ann
.
des
Sc
.
na
tur
.
3ième
Série
V
,
1816
,
p
.
193—238
.
16
HUIDZAKDIEREN
.
cuv
.
nogtans
loopt
het
darmkanaal
regt
van
den
mond
naar
den
tegenovergestelden
kant
en
heeft
,
digt
boven
en
achter
den
mond
,
eene
blind
uitloopende
en
in
tegenovergestelde
rigting
liggende
verwijding
of
maag
.
De
mond
is
inwendig
gelegen
en
eigenlijk
slechts
het
,
met
eenen
gekronkelden
zoom
omboorde
begin
van
den
slokdarm
.
Eene
groeve
in
het
midden
des
ligchaams
loopt
van
die
opening
des
alge
meenen
omkleerdsels
,
waardoor
het
waler
wordt
ingelaten
,
naar
dezen
aanvang
van
den
slokdarm
,
en
dient
waar
schijnlijk
om
het
voedsel
,
dat
met
het
water
wordt
aan
gevoerd
,
derwaarts
te
geleiden
.
Bij
de
Ascidiac
vormt
het
darmkanaal
gewoonlijk
twee
bogten
,
die
tegen
elkander
aanliggen
,
en
welke
met
de
bolle
zijde
naar
achteren
gekeerd
zijn
.
Het
darmkanaal
vangt
in
den
grond
der
kieuwholte
aan
,
en
wordt
naar
achteren
enger
.
De
maag
vertoont
zich
somlijds
slechts
als
eene
voorste
verwijding
van
den
darm
,
die
niet
scherp
is
afgescheiden
;
bij
anderen
is
hare
gedaante
langwerpig
rond
,
zoo
als
bij
Didemnum
en
Botryllus
(
*
)
.
Het
uiteinde
van
het
darmkanaal
klimt
hooger
dan
de
aanvang
van
den
slokdarm
op
,
in
de
rigting
van
de
tweede
pijpvor
mige
opening
van
het
buitenste
omkleedsel
des
ligehaams
.
De
lever
ligt
als
eene
laag
van
klieren
op
de
wanden
van
de
maag
of het
darmkanaal
.
Speekselklieren
heeft
men
evenmin
als
bij
de
tweeschalige
weekdieren
waargenomen
.
De
bloedsomloop
der
tunicata
biedt
het
merkwaardig
verschijnsel
aan
,
dat
de
rigting
,
waarin
het
bloed
van
en
tot
het
hart
stroomt
,
zich
bij
tusschenpoozen
geheel
omkeert
,
zoodat
het
hart
beurtelings
het
bloed
naar
de
(
*
)
Zie
SAVIGNY
Mem
.
II
,
Pl
.
XX
,
XXI
.
Over
liet
darmkanaal
van
Ascidia
vergelijke
men
covier
,
Ascidies
Pl
.
I ,
fig
.
5
;
Catalogue
of
the
physiol
.
series
of
comp
.
Anat
.
of
the
Museum
of
the
Royal
College
of
Surg
.
1
,
Pl
.
5
,
fig
.
1
,
Phallusia
nigra
sav
.
,
en
VAN
BE
NEDEN
,
Recherches
sur
l’Embryogenie
,
l'Anatomie
et
la
Physiologie
des
Ascidies
simples
,
Mém
.
de
l'Acad
.
royale
de
Belgique
,
'
Tome
XX
,
1846
,
P
!
I
,
fig
.
6
.
HUIDZAKDIEREN
.
17
HASSELT
kieu
wen
sluwt
,
en
aderlijk
kan
genoemd
worden
,
beur
telings
het
bloed
uit
de
kieuwen
ontvangt
en
,
gelijk
bij
de
overige
ongewervelde
dieren
,
slagaderlijk
is
.
Deze
bij
zonderheid
werd
het
eerst
in
1821
door
VAN
bij
Salpa
ontdekt
(
*
) ,
maar
is
daarna
door
LISTER
,
MILNE
EDWARDS
,
VAN
BENEDEN
en
anderen
,
bij
onderscheidene
soorten
van
eenvoudige
en
zamengestelde
Ascidiën
waar
genomen
,
zoo
dat
men
haar
veilig als
eene
algemeene
eigenschap
der
dieren
dezer
klasse
beschouwen
mag
.
Het
hart
heeft
eene
langwerpige
gedaante
en
vertoont
geene
plotselinge
uitzetting
en
zamentrekking
,
maar
eene
golfs
gewijs
voortgaande
zamensnoering
en
verwijding
,
welke
aan
de
peristaltische
beweging
van
het
darmkanaal
gelijk
vormig
is
.
Behalve
in
de
grootere
vaalstammen
beweegt
zich
het
bloed
in
tusschenruimten
,
die
geene
afzonderlijke
wapden
bezitten
.
De
ademhalingswerktuigen
zijn
kieuwen
,
welke
van
die
der
tweeschalige
weekdieren
zeer
verschillen
.
Bij
het
ge
slacht
Salpa
strekt
zich
de
kieuw
als
een
,
schuins
jo
de
lengte
loopende
band
,
met
vele digt
bijeenliggende
,
dwarse
groeven
in
de
bionenste
holte
van het
pijpvormig
ligchaam
uit
.
Bij
de
Ascidiën
vormt
het
ademhalingswerktuig
eenen
zak
,
in
wiens
bodem
de
ingang
tot
den
slokdarm
ligt
.
Het
zeer
dunne
vlies
,
waaruit deze zak
bestaat
,
vertoont
dwarse
en
overlangsche
,
elkander
als
een
traliewerk
onder
regte
hoeken
kruisende
strepen
,
waaraan
een
netwerk
van
bloed
vaten
beantwoordt
.
Zoowel
de
kieuwen
der
salpae
als
die
der
Ascidiën
zijn
met
trilharen
bedekt
(
+
)
.
(
*
)
Alg
.
Konst-
en
Letterbode
1822
,
I.
b
)
.
115
,
116
(
vertaald
in
Ann
.
des
Sc
.
nal
.
II
,
p
.
78—81
)
.
Later
nam
MEYEN
op
zijne
reis
deze
bloedbeweging
in
twee
tegenovergestelde
rigtingen
mede
bij
Salpa
waar
;
Act
.
Acad
.
Caes
.
Leop
.
Carol
.
XVI
.
I
,
p
.
377.
Hiermede
is
eeniger
mate
te
vergelijken
,
hetgeen
over
de
onbestendigheid
der
rigting
van
den
bloedstroom
bij
Nephelis
door
J.
MÜLLER
(
MECKEL'S
Archiv
1828
,
S.
22—29
)
en
bij
jonge
bloedzuigers
door
E.
H.
WEBER
(
ibid
.
p
.
399
,
400
)
waargenomen
werd
.
(
+
)
MILNE
EDWARDS
en
reeds
voor
hem
Listeỉ
nemen
in
den
kieuw
II
2
18
HUIDZAKDIEREN
.
Mannelijke
en
vrouwelijke
voortplantingswerktuigen
zija
,
althans
bij
de
Ascidiën
,
in
een
individu
vereenigd
.
Dik
werf
zijn
zij
innig
met
elkander
verbonden
en
alleen
door
de
mikroskopische
onderzoeking
van
het
contentum
te
onderscheiden
.
Sommige
Ascidiae
,
zoo
als
Ascidia
ampul
loides
V.
BENED
. ,
hebben
een
geheel
parigen
toestel
van
geslachtsdeelen
,
die
achter
in
den
ingewandszak
aan
weers
zijde
op
het
darmkanaal
ligt
.
Bij
sommigen
ontbreekt
de
eijerleider
,
bij
anderen
vindt
men
geen
vas
deferens
;
een
enkel
lang
,
gekronkeld
kanaal
,
hetgeen
bij
de
zamengestelde
Ascidiae
aanwezig
en
veelal
als
eijerleider
beschouwd
is
,
inoet
,
volgens
MILNE
EDWARDS
,
voor
het
vas
deferens
gehou
den
worden
.
Bij
de
Ascidiën
vindt
men
,
behalve
de
ge
wone
voortplanting
door
bevruchte
eijeren
,
ook
nog eene
vermenigvuldiging
door
knoppen
(
*
)
.
Het
zenuwstelsel
biedt
eenen
enkelen
knoop
aan
,
die
bij
de
Ascidiae
op
het binnenste
bekleedsel
des
ligchaams
,
dat
men
gewoonlijk
als
mantel
beschouwt
,
lusschen
de
twee
buizen
,
waarin
het
ligchaam
verlengd
is
,
gelegen
is
.
Behalve
andere
zenuwen
,
die
uit
dezen
knoop
uitstralen
,
ontspringt
daaruit
ook
een
zenuwring
,
die
de
buis
,
waardoor
het
water
indringt
(
de
mond-
en
ademhalingsbuis
)
,
schijnt
te
omsluiten
.
Andere zenuwknoopen
,
die
door
sommige
schrij
vers
bij
Ascidiën
worden
opgegeven
,
zijn
voor
het
minst
als
zeer
twijfelachtig
aan
te
merken
(
) .
Bij
Salpa
ligt
een
zak
spleetvormige
openingen
tusschen
de
vierkante
mazen
aan
,
eene
soort
van
stigmata
,
waardoor
het
water
uit
dien
zak
gedreven
wordt
(
MILNE
EDWARDS
,
Observ
.
s
.
l
.
Asc
.
comp
.
p
.
17—20
)
.
Het
is
moeije
lijk
,
bij
in
wijngeest
bewaarde
voorwerpen
te beslissen
of
het
waarlijk
openingen
,
dan
wel
met
een
doorschijnend
vlies
geslotene
ruimten
zijn
.
(
*
)
Vergelijk
over
eenige
meerdere
bijzonderheden
de
afzonderlijke
behandeling
der
geslachten
in
het
systematisch
overzigt
,
waarin
wij
ook
de
merkwaardige
voortplanting
der
Salpae
behandeld
hebben
.
(
+
)
Zoo
vermeldt
scoalk
,
wiens
Dissert
.
de
Ascidiarum
Structura
ik
slechts
uit
aanhalingen
ken
,
eenen
zenuwknoop
in
het
achterlijf
tusschen
de
darmkronkelingen
;
GRANT
spreekt
zelfs
van
drie
knoopen
,
HUIDZAKDIEREN
.
19
de
knoop
(
of
eene
uit
meerdere
vereenigde
knoopen
gevorm
de
zenuwmassa
)
digt
achter
de
voorste
,
breedere
ope
ning
aan
naar
boven
gekeerde
vlakte
des
lig
chaams
(
*
)
.
Vele
zenuwtakken
loopen
straalswijze
uit
deze
zenuwmassa
uit
.
Sporen van
zintuigen
ontbreken
niet
geheel
.
Bij
de
Ascidiae
ziet
men
aan
de
kieuwopening
een
krans
van
draadvormige
,
somtijds
vingerswijs
ingesnedene
of
gevederde
voelertjes
.
Bij
de
Salpae
ligt
voor
de
centrale
massa
van
het
zenuwstelsel
een
langwerpig
deel
van
eene
langwerpige
gedaante
,
uit
twee
bladen
bestaande
,
die
een
inwendigen
gladden
en
eenen
uitwendigen
gestreepten
rand
bezitten
,
het
welk
ESCHRICHT
als
een
werktuig
tot
het
gevoel
die
nende
beschouwt
en
met
de
vier
blaadjes
,
die
den
mond
bij
de
tweeschalige
weekdieren
omgeven
,
vergelijkt
.
Ook
gezigtswerktuigen
zijn
bij
de
Ascidiae
waargenomen
.
Men
vindt
,
zoowel
om
de
kieuwopening
des
inantels
als
rondom
de
opening
,
naar
welke
het
uiteinde
des
darm
kanaals
loopt
,
een
kring
van
oogstipjes
,
dikwerf
van
eene
gele
of
roode
kleur
(
t
)
.
Bij
Salpa
ligt
boven
den
zenuw
Outlines
of
comp
.
Anal
.
1811
,
p
.
205
,
206
.
Verg
.
over
het
zenuw
stelsel
der
Ascidiae
,
COVIER
Sur
les
Ascidies
p
.
15.
Pl
.
II
,
fig
.
2
,
c
.
fig
,
5
,
g
.
Savigny
Mém
.
2
,
p
.
117
,
118.
Pl
.
X
,
fig
.
2
,
1 D.
enz
.
(
*
)
Deze
ligging
van
het
centrale
deel
des
zenuwstelsels
deed
ESCH
RICOT
aan
die
vlakte
den
naam
van
buikzijde
geven
.
Zie
over
het
zenuwstelsel
van
Salpu
METEN
)
.
I.
S.
395
,
en
de
afb
. ,
ESCARICAT
Anat
.
physiol
.
Undersögelse
over
Salperne
.
Kjöbenhavn
1840.
4
°
.
(
afgedrukt
uit
de
Vidensk
.
Selsk
.
Naturvid
.
og
math
.
Skr
.
VIII
)
p
.
12–14
,
Tab
.
I ,
fig
.
3
u
,
Tab
.
II
,
fig
.
8
u
,
fig
.
12
;
MILNE
EDWARDS
in
cov
.
R.
ani
.
,
éd
.
ill
.
,
Mollusq
.
Pl
.
120
,
fig
.
10 a
.
Pl
.
121
,
fig
.
2a
h
,
fig
.
26
.
(
+
)
Grant
,
Outlines
p
.
361
,
zegt
,
dat
er
bij
Ascidia
(
Phallusia
)
intestinalis
acht
roode
oogstipjes
rondom
de
kieuwopening
en
zes
rond
om
de
uitloozingsbuis
liggen
;
zoo
ook
volgens
de
onderzoekingen
van
WILL
bij
andere
soorten
van
Cynthia
sav
.
en
Clavelina
.
Bij
eene
soort
van
Ascidia
,
door
hem
Ascidia
vitrea
genoemd
,
vond
V.
BENEDEN
acht
oogen
aan
beide
openingen
;
Rech
,
s
.
l
.
Ascid
.
simples
p
.
61.
Pl
.
20
HUIDZAKDIEREN
.
knoop
een
gesteeld
,
door
pigment
omgeven
deel
,
hetgeen
volgens
MILNE
EDWARDS
als
een
gezigtswerktuig
beschouwd
moet
worden
(
*
)
.
Het
spierstelsel
bij
Ascidiae
bestaat
uit
eene
laag
van
vezels
,
die
over
het
inwendige
ligchaamsbekleedsel
(
den
zoogenoemden
mantel
)
elkander
kruisen
,
maar
vooral
in
de
lengte
loopen
.
Bij
de
Salpae
ziet
men
van
elkander
afstaande
spierbanden
,
die
als
aan
de
eene
zijde
niet
ge
heel
geslotene
dwarsgordels
de
binnenste
holte
des
ligchaams
,
de
ademhalingsruimte
,
omgeven
.
Deze
banden
bestaan
uit
vezels
,
die
aan
elkander
evenwijdig
in
de
rigting
der
lengte
van
de
banden
loopen
eu dus
met
de
lengte
-
as
des
ligchaams
eenen
regten
hoek
maken
.
Over de
plaatsing
dezer
dieren
in
het
natuurlijk
stel
.
sel
kan
,
wanneer
men
ze
lot
den
algemeenen
typus
der
weekdieren
brengt
,
geen
twijfel
zijn
.
Zij
moeten
namelijk
als
de
onvolkomenste
afdeeling
dezer
dieren
beschouwd
worden
,
die
zich
het
naast
aan
de
tweeschalige
aansluiten
.
De
zamengestelde
Ascidiën
en
de
voortplanting
door
knop
vorming
herinneren
ons
aan
lagere
dieren
,
uit
de
klasse
der
Veelvoeten
.
Meer
bijzonder
komen
de
Ascidiën
met
de Bryozoa
overeen
(
vergel
.
I
,
bl
.
115
)
,
maar
liever
nog
IV
,
fig
.
2.
Bij
Ascidia
ampulloides
V.
Ben
,
kan
men
dergelijke
oog
·
stipjes
niet
waarnemen
,
maar
heeft
het
jonge
,
zich
nog
vrij
bewegende
dier
een
of
twee
zwarte
oogstipjes
;
ald
.
p
.
40
.
(
*
)
Zie
de
aangehaalde
figuren
in
de
nieuwe
uitgave
van
COVIER
R.
ani
.
;
dat
reeds
Meyen
dit
,
boven
de
centrale
zenuwmassa
liggend
,
knopvormig
deel
zag
,
geloof
ik
uit
zijne
afbeelding
Tab
.
XXVII
,
fig
.
18
te
mogen
opmaken
.
Ook
DELLE
COLAJE
heeft
in
zijne
Descr
.
e
notom
.
degli
anim
.
ino
.
,
volgens
de
aanhaling
van
v
.
Siebold
,
hetzelfde
deel
gekend
,
hel
welk
naar de
meening
van
den
laatstgenoemden
Schr
.
als
gehoorwerktuig
zou
te
beschouwen
zijn
;
Lehrb
.
d
.
vergl
.
Anat
.
I.
S.
260.
Bij
Chelyo
soma
Macleayanum
van
SOWERBY
vond
ESCIR
.
in
de
nabijheid
van
den
zenuwknoop
ecne
blaas
met
witte
stof
gevuld
,
en een
daarmede
verbonden
kolfvormig
deel
,
hetwelk
hij
voor
een
gehoororgaan
aanziel
.
Vid
.
Selsk
.
natur
rid
.
og
math
.
Skrivter
IX
.
1842
,
p
.
9
.
HUIDZAKDIEREN
.
21
zouden
wij
deze
laatsten
met
de
Mollusca
vereenigen
,
dan
,
uilboofde
dezer
verwantschap
,
de
Tunicata
van
de
Mol
lusca
afscheiden
.
Men
viodt
soorten
van
deze
klasse
in
alle
zeeën
.
De
Salpae
zijn
talrijk
in
de
Middellandsche
zee
en
in
den
Oceaan
,
vooral
tusschen
den
50
°
en
40
°
N. en
Z.
B
.;
in
koudere
gewesten en
op
hooge
breedten
komen
zij
minder
voor
,
hoezeer
zij
zich
echter
tot
den
50
°
N. en
Z. breedte
uitstrekken
,
en
zelfs
eenmaal
in
de
nabijheid
der
Noorweegsche
kust
,
tot
bijkans
op
62
°
N.
B.
zijn
waargenomen
(
*
)
.
Aan
de
kusten
komen
zij
overigens
slechts
zelden
,
maar
houden
zich
bij
voorkeur
in
de
opene
zee
,
ver
van
het
vasle
land
op
.
Ascidiën
,
zoowel
zamen
gestelde
als
eenvoudige
,
komen
op
veel
hoogere
breedten
voor
;
Boltenia
ovifera
werd
in
Straat
Davis
op
69
°
N.
B.
,
Synoicum
turgens
werd
op de
reis
van
Phipps
,
aan
de
noordkust
van Spitsbergen
ontdekt
.
Van
alle
vormen
,
ja
zelfs
van
de
meeste
ondergeslachten
vindt
men
soorten
in
de
Middellandsche
zee
;
het
schijnbaar
overwigt
in
aantal
van
soorten
in
die
zee
,
boven
alle
andere
,
zal
echter
wel
vooral
daaraan
zijn
toe
te
schrijven
,
dat
hare
voortbreng
sels
meer
aanhoudend
door
talrijke
waarnemers
onder
zocht
zijn
,
dan
die
der
overige
zeeën
.
(
*
)
In
het
najaar
van
1839
in
groot
aantal
bij
het
eiland
Breman
ger
;
SARS
,
Fauna
littoralis
Norvegiae
.
Christiania
,
1846
,
folio
p
.
63
.
28
CL
.
XI
.
TUNICATA
.
gemeenschappelijke
centrale
holte
,
waarin
de
achterste
openingen
der
afzonderlijke
diertjes
uitkomen
.
Bij
andere
soorten
staan
de
af
zonderlijke
diertjes
niet
kringvormig
oun
zulk
eene
holte
en
liggen
de
twee
openingen
van
het
ligchaam
digter
bijeen
.
De
algemeene
massa
is
met
kanalen
doortrokken
.
Hiertoe
behooren
de
soorten
,
welke
savigny
tot
zijne
eerste
afdeeling
van
Botryllus
brengt
;
MIL
NE
EDWARDS
vormt
daaruit
,
met
bijvoeging
van
eenige
nieuwe
,
door
hem
het
eerst
beschrevene
soorten
,
een
afzonderlijk
geslacht
onder
den
naam
van
Botrylloides
.
Didemnum
sav
.
(
et
Eucoelium
ejusd
. )
Corpus
commune
sessile
,
incrustans
,
absque
cavitate
centrali
.
Animalcula
in
duas
partes
separatas
divisa
,
sacco
branchiali
,
tamquam
tho
race
,
ab
abdomine
sejuncto
.
Orificium
anale
sine
radiis
.
Com
plures
animalculorum
acervi
in
corpore
communi
copferti
.
a
.
Orificium
branchiale
rotundatum
,
radiis
carens
.
Eucoelium
sav
.
b
.
Orificium
branchiale
radiis
aut
lobis
sex
aequalibus
.
Didemnum
sav
. ,
Didemnum
et
Leptoclinum
,
MILNE
EDW
.
Sp
.
Didemnum
candidum
sav
.
1.
1.
Pl
.
IV
,
fig.
3.
Pl
.
XX
,
fig
.
1
,
cov
.
R.
ani
. ,
Moll
.
Pl
.
129
,
fig
.
3
,
etc.
Polyclinum
sav
.
(
et
Aplidium
ejusd
.
)
Corpus
commune
sessile
,
polymorphum
,
saepe
incrustans
.
Complures
animal
culorum
acervi
in
corpore
communi
conferti
.
Animalculi
in
tres
partes separatas
divisa
,
ovario
et
corde
pone
abdo
men
ultima
parte
contentis
.
Orificium
branchiale
sexradia
tum
;
orificium
anale
absque
radiis
.
Sp
.
Polyclinum
constellatum
SAV
.
,
1.
I.
P.
IV
,
fig
.
2
,
Pl
.
XVIII
,
sav
I.
fig
. I
,
GUÉRIN
Iconogr
. ,
Moll
,
Pl
.
35
,
fig
.
4
;
aan
de
kusten
van
het
eiland
Mauritius
;
Aplidium
ficus
sav
.
,
Alcyonium
ficus
L.
,
ELLIS
Koraalgewass
.
Pl
.
XVII
,
fig
.
b
.
B
,
etc.
Annot
.
Huc
etiam
referendum
est
subgenus
Amaroucium
Edw
.
(
Amareucium
rectius
forsan
,
ah
'
Qurpsów
,
propter
sulcatos
canales
,
corpus
commune
,
cloacarum
adinstar
permeantibus
) .
Sp
.
Amar
.
pro
liferum
MILNE
Edw
.
Observal
.
s
.
l
.
Asc
.
compos
.
Pl
.
I
,
fig .
3
,
Amar
.
aureum
MILNE
EDW
.
,
cov
.
R.
ani
.
éd
.
ill
. ,
Moll
.
Pl
.
130
,
fig .
1
,
Purascidia MILNE
EDW
.
,
novum
genus
,
orificio
branchiali
octoradiato
a
congeneribus
omnibus
diversum
;
R.
ani
.
ibid
,
fig
.
3
.
Distomus
GAERTN
. ,
Distoma
sav
.
(
nomen
rejiciendum
,
>
CL
.
XI
.
TUNICATA
.
29
jam
antea
entozoorum
generi
adscriptum
) .
Corpus
commune
sessile
,
coriaceum
,
polymorphum
.
Plures
animalculorum
acervi
.
Animalcula
in
tres
partes
separatas
divisa
.
Radii
sex
in
orificio
branchiali
et
anali
,
Sp
.
Distomus
variolosus
GAERTNER
,
PALL
.
Spicil
.
zoolog
.
Fasc
.
X
,
Tab
.
IV
,
fig
.
7
a
.
A.
etc.
Sigillina
sav
.
Synoicum
purps
,
sav
.
Corpus
commune
erectum
,
cylin
dricum
,
coriaceum
,
basi
adhaerens
.
Animalcula
in
tres
partes
divisa
elongata
,
ad
apicem
incrassalum
corporis
commu
pis
,
circulari
acervo
ordinata
.
Orificium
branchiale
sex
radijs
aequalibus
,
apertura
analis
radiis
inaequalibus
,
tribus
ma
joribus
,
tribusque
parvis
,
subindistinctis
.
Sp
.
Synoicum
turgens
PAIPPS
Voyage
au
pole
boréal
en
1773
,
(
vers
.
gall
.
Paris
1775
,
4
°
.
p
.
202
,
203.
)
Pl
.
XII
,
f
.
3
,
sav
.
Mem
.
1.
l
.
Pl
.
III
,
fig
.
3
,
Pl
.
XV
.
Diazona
sav
.
Corpus
commune
gelatinosum
,
sessile
,
orbi
culare
,
medio
excavatum
.
Animalcula
in
tres
partes
sepa
ratas
divisa
,
pluribus
seriebus
concentricis
ordinata
.
Sex
radii
aequales
ad
orificium
branchiale
et
anale
.
Sp
.
Dinzona
violacea
sav
.
,
Polyclinum diazona
cov
.
R.
an
,
éd
.
1
,
Tab
.
XI
,
fig
.
6
,
éd
.
2
,
Tab
.
XIV
,
fig
.
6
,
SAVIGNY
I.
I.
Pl
.
ll
,
fig
.
3
,
Pl
.
XII
.
)
Het
geheele
stelsel
gelijkt
naar eene
zamengestelde
bloem
of
eene
Actinia
en
bereikt
6
duim
in
middellijn
;
de
kleur
is
fraai
violet
.
Men
heeft
deze
soort
in
de
Middell
.
zce
aan
de
Spaansche
kusten
gevonden
.
B.
Ascidiae
simplices
,
solitariae
aut
stolonibus
gemmi
feris
socialae
.
Integumentum
externum
sacciforme
,
coriaceum
aut
gelatinosum
,
duabus
aperturis
approximatis
.
(
Genus
Ascidia
L.
)
De
ongesteelde
zak
vormige
soorlen
zijn
scdert
lang
be
kend
en
reeds
door
ARISTOTELES
goed
beschreven
onder
den
naam
van
th
Juov
.
De
Anim
.
Hist
.
IV
,
Cap
.
6
.
Lin
.
NAEUS
noemde
dit
geslacht
in
het
eerst
Tethys
,
doch
ver
warde
daarmede
ook
zeer
verschillende
dieren
,
welke
thans
alleen
dien
geslachtsnaam
behouden
hebben
.
BASTER
heeft
daarna
aan
dit
geslacht
den
naam
van
Ascidium
30
CL
.
XI
.
TUNICATA
.
gegeven
(
Natuurk
.
Uitspanningen
I
,
blz
.
97
)
en
LINNAEUS
heeft
in
de
twaalfde
uitgave
van
zijn
Systema
naturae
,
dezen
naam
zonder
mij
bekende
reden
in
Ascidia
ver
anderd
.
Deze
Ascidiën
of
zakpijpen
,
gelijk
BASTER
ze
noemt
,
zijn
steeds
aan
andere
zeeligchamen
,
aan
de
rotsen
,
aan
schel
pen
,
aan
krabben
,
enz
.
vastgehecht
.
Dikwerf
zijn
meerdere
individuën
tot
eene
groep
vereenigd
;
zij
vormen
echter
nimmer
dergelijke
zamengestelde
ligchamen
als
de
vorige
geslachten
,
welke
zich
onderscheiden
doordien
de
orificia
analia
naar
elkander
gekeerd
zijn
en
meer
of
min
werke
lijk
vereenigd
(
SAVIGNY
I.
a
.
p
,
p
.
120
)
,
terwijl
het
bui
tenste
omkleedsel
aan
alle
individuën
,
die
te
zamen
eene
groep
uitmaken
,
gemeen
is
.
Deze
dieren
slorpen
waler
in
door
de
branchiale
ope
ning
en
werpen
het
,
hoofdzakelijk
door
dezelfde
opening
straalswijze
uit
,
hetgeen
als
verdedigingsmiddel
tot
ver
.
jagen
van
dieren
,
die
hen
aanraken
,
dienen
kan
.
COVIER
beweert
,
dat
het
uitwerpen
van
water
alleen
door
de
kieuwopening
geschieden
kan
.
Het
getuigenis
der
schrij
vers
,
die
deze
dieren
levend
waarnamen
,
is
echter
een
stemmig
,
dat het
uitspuiten
door
beide
openingen
ge
schiedt
.
Carus
wil
bij
een
groot
voorwerp
van
Ascidia
mi
crocosmus
eene
met
een
klapvlies
toegeruste
opening
gezien
hebben
,
welke
van
den
kieuwzak
naar
den
porus
analis
van
het
zak
vormig
omkleedsel
geleiden
zou
.
Andere
schrijvers
spreken
echter
van
die
opening
niet
.
Volgens
de
voorstel
.
ling
van
Lister
en MILNE
EDWARDS
,
dat
de
kieuwzak
zeef
vormig
doorboord
zoude
zijn
(
zie
boven
blz
.
17
)
,
kon
de
zaak zonder
zwarigheid
verklaard
worden
.
Of
de
Ascidiën
ook
water
door
het
orificium
anale
opnemen
,
nadat
door
zamentrekking
van
den
kieuwzak
eene
ledige
ruimte
ont
staan
is
,
gelijk
door
SAVIGNY
vermoed
wordt
(
t .
a
.
p
.
,
p
.
100
)
,
verdient
nader
onderzocht
te
worden
.
De
Ascidiën
leven
van
kleine
bewerktuigde
deeltjes
,
die
met
het
water
in
den
kieuwzak
en
vandaar
naar
den
,
in
den
grond
van
dien
zak
zich
openenden
slokdarm
gera
ken
.
Men
vindt
somtijds
ook
wel
kleine
schaaldieren
in
de
kieuwholte
,
maar
deze
schijnen
slechts
toevallig
daarin
te
zijn
geraakt
,
daar
zij
.
wanneer
zij
door
eene
As
.
cidia
worden
ingezwolgen
,
eer
schade
dan
voordeel
aan
CL
.
XI
.
TUNICATA
.
31
PHC
dit
dier
doen
en
in
enkele
gevallen
zelfs
het
weefsel
der
kieuwen
verscheuren
.
ETSENHARDT
heeft
waarnemingen
bekend
gemaakt
,
waaruit
blijkt
,
dat
het
ligchaam
der
zakpijpen
op
eene
zonderlinge
wijze in
eene
vormlooze
massa
veranderen
kan
,
waarop
weder
andere
Ascidiën
zich
vasthechten
en
wortelen
.
Nov.
Act
.
Acad
.
Caes
.
Leop
.
Carol
.
Vol
.
XI
,
1823
,
P.
249–272
.
Vergelijk overigens
over deze
dieren
(
behalve
de
reeds
aangehaalde
geschriften
van
coVIER
,
SAVIGNY
en
VAN
BENEDEN
)
CARUS
,
Beiträge
zur
Anatomie
und
Physiologie
der
Seescheiden
in
MECKEL'S
Ar
chio
f
.
die
Physiol
.
II
,
1816
,
S.
569–590
(
de
bij
dit opstel
behoorende
afbeeldingen
zijn
,
beter
uitgevoerd
,
andermaal
uit
gegeven
in
het
Xe
Deel der
Noo
.
Act
.
Acad
.
Caes
.
Leop
.
Carol
.
1821
,
p
.
423
)
;
W.
S.
MAC
LEAY Anatomical
observations
on
the
Tunicata
,
Linn
.
Transact
.
XIV
,
1825
,
p
.
527-555
;
LIPPI
,
Rhopalaea
ein
neues
Genus
der
einfachen
Ascidien
,
Mül
LER'S
Archio
1843.
p
.
45–57
(
in
welk
opstel
eenige
aanteekenin
gen
over
verscheidene
door
den
Schrijver
bij
Napels
waargenomen
eenvoudige
Ascidiën
worden
aangetroffen
) .
A.
Tunica
externa
gelatinosa
.
Orificia
duo
aut
sine
ra
diis
distinctis
aut
pluribus
quam
quatuor
radiis
instructa
.
Perophora
wiegu
.
Corpus
compressum
,
sacciforme
,
tubo
repenti
brevis
petioli
ope
impositum
,
plura
individua
conjungenti
.
Saccus
branchialis
amplus
,
usque
ad
posticam
corporis
partem
productus
.
Sp
.
Perophora
Listeri
,
een
klein
,
op
Conferva
elongata
,
door
een
kruipend
,
rankendragend
steeltje
bevestigd
,
in
gezelschap
groei
jend
diertje
,
door
J. J.
LISTER
aan
de
Engelsche
Kust
gevonden
,
Phil
.
Trans
.
for
1834
,
P.
2
,
p
.
378—382
,
Pl
.
XI
;
in
den
steel
,
die
de
diertjes
verhond
,
werd
een
dubbele
bloedstroom
waargenomen
.
De
naam
Perophora
is
door
WIEGMANN
aan
dit
geslacht
van
Ascidiae
gegeven
in
zijn
verslag
over
de
uitbreiding
der
Zoologie
in
1834
,
Archio
f
.
Naturgesch
,
1835
, 1
,
S.
309
.
Clavelina
sav
.
Porus
branchialis
et
analis
absque
radiis
.
Saccus
branchialis
brevis
,
papillis
carens
,
non
plicatus
.
Corpus
oblongum
,
basi
allennatum
,
petiolatum
,
Sp
.
Clavelina
borealis
sav
.
,
Ascidia
clavata
Pall
.
,
Spicil
.
Zool
.
X
,
Tab
.
I
,
fig
.
16
,
sav
.
I.1
.
Pl
.
I
,
fig
.
3
,
Pl
.
XI
,
fig
.
2
.
In
de
Noordzee
en
in
de
Poolzee
;
Clavel
.
lepadiformis
sav
.
,
Ascidia
le
>
32
CL
.
XI
.
TUNICATA
.
padiformis
,
0.
.
Müll
.
,
Zool
.
Dan
.
Tab
.
79
,
fig
.
5
,
MILNE
ED
WARDS
Observ
.
l'Asc
.
Tab
.
I
,
fig
.
1
,
Tab
.
II
,
fig
.
1
etc.
Subgenus
:
Rhopalaea
PHILIPPI
.
Porus
branchialis
sexra
diatus
,
analis
octoradiatus
.
Saccus
branchialis
brevis
,
pa
pillis
obsitus
,
striis
transversis subindistinctis
.
Corpus
elon
gatum
,
clavatum
,
petiolatum
,
involucro
pellucido
.
Sp
.
Rhop
.
neapolitana
PHILIPPI
I. 1.
Tab
.
IV
.
Phallusia
sav
.
Corpus
sessile
,
plerumque
oblongum
.
Porus
branchialis
plerumque
octo
aut
novem
radiis
,
porus
analis
sexradiatus
.
Saccus
branchialis
non
plicatus
,
amplus
,
ad
fundum
tunicae
internae
descendens
aut
ad
fundum
reflexus
.
Sp
.
Phallusia
mammillala
,
Ascidia
mammillata
cov
.
,
Mém
.
s
.
l
.
Ascidies
.
Pl
.
III
,
R.
ani
.
éd
.
ill
. ,
Moll
.
Pl
.
125
,
fig
.
1
;
in
de
Middel
.
zee
.
De
dikke
,
geelachtig
witte
,
halfdoorsehijnende
buitenste
omkleeding
vertoont
onder
het
mikroskoop
groote
ovale
blaasvormige
cellen
,
zonder
kernen
;
deze
soort
wordt
meer
dan
4
duim
groot
,
enz
.
B.
Tunica
externa
coriacea
,
dura
.
Orificium
branchiale
et
anale
in
quatuor
radios
fissum
.
Saccus
branchialis
plicatus
.
Cynthia
sav
.
Corpus
sessile
.
Sp
.
Cynthia
papillata
sav
.
,
Ascidia
papillosa
L.
,
BOLADSCH
de
quibusd
.
anim
.
mar
.
p
.
130.
Tethyon
coriaceum
,
Tab
.
X
,
fig
. 1
,
cov
.
Mém
.
Pl
.
II
,
fig
.
1-3
,
RANG
in
GUÉRIN
Mag
.
de
Zool
.
1834
.
Cl
.
V.
Pl
.
43
;
Middell
.
zee
;
Cynthia
microcosmus
,
Ascidia
mi
crocosmus
cuv
.
,
Ascidia
Cuvierii
POILIPPI
,
cuv
.
I.
1.
Pl
.
I
,
fig
.
1–6
;
de
oppervlakte
van
het
barde
en
rimpelige
bekleedsel
is
dik
werf
met
serturaliën
,
koralen
,
schelpdieren
enz
.
bedekt
;
ook
deze
soort
wordt
in
de
Middell
.
zee
gevonden
.
Subgenus
Dendrodoa
MAC
L.
Sp
.
Dendrodoa
glandariu
MAC
LEAY
I. 1.
Tab
.
20
,
p
.
547
.
Boltenia
sav
.
Corpus
ovale
,
petiolo
tereti
impositum
.
Sp
.
Boltenia
fusiformis
sav
.
,
Vorticella
Bolteni
1.
,
Ascidia
cla
vata
SpAW
(
nec
PALL
.
)
,
J.
R.
BOLTEN
Epist
.
ad
c
.
A.
LINNÉ
de
novo
quodam
Zoophytor
.
genere
Amstelred
.
1771.
4
°
.
C.
Tab
.
Boltenia
ovifera
sav
.
,
Ascidia
pedunculalı
SHAW
,
Vorticella
ovifera
L.
,
savigny
I.
1.
Pl
.
I ,
fig
.
1
,
B
,
BLAINV
.
,
Ma
lacol
.
Pl
.
8
,
fig
.
3
etc.
Subgenus
Cystingia
Mac
L.
color
. ,
-
CL
.
XI
.
TUNICATA
.
33
Sp
.
Cystingia
Griffithsii
MAC
LEAT
I.1
.
Tab
.
19
,
p
.
540—545
,
bij
den
Noordpool
-
cirkel
,
in
het
For
Channel
,
bij
de
expeditie
van
kapitein
PARRY
aangetroffen
.
Veelligt
beloort
tot dit
ondergeslacht
ook
Boltenia
legumen
LESSON
,
Centur
,
cool
.
Pl
.
5
,
fig.
1
,
p
.
149,150
.
C.
Tunica
externa
dura
,
e
scutellis
separatis
composita
.
Corpus
sessile
.
Chelyosoma
SOWERBY
.
Corpus
depressum
,
discoideum
,
corporibus
alienis
adhaerens
.
Orificia
conica
,
ambo
val
vulis
ses
trigonis
clausa
.
Sp
.
Chelyosoma
Mac
Leayanum
,
Zoological
Journal
1829
,
XVII
,
p
.
46
,
D.
1.
ESCHRICHT
Anatomisk
Beskrivelse
af
Chelyos
.
Mac
Leayanum
,
Vidensk
.
Selsk
.
naturvid
.
og
math
.
Skr
.
IX
,
1842
,
P.
1-16
,
Tab
.
I.
Annot
.
Genera
Podotethis
et
Syphonotethis
,
quorum
Au
ctor
GERVAIS
nomina
tantum
indicavit
(
Ascidies
,
Dict
.
unit
.
d'Hist
.
nat
.
II
.
1842
,
p
.
207
,
208
)
,
hic
commemorasse
sofficiat
.
II
,
3
TWAALFDE
KLASSE
.
SCHELPDIEREN
(
CONCHIFERA
)
(
*
)
.
Alle
tweeschalige
weekdieren
of
schelpdieren
vereenigen
wij
met
LAMARCK
onder
eene
enkele
klasse
,
welke
ook
de
Brachiopoda
van
CUVIER
omvat
.
Het
zijn
koplooze
week
dieren
,
welker
mantel
steeds
min
of
meer
,
en
dikwerf
geheel
gespleten
of
in
twee
platen
gescheiden
is
,
en
welke
door
eene
tweeschalige
schelp
bedekt
worden
.
De
adem
halingswerktuigen
zijn
uitwendig
en
liggen
of
tusschen
den
maptel
en
het
ligchaam
in
de
gedaante
van
platen
,
of
in
de
zelfstandigheid
van
den
mantel
zelven
.
Het
darmkanaal
heeft
eene
zeer
verschillende
lengte
en
is
eng
door de
overige
ingewanden
omgeven
.
De
slokdarm
is
kort
of
er
bestaat
geen
duidelijk
afgescheiden
slokdarm
.
Gewoonlijk
is
er
eene
maag
aanwezig
,
doch
bij
Ligula
is
het
darmkanaal
bijkans
overal
van
dezelfde
wijdte
en
ook
bij
Orbicula
is
de
maagvormige
verwijding
niet
aanmerke
lijk
.
Speekselklieren
zijn
bij
de
Lamellibranchiata
niet
aanwezig
;
bij
de
Brachiopoda
is
het
twijfelachtig
of
eene
der
klierachtige
massa's
,
die
het
darmkanaal
omgeven
,
als
speekselklier
beschouwd
moet worden
(
+
)
.
Zeer
ontwik
(
*
)
De
algemeene
boekwerken
over
deze
klasse
handelen
grootendeels
tevens
over
de
andere
weekdieren
en
zijn
ten
deele reeds
boven
opge
geven
.
lliertoe
behoort
vooral
het
groote
werk
van
Poli
.
Vergelijk
voorts
het
artikel
Conchifera
van
Deshayes
in
TodD's
Cyclopaedia
of
Anatomy
and
Physiology
I
,
1836
,
p
.
694—716
en
R.
GARNER
,
On
the
Analomy
of
the
lamellibranchiate
Conchifera
,
Transact
.
of
the
zoolog
.
Soc
.
II
,
2
p
.
87—101
,
Pl
.
18—20
.
(
+
)
Bij
Ligula
anatina
vond
CUVIER
een
onderscheid
van
kleur
in
deze
kliermassa's
,
hetgeen
hem
de
in
het
midden
liggende
,
ronde
en
witto
klier
voor
een
speekselklier
,
de
zijdelingsche
,
in
rele
lobben
verdeelde
,
geelbruine
voor
eene
lever
deed
houden
.
Owen
kon
dit
verschil
van
SCHELPDIEREN
.
35
keld
is
daarentegen
de
lever
,
die
,
gelijk
bij
de
overige
ongewervelde
dieren
,
alleen
slagaderlijk
bloed
ontvangt
en
geene
galblaas
bezit
.
Eene
menigte
lobben
,
die
uit
blinde
zakjes
of
in
takjes
verdeelde
,
blinde
buizen
bestaan
,
omge
ven
de
maag
en
het
darmkanaal
en
storten
de
gal
door
meer
dan
eene
opening
in
der
zelver
holte
uit
.
Bij
vele
lamellibranchiata
vindt
men
,
hetzij
in
een
blind
aanhangsel
aan
het
onderste
gedeelte
van
de
maag
,
hetzij
in
het
darm
kanaal
zelf
onder
de
maag
een
doorschijnend
langwerpig
deel
(
het
kristalachtige
stijltje
) ,
op
welks
,
in
de
maag
vrij
uitkomende
uiteinde
een
klein
,
vliezig
,
in
drie
of
meer
on
regelmatige
uitsteeksels
of
punten
verdeeld
kraakbeenig
knopje
ligt
(
*
)
.
Het
nut
van
dezen
toestel
is
nog
niet
regt
bekend
.
Poli
depkt
,
dat
de
veerkracht
van
dit
deel
de
punten
van
het
knopje
tegen
en
in
de
openingen
der
gal
buizen
kan
drukken
en
dus
de
toevloeijing
der
gal
,
naar
dat
zulks
noodig
is
,
kan
matigen
;
doch
zoodanige
regulatie
toestel
zou
in
het
dierenrijk
zonder
voorbeeld
zijn
.
Dat
het
gemelde
stijltje
het
terugspringen
van
den
voet
bewerken
zou
,
wordt
door
GARNER
zonder
nadere
ontvouwing
der
wijze
,
kleur
bij
Lingula
Audebardii
niet
waarnemen
en
meent
,
dat het
bij
de
door
Cuvier
onderzochte
voorwerpen
aan
toevallige
oorzaken
,
zoo
als
uitbleeking
door
den
wijngeest
,
waarin
de
dieren
bewaard
waren
,
toe
te
schrijven
zou
zijn
(
Transact
.
zool
.
Soc
.
I
,
p .
157
)
.
Ik
moet
echter
op
merken
,
dat
het
door
mij
onderzochte
voorwerp
mij
dezelfde
uitkomst
gaf
,
als
hetgeen
Cover
heeft
opgeteekend
,
zonder
dat
ik
nogtans
dat
verschil
van
kleur
als
stellig
bewijs
van
verschil
in
functie
durf
aanmer
ken
.
Bij
de
andere
geslachten
van
Brachiopodu
,
die
ik
niet
onderzocht
heb
,
l'erebrclula
en
Orbicula
,
vond
owen
geen
andere
klier
dan
de
lever
.
(
*
)
Poli
noemt
dit
knopje
sagilta
tricuspis
;
zie
over
dezen
toestel
het
beroemde
werk
van
dezen
Schrijver
,
Teslac
.
uir
.
Sicil
.
I
,
Introd
.
p
.
41
,
en
de
afbeeldingen
b.v.
uit
Pholas
dactylus
ald
.
Tab
.
VII
.
fig
.
9
,
10
,
11
,
uit
Tellina
planatu
Tab
.
XIV
,
fig
.
9
,
10
,
uit
Cardium
rusticum
Tab
.
XVI
,
fig
.
13
,
14
enz
.
Dat
het
kristalachtige
stijltjo
zich
op
sommige
tijden
niet
vertoont
en
,
zoo
als
V.
SIEBOLD
meent
,
zich
periodisch
ontwikkelt
en
verdwijnt
(
Lehrb
.
d
.
vergl
.
Anal
.
I
,
S.
268
,
not
.
15
)
,
wijst
ons
op
eene
,
misschien
eenige
naderc
opheldering
be
lovende
overeenkomst
inet
de
lapides
cancrorum
(
zie
boven
1
,
bl
.
713
)
.
i
ŏ *
36
SCHELPDIEREN
.
>
.
waarop
zulks
geschiedt
,
opgegeven
,
waarbij
wederom
het
vrij
uitkomen
van
het
driepuntige
knopje
in
de
maagbolte
onverklaard
blijſt
.
Erkennen
wij
liever
,
dat
wij
dit
deel
nog
niet
kennen
,
omdat
wij
het
met
geen
ander
in
de
overige
dierklassen
kunnen
vergelijken
.
De
bloedsomloop
heeft
in
deze
klasse
altijd
een
cen
traal
deel
,
een
hart
met
eene
enkele
kamer
,
somlijds
twee
van
elkander
verwijderde
harten
,
namelijk
bij
de
Brachio
poda
en
bij
Arca
onder
de
Lamellibranchiata
(
*
)
.
In
dit
geval
vervullen
echter
de twee
harten
dezelfde
rol
aan
beide
zijden
des
ligchaams
en
zijn
beide
slagaderlijk
gelijk
het
enkele
hart
,
dat
bij
de
overige
koplooze
weekdieren
aanwezig
is
.
Het
bloed
namelijk
vloeit
uit
de
kieuwen
naar
het
hari
,
niet
uit
het
hart
naar
de
kieu
wen
.
Waar
een
enkel
hart
aanwezig
is
,
ligt
het
gewoon
lijk
tusschen
twee
driehoekige
,
met
de
punt
naar
het
hart
gekeerde
,
vliezige
voorkamers
.
Uil
het
hart
ontspringen
de
slagaderen
,
die
zich
echter
niet
door
haarvalen
in
ade
ren
voortzelten
;
het
aderlijk
bloed
stroomt
,
volgens
de
belangrijke
ontdekking
van
MILNE
EDWARDS
(
+ ) ,
niet
door
,
geslotene
valen
,
maar
in
netvormige
lusschenruimten
(
la
cunae
) ,
die
zich
in
grootere
aderlijke
boezems
ontlasten
.
De
ademhalings
-
werktuigen
zijn
bij
de
Brachiopoda
op
den
mantel
gelegen
of
de
vaatrijke
maplel
zelf
dient
ter
ademhaling
.
Bij
de
Lamellibranchiata
liggen
de
kieuwen
als
platen
tusschen
de
randen
van
den
mantel
.
Gewoonlijk
zijn
er
aan
weerszijden
twee
kieuwen
aanwezig
.
Elke
kieuw
bestaat
uit
twee
plalen
,
die
aan
de
rugzijde
meer
van
elkander
verwijderd
,
aan
den
vrijen
buitenrand
vergroeid
zijn
.
Somtijds
zijn
de
daardoor
gevormde
driehoekige
9
(
*
)
Voor
de
Brachiopoda
vergelijke
men
COVIER
,
Mémoire
sur
l'Animal
de
la
Lingule
,
Mémoires
sur
les
Moll
. ,
en
Owen
,
Lettre
à
M.
MILNE
EDWARDS
,
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
,
3ième
Série
,
Zool
.
III
,
1845
,
p
.
315-320
;
voor
Arca
zie
men
poli
Testac
,
ulr
.
Sic
.
II
,
p
.
132
,
133
,
Tab
.
XXV
,
fig
.
2
.
(
+
)
Ann
.
des Sc
.
nat
.
,
3ième
Serie
,
III
,
1815
,
p .
300,304
.
SCHELPDIEREN
57
-
voor
eenc
roimlen
in
de
kieuwen
,
gelijk
bij
Anondonta
,
als
tijdelijke
bewaarplaatsen
der
eijeren
broeiholten
groote
uitzetting
vatbaar
.
Men
ziet
op
elke
plaat
talrijke
dwarse
strepen
of
uitspringende
lijnen
,
langs
welke de
bloedstroomen
in
de
kieuwen
voortloopen
.
Bij
Arca
,
Pe
.
cten
en
Spondylus
is
elk
dezer
uitspringende
lijnen
in
eenen
vrijen
draad
veranderd
en de
kieuwen
bestaan
hier
dus
niet
uit
platen
,
maar
uit
afgescheidene
,
hoezeer
door
hun
aantal
zeer
digt
bijeen
liggende
draden
(
*
)
.
In
dczep
toestand
komen
de
kieuwen
met
die
der
beenige
visschen
overeen
,
terwijl
de
plaatvormige
zamenvoeging
,
die
de
lamellibranchiata
de
meer
algemeen
heerschende
vorm
is
,
onder
de
gemelde
visschen
alleen
als
uitzonde
ring
,
bij
Xiphias
gladius
voorkomt
.
Eene
andere
afwijking
van
den
gewonen
typus
der
kieuwen
ziet
men
bij
sommige
geslachten
van
lamellibranchiata
in
het
aantal
dezer
dec
len
,
terwijl
er
aan
weêrszijden
in
plaats
van
twee
,
slechts
eene
kieuw
aanwezig
is
(
+
)
.
Van
het
algemeen
aangeno
men
gevoelen
,
dat
de
beschrevene
platen
kieuwen
zijn
,
wijkt
dat
van
BOJANUS
geheel
af
;
hij
gelooft
,
dat
deze
dee
len
alleen
tot
bewaring
der
eijeren
zouden
dienen
,
waar
om
bij
ze
ook
geene
kieuwen
,
maar
Bruthälter
noemt
.
BOJANCS
heeft
daarentegen
een
geheel
ander
orgaan
,
helgeen
men
voor
hem
bijkans
niet
had
opgemerkt
,
als
ademhalings
werktuig
beschreven
(
S
)
.
Volgens
zijne
waarnemingen
wordt
Het
aderlijke
bloed
,
dat
van
de
deelen
des
ligchaams
terugvloeit
,
naar
een
langwerpigen
,
aderlijken
boezem
ge
(
*
)
MECKEL's
System
der
vergl
.
Anot
.
VI
,
1833
,
p
.
60.
Ook
bij
Solenomya
zijn
vedervormige
kieuwen
;
zie
PRILIPPI
in
WJEGMANN'S
Archiv
fur
Naturgeschichte
I ,
1835
,
S.
275
.
(
+
)
In
Anatina
en
Pholadomyo
Sowerby
zijn
de
kieuwplaten
aan
weerszijden
zoo
zamengegroeid
,
dat
zij
cene
enkele
kieuw
vormen
;
OWEN
Lectures
on
the
comp
.
anat
. of
the
invert
,
animals
p
.
283.
Ook
bij
Lucina
en
Corbis
vond
VALENCIENNES
aan
weerszijden
slechts
eene
kieuw
;
Comptes
rendus
,
9
Juin
1815
.
(
0
)
L.
II
.
BOJANOS
,
Sendschreiben
an
Mr.
Le
Chevalier
G.
de
cu
VIER
über
die
Athem-
und
Kreislauficerkzeuge
der
zweischanligen
44
SCHELPDIEREN
.
zenuwstelsel
in
deze
klasse
beschouwen
.
In
den
regel
kan
men
bij
de
Lamellibranchiata
drie
centrale
zenuwmassa's
aannemen
,
elk
uit
twee
zijdelingsche
knoopen
bestaande
,
waarvan
echter
alleen
de
eerste
twee
steeds
van
elkander
gescheiden
blijven
.
Deze
liggen
bij
den
mond
en
zijn
door
eene
boogvormige
,
langere
of
kortere
,
dwarse
streng
,
eene
commissuur
,
die
voor
den
mond
loopt
,
verbonden
.
Aan
weerszijde
ontspringt
uit
deze
knoopen
een
lange
zenuw
streng
,
die
naar
de
achterste
zenuwmassa
,
de
dikwerſ
in
een
'
knoop
verbondene
ganglia
abdominalia
,
loopt
,
en
dus
eenen
wijden
ring
vormt
,
dien
men
met
den
slokdarmring
bij
andere
ongewervelde
dieren
kan
vergelijken
.
De
lweede
zenuwmassa
,
het
par
pedale
,
door twee
kortere
stren
gen
mede
met
de
eerste
knoopen
verbonden
,
is
bij
de
geslachten
,
die
geenen
voet
hebbe
! ) ,
weinig
ontwikkeld
of
volgens
GARNER
zelfs
afwezig
.
Meestal
onderscheiden
zich
de
zenuwknoopen
door
eene
roode
of
oranjcachtige
kleur
( * ) :
Het
zenuwstelsel
der
Brachiopoda
is
nog
niet
volkomen
be
writes
(
*
)
Vergelijk
R.
GARNER
On
the
nervous
system
of
Molluscous
Animals
,
Trans
.
of
the
Linn
.
Soc
.
XVII
,
1835
,
p
.
485—488
,
Pl
.
24
;
DLANCIAND
,
Observations
sur
le
système
nerreux
des
Mollusques
lamellibranches
,
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
,
3ième
Série
II
,
1815
,
p
.
321
tot
340
,
PI
.
12.
Hier
vindt
men
ook
een
uitvoerig
geschiedkundig
overzigt
van
dit
onderwerp
.
De
twee
kleine
,
digt
bij
de
mondknoopen
liggende
zenuwknoopen
van
Ostrea
(
Brandt
und
RATZEBURG
Mediz
.
Zool
.
II
,
S.
340
,
341
)
,
beschouwt
BLANCHARD
als
beantwoordende
aan
het
(
volgens
GARNER
bier
ontbrekende
)
par
pedale
.
Zenuwtakjes
,
die
uit
de
zijdelingsche
verbindingsstreng
van
en
achterste
paar
ontspringen
,
waarbij
zelfs
in
sommige
soorten
(
Solen
,
Arcu
)
knoopachtige
zwellingen
worden
waargenomen
,
komen
,
zoo
het
schijnt
,
met
het
sympathisch
zenuwstelsel
der
gelede dieren
,
bepaaldelijk
met
de
zijdelingsche
deelen
daarvan
bij
de
kreeften
,
die
eveneens
uit
den
halsband
ontspringen
(
zie
boven
1 ,
716
)
,
overeen
.
De
met
eene
buis
vormige
verlenging
van
den
mantel
voorziene
Lamellibranchiata
heb
ben
dikwerf
tusschen
de
spieren
,
die
de
buizen
teragtrekken
,
nog
kleine
nerenk
noopen
.
het
eerste
SCHELPDIEREN
.
48
kend
,
maar
schijnt
naar
eenen
anderen
typus
gevormd
te zijn ( *
) .
Onder
de
deelen
,
die
men
als
zitplaatsen
van
zinnen
be
schouwen
kan
,
komen
in
de
eerste
plaats
de
kegelvormige
cirri
in
aanmerking
,
welke
aan
den
mantel
der
lamellibran
chiata
somlijds
langs
den
geheelen
rand
,
of
aan
sommige
deelen
van
den
mantel
,
aan
de
openingen
van
den
Sipho
b
.
V.
,
aanwezig
zijn
en
die
bij
de
brachiopoda
door
lange
,
stijve
,
glinsterende
haren
vervangen
worden
.
De
mond
wordt
daarenboven
bij
de
lamellibranchiata
door
grootere
af
zonderlijke
tast
werktuigen
,
door twee
paren
van
dwars
gestreepte
driehoekige of
langwerpig
eironde
blaadjes
om
geven
,
die
sommige
voor
nevenkieuwen
houden
,
om
derzelver
uiterlijke
overeenkomst
met
de
kieuwen
de
zer
dieren
.
Bij
de
brachiopoda
zijn
twee
lange
armen
,
,
met
draden
als
franjes
kamvormig
bezet
,
ter
zijde
van
den
mond
gelegen
,
waar
zij
,
spiraalvormig
opgerold
,
binnen
de
schaal
verborgen
worden
.
Gezigtswerktuigen
zijn
in
den
laatsten
tijd
onder
de
lamellibranchiata
bij
Pecten
,
Spon
dylus
en
vele
andere
geslachten
door
mikroskopisch
ont
leedkundig
onderzoek
aangewezen
,
in
groene
,
roodgele
of
bruine
,
glansrijke
,
dikwerf
op
steelljes
bevestigde
koopjes
aan
den
rand
van
den
mantel
.
Bij
verschillende
soorten
heeft
men
meer
dan
honderd
dergelijke
oogen
geteld
(
t
)
.
(* )
COVIER
,
Mém
.
sur
la
Lingule
p
.
8
,
spreekt
zeer
onbepaald
over
dit
punt
;
Owen
vermeldt
een
'
zenuwknoop
,
tusschen
de
grondstukken
der
twee
armen
,
en
twce
zenuwknoopen
,
terzijde
van
den
mond
.
Transact
,
of
the
zool
.
Soc
.
1
,
p
.
156
.
(
*
)
POLI
spreekt
reeds
van
deze
ocelli
smaragdino
colore
corus
cantes
,
die
op
grootere
cirri
van
den
mantelrand
bij
Spondylus
(
II
,
p
.
107
)
en
l'ecten
Jacobaeus
staan
(
ib
.
p
.
153
)
;
bijzonder
groot
en
duidelijk
zijn
zij
bij
de
laatstgenoemde
soort
(
Tab
.
27
,
fig
.
5
,
14
)
;
hun
inwendig
zamenstel
kon
Poli
niet
onderzoeken
,
en
de
latere
schrij
vers
over
de
weekdieren
verzuimden
deze
bijzonderheid
geheel
.
Eerst
GARNER
(
Transact
.
Linn
.
Soc
.
1.1
.
p
.
488
)
en
voor
weinige
jaren
GROBB
(
MÜLLER'S
Archio
1840
,
S.
24
,
Taf
.
III
,
f
.
1
,
3
)
,
KROIN
(
ald
.
S.
381
10+
386
,
Taf
.
XI
,
fig
.
16
)
en
WILL
(
FRORTEP'S
Neue
Notizen
,
XXIX
Bu
..
January
1894
,
nº
.
622
,
623
)
bebben
deze zaak
behoorlijk
in
het
licht
gesteld
.
1
46
SCHELPDIEREN
.
Als
gehoor
-
werktuig
beschouwt
siebold
een
door
hem
bij
Cyclas
,
Anodonta
,
Unio
,
Mya
,
Cardium
,
Tellina
enz
.
aangetroffen
,
orgaan
,
hetgeen
voor
en
bij
de
zenuwmassa
van
den
voet
gelegen
is
.
Hier
vond
hij
namelijk
aan
beide
zijden
een
blaasje
,
waarin
zich
een
platronde
,
door
schijnende
kern
vrij
beweegt
.
De
kern
is
een
concre
ment
,
met
de
lapilli
van
den
gehoorzak
der
beenige
visschen
te
vergelijken
(
*
)
.
Noch
van
dit
raadselachtig
orgaan
,
noch
van
oogen
heeft
men
lot
nog
toe
bij
arm
pootige
weekdieren
eenig
spoor
aangetroffen
.
De
bewegingen
dezer
dieren
zijn
zeer
eenvoudig
.
Vele
lamellibranchiata
en
alle
armpootige
weekdieren
zijn
aan
hunne
plaatsen
bevestigd
en
kunnen
zich
van
daar
niet
naar
elders
bewegen
.
Andere
schelpdieren
hebben
eene
springende
beweging
door
middel
van
den
voet
(
pes
) ,
welke
naam
gegeven
wordt
aan
eene
verlenging
van
den
buik
,
die
spierachtig
en
zeer
vast
is
,
eene
zeer
groote
zamen
trekkingskracht
en
prikkelbaarheid
bezit
en
zeer
verschillen
de
vormen
kan
aapnemen
(
+
)
.
De
schelpdieren
bewegen
zich
daarmede op
den
grond
van
het
water
,
waarin
zij
leven
.
De
geographische
verspreiding
der
schelpdieren
verdient
een
meer
opzettelijk
onderzoek
,
dan
daaraan
tot
nog
toe
besteed
werd
.
Alle
schelpdieren
leven
in
het
water
,
ge
deeltelijk
in
zoet
water
,
maar
voor
het
grootste
gedeelte
in
de
zee
.
Onder
die
geslachten
,
welke
in
de
zee
leven
,
heeft
men
er
eenige
,
waarvan
in
bijkans
alle
wereldstre
ken
soorten
gevonden
worden
;
zoodanige
zijn
b
.
v
.
de
ge
slachten
Solen
,
Mya
,
Anatina
,
Mactra
,
Tellina
,
Lucina
,
Donax
,
Venus
,
Cardium
,
Arca
,
Pectunculus
,
Mytilus
,
Pecten
,
Ostreu
.
Het
is
er
echter
ver
af
,
dat
al
deze
ge
(
*
)
C.
TI
.
V.
SIEBOLD
,
Ueber
ein
rüthselhaftes
Organ
einiger
Bi
valven
,
MÜLLER'S
Archiv
1838
,
S.
49–54
(
overgenomen
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
,
Sec
.
Serie
,
X
Zool
.
p
.
319
)
;
en
WiegmaNN'S
Archio
1841
,
Ueb
.
d
.
Gehörorgan
der
Mollusken
,
S.
148
u
.
ff
. ,
Ann
.
d
.
Sc
.
nat
,
Seo
.
Serie
XIX
,
p
.
193
,
Pl
.
2
B
fig
.
1
.
( + )
Zie
poli
I
,
Introd
.
p
.
37
.
SCHELPDIEREN
.
47
slachten
in
verschillende
zeeën
op
gelijke
wijze
vertegen
woordigd
zouden
zijn
;
van
de
geslachten
Venus
,
Cardium
,
Arca
,
Ostren
zijn
de
soorten
veel
talrijker
in
de
Indische
Zee
en
Stille
Zuidzee
,
dan
in
de
zeeën
van
het
Noordelijk
Halfrond
.
Een
noordsche
vorm
schijnt
Glycimeris
te
zijn
,
van
welk
geslacht
de
eenige
tot
nog
toe
bekende
soort
van
Glycimeris
siliqua
,
zeer
talrijk
gevouden
wordt
aan
de
groote
bank
van
New
-
Foundland
.
Menigvuldiger
daaren
tegen
zijn
de
vormen
,
die
in
warmere
zeeën
of
in
bet
Zuidelijk
Halfrond
uitsluitend
voorkomen
,
of
van
welke
slechts
eene
of
weinige
soorten
in
de
Middellandsche
of
Roode
Zee
voorkomen
.
Wij
noemen
hier
de
geslachten
Crassatella
,
Tridacna
,
Hippopus
,
Malleus
,
Avicula
,
Me
leagrina
,
Spondylus
(
en
het
daarmede
vereenigde
geslacht
Plicatula
)
Vulsella
,
Placuna
.
Het
veelvuldig
voorkomen
van
welbewaarde
overblijfsels
uit
deze
klasse
in
verschillende
berglagen
,
geeſt
bij
de
pasporingen
der
geologen
tot
de
regte
kennis
en
onderscheiding
dier
lagen
een
hoogst
be
langrijk
hulpmiddel
.
Van
sommige
geslachten
zijn
de
uitgestorvene
soorten
veel
talrijker
dan de
thans
levende
;
sommige
geslachten
,
die
vroeger
de
zee
bevolken
,
zijn
in
het
tegenwoordig
tijdperk
der
geschiedenis
van
aardbol
geheel
verdwenen
.
Opmerkelijk
is
het
,
dat
van
de
thans
nog
levende
geslachten
,
die
tevens uitgestorvene
soorten
tellen
,
wanneer
deze
laatste
zeer
talrijk
zijn
,
verreweg
de
meeste
thans
uitsluitend
of
hoofdzakelijk
in
den
Indischen
Oceaan en
in
de
Stille
Zuidzee
worden
aangetroffen
.
Van
het
geslacht
Trigonia
is
slechts
eene
enkele
levende
soort
bekend
,
en
deze
wordt
in
de
Zuidzee
bij
Nieuw
-
Holland
gevonden
,
terwijl
daartoe
talrijke
fossile
soorten
behooren
,
vooral
uit
de
Jura-
en
Krijtſormatie
.
Ook
de
geslachten
Spondylus
,
Lima
,
Avicula
,
Crassalella
,
Arca
en
anderen
strekken
daarvan
ten
bewijze
.
Omtrent
de
zoetwater
-
schelpdieren
moelen
wij
opmer
zaam
maken
op
het
groot
aantal
van
soorten
van
het
ge
onzen
48
SCHELPDIEREN
.
slacht
Unio
,
die
in
het
westelijk
halfrond
,
vooral
in
Noord
Amerika
,
voorkomen
.
De
Brachiopoda
bieden
in
hunne
geologische
en
ge
ographische
verspreiding
veel
eigenaardigs
aan
.
Van
Orbi
cula
en
Terebratula
komen
zoowel
in
het
Noorden
als
in
het
Zuiden
soorten
voor
;
men
kent
er
uit
den
Indischen
Oceaan
en
uit
de
Middellandsche
Zee
,
uit
de
Zuidzee
aan
Amerika's
Westkust
en
uit
de
Noordzee
.
Evenwel
zijn
ook
van
deze
geslachten
de
soorten
in
de
Zuidelijke
zeeën
tal
rijker
en
de
weinige
soorten
van
Lingula
zijn
alle
van
het
zuidelijk
halfrond
.
Uitgestorvene
soorten
van
Terebratula
zijn
ongemeen
talrijk
en
komen
in
zeer
oude
formatiën
eveneens
als
in
nieuwere
voor
.
De
Brachiopoda
maken
alzoo
eenen
van
die
weinige
vormen
uit
,
die
aan
geen
bepaald
tijdperk
van
de
geschiedenis
der
aarde
gebonden
zijn
en
die
hare
onderscheidene
omwentelingen
hebben
overleefd
.
DISPOSITIO
SYSTEMATICA
CONCHIFERORUM
.
CLASSIS
XII
.
CONCHIFERA
.
Animalia
capile
distincto
nullo
,
utrinque
pallii
lamina
oblecta
.
Conchae
duae
,
pallio
incumbentes
.
Cor
aorticum
.
Respiratio
branchialis
,
branchiis
plerumque
lamellosis
,
juxta
corporis
margines
utrinque
decorrentibus
,
pallio
obtectis
;
in
aliis
pallio
ipso
branchiarum
vice
fungente
.
Hermaphro
dita
alia
,
alia
seru
distincto
;
aquatilia
omnia
.
ORDO
I.
Palliobranchiata
s
.
Brachiopoda
.
Corpus
depressum
,
pallio
bilobo
,
aperto
obleclum
.
Bran
chiae
pallio
adnatae
aut
a
pallio
non
distinctae
.
Cor
du
pler
,
arteriosum
.
Duo
brachia
longa
,
spiram
ad
instar
convoluta
,
cirris
ciliisve
munita
.
Os
simplex
ad
brachio
rum
basin
.
Tesla
bivalvis
,
affixa
,
sessilis
aut
petiolata
,
pal
lio
adhaerens
musculis
pluribus
,
obliquis
.
Familia
I.
(
CLXXXIII
.
)
Brachiopoda
.
Characteres
ordinis
.
Over
deze
orde
en
familie
vergelijke
men
:
Cuvier
,
Mém
.
sur
l'Animal
de
la
Lingule
,
Ann
,
du
Mus
.
I
,
1802
,
p
.
69–80
,
PJ
.
VI
,
overgenomen
in
zijne
Mémoires
sur
l'Hist
,
et
l'Anat
.
des
Mollusy
.
N
" .
21
.
BRODERIP
,
Descriptions
of
some
new
species
of
Brachio
poda
.
Transact
.
Zool
.
Soc
.
I
,
p
.
141-144
.
Owen
,
On
the
Anatomy
of
the
Brachiopoda
;
ib
.
p
.
145
-
164
,
Pl
.
22
,
23.
(
Beide
deze
verhandelingen
zijn
ook
ver
taald
overgenomen
in
de
Ann
.
des
Sc
.
natur
.
,
sec
.
Série
,
III
,
1835
,
p
.
26-30
,
p
.
52–77
)
.
R.
Owen
,
Lettre
à
1.
MILNE
EDWARDS
sur
l'appareil
de
la
Circulation
chez
les
Hollusques
de
la
classe
des
Brachio
II
.
4
50
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
podes
,
Ann
.
des
Sc
.
natur
. ,
3ième
Sirie
III
,
1845
,
Zool
.
p
.
315-320
,
PI
.
4
.
W.
King
,
Remarks
on
certain
Genera
belonging
to
the
Class
Palliobranchiata
,
Annals
of
natur
,
History
,
XVIII
,
1816
,
p
.
26-42
,
p
.
83-94
.
Het
hoofdkenmerk
dezer
afdeling
bestaat
in
de
adem
halingswerktuigen
.
Bij
Lingula
ziet
men
op
elke
lob
van
den
mantel
aan
de
binnenzijile
twee
,
in
de
lengte
loopende
heofils
!
ainmen
,
die
het
bloed
terugvoeren
naar
het
,
gelijk
wij
boven
reeds
zeiden
,
dubbele
hart
,
daar
het
meest
van
elkander
verwijderd
zijn
en
schuins
naar
den
vrijen
rand
der
martellob
convergeren
in
de
gedaante
van
een
omgekeerde
V.
Aan den
buitenrand
evenwijlige
zijtakken
,
die
eenen
reg
ten
hoek
met
deze
hoofd
raten
maken
,
vormen
eene sier
lijke
kamvormige
teekening
op
de
mantelplaten
.
Het
zijn
deze
vaatverdeelingen
,
die
de
ademhalings
werktuigen
za
menstellen
;
de
kieuwen
zijn
derhalve
aan
den
mantel
ge
hecht
of
liever
de
mamiel
zelve
is
de
zitplaats
van de
ademhaling
.
Van
deze
inrigting
is
die
,
welke
bij
Orbicula
en
Terebratula
aanwezig
is
,
meer
in
voorkomen
dan
in
wezen
verschillend
.
De
ademhalingsfunctie
is
hier
niet
ge
lijk
bij
Lingula
tot
een
gedeelte
van
den
mantel
beperkt
,
maar
strekt
zich
meer
over
den
geheelen
mantel
uit
,
ter
.
wijl
er zich
twee
raatstammen
op
de
eene
en
vier
op
de
andere
lob
uit
talrijker
takjes
vormen
,
en
het
slagaderlijk
bloed
naar
het
dubbele
hart
terugvoeren
(
owen
,
Transact
.
zool
.
Soc
.
I
,
p
.
147
,
148
,
154
)
.
Het
dubbele
hart
ontvangt
bij
deze
weekdieren
het
bloed
evenwel
niet
onmiddellijk
uit
de
gemelde
kieu
waderstammen
,
maar
deze
storten
het
in
eene
sinus
uit
,
waaruit
het
door
de
vrije
en
wijde
ope
ning
van
de lwee
hartooren
wordt
opgenomen
(
Ann
.
des
Sc
,
nat
. ,
3ième
Srie
,
III
,
p
.
316
,
319
)
.
Een tweede
kenmerk
dezer
orde
geren de
twee
dus
genoemde
armen
,
die
opgerold
met de
holronde
zijde
naar
buiten
naast
den
mond
liggen
en
met
cirri
of
draden
omzoomd
zijn
.
Bij
Terebratula
,
waar
deze
draden
lang
en
fijn
zijn
,
verkrijgen
daardoor
deze
twee
armen
het
uitwendig
voorkomen
van
kieuwen
,
'
t
welk
vroegere
schrij
vers
ook
heeft
doen
vermoeden
,
dat
zij
werkelijk
kieuwen
waren
,
b.v.
PALLAS
,
Miscell
.
Zool
.
1766
,
p
.
182
,
GRÜNDLER
,
Na
.
turforscher
II
,
1774
,
p
.
82
,
83.
Deze
armen
hebben
in
hunne
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
51
as
een
'
aan
beide
zijden
gesloten
peesachtigen
koker
,
welke
,
volgens
owen
,
inweadig
met
een
vocht
opgevuld
is
.
Spier
vezels
,
die
den
koker
omgeven
,
drukken
,
naar
zijne
meening
,
dil
vocht
naar
het uiteinde
en
doen
de
armen
aldus
ontplooijen
.
In
de
derde
plaats
kenschetsen
zich
de
Brachiopoda
door
het
gemis
van
een
'
veerkrachtigen
band
,
welke
bij
de
plaat
kieuwige
weekdieren
aan
het
slot
der
schelpen
aanwezig
is
en
antagonistisch
werkt
met
de
sluilspieren
.
De
schaal
wordt
dus
hier
door
de
armen
geopend
of
ook
,
bij
Terebratula
,
door
de
elasticiteit
van
een’zamengestelden
toestel
van
dunne
,
kalkachtige
bogen
,
die
binnen
aan de
oppervlakte
der
klei
nere
,
ondoorboorde
schaal
zijn
vastgehecht
.
Hierbij
komt
eindelijk
nog
eene
meer
zamengestelde
inrigting
van
het
spierstelsel
,
hetwelk
verschillende
schuinsche
bundels
vormt
,
in
plaats
van de
enkele
of
dubbele
sluitspier
,
welke
bij
de
plaatkieuwige
weekdieren
aanwezig
is
.
1.
Testa
acardis
.
Lingula
BRUG
. ,
Lam
.
Testa
subaequivalvis
,
planulala
,
oblonga
,
tenuis
,
utrinque
hians
,
pedunculo
carnoso
,
cylindrico
,
in
tus
caro
affixa
.
Sp
.
Lingula
anatinn
LaM
. ,
BLAINV
,
Malacol
.
Pl
.
51
,
fig
.
3
,
GUÉ
RIN
Iconogr
.
Moll
.
Pl
.
36
,
fig
. 1
;
uit
den
Oost
-
Indischen
Oceaan
.
Vroeger
kende
men
van
dit
dier
alleen
losse
schalen
;
zoodanig
eene
enkele
schaal
is
b.v.
bij
RUMPHICS
Amb
.
Rariteitk
.
Tab
.
XL
,
fig
.
L
afgebeeld
.
LINNAECS
noemde
zoodanig eene
schelp
Patella
unguis
.
Het
eerste
berigt
van
twec
,
met
elkander
verbondene
schelpen
gaf
CHEMNITZ
(
Naturforscher
XXII
,
1787
,
p
.
23–32
,
Tab
.
III
)
.
In
de
laatste
jaren
zijn
nog
eenige
weinige
andere
levende
soorten
van
dit
geslacht
ontdekt
.
Vergelijk
BRODERIP
1.1
.
,
en
over
de
Anato
mie
van
Lingula
anatina
,
behalve
CovieR
en
OWEN
t
.
a
.
p
.
,
ook
C.
vogt
,
Neue
Denkschriften
der
allg
.
Schweizer
Gesellschaft
f
.
d
.
ges
.
Naturwiss
.
VII
,
Neuchatel
1845
m
.
2
Taf
.
Er
komen
ook
fossiele
soorten
van
dit
geslacht
voor
,
bovenal
in
de
silurische
formatie
,
ook
in
den
Bergkalk
.
In
den
Muschel
-
kalk
en
den
bonten
zandsteen
vindt
men
Lingula
tenuissima
,
bronn
Leth
.
geogn
.
Tab
.
XII
,
fig
.
6
B.
Orbicula
cuv
. ,
Lax
.
Testa
inaequivalvis
,
orbicularis
.
Valva
aſfixa
plana
,
disco
fissa
;
valva
superior
conica
.
4
*
52
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
>
Sp
.
Orbicula
Norwegica
LAM
.
,
Patella
anomala
Müll
.
,
Zool
.
Da
nic
.
Tab
.
V
,
BLAINV
.
Malacol
.
Pl
.
55
,
fiz
.
5
;
op
rotsen
en
schel
pen
vastzittende
in
de
Noordzee
;
Orbic
,
lamellosa
BRODER
.
,
Trans
,
zool
.
Soc
.
I
,
Tab
.
23
,
fig
.
2
,
aan
de
kusten
van
Peru
enz
.
Annot
.
Genus
Discina
LAM
.
delcndum
,
ab
Orbicula
non
distin
ctum
;
vide
G.
B.
SOWERBY
,
Transacl
.
of
the
Linn
.
Soc
.
XIII
,
p
.
472
.
Crania
RETZIUS
,
BRUG
.
Testa
inaequivalvis
,
suborbicularis
.
Valva
plana
affixa
,
intus
impressionibus
muscularibus
qua
tuor
,
duobus
mediis
in
unam
fere
confluentibus
.
Sp
.
Crania
ringens DOENING
I.
,
Anomia
turbinatn
pol
,
Test
.
utr
.
Sicil
.
ll
,
Tab
.
30
,
BLAING
.
Malac
.
Pl
.
59
,
fig
.
2
;
Middell
.
Zee
.
Ge
woonlijk
verwart
men
deze
soort
met
Anomia
craniolaris
L.
,
welke
fossiel
is
,
gelijk
vele
andere
soorten
,
uit
de
krijtformatie
.
Vergelijk
A.
J
RETZios
Crania
oder
Todtenkopfs
-
Muschel
,
Schrif
ten
der
Berliner
Gesellsch
.
naturforschender
Freunde
Bd
.
II
,
S.
66
;
SOWERBY
,
Transact
.
Linn
.
Soc
.
XIII
,
p
.
469-472
,
Tab
.
26
.
II
.
Tosta
cardine
instructa
.
Calceola
lam
.
(
Genus
fossile
) .
Thecidea
DEFR
.
Terebratula
liwYU
,
EROG
.
(
Anomiae
spec
.
L.
)
Tesla
in
aequivalvis
,
sublrigona
.
Apex
valyae
majoris
(
ventralis
)
per
tusus
foramine
rotundalo
,
pedunculam
brevem
,
aflixum
exserenle
.
Cardo
dentibus
duobus
.
Intus
rami
duo
calca
rei
,
graciles
,
arcuali
e
disco
valvae
minoris
(
dorsalis
)
ena
scentes
,
fulcrum
brachiorum
efformantes
.
Sp
.
Terebralul
«
caput
serpentis
LAM
.
,
Anomia
caput
serpentis
L.
,
Encycl
.
meth
.
,
Vers
.
Pl
.
246
,
fig
.
7
,
BLAINV
.
Malacol
.
Pl
.
52
,
fig
.
6
,
in
den
Atlantischen
Oceaan
en
de
Noordzee
;
Terebrat
.
dorsuta
Lam
.
,
BLAJNv
.
Malacol
.
Pl
.
51
,
fig .
1
uit
de
Straat
van
Magelhaan
,
enz
.
Veel
talrijker
zijn
de
fossiele
soorten
,
onder
welke
wij
om
den
bij
.
zonder
symmetrieken
vorm
,
welken
Fabio
colonsa
met
lwee
aan
cen
gevoegde
mosselen
vergeleck
,
vermelden
:
Terebralula
discoidea
LAM
. ,
Terebralula
diplya
col
.
,
VON
Bcco
,
Encycl
.
meth
.
,
Vers
.
Pl
.
240
,
fig
.
4
,
uit
de
krijtformatie
,
vooral
in
Italië
gevonden
.
Vergelijk
1.
VON
Buca
Veber
Terebraleln
mit
einem
Versuch
sie
su
classificiren
und
zu
beschreiben
.
Mit
3
lithogr
.
Tafeln
Berlin
,
1831
,
40.
(
Abhandl
.
der
Akad
.
der
Wisensch
.
in
Berlin
,
physik
.
Klasse
1833
)
.
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
35
L.
VON
Spirifer
sowerby
,
Delthyris
Dalla
.
,
Trigonorreta
KÖNIG
,
BRONN
.
Foramen
valvae
majoris
triangulare
,
marginale
.
Fulcra
brancbioram
spiram
ad
instar
revoluta
.
Cf.
SOWERBY
,
Linn
.
I'ransact
.
XII
,
p
.
514
,
fig
.
9
;
BOCI
Ueber
Delthyris
oder
Spirifer
und
Orthis
,
mit
2
lithogr
.
Taf
.
Berlin
1837
,
4º
.
(
Abh
,
der
Akad
.
in
Berlin
,
Physik
.
Kl
.
1836
)
.
De
schalen
zijn
veelal
zeer in
de
breedte
verlengd
,
b.s.
Spirifer
speciosus
BRONN
,
Leth
.
geogn
.
Tab
.
II
,
fig
.
15
.
Alle
soorten
behooren
tot
de
oudere
,
grootendeels
tot
de
overgangs
formatiën
.
In
de
Lias
of
onderste
oolith
-
lagen
vindt
men
de
laatste
soort
van
dit
geslacht
,
Spirifer
Walcottii
,
hetgeen
daarna
onder
de
overblijfselen
van
levende
wezens
niet
meer
wordt
aangetroffen
.
Productus
SOWERBY
,
Strophomena
DAFIN
.
,
BRONN
,
Le
ptaena
Daly
.
Cardo
linearis
,
rectus
.
'
Tesla
inaequivalvis
,
alala
,
fere
semiorbicularis
,
valva
majori
gibba
,
imperforata
.
Een
geheel uitgestorven
geslacht
,
uit
de
oudste
tijdvakken
van
de
geschiedenis
onzer
aarde
.
DesuayeS
neemt
aan
,
dat
deze
schelpdieren
niet
bevestigd
waren
,
maar
zich
vrij
bewoyen
even
als
de
meeste
lamellibranchiata
.
Sp
.
Productus
tubuliferus
DESI
.
,
Strophomena
aculeata
Bronn
,
Lethaea
geogr
.
Tab
.
III
,
fig
.
1
enz
.
Sommige
schrijvers
onderscheiden
Strophomena
als
afzonderlijk
geslacht
van
Productus
.
Zie
over deze
en
andere
geslachten
,
welke
wij
hier
on
vermeld
moeten
laten
,
w
.
King
in
Ann
,
and
Magnz
.
of
nai
.
Hist
.
Vol
.
18
,
1846
, p .
26—42
en
p
.
83--91
,
en
over
Productus
,
1.
TON
Buco
in
Abhandl
.
der
Akud
.
in
Berlin
,
Physik
.
klasse
1841
.
ORDO
II
.
Lamellibranchiata
.
Corpus
compressum
,
utrinque
pallii
lamina
oblectum
.
Branchiae
ad
latera
corporis
sub
utroque
pallii
lobo
posi
lac
,
plerumque
lamellosae
,
utrinque
duae
,
rarius
pectina
tae
,
e
fimbriis
laciniisve
tenuibus
,
confertis
compositae
.
Qua
luor
in
longe
plurimis
tentacula
lamelliformia
,
oralia
aut
trian
gularia
,
per
paria
ad
latera
oris
sita
.
Conchae
duae
laterales
,
pallio
incumbentes
,
ligamento
elastico
ad
dorsum
conjunclae
.
Over
het
inwendig
zamenstel
dezer
plaatkieuwige
schelp
dieren
is
boven
reeds
het
noodige
gezegd
.
De
baarddra
den
,
byssus
genoemd
,
verdienen
nog
eene
beknopte
ver
melding
.
Aan
den
voet
der
schelpdieren
(
zie
boven
biz
.
46
)
staat
dikwerf
cen
bundel
haren
of
draden
,
waaraan
men
60
CL
.
XII
.
CONCUIFERA
.
deze
fainilie
laten
.
De
kenmerken
der
groep
zijn
nog
niet
genoegzaam
bepaald
,
omdat
men
de
dieren
dezer
schelpen
tot
nog
toe
of
in
het
geheel
niet
of
slechts
on
volkomen
kent
.
Enkele
geslachten
bestaan
alleen
in
fossielen
toe
stand
.
Inoceramus
SOWERBY
.
Testa
inaequivalvis
,
apicibus
ap
proximatis
.
Cardo
rectus
,
incrassalus
,
seric
foveolarum
,
li
gamentum
divisum recipientium
instructus
.
(
Genus
fossile
. )
Vele
fossiele
soorten
,
vooral
uit
de
krijtperiode
,
zijn
in
dit
geslacht
vervat
,
terwijl
men
er
nog
geene
uit
de
tertiaire
formatiën
kent
.
DESIATES
,
gelijk
ook
GOLDFUSS en
BRONN
,
vereenigen
thans
met
dit
geslacht
ook de
geslachten
Catillus
en
Mytiloides
van
BRONGNIART
.
Vergelijk
het
artikel
Inocerume
van
DESHAYES
,
Dict
.
univ
.
d'Hist
.
nat
.
VII
,
1846
,
p
.
53
,
54
en
BRONN
,
Leth
.
geogn
.
p
.
689-696
(
cerste
uitgave
)
.
Pachymya
sowerby
?
Dit
geslacht
vereenigile
DESIATES
vroeger
met
Catillus
en
thans
ook
met
Inocerumus
;
vergelijk
echter
BRONN
t
.
a
.
p
.
,
p
.
696
,
697
.
Er
is
slechts
eene
soort
bekend
,
mede
uit
de
krijtformatie
:
Pachym
.
sigas
sow
.
,
BRONN
,
Leth
.
geogn
.
Tab
.
31
,
fig .
9
a
,
b
.
Perna
BRUG
.
(
Osireae
species
L.
)
Testa
complanala
,
sub
aequivalvis
,
latere
anteriori
hians
,
aperlura
byssum
emil
lente
.
Cardo
reclus
,
linearis
,
edenlulus
,
sulcis
parallelis
,
ligamentum
divisum
excipientibus
.
Sp
.
Perna
isogonun
LAH
. ,
Ostren
isugonum
L.
,
RUMPIT
,
Anb
.
Rariteitk
.
Tab
.
47
,
fiy
.
J
,
cuv
.
R.
anim
,
ed
.
ill
.
,
Mull
.
Pl
.
81
,
fig
.
1
,
Ind
.
Occaan
;
Pernu
femoralis
LAM
.
en P.
canina
Laj
.
zijn
,
volgens
DESIAYES
,
slechts
varieteiten
van
deze
soort
.
Perna
ephip
pium
,
Ostren
ephippium
L.
,
GUÉRIN
,
Iconogr
. ,
Moll
.
Pl
.
26
,
fig
.
2
,
Men
kent
ook
eenige
fossiele
soorten
van
dit
geslacht
uit
de
secundaire
en
tertiaire
formation
,
Gervillia
DEFL
.
Een
fossiel
geslacht
,
zeer
verwant
aan
Perna
,
waarvan
soorten
uit
de
oölith-
en
krijtperiode
bekend
zijn
.
Crenalula
Lan
.
Testa
tenuis
,
complanata
,
lamellosa
,
non
emarginala
pro
transilu
byssi
.
Cardo
edentulus
,
linearis
,
margine
crenatus
,
foveis
semicircularibus
ligamentum cxci
pientibus
.
enz
.
CL
.
XII
.
CONCIIIFERA
.
61
.
CF.
LAMARCK
Ann
.
du
Museum
III
,
p
.
25-31
,
Pl
.
2
.
Sp
.
Crenatula
aticularis
Lam
.
I.l.
Pl
.
2
,
f
.
1
,
2
,
ccv
.
R.
ani
.
ed
.
ill
. ,
Moll
.
Pl
.
81
,
fig
.
2
,
aan
de
zee
rondom
de
Zuid
-
Amerikaan
sche
kusten
enz
.
Vulsella
lam
.
Testa
irregularis
,
elongata
,
tenuis
,
subacqui
valvis
,
libera
.
Cardo
in
utraque
valva
tuberculo
instructus
,
fovea
conica
exsculpto
ad
recipiendum
ligamentum
.
Sp
.
Vulsella
lingulata
Lam
.
,
Mya
vulsella
1
,
ROMPI
.
Amb
.
Ra
riteitk
.
Tab
.
46
,
fig
.
A
,
BLAINV
.
Malacol
.
Pl
.
62
,
fig
.
5
uit
den
indischen
Oceaan
,
enz
.
Sommige
soorten
worden
tusschen
koralen
,
andere
in
sponsen
aangetroffen
.
Men
kent
eene
soort
uit
de
tertiaire
formatie
(
Vulsella
deperdita
Lam
.
,
uit
den
grofkalk
)
en
enkele
uit
de
krijtperiode
.
Malleus
LAM
.
Testa
subaequivalvis
,
rudis
,
saepe
undu
lala
,
deformis
,
elongata
,
complanata
,
auriculata
,
antice
emar
ginala
pro
transitu byssi
.
Sinus
rectus
,
triangularis
inter
utramque
valvam
;
apices
parvi
,
divaricali
.
Cardo
edentu
lus
;
fossula
cardinalis
oblongo
-
conica
,
ligamentum
recipiens
.
Sp
.
Malleus
rulgaris
Lam
.
,
Ostrea
Malleus
L.
,
RUMPI
.
Amb
.
Ra
riteitk
.
Tab
.
47
,
fig
.
H
;
D'ARGENVILLE
,
Conchyliologie
1757
,
4
°
.
,
Pl
.
19
,
fig
.
A
,
BLAINV
.
,
Malac
.
Pl
.
63
,
fig
.
4
;
deze
schelp
,
gewoon
lijk
de poolsche
hamer
genoemd
,
wordt
in
den
Oost
-
indischen
Oceaan
gevonden
.
Om
bare
zeldzaamheid
in
de
verzamelingen
is
nog
te
ver
melden
Malleus
albus
Lam
. ,
CHEMNITZ
Conchyl
.
Tab
.
206
,
uit
de
Zuidzee
.
Avicula
bruG
. ,
PESHTATES
.
Testa
subaequivalvis
aut
inaequi
valvis
,
extus saepe
squamosa
.
Cardo
erlenlulus
aut
uno
duobusve
dentibus
parvis
.
Area
obliqua
,
submarginalis
,
in
terdum
subindistincta
pro
ligamento
interno
.
Superficies
interna
valvarum
margaritacea
.
Animal
compressum
,
pallio
aperto
,
margine
incrassato
,
cirriſero
.
Pes
conicus
,
vermiſor
mis
,
bysso
crasso
,
filamentis
interdum
coalitis
.
Subgenus
Avicula
lam
.
Testa
ovalis
,
obliqua
,
auriculis
magnis
.
Dens
cardinalis
in
utraque
valva
infra
apices
.
Sp
.
Avicula
semisagitta
LAM
.
,
Mytilus
Hirundo
l
.
pro
parte
,
BLAINV
.
,
Malac
. ,
Pl
.
63
,
fig
.
8
;
Avic
.
Tarentina
LAM
.
,
POLI
Testac
.
utr
.
Sic
.
Tab
.
32
,
tig
.
17–21
etc.
Men
kent
ook
fossiele
soorten
uit
den
Muschelkalk
en
andere
formation
.
69
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
2
Meleagrina
Lam
.
Testa
suborbicularis
,
auriculis
non
pro
ductis
,
cardine
edentulo
.
Sp
.
Avicula margaritifera
,
Mytilus margaritiferus
L.
,
RUMPA
.
Amb
.
Rariteitk
.
Tab
.
47
,
fig
.
F
,
G
;
D'ARGENv
.
Pl
.
20
,
fig
.
A
,
BLAINT
.
Malac
. ,
Pl
.
65
bis
,
fig
.
7
,
cov
.
R.
ani
.
,
ed
.
ill
.
,
Moll
.
Pl
.
85
,
fig
.
1
;
de
parelmoerschelp
.
De
schelp
is
bijkans
vierkant
,
met
ronden
rand
,
groenachtig
bruin
gestreept
met
witte
vlekken
,
van
binnen
parel
mocrachtig
,
geel-
of
blaauwachtig
wit
.
Dit schelpdier
levert
de
schoonste
paarlen
en wordt
in
den
Perzischen
Zeeboezem
en
in
den
Indischen
Oceaan
bij
het
eiland
Ceylon
en
bij
Borneo
,
in
de
Straat
van
Malacca
enz
.
geronden
.
De
grootste parels
vindt
men
op de
diepste
plaatsen
,
zoo
als
in
den
Perzischen
Zeeboezem
hij
liet
eiland
Khar
,
rak
,
waar
zij
op
zeer
diepe
banken
liggen
.
De
Perzische
parels
zijn
hard
en
daarom
meer
geacht
dan
de
Ceylonsche
,
die
dikwerf
aan
afschilfering
onderhevig
zijn
.
B.
Dimyaria
.
Duae
impressiones
musculares
,
plerumque
remotae
,
interdum
approximalae
.
Ligamentum
valvarum
in
plurimis
externum
.
Familia
V.
(
CLXXXVII
.
)
Mytilacca
.
Pallium
antice
fis
sum
.
Pes
conicus
aut
lingulatus
,
byssiferus
.
Duae
impres
siones
musculares
in
ulraque
valva
remotae
.
Musculus
ad
.
ductor
anterior
saepe
minimus
.
Pinna
1.
Testa
fragilis
,
tenuis
,
saepe imbricato
-
squa
mosa
,
elongala
,
triangularis
,
versus
apices
angustala
.
Cardo
edentulus
;
ligamentum
marginale
.
Animal
(
Chimaera
POLI
)
pede
vermiculari
,
subulato
,
transverse
rugoso
,
basi
byssum
e
filamentis
densis
,
longis
,
sericeis
obferenle
.
Musculus
ad
duclor
anticus
prope
apices
,
posticus
major
,
subcentralis
.
Appendix
conica
,
contractilis
ad
posteriorem
pallii
partem
(
trachea
Poli
)
.
llamdoublet
.
Groote
,
driehoekige
,
dunne
schelpen
,
die
aan
de
punt
zeer
smal
zijn
;
over
elke
schelp
loopt
in
de
lengte
eene
kielvormige
,
somtijds
zwakke
verhevenheid
,
daar
elke
schelp
uit
twec
,
onder
eenen
stompen
lioek
zamenkomende
vlakken
gevormd
is
.
llet
dier
steckt
met
de
punt
der
schelp
in
het
zand
,
en
bevestigt
zich
daarenboven
door
den
byssus
aan
andere
voorwerpen
.
De
zijde
-
achtige
byssusdraden
der
soorten
van de
Middell
.
Zoe
worden
in
Calabrië
en
op
Sicilië
tot
het
vervaardigen
van
handschoenen
,
kousen
,
beurzen
enz
.
gehczigil
.
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
63
Sp
.
Pinna
nobilis
1
,
Pinna
muricata
Poli
Testacea
utr
.
Sic
.
Tab
.
34
,
fig
. 1
,
BLAINV
,
Malac
.
Pl
.
64
,
fig
.
1
;
Pinna
rotun
data
L.
(
et
P.
squamosa
GMEL
.
,
LAM
. ) ,
LISTER
Tab
.
371
,
fig
.
215
,
Encycl
.
méth
.
,
Vers
.
Pl
.
200
,
fig
.
2
etc.
Men
kent
van
dit
geslacht
vele
fossiele
soorten
uit
de
secundaire
en
enkele
uit
de
tertiaire
for
matiën
;
tot
deze
laatsten
behoort
Pinna
margaritacea
LaM
.
,
Ann
.
du
Mus
.
IX
,
Pl
.
17
,
fig
.
3
uit
den
grof kalk
.
Mytilus
L.
(
pro
parle
)
BRUG
.
Testa
elongata
,
non
squa
mosa
,
lacviuscula
,
aequivalvis
,
apicibus
antrorsum
positis
,
cardine
edentulo
,
aut
duobus
dentibus
obsoletis
.
Ligamen
tum
dorsale
,
lincare
,
sinu
angusto
el
elongato
marginali
receplum
.
Duae
impressiones
musculares
,
anteriori
minima
.
Animal
(
Callitriche
POLI
)
pede
ligulato
,
canaliculato
,
byssi
ſero
,
pallio
postice
in
parvam
tracheam
analem
,
tentaculi
ſeram
concreto
,
Palpi
labiales
quatuor
elongati
,
lanceolati
.
Mytilus
Lam
.
Apices
terminales
.
Sp
.
Mytilus
edulis
l
.
+
,
BASTER
Natuurk
.
Uitsp
.
I
,
p
.
117–
127
,
Tab
.
XI
,
fig
.
9-11
,
cuv
.
R.
ani
. ,
éd
.
ill
.
,
Mollusq
.
Pl
.
89
,
mossel
,
moule
,
Miesmuschel
,
muscle
.
De
schelp
is
langwerpig
en
,
na
het
wegnemen
der
opperhuid
,
purperachtig
blaauw
.
Men
vindt
deze
soort
in
de
Noordzee
en
in
de
Middell
.
Zee
.
De
mossels
groeijen
schielijk
en
zijn
in
het
tweede
jaar
reeds
eetbaar
.
Somtijds
zijn
zij
schadelijk
en
in
het
voorjaar
zijn
zij
bij
ons
minder
smakelijk
;
gelijk
de
ondervinding
in
Zeeland
geleerd
heeft
,
zijn
zij
het
best
van
Julij
tot
Januarij
.
Sommige
gestellen
kunnen
geene
mosselen
verdragen
en
dit
heeft
ten
deele
aanleiding
gegeven
om
deze
schelpdieren
in
kwaden
naam
te
brengen
,
alsof
zij
somtijds
giſtig
waren
.
De
eijeren
worden
niet
door
de
kieuwen
,
gelijk
bij
Anodonta
en
Unio
,
maar
door
den
mantel
opgenomen
.
Vergelijk
voor
de
ontleedkunde
van
den
mossel
A.
DE
REIDE
Anatome
Mylili
.
Amstelod
.
1683
,
80.
,
POLI
Test
.
air
.
Sicil
.
II
,
p
.
199–207
,
'
Tab
.
31
,
C.
R.
TREVIRANOS
,
Zeitschr
. f .
Physiol
.
I
,
1824
,
S.
41–47
,
Tab
.
V
,
fig
.
26—29
.
Voor
de
overige
soorten
van
dit
geslacht
vergelijke
men
LAMARCK
,
Ilist
.
Nat
.
des
Ani.s.r.
en
DESHAYES
Encycl
.
meth
.
,
Vers
II
,
p
.
557
et
suiv
.
Modiola
Lam
.
A
pices
sublaterales
.
Sp
.
Modiola
tulipa
Lam
.
,
Encycł
.
meth
.
,
Vers
,
Pl
.
221
,
fig
. 1
,
uit
den
Golf
van
Mexico
enz
.
Er
zijn
langwerpige
soorten
,
die
in
steenen
dringen
,
waarvan
CC
VIER
6
.
CL
.
XII
.
CONCUIFERA
.
។
>
naam
het
ondergeslacht
Lithodomus
vormt
.
Sp
.
Mytilus
lithophugus
L.
,
Mod
.
lithophaga
LAM
.
,
BLAINV
.
Malac
.
Pl
.
64
,
fig
.
4.
(*)
.
Tichogonia
ROSSM
. ,
Dreissena
v
.
BESEDEN
.
Testa
elongata
,
trigona
,
postice
inflata
,
antice
plana
aut
subconcava
.
Api
ces
terminales
;
septum
internum
prope
apices
.
Pallium
antice
concretum
,
pro
pede
excisum
.
Trachea
analis
distincta
.
Sp
.
Tichogonia
Chemnitzii
ROSSMüssler
,
Mytilus
polymorphus
fluviatilis
PALL
.
,
Mytilus
Hagenii
v
.
BAER
,
DESIATES
Conchyl
.
Pl
.
37
,
fig
.
9—11
enz
.
Pallas
ontdekte
dere
soort
liet
eerst
in
de
Wolga
;
in
ons
vaderland
werd
zij
het
eerst
in
den
Haarlemmer
meer
door
1.
W.
WAARDENBORG
aangetroffen
,
die
haar
onder
den
van
Mytilus
lineatus
Lam
.
beschreef
,
met
welke
zij
echter
niet
overeenkomt
(
Ann
.
Acad
.
Lugd
.
Bat
.
1826—1827
Comment
.
de
Moll
.
indig
.
p
.
38
)
;
zij
komt
ook
rondom
Leiden
in
de
Cingels
en
elders
voor
.
VAN
BENEDEN
heeft
het
dier
nader
doen
kennen
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
,
sec
.
Série
III
,
1835
,
p
.
193—213
.
Pl
.
VIII
;
CAN
TRAINE
,
die
het
geslacht
om
den
grootendeels
vereenigden
mantel
niet
in
deze
familie
,
maar
bij
Byssomya
plaatst
,
noemt
het
My
tilina
.
Ann
.
des
Sc
.
nal
. ,
sec
.
serie
,
VII
,
p
.
302–312
.
Het
komt
echter
in
de
meeste
opzigten
,
zoowel
door
de
schelp
als
het
dier
,
zeer
met
Mytilus
overeen
.
Familia
VI
.
(
CLXXXVIII
. )
Arcacea
.
Pallium
antice
fis
sum
,
in
trachcam
non
productum
.
Pes
magnus
,
in
aliis
ad
replatum
inserviens
,
in
aliis
bysso
corneo
,
lamelloso
,
in
fila
menta
non
diviso
praeditus
.
Branchiae
e
filamentis
solulis
factae
.
Testa
regularis
,
apicibus
remotis
.
Cardo
dentibus
numerosis
per
seriem
dispositis
.
Duae
impressiones
muscu
Jares
remotae
.
Arca
L.
(
pro
parte
)
.
Cardo
linearis
reclus
.
Testa
trans
versa
,
inaequilatera
,
apicibus
,
area
magna
interposila
,
dis
tantibus
.
Animal
(
Daphne
POLI
)
pede
compresso
,
longitu
>
(
*
)
In
de
kolominen
,
die
de
overblijfsels
zijn
van
den
tempel
van
Serapis
bij
de
Golf
van
Bajae
,
ziet
men
cen
gehecle
strook
,
die
door
deze
schelpdieren
doorboord
is
,
omtrent
22
voet
boven de
oppervlakte
der
zce
;
zie
Poli
Test
.
ur
.
Sic
,
II
,
p
.
216
;
de
nieuwere
geologie
heeft
daaruit
een
bewijs
ontleend
voor
de
inzakkingen
en
opheffingen
van
den
grond
,
waaruit
zoo
vele
verschijnsels
hunne
verklaring
vinden
.
Vergelijk
het
bekende
werk
van
LYELL
Principles
of
Geology
.
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
65
>
dinaliter
fisso
,
plerumque
byssi
lamellosi
,
cornei
ope
cor
poribus
marinis
adhaerens
.
Cor
duples
.
Sp
.
Arca Noae
L.
,
RUMPA
.
Amb
.
Rariteitk
.
Tah
.
44
,
fig
.
P
,
En
cycl
.
méth
. ,
ders
,
Pl
.
303
,
BLAINV
.
,
Malacol
.
Pl
.
65
,
fig
.
2
;
in
de
Middellandsche
Zee
en
den
Atl
.
Oceaan
;
de
Noachsark
;
de
schuit
vormige
gedaante
heeft
tot
de
geslachtsbenaming
aanleiding
gegeven
.
Arca
tortuosa
L.
,
ROMPI
.
1.
) .
Tab
.
47
,
fig
.
K
,
Encycl
.
méth
. ,
vers
,
Pl
.
305
,
fig
.
1
,
BLAINV
.
Malac
.
Pl
.
65
bis
,
fig
.
1
,
uit
den
Indischen
Oceaan
enz
.
Een
zeer
talrijk
geslacht
,
waarvan
ook
fossiele
soorten
voorkomen
,
enkele
in
secundaire
,
maar
de
meeste
in
tertiaire
formatiën
.
Cucullaea
LAM
.
Testa
ventricosa
.
Cardo
utrinque
costis
exsertis
,
margini
parallelis
,
numero
variis
terminatus
.
Sp
.
Arca
cucullus
GMEL
. ,
Cucullaea
auriculifera
LAM
.
,
BLAINV
.
Maluc
.
Pl
.
65
,
fig
.
4
,
uit
den
Indischen
Oceaan
.
De
fossiele
soorten
van
deze
kleine
groep
zijn
talrijker
,
terwijl
onder
de
thans
levende
dieren
-
wereld
slechts
deze
enkele
bekend
is
.
Pectunculus
Lam
.
(
Arcae
spec
.
L.
)
Testa
orbicularis
,
crassa
,
clausa
.
Cardo
arcuatus
.
dentibus
obliquis
,
medianis
obsole
tis
.
Animal
(
Axinaca
Poli
)
pede
securiformi
,
ad
reptatum
inserviente
,
maximo
,
compresso
,
non
byssifero
;
cor
unicum
.
Sp
.
Peclunculus
pilosus
LAM
.
,
Arcu
pilosa
L.
(
et
glycimeris
pro
parte
) ,
BonAnni
Recreat
.
Mentis
et
Oculi
,
Romae
1684
,
fig
.
80
,
POLI
Test
.
utr
.
Sic
.
Tab
.
26
,
fig
.
2
,
3
,
GCÉRIN
Iconogr
.
,
Moll
.
Pl
.
27
,
fig
.
6
,
DESHAYES
Conchyl
.
Pl
.
34
,
fig
.
23
,
24
(
*
)
;
Pect
.
glycimeris
LAM
.
,
DESI
.
l
.
1.
fig
.
21
,
22
enz
.
Ook
van
dit
geslacht
komen
vele
‘
uitgestorvene
soorten
voor
,
terwijl
de
nieuwere
tertiaire
forma
tiën
ook
de
genoemde
levende
soorten
in
fossielen
toestand
bevatten
.
Zie
over
deze
fossiele
soorten
LAMARCK
Ann
.
du
Mus
.
VI
,
p
.
215—
217
,
IX
,
Pl
.
18
,
fig
.
6–9
en
DESI
AYES
Descr
.
des
Coquilles
foss
.
des
environs
de
Paris
.
Familia
VII
.
(
CLXXXIX
. )
Trigoniacea
.
Pallium
antice
fissum
,
trachea
pulla
.
Pes
non
byssiferus
,
reptando
inser
viens
.
Testa
aequivalvis
,
ipaequilatera
,
cardo
dentibus
plu
ribus
,
per
duas
series
ab
apice
divergentes
dispositis
.
Api
ces
contigui
,
aut
parum
remoti
.
Duae
impressiones
muscu
lares
remotae
;
interna
valvarum
superficies
saepe
marga
ritacea
.
(
*
)
De
schelpen
van
deze
soort
bezigen
de
Sicilianen
,
volgens
berigt
Fan
POLI
,
tut
het vervaardigen
van
Cammeën
.
II
.
3
66
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
zee
Nucula
Lau
.
Testa
transversa
,
apicibus
contiguis
.
Cardo
linearis
,
fractus
,
fovea
ad ligamentum
internum
recipien
dum
interruptus
,
dentibus
numerosis
.
Sp
.
Nucula
margarilacea
Lam
.
,
Arca
nucleus
L.
,
BLAINV
.
Malac
.
Pl
.
65
,
fig
.
5
,
DESHAYES
Conchyl
.
Pl
.
34
,
fig
.
11-13
;
in
de
Noord
en
in
de
Middell
.
Zee
.
Deze
soort
wordt
ook
versteend
aange
troffen
.
De
voet
dezer
schelpdieren
komt
met
dien
van
Pectunculus
overeen
.
Men
zou
dit
geslacht
,
hetgeen
draadvorinige
kieuwen
heeft
,
in
de
vorige
familie
kunnen
laten
.
In
de
laatste
jaren
zijn
vele
soorten
bekend
geworden
,
vooral
door
den
Engelschen
reiziger
COMING
.
Het
zijn
alle
kleine
schelpdieren
.
Trigonia
BRUG
.
Testa
trigona
,
interdum
suborbicularis
.
Dentes
cardinales
oblongi
,
sulcati
.
Ligamentum
externum
marginale
.
Pes
elongatus
,
geniculatus
,
parle
apicali
sulco
ad
inferiorem
superficiem
partis
basalis
recepta
.
Sp
.
Trigonin
pectinata
LAM
.
,
Trigon
.
margaritacen
,
Ann
.
du
Mus
.
IV
,
p
.
355—357
,
Pl
.
67
,
fig
.
1
,
BLAINVILLE
Malac
.
Pl
.
70
,
fig
.
1
,
in
de
Stille
Zuidzce
.
Dit
is
de
eenige
thans
nog
levende
soort
,
welke
van
dit
geslacht
bekend
is
,
waarvan
talrijke
fossiele
soorten
,
ge
deeltelijk
reeds
in
de
oudere
secundaire
formatiën
,
voorkomen
.
Hiertoe
behoort
ook
het
geslacht
Myophoria
BRONN
Leth
.
gevgn
. I
,
p
.
168–
174
uit
den
Muschelkalk
.
Vooral
echter
zijn
de
soorten
van
Trigo
niae
talrijk
in
de
Jura-
en
Krijtfor
matiën
.
Vergelijk
ook
agassiz
Études
critiques
sur
les
Mollusques
,
1re
livraison
,
Neufchatel
,
1840
,
4 °
Familia
VIII
.
(
CXC
.
)
Naïadea
.
Pallium
plerumque
fis
sum
,
interdum
postice
concretum
et
in
duas
tracheas
bre
ves
productum
.
Pes
compressus
,
bysso
pullo
.
Quatuor
ten
-
tacula
buccalia
ovalia
.
Testa
transversa
,
inaequilatera
,
intus
margaritacea
.
Impressiones
duae
musculares
distinctae
,
re
motae
.
Ligamentum
externum
.
Deze
familie
bevat
zoetwater
-
schelpdieren
.
LINNAEUS
vereenigde
de
hem
bekende
soorten
gedeeltelijk
met
Mya
,
gedeeltelijk
met
Mytilus
.
Men
zou
ze allen
veelligt
in
één
groot
geslacht
,
Unio
,
kunnen
vereenigen
.
Phalanx
I.
Testa
regularis
,
libera
,
apicibus
approximatis
.
Unio
BRUG
.
Animal
(
Limnaea
POLI
)
pallio
fisso
,
postice
commissura
circa
anum
concreto
,
trachea
foraminiformi
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
67
DE
ST
.
VINCENT
et
DRAPIEZ
anum
cingente
.
Margo
posticus
utriusque
lobi
pallii
cirris
s
.
tentaculis instructus
.
Branchiae
utriusque
lateris
pone
pedem
coalitae
.
Testa
crassa
,
intus
margaritacea
,
apicibus
saepissime
decorticatis
.
Cardo
dentibus
duobus
plerum
que
in
utraque
valva
,
anteriori
crasso
,
oblique
striato
,
posteriori
lamellae
adinstar
compresso
,
elongato
,
interdum
obsoleto
.
(
Dentes
valvae
sinistrae
sulco
bipartiti
ad
dentes
oppositae valvae
recipiendum
) .
Dit
geslacht
is
zeer
talrijk
in
soorten
,
vooral
in
Noord
-
Amerika
.
De
kennis
dezer
soorten
is
met
groote
zwarigheden
verbonden
,
omdat
de
natuur
-
onderzoekers
,
die
haar beschreven
hebben
,
deze
beschrij
ringen
,
gedeeltelijk
in
Tijdschriften
,
welke
in
Europa
onbekend
zijn
,
ver
spreid
uitgegeven
en
daarbij
op
elkanders
gelijktijdigen
of
voorafgaan
den
arbeid
weinig
acht
geslagen
hebben
.
Wij
vermelden
hier
slechts
,
als
de meest
toegankelijke
,
de
verhandelingen
van
RAFINESQUE
(
Ann
.
des
Sc
.
physiques
de
M.M.
BORY
V
,
p
.
287
suiv
. ) ,
J.
LEA
(
Americ
.
philos
.
Transact
. ,
new
Series
III
,
Philadelphia
1828
,
p
.
259–263
;
III
,
Part
2
,
1830
,
p
.
403–457
,
IV
,
Part
1
,
p
.
63—121
)
en
het grootendeels
bibliographische
opstel
DE
PERUSSAC
in
GUÉRIN's
Magasin
de
Zoologie
1835
,
waarin
ook
de
beschrijvingen
van
to
.
say
en
anderen
zijn
aangehaald
.
De
gedaante
der
menigvuldige
schelpen
van
dit
geslacht
is
zeer
ver
schillend
.
Voor
eenige
van
die
vormen
heeft
men
afzonderlijke
geslachten
aangenomen
.
Zoo
onderscheidt
LAMARCK
de
soorten
met
eene
drie
.
boekige
schelp
,
en
met
dwarse
strepen
op de
tanden
van
het
slot
,
onder
den
naam
van
Castalia
(
Sp
.
Castalia
ambigua
LAM
. ,
BLAINV
.
,
Malacol
.
Pl
.
67
,
fig
.
4
uit
Z.
Amerika
)
.
De
soorten
,
die
eene
scheeve
schelp
hebben
en
aan
den
achterrand
een
groot
,
plat
en
driehoekig
verlengsel
aanbieden
,
vereenigt
hij
onder
het
geslacht
Hyria
. (
Sr.
Unio
syrmatophorus
O.
FABR
.
Hyria
avicularis LAM
. ,
Mya
syrmatophora
GRONOV
.
Zoophylac
.
Tab
.
XVIII
,
fig
.
1
,
Unio
corru
gatus
BLAINV
.
,
Malacol
.
Pl
.
67
,
fig .
1
;
Hyrin
corrugata
LAM
.,
Encycl
.
méth
. ,
vers
.
Pl
.
247
,
fig
.
2
)
.
De
andere
soorten
laat
la
MARCK
onder
het
geslacht
Unio
bijeen
.
Maar
behalve
Castalia en
Hyria
vindt
men
nog
zeer
verschillende
vormen
,
waarvan
men
onder
geslachten
zou
kunnen
maken
,
zoo
als
Unio
orbiculatus
sildk
.
of
Unio
subrotundus
RAFIN
,
van
eenen
ronden
vorm
(
t
) ,
Unio
arcaeformis
van
(
*
)
O.
PABRICIOs
in
Kongel
.
Danske
Videnskab
.
Selskabs
Natur
vidensk
.
Af
handlinger
1
,
1824
,
p
.
55–61
.
(
+
)
Zie
b.v.
Unio
verrurosa
VALENC
.
,
in
TOMBOLDT
et
BONPLAND
Re
.
cueil
d'Observ
.
de
Zool
.
et
d'Anal
,
comp
.
II
,
Pl
.
53
,
fig
.
2
.
**
68
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
LEA
,
mct
eene
platte
,
breede
vlakte
achter
de
spitsen
enz
.
Bij
de
in
Europa
voorkomende
soorten
is
de
schelp
gewoonlijk
minder
ver
schillend
van
gedaante
,
langwerpig
,
van
voren
rond en
stomp
,
van
ach
teren
toegespitst
en
verlengd
.
Sp
.
Unio
pictorum
LAM
.
,
Mya
pictorum
L.
†
,
STORM
Faun
.
Germ
.
VI
,
lleft
2
,
Tab
.
a
,
Unio
rostrata
PFEIFFER
Deutsche
Land-
und
Wasserschn
.
I
,
Tab
.
V
,
fig
.
8
;
Unio
margariti
ferus
RETZ
.
,
NILS
son
,
Mya
margaritifera
i
Unio
sinuata
Lam
.
(
et
Unio
elongata
I
AM
.)
to
SCARÖTER
Geschichte
der
Flussconchyl
.
1779
,
4
°
.
,
Tab
.
IV
,
fig . 1
,
PFEIFFER
1.1
.
Tab
.
V
,
fig
.
11
enz
.
Deze
soort
levert
,
even
als
du
Meleagrina
,
schoone
paarlen
(
zie
boven bl
.
12
)
.
Als
eene
zeer
groote
soort
van
Noord
-
Amerika
vermelden
wij
:
Unio
undulalus
say
,
l'nio
Peruviana
Lam
.
,
Encycl
.
méth
. ,
rers
Pl
.
248
,
fig
.
7.
VALEN
CIENNES
in
nomb
.
et
BONPL
.
Obs
.
de
Zool
.
et
d'Anat
,
comp
.
II
,
p
.
229
,
Pl
.
54
,
fig
.
3
.
Anodonta
BRUG
.
Incola
teslae
(
Limnaea
POLI
)
ejusdem
formae
ac
animal
generis
praecedentis
.
Tesla
plerumque
tenuis
,
transversa
,
postice
elongata
,
antice
rotundato
-
trun
cata
.
Margo
cardinalis
edenlulus
,
linearis
.
Riviermossel
.
Dit
geslacht
onderscheidt
zich
van
het
vorige
door
groolere
dunheid
der
schelpen
,
en
vooral
door
het
gemis
van
schar
nier
,
maar
het
dier
is
volmaakt
hetzelfde
als
bij
het
geslacht
Unio
,
waarmede
DescaYES
het
dan
ook
vereenigt
.
Ook
in
de
schelpen
maakt
Unio
depressa
V.
MÜHLFELD
(
PFEIFFER
L.
I.
II
,
S.
32
,
33
,
Tab
.
VII
,
fig
.
3
,
1
)
den
overgang
tot
Anodonta
.
De
soorten
van
Ano
dontne
zijn
veel
minder
talrijk
en
bieden
minder
verscheidenheid
in
den
vorm
der
schelp
aan
,
dan
die
van
Unio
.
Sp
.
Anodonla
cygnea
LÀM
.
,
Mytilus
cygneus
L.
†
,
BLAINV
.
Malac
.
Pl
.
66
,
fig
. 1
,
PPEIFFER
1.1
.
1 ,
Tab
.
VI
,
fig
.
4
(
Om
de
zamenvoeging
of
vergroeijing
der
schelpen
bij
de
rugzijde
boven
den
band
vormt
le
a
uit
deze
soort
en
eenige
anderen
het
geslacht
Symphynota
;
zulk
cene verbinding
komt
ook
bij
enkele
soorten
van
Unio
voor
)
;
Anod
.
anutina
LAM
,
Mytilus
anatinus
l
.
t
,
PFEIFFER
Tab
.
VI
,
fig
.
2
etc.
Zoowel
van
Unio
als
Anodonta
komen
ook
fossiele
soorten
voor
in
de
kolenformatie
.
In
de
Oolith
en
Lias
vindt
men
schelpen
,
die
vroeger
lot
Unio
gebragt
worden
,
maar
thans
het
geslacht
Cardinia
van
agassiz
,
Pachyodon
stUtCOBORY
uitmaken
(
Unio
hybrida
,
Unio
concinna
sowERBY
enz
.
)
Zie
STUTCHBURY
,
Annals
and
Magaz
.
of
nat
.
llist
.
VIII
,
1842
,
p
.
481
---
485
.
Iridina
lam
.
Animal
pallio
lobis
postice
concretis
,
dua
-
busque
tracheis
brevibus
iostructum
.
Testa
transversa
,
elon
gala
,
cardine
edentulo
,
lineari
,
interdum
crenato
.
CL
.
XII
.
CONCIFERA
.
69
-
SP
,
vidia
e.zotica
LA2
,
Le
matel
A
DANSON
,
list
.
Aat
,
da
Se
-
negal
,
Coquillages
Pl
.
17
,
fig
.
21
,
BLAINV
.
,
Malnc
.
Pl
.
66
,
fig
.
3
,
in
Westelijk
Afrika
en
in
den
Nijl
;
liet
dier
is
beschreven
en
afge
.
beeld
door
DESHAYES
,
Mém
.
de
la
Soc
.
d'Hist
.
nat
.
de
Paris
III
,
1827
,
p
.
1—16
,
PI
.
I
;
Irid
.
rubens
DESI
.
,
Anatina
rubens
Lam
.
,
Encycl
.
méth
. ,
ders
,
Pl
.
201
,
fig
.
1
.
Phalanx
Jl
.
Testa
affixa
,
irregularis
.
Etheria
lam
.
(
Aetheria
) .
Pallium
fissum
,
margine
cirri
fero
.
Tentacula
circa
os
quatuor
,
oblonga
,
rotundala
.
Liga
menlum
externum
,
partim
intus
in
sulcum
penetraus
.
Cardo
callosus
,
edentulus
.
LAMARCK
,
die
dit
geslacht
het
eerst
deed
kennen
,
meende
,
dat
het
in
de
zee
gevonden
werd
.
Men
bragt
het
in
de
nabijheid
van
de
oesters
,
waarvan
de
schelp echter
door hare
twee
spierindruksels
verschilt
.
Sedert
werden
door
den
reiziger
CAILLAUD
deze
schelp
vlieren
in
den
Nijl
gevonden
.
Daarna
werd
ook
het
dier
door
BANG
en
quoy
beschreven
en
afgebeeld
.
Het
komt
,
gelijk
Rang
opmerkt
,
met
dat
van
Unio
en
Anodonta
overeen
,
zoodat
men
de
Etherine
inderdaad het
kortst
als
onregelmatige
,
met
een der
twee
schalen
vastgehechte
Anodonten
zou
kunnen
kenschetsen
.
Vergelijk
LAMARCK
Ann
.
du
Muséum
X
,
p
.
398—408
,
Pl
.
29
32
;
FERUSSAC
Notice
s
.
I.
Éthéries trouvées
dans
le
Nil
,
Mem
.
de
la
Soc
.
d'Hist
.
nat
.
de
Paris
1 ,
1823
,
p
.
353-372
;
RANG
el
CAILLACD
Mém
,
sur
le
genre
Etherie
et
descr
.
de
son
animal
,
Nouv
.
Ann
.
du
Museum
III
,
1834
,
p
.
128–144
,
quoy
in
LESSON
,
Ilustr
.
de
Zoologie
,
Pl
.
58
,
59
(
1835
)
.
Sp
.
Etheria
Lamarckii
Féross
.
,
Eth
.
elliptica
Lam
.
(
et
Eth
.
tri
gonula
ejusd
. ) ,
Ann
.
du
Mus
.
X
,
Pl
.
29
,
30
,
fig
.
1
,
BLAIN8
.
Malac
. ,
Pl
.
70
bis
,
fiy
.
2
ctc
.
GUÉRIN
Iconogr
. ,
Mollusq
.
Pl
.
26
,
fig
.
8
.
Alde
bekende
soorten
leven
in
zoet
water
in
Afrika
en
schijnen
met
Iridina
,
de
in
Amerika
zoo
talrijke
Uniones
te
vervangen
,
welke
in
Afrika
niet
menigvuldig
zijn
.
Familia
IX
.
(
CXCI
.
)
Carditacea
.
Pallium
fissuni
.
Pes
compressus
,
sulcatus
,
non
byssiferus
.
Tentacula
circa
os
in
plures
lobos
divisa
.
Tesla
regularis
,
libera
,
ipaequilatera
,
aequivalvis
.
Impressiones
duae
musculares
remotae
.
Cardi
nis
dentes
plerumque
duo
,
in
aliis
unicus
,
anteriori
ob
soleto
.
er
,
Cardila
BRUG
.
(
exclus
.
specieb
. ) ,
DESHAYES
.
(
Cardita
et
76
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
en
>
creluin
,
duabusque
tracheis
instructum
.
Ligamentum
ex
.
ternum
.
Pes
magous
,
non
byssiferus
.
Tesla
aequivalvis
,
libera
,
globosa
aut
ventricosa
.
Cardo
dentibus
sub
apice
numero
variis
,
interdum
obsoletis
,
dentibusque
lateralibus
,
amolis
.
Duae
impressiones
musculares
remotae
.
Deze
kleine
familie
bevat
schelpdieren
,
die
in rivieren
zoetwater
-
meren
leven
,
even
gelijk
de
Naïdea
,
van
welke
zij
genoegzaam
onderscheiden
is
,
hoezeer
Iridina
(
zie
boven
68
)
uit
hoofde
van
den
vereenigden
mantel
en
de
twee
tracheae
hiertoe
gebragt
zou
kunnen
worden
.
De
tegenwoordige
familie
is
naauw
verwant
aan
de
vorige
,
wier
plaats
zij
in
het
zoet
water
bekleedt
.
Glauconome
okay
.
Dentes
cardinales
tres
,
medio
majori
,
saepe
bifido
.
Testa
elongata
,
transversa
,
apicibus
erosis
.
Zoet
-
waterschelpen
,
die
in
uitwendig
voorkomen
bijkans
naar
Ano
donta
of
Unio
gelijken
.
Zij zijn
alle
exotisch
.
Het
schijnt
,
dat
sommige
fossiele
zoet
-
waterschelpen
,
die
men
vroeger
tot
het
geslacht
Venus
bragt
,
hier
hare
ware
plaats
vinden
.
Galathea
BRUG
.
,
Lam
. ,
Potamophila
sow
.
Tesla
trigona
,
subaequilatera
.
Dentes sub
apice
duo
in
valva
dextra
,
fo
veola
triangulari
media
,
dentem
intermedium
tertium
valvae
sinistrae
excipiente
.
Ligamentum
prominens
,
turgidum
.
Animal
tracheis
duabus
,
non
concretis
,
pede
oblongo
,
com
presso
.
Sp
.
Galathea
radiain
Lan
.
(
Venus
subviridis
et
Venus
herma
phrodita
GMEL
. ) ,
Listen
Conchyl
.
Tab
.
158
,
fig
.
13
,
Encycl
.
meth
. ,
vers
,
Pl
.
250
,
fig
.
1
,
LAMARCK
Ann
.
du
Mus
.
V
,
p
.
430
,
Pl
.
28
,
RANG
Notice
sur
la
Galathee
,
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
Tom
.
XXV
,
1832
,
p
.
152–164
,
PI
.
V.
In
de
rivieren
van
W.
Afrika
;
de
beschrijving
van
RANG
keeft
ons
het
dier
het
eerst
doen
kennen
,
terwijl
men
vroeger
van
deze
soort
alleen
de
schelp
kende
,
die
som
mige
schrijvers
opgaven
van
Ceylon
af
komstig
te
zijn
.
Cyrena
lam
.
Tesla
crassa
,
ventricosa
,
corticala
,
apicibus
crosis
aut
decorticatis
.
Cardo
dentibus
tribus
in
utraque
valva
.
(
Animal
tracheis
duabus
a
basi
inde
discretis
.)
Sp
.
Cyrena
Zeylonica
Lam
.
,
BLAINV
.
,
Malacol
.
Pl
.
73
,
fig
.
2
;
eene
groolere
varietcit
dezer
soort
komt
op
Java
voor
,
zie
A.
Mocsson
,
Die
SANDER
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
77
9
Land-
und
Süsswasser-
Mollusken
von
Java
,
Zürich
1849
,
8º
.
,
Taf
.
XIII
.
Al
de
soorten
van
dit
geslacht
zijn
exotisch
.
Cyclas
BRUG
.
(
pro
parte
)
,
lam
.
Tesla
ovato
-
globosa
,
te
nuis
,
ad
apices
tomida
.
Cardo
dentibus
minimis
,
interdum
subpullis
.
Sp
.
Cyclas
cornea
LAM
.
,
Tellina
cornea
L.
†
,
BLAINV
.
Malacolº
Pl
.
73
,
fig
.
1
,
PPEIFFER
Systemat
.
Anordn
.
U.
Beschr
.
deutscher
Land-
und
Wosserschn
.
Cassel
1821
,
4
°
.
Tab
.
V
,
fig
.
1
,
2
,
bruin
gele
,
doorschijnende
,
van
binnen
blaauwachtig
witte
schelp
,
4
of
5 "
groot
;
in
de
slooten
van
ons
vaderland
niet
zeldzaam
.
De
soorten
van
dit
geslacht
,
hetgeen
met
het
vorige
zeer
verwant
is
,
zijn
vooral
in
Europa
gevonden
,
maar
er
komen
daarvan
echter
ook
in
an
dere
werelddeelen
voor
.
PFEIFFER
onderscheidt
nog
het
geslacht
Pisidium
,
door
het
gemis van
lange
tracheae
,
die
bij
het
dier
dezer
soorten
kort
en
zamengegroeid
zijn
.
Sp
.
Cyclas
obliqun
Lam
.
,
Cycl
.
fontinalis
LAM
.
,
Cycl
.
obtusalis
LAM
.
Familia
XV
.
(
CXCVII
.
)
Lucinacea
.
Pallium
antice
aper
lum
,
postice
concretum
et
apertura
branchiali
et
trachea
unica
anali
praeditum
aut
in
duas
trachcas
,
a
basi
inde
connatas
productum
.
Pes
cylindricus
,
elongatus
,
saepe
vermiformis
.
Ligamentum
externum
aut
subinterdum
inter
margines
exserlos
fissurae
reconditum
.
Impressiones
duae
musculares
remotae
,
magnae
,
anteriore
elongala
.
Impres
sio pallii
rotundata
,
integra
.
Testa
libera
;
cardo
variabilis
.
in
aliis
edenlulus
,
in
aliis
duobus
dentibus
sub
apice
,
ct
uno
duobusve
dentibus
lateralibus
.
Cyrenoïda
JOANNIS
,
Cyrenella
DESHAPES
.
Tesla
ventricosa
,
corticata
.
Cardo
dentibus
duobus
in
valva
dextra
divergen
tibus
parvis
,
dente
upo
bifido
in
valva
sinistra
;
dentes
Jalerales
nulli
.
Animal
tracheis
duabus
concretis
,
palpis
labialibus
quatuor
.
Sp
.
Cyrenoid
,
Dupontia
JOANNIS
,
Gcénix
Magasin
de
Zvol
.
1835
,
Mollusq
.
Pl
.
64.
Cf.
Deshayes
ibid
.
Nº
.
70
,
Senegal
.
Dit
geslacht
telt
slechts
weinige
,
alle
uitheemsche
soorten
,
uit
liet
zoet
water
.
Vol
gens
DESTAYES
is
Cyrenella
eene
Lucina
van
het
zoet
water
,
vol
.
gens DE
JOANNIS
cene
Cyrena
,
zonder
zijdelingsche
tanden
aan
het
scharnier
der
schelp
.
In
alle
gevallen
staat
dit
geslacht
als
in
het
midden
tusschen
deze
en
de
vorige
familie
.
78
CL
.
XII
.
CONCUIFERA
.
-
Lucina
BRUG
.
Testa
orbiculata
,
transversim
striata
,
sub
aequilatera
,
apicibus
brevibus
,
acuminatis
,
antrorsum
in
curvis
.
Cardo
variabilis
.
Animal
(
Loripes
Poli
)
pede
lon
gissimo
,
vermiformi
,
trachea
respiratoria
foraminiformi
,
anali
conica
,
invaginatione
retractili
.
Sp
.
Lucina
laclea
Lam
.,
Tellina
lacter
L.
,
Encycl
.
meth
.
,
ters
,
Pl
.
286
,
fig
.
1
,
POLT
Testac
.
utr
,
Sic
.
I
,
Tab
.
XV
,
f
.
26–29
hab
.
in
mari
mediterraneo
;
Lucina
pensylvanica LaM
. ,
Venus
pen
sylvanica
L.
,
D'ARGENV
.
Conchyl
.
Tab
.
21
,
fig
.
N
,
Encycl
.
meth
.
,
vers
.
Pl
.
284
,
fig
.
1
,
hab
.
in
Oceano
ad
littora
Amer
.
Sept
.;
Lu
cina
divaricata
LAM
.
,
Tellina
divaricata
L.
,
Poli
I.I.
fig
.
25
,
En
cycl
.
méth
.
,
vers
.
Pl
.
285
,
fig
.
4.
Desnayes
Conchyl
.
Pl
.
16
,
fig
.
9-11
,
habit
.
in
mari
mediterraneo
etc.
Ungulina
DAUDIN
,
LAM
.
Dit geslacht
is
zeer
verwant
met
Lucina
,
waarinede
DesaaYes
het
vereenigt
.
Ungulina
oblonga
LAN
.
BLAINV
.
,
Malac
.
Pl
.
73
,
fig
.
6
,
van
de
kast
van
Senegal
.
Daar
dit
dier
in
steenen
en
koralen
dringt
,
is
de
uitwendige
gedaante
der schelp
aan
veel
afwisseling
onderhevig
.
Zie
over
bet
dier
,
waarvan
vroeger
alleen
de
schelp
bekend
was
,
DOVERNOY
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
,
Séc
.
Série
,
Tom
.
18
,
p
.
110—122
,
Pl
.
V
,
B. Vergelijk
DESHAYES
ald
.
Tom
.
19
,
p
.
5–11
.
Corbis
cuv
.
Testa
transversa
,
gibba
.
Cardo
dentibus
duo
bus
sub
apice
,
duobusque
lateralibus
.
Sp
.
Corbis
fimbriata
LAM
. ,
Venus
fimbriata
1.
D'ARGENT
.
Con
chyl
.
Tab
.
21
,
fig
.
G
,
Encycl
.
mélh
.
,
Vers
,
Pl
.
286
,
fig
.
3.
Blainv
.
Malac
.
Pl
.
72
,
fig
.
1
,
Indische
Zee
.
Deze
schelp
is
fijn
gestreept
in
de
lengte
,
tusschen
aan
den
rand
evenwijdig
loopenden
groeven
.
Vanhier
de Fransche
benaming
la
Tricotee
of
la
Corbeille
,
van
welken
laatsten
naam
de
generische
naam
Corbis
eene
vertaling
is
.
Er
zijn
ook
fos
siele
soorten
van
dit
geslacht
,
die
even
fijn
of
nog
fijner
getralied
zijn
.
Familia
XVI
.
(
CXCVIII
.
)
Saxicavina
(
s
.
Lithophaga
) .
Pallii
lobi
maximam
partem
concreti
,
apertura
angusta
,
anteriori
,
pedem
parvum
emittente
.
Tracheae duae
,
basi
coalitae
ad
aperturam
tentaculatae
.
Testa
transversa
,
in
aequilatera
,
postice
elongata
,
hians
.
Ligamentum
externum
.
Duae
impressiones
musculares
remotae
.
Impressio
pallii
postice
profunde
sinuala
.
(
Animalia
in
saxis
habitantia
,
hinc
testae
forma
saepe
irregularis
) .
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
79
Deze
kleine
familie
hecht
zich
aan
het
geslacht
Venus
van
de
eene
en
aan
Gastrochaena
van
de
andere
zijde
;
bij
het
laatste
ge
slacht
zou
men
veelligt
het
geslacht
Saxicava
moeten
plaatsen
.
Het
zijn
zee
-
schelpdieren
,
gelijk
al
de
volgende
familiën
.
Petricola
lau
.
(
et
Venerupis
ejusd
. )
Cardo
dentibus
Laj
duobus
in
utraque
valva
,
interdum
tribus
.
Branchiae
in
aequales
,
externae
minores
.
Venerupis
Lam
.
Tracheae
apice
tantum
discretae
.
Cardo
dentibus
tribus
in
altera
valva
,
interdum
in
utraque
.
Sp
.
Venerupis
irus
Lam
.
,
Donax
Irus
L.
,
Encycl
.
meth
.
,
Vers
,
Pl
.
262
,
fig
.
4
,
POLT
Test
.
utr
.
Sic
.
II
,
Tab
19
,
fig
.
25
,
26
;
habit
.
in
Mari
mediterraneo
;
Vener
.
perfurans
Lam
.
Venus
perforans
MONTAGO
.
(
Mollusci
iconem
dedit PHILIPPI
,
vide
WIEGMANN
,
Archiv
f
.
Naturgesch
.
1845
,
Tab
.
VII
,
fig
.
15
-18
.
Petricola
Lam
.
Tracheae
basi
coalitae
,
parte
terminali
ad
dimidiam
fere
longitudinem
liberae
.
Cardo
dentibus
duo
.
bus
in
utraque
valva
,
aut
unico
tantum
dente
in
allera
.
Sp
.
Petricola
roccellaria
Lam
.
,
DESI
.
Conchyliol
.
Pl
.
12
,
fig
.
7
etc.
(
over
het
dier
van
Petricola
zie
Ppilippt
1.1
.
p
.
188
,
Tab
.
VII
,
tig
.
11-14
)
.
Fossiele
soorten
zijn
uit
de
tertiaire
formatiën
bekend
.
Saxicava
fleURIAU
DE
BELLEVUE
,
LAM
.
(
Hiatella
paup
.
,
Lam
. ,
Byssomya
cuv
.
)
Cardo
denle
obsoleto
,
luberculiformi
,
aut
edentulus
.
Pes
maximus
,
saepe
byssiſerus
.
Sp
.
Saxicava
pholadis
Lam
.
,
Mytilus
pholudis
L.
,
Müller
Zool
.
Danic
.
Tab
.
87
,
fig
.
1–3
(
infer
. ) ,
Blainv
.
Malacol
.
Pl
.
80
,
fig
.
5
;
Saxicnda
arctica
PHILIPPI
,
Solen
minutus
L.
LAM
,
Mya
arctica
l
.
,
Hiatella
arctica
LAM
.
Encycl
.
meth
.
,
rers
,
Pl
.
234
,
fig
.
4
,
BLAINT
.
Malac
.
Pl
.
80
,
fig
.
6
(
nomine
Rhomboidis
rugos
.
)
,
cov
.
R.
uni
.
Moll
.
Pl
.
110
,
fig
. I
elc
.
Familia
XVII
.
(
CXCIX
.
)
Tellinacea
,
Pallium
lobis
postice
concretis
,
margine
tentaculifero
.
Duae
tracheae
discretae
,
saepe
longissimae
.
Pes
triangularis
,
compressus
.
Testa
trans
versa
,
aequivalvis
,
inaequilatera
,
parte
posteriori
saepe
bre
viori
.
Ligamentum
externum
.
Duae
impressiones
muscula
res
remotae
.
Impressio
pallii
postice sinuata
.
De
zijde
der
schelp
,
die
gewoonlijk
de
langste
is
,
is
hier
dikwerf
de
kortste
,
de
achterste
namelijk
of
dic
,
waar
de
band
gelegen
is
.
Ten
onregte
meende
CAMARCK
daarom
,
dat
hij
Dunax
de
band
ver
80
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
>
plaatst
was
en op de
lunula
lag
;
dit
deel
ligt
,
even
als bij
alle
tweeschalige
schelpen
,
achter
de
spits
.
Donas
1.
Testa
transversa
,
postice
obtusa
,
plana
.
Den
tes
cardinales
duo
vel
in
utraque
valva
vel
in
sinistra
,
unicus
dens
bipartilus
in
dextra
;
dens
lateralis
unicus
vel
dentes
duo
,
subremoti
,
interdum
obsoleti
.
Ligamentum
breve
.
Animal
(
Peronaea
POLI
)
tracheis
longis
,
distinctis
,
inaequalibus
,
inferiori
longiori
;
cirri
simplices
ad
orificium
tracheae
(
su
perioris
)
analis
,
cirri
ramoso
-
digitati
ad
orificium
tracheae
branchialis
.
Pes
magnus
compressus
.
Sp
.
Donax
scortum
L.
,
D'ARGENVILLE
Conchyl
.
Pl
.
21
,
fig
.
L
,
BLAINV
.
Malac
.
Pl
.
71
,
fig
.
1
,
DESAYES
Conchyl
.
Pl
.
14
,
fig
.
12
-15
(
Donax
pubescens
1.
variet
.
)
,
hab
.
in
Oceano
Indico
;
Donax
trunculus
L.
t
,
POLI
Teslac
.
utriusq
.
Sicil
.
II
,
Tab
.
19
,
fig
.
12—20
;
BLAINV
.
Malacol
.
Pl
.
71
,
fig
.
2
etc.
(
Capsa
LAM
.
Dentes
laterales
nulli
)
.
Sp
.
Donax
brasiliensis
BLAINV
,
Capsa
brasiliensis
Lam
.
Encycl
.
méth
.
,
Vers
.
Pl
.
261
.
fig
.
10
,
BLAINV
,
Malac
.
Pl
.
71
,
fig
.
3
.
Psammobia
lan
.
(
et
Sanguinolaria
ejusd
. )
Testa
trans
versa
,
subaequilatera
,
utrinque
subhians
.
Cardo
dentibus
duobus
,
rarius
dente
unico
in
utraque
valva
,
dentes
laterales
nulli
.
Animal
(
Peronaea
POLI
)
tracheis
binis
,
praelongis
,
sub
aequalibus
,
margine
pallii
tamquam
serrato
cirris
acumi
natis
,
conicis
.
Capsa
BRUG
,
DESH
.
(
nec
Lam
.
)
Testa
convexa
.
Cardo
an
gustus
,
dentibus
duobus
inaequalibus
in
utraque
valva
.
Ligamentuin
crassum
,
elongatum
.
Lunula
indistincta
.
Sp
.
Psammobia
rugosa
SOWERBY
,
REEVE
,
Sanguinolaria
rugosa
LAM
,
Venus
deflorata
L.
,
CHEMNITZ
Conchyl
.
Tab
.
9
,
fig
.
79—83
,
DESHAYES
Conchyl
.
Pl
.
13
,
f
.
1–3
;
deze
schelpsoort
is
in
den
At
lantischen
Occaan
,
in
de
Roode
Zee
en
in
den
Indischen
Oceaan
aan
getroffen
en
behoort
onder
de
meest
verbreide
soorten
.
Het
dier
is
nog
onbekend
.
Sanguinolaria
Lam
. ,
DESH
.
Testa
plana
.
Cardo
dentibus
duobus
inaequalibus
.
Ligamentum
elongatum
,
planum
.
Sp
.
Psammobia
sanguinolenta
nob
. ,
Solen
sanguinolentus
gm
.
,
Sanguinoluria
rosea
1.2
. ,
CIEMN
.
Conchyl
.
Tab
.
7
,
fig
.
56
.
Psammobia
Laxl
. ,
DESH
.
Tesla
plana
.
Cardo
dentibus
duo
>
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
81
bus
parvis
,
divergentibus
aut
dente
unico
.
Ligamentum
elongatum
,
gibbum
,
protuberans
.
Sp
.
Psammobia
vespertina
LAM
.
,
Solen
vespertinus
GM
.
,
BLAINV
.
Malacol
.
Pl
.
77
,
fig
.
4
;
Psammobia
incarnala
DESI
.
(
Tellina
incarnata
1.
Faun
.
Suec
. ) ,
Psammob
.
feroensis
LAM
.
etc.
Deze twee
soorten
komen
ook
fossiel
in
tertiaire
formatiën
voor
.
Tellina
L.
(
exclusis
quibusd
.
speciebus
)
.
Testa
tenuis
,
plerumque
transversa
,
inaequilatera
,
antice
brevior
,
rotun
dala
,
postice
plicata
,
plica
oblique
a
margine
versus
apices
decurrente
.
Cardo
angustus
,
dentibus
duobus
vel
dente
unico
in
utraque
valva
;
in
plerisque
dentes
laterales
duo
remoti
.
Animal
(
Peronaea
Poli
)
pede
magno
,
lanceolato
,
pallii
margine
cirrato
,
tracheis
longis
,
inaequalibus
,
alte
sub
arena
delitescens
.
De
soorten
van
dit
geslacht
zijn
talrijk
,
vooral
in
andere
wereld
deelen
.
Bij
de
meesten
is
de
schelp
langwerpig
en
plat
,
b
.
v
.
Tellina
radiata
L.
,
D'ARGENVILLE
Conchyl
.
Pl
.
22
,
fig
.
A.
,
Encycl
.
mélh
.
,
Vers
.
Pl
.
2
: 9 ,
fig
.
2
,
BLAING
.
Malacol
.
Pl
.
71
,
fig
.
4
;
somtijds
met
een
smal
verlengd
gedeelte
van
achteren
eindigend
,
zoo
als
bij
Tel
lina
rostrala
L.
,
Tellina
Spengleri
GM
. ,
LAM
.
,
Encycl
.
,
Vers
.
Pl
.
287
,
fig.
5
.
-
Bij
andere
is
de
schelp
meer
rond
,
b
.
v
.
bij
Tellina
lingua
felis
L.
,
ROMPI
.
I.l.
fig
.
G.
,
GUÉRIN
Iconogr
. ,
Moll
,
Pl
.
31
,
fig
.
1.
In
de
Noordzee
vindt
men
Tellina
fabula
GMEL
.
,
LAM
.
,
GRONOV
.
Zoophylac
. ,
Tab
.
18
,
fig
.
9.
,
Tellina
solidula
soLAND
.
,
LAM
.
t
,
enz
.
Vergel
.
over
dit
geslacht
spengler
,
Skrivter
af
naturh
.
Selskabet
,
IV
,
2.
Kööbenhavn
,
1798
,
p
.
67—121
.
Tab
.
12
.
Tellinides
Lam
.
Margo
posterior
testae
absque
plica
irre
gulari
.
Sp
.
Tellina
Timorensis
BLAINV
.
,
Tellinides
Timoriensis
LAM
,
BLAINY
.
,
Malacol
.
Pl
.
72
,
fig
.
2.
(
Hoc
subgenus
rejecit
DESTAYES
,
monens
lento
grada
Tellinas
nonnullas
ad
hanc
formam
ducere
)
.
Fragilia
Desil
.
Testa
subtrigona
,
gibba
,
antice
rotundata
,
postice longior
.
Cardo
dentibus
duobus
divergentibus
in
utraque
valva
.
Sp
.
Tellina
fragilis
1
,
Petricola
ochroleuci
Lam
.
,
Poli
Test
.
utr
.
Sic
.
I
,
Tab
.
XV
,
fig
.
22
,
24
,
DESI
.
Conchyliol
,
Pl
.
12
,
fig
.
13-
25.
Jabit
.
in
Mari
mediterranco
.
II
.
6
82
NI
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
12
.
7
3
Familia
XVIII
.
(
CC
.
)
Mactracea
.
Pallium
antice
aperlum
,
postice
concretum
,
in
duas
tracheas
,
in
aliis
discretas
,
in
aliis
in
unum
coalitas
,
productum
.
Pes
compressus
,
triap
gularis
.
Testa
aequivalvis
,
libera
.
Ligamentum
internum
,
fovea
receptum
;
in
quibusdam
ligamentum
externum
simul
cum
interno
.
Duae
impressiones
musculares
remotae
.
Im
pressio
pallii
postice
sinu
,
in
aliis
lato
,
in
aliis
profundo
,
angustiori
,
nolata
.
Amphidesma
lau
.
(
pro
parte
)
RECLUZ
,
DESH
.
Tesla
ro
tundata
,
suborbiculata
,
tenuis
.
Cardo
dentibus
duobus
in
ulraque
valva
.
Ligamentum
duplex
;
externum
breve
;
in
ternum
in
fovea
cardinis
obliqua
,
profunda
,
angusta
.
Sp
.
Amphidesma
variegata
Lam
.
,
Encycl
.
meth
. ,
Vers
.
Pl
.
291
,
fig
.
3
;
Indische
Oceaan
;
—
Amph
.
solida
GRAY
,
DESI
.
Conchyliol
,
.
Pl
.
11
,
fig
.
10–12
,
Groote
Oceaan
,
bij
de
kust
van
Peru
.
Syndosmya
recLUZ
,
DESI
.
Testa
transversa
,
ovalis
,
te
nuis
,
latere
antico
breviori
.
Cardo
dentibus
duobus
in
valva
dextra
,
foveola
intermedia
dentem
unicum
sinistrae
exci
piente
.
Dentes
laterales
duo
.
Ligamentum
duplex
;
exter
num
parvum
,
internum
apophysi
cochleariformi
receptum
.
Animal
tracheis
duabus
discretis
,
longis
.
Sp
.
Syndosmya
alba
,
Amphidesma
Boysii
LAM
. ,
DESI
.
Conchyl
.
Pl
.
8
bis
,
fig
.
6-8
,
etc.
Trigonella
Da
costa
,
DESII
.
(
Mactrae
spec
.
Gmel
.
,
Ma
clrae
subgenus
cuv
.
,
Lutrariae
sp
.
LAM
.
)
Tesla
orbiculato
trigona
,
plana
,
subaequilatera
,
latere
antico
breviori
,
ro
tundato
,
postico
subhiante
.
Cardo
angustus
,
dentibus
parvis
duobus
in
valva
dextra
,
unico
in
sinistra
;
fovea
triangu
Jaris
ligamentum
internum
recipiens
.
Ligamenium
exter
num
parvum
.
Animal
trachcis
longis
,
gracilibus
,
discretis
,
admodum
inaequalibus
.
Sp
.
Trigonello
plana Lovén
,
Mactra
piperala
GMEL
.
,
Lulraria
compressa
LAM
.
†
,
BLAINV
.
,
Malac
.
Pl
.
77
,
fig
.
2
;
BASTER
Natuurk
.
Uitsp
.
II
,
Tab
.
VIII
,
fig
.
5—7
;
strandschulpje
.
Deze
soort
houdt
zich
diep
in
het
zand
aan
de
zeekusten
op
,
en
komt
ook
fossiel
in
de
Crag
-
formatie
voor
.
CL
.
XII
.
CONCHIFÉRA
.
83
Cumingia
sowERBY
.
Sp
.
Cumingia
tellinoides
desa
.
Conchyliol
.
Pl
8
bis
,
fig
.
9—11
;
species
omnes
exoticae
.
Mesodesma
desh
.
Testa
transversa
,
latere
antico
longio
ri
,
crassa
,
clausa
.
Ligamentum
nonnisi
internum
,
fovea
angusta
,
profunda
receptum
.
Cardo
dente
uno
duobusve
sub
apice
,
duobusque
lateralibus
.
Animal
tracheis
duabus
discretis
(
Peronaea
POLI
)
.
Sp
.
Mesodesma
Quoyi
DESI
.
,
Conchyl
.
Pl
.
10
,
fig
.
13
,
14
;
—
Nesodesma
cornea
Dese
. ,
Amphides
ma
donacilla
Lam
.
,
POLI
Testac
.
ulr
.
Sicil
.
Tab
.
XIX
,
fig
.
8–11
(
Mactru
cornea
,
babitas
fere
-
Donacis
. )
Gnathodon
Gray
,
Rangia
DESMOULINS
.
Sp
.
Gnathodon
cuneatus
GRAY
,
DESI
.
,
Conchyl
.
Pl
.
10
,
fig
.
9–
12.
Cf.
RANG
,
Nour
,
Ann
.
du
Mus
.
III
,
1834
,
p
.
217—230
.
Pl
.
12
Deze
soort
leeft
in
het
brakke
water
van
het
groote
meer
Pontchar
train
in
Louisiana
.
Anatinella
sow
.
>
Sp
.
Anatinella
Sibbaldii
sow
,
Mya
Chemn
.
Conchyl
.
Tab
.
3
,
fig
.
17
,
18
,
desa
.
Conchyl
.
Pl
.
8
bis
,
fig
.
4
,
5
.
Mactra
1.
Testa
transversa
,
inaequilatera
,
utrinque
sub
hians
.
Processus
excavatus
sub
apicibus
in
cardine
,
liga
menlum
internum
recipiens
;
dens
cardinalis
bifidus
aut
furcatus
ante
foveam
ligamenti
.
Animal
(
Callista
POLI
)
tra
cheis
coalitis
,
pede
compresso
..
Vergel
.
I.
Spengler
Beskrivelse
over
det
Slaegt Mactra
.
Skridter
af
naturhist
.
Selskabet
,
V.
2.
Kiöbenhavn
,
1802
,
p
.
92—128
.
Macera
Lau
.
Testa
trigona
ad
apices
tumida
.
Dentes
la
terales
compressi
duo
in
valva
sinistra ,
inter
duas
lamellas
valvae
dextrae
recepti
.
Sp
.
Mactra
stultorum
L.
t
,
Poli
Test
.
utr
.
Sic
.
I
,
Tab
.
18
,
fig
.
10-12
,
BLAINv
.
Nalac
.
Pl
.
73
,
fig
. 5
,
cov
.
R.
ani
. ,
edit
.
ill
. ,
Moll
.
Pl
.
107
,
fig
.
9
,
2 ;
bruinachtig
graauw
,
met
lichte
,
straalachtige
stre
pen
,
van
binnen
paarsachtig
;
zeer
gewoon
in
de
Noord-
en
Middell
.
Zee
.
Macira
heloacea
CIEMN
.
,
L.M.
,
Mactra
glauca
SPENGLER
,
POLI
,
1.1
.
fig
.
1–3
,
spengler
,
1.1
.
Tab
.
III
,
fig
.
1
;
in
de
Middell
.
Zee
.
Dit
geslacht
telt
zeer
vele
soorten
uit
alle
zeeën
.
Ook
kent
men
er
eenige
fossiele
soorten
van
, die in
de
tertiaire
formatiën
voorkomen
.
6
*
84
.
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
Pes
parvus
.
Lutraria
Lam
.
(
pro
parte
)
,
desu
.
Testa
transversa
,
postice
elongata
,
complanata
,
dentibus
lateralibus
nullis
.
Sp
.
Mactra
lutraria
L.
,
Lutraria
elliptica
LAM
.
t
,
LEMN
.
Con
chyl
.
Tab
.
24
,
fig
.
240
,
241
etc.
Dit
ondergeslacht
is
veel
minder
talrijk
dan
het
vorige
.
De
aangehaalde
soort
komt
ook
fossiel
in
tertiaire
formatiën
voor
.
Familia
XIX
.
(
CCI
.
)
Myacea
.
Pallium
sacciſorme
,
lobis
margine
fere
prorsus
conjunctis
,
antice
tantum
parvo
fora
mine
ad
transmittendum
pedem
pertusum
.
Tracheae
plerumque
coalitae
,
retractiles
.
Testa
plerumque
hians
.
Ligamentum
interdum
,
denti
aut
processui
cochlea
riformi
,
ad
cardinem
prominulo
insertum
.
Duae
impressio
nes
musculares
remotae
;
impressio
pallii
postice
plerumque
sinu
exsecta
.
Phalanx
I.
Osteodesmacea
.
Dens
cochleariformis
in
utra
que
valva
,
ligamentum
recipiens
.
Particula
calcarea
soluta
(
ossiculum
Desu
.
)
ligamento
plerumque
contenta
.
Tracheae
duae
saepe
discretae
.
Cardilia Desh
.
(
An
hujus
loci
?
)
Annot
.
Habitus
Isocardiae
.
Spec
.
Isocardia
semi
-
sulcatu
LAM
.
et
qaaedam
aliae
;
duae
fossiles
e
stratis
recentioribus
.
CP
.
DESAAYES
in
LAMARCK
,
Hist
.
nat
.
des
Ani
.
3.
v
.
ed
.
2
,
VI
,
p
.
448–450
et
Gué
RIN
Magas
.
de
Zool
.
1844
,
Moll
.
Pl
.
99—101
.
Myochama
STRATCHBURY
.
Testa
affixa
,
irregularis
,
inaequi
valvis
.
Animal
tracheis
brevibus
,
discretis
.
Sp
.
Myochama
anomivides
STUTCOBORY
,
DESI
.
Conchyl
.
Pl
.
8
bis
,
fig
.
12
,
13
,
etc.
Thracia
LEACH
,
DESH
.
Testa
libera
,
inaequivalvis
,
trans
versa
,
postice
truncata
,
utrinque
hians
,
umbonibus
tumi
dis
.
Ligamentum
duplex
;
externum
parvum
.
Animal
tra
cheis
duabus
brevibus
,
discretis
.
>
Sp
.
Thracia
convexa
DESH
.
,
BLAINV
.
Malacol
.
Pl
.
76
,
fig
.
6
,
DESH
.
Conchyliol
.
Pl
.
9
,
fig
.
1–6
;
in
de
Noordzee
,
Middell
.
Zee
enz
.
Er
zijn
fossiele
soorten
van
dit
geslacht
in
de
jura-
en
krijtformatie
en
in
de
tertiaire
lagen
.
Anatina
LAM
.
Testa
libera
,
subaequivalvis
,
Transversa
,
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
85
9
tenuis
,
fragilis
.
Impressio
pallii
postice
sinuata
.
Animal
ira
cheis
duabus
coalitis
.
Sp
.
Anatina
subrostrata
Lam
.
,
Solen
anatinus
1
,
RUMPR
.
Amb
.
Rariteitk
.
Tab
.
45
,
fig
.
O
,
BLAINV
.
Malacol
.
Pl
.
76
,
fig
.
6
,
DESA
.
Conchyliol
.
Pl
.
8
,
fig
.
20—23
;
in
den
Ind
.
Oceaan
,
enz
.
Ook
van
dit
geslacht
komen
in
verschillende
secundaire
en
tertiaire
lagen
fossiele
soorten
voor
.
Over
het
dier
van
dit
schelpgeslacht
vergelijke
men
1.
MITTRE
,
Mém
.
s
.
l
.
genre
Analine
,
GUÉRIN
,
Mag
.
de
Zool
. ,
1844
,
Moll
.
Pl
.
102-104
.
Periploma
SCHUMACHER
,
DESH
.
Osteodesma
DESH
.
Lyonsia
TURTON
,
DESH
.
Sp
.
Analina
norvegica
soWERBY
,
Amphidesma
corbuloides
Lam
. ,
Mya
norwegica
CHEMN
.
Conchyl
.
Tab
.
170
,
fig
.
1667
,
1668
,
DESH
.
Conchyliol
.
Pl
.
8
,
fig .
12–14
.
Myadora
GRAY
.
Phalanx
II
.
Myacea
.
Ligamentum
internum
,
foveae
utrius
que
valvae
aut
processui
cochleariformi
ad
unam
valvam
et
foveae
ad
alteram
adnalum
.
Tracheae
in
cylindrum
car
Dosum
,
incrassalum
coalitae
.
Pandora
BRUG
.
Testa
inaequilatera
,
tenuis
,
inaequivalvis
,
valva
dextra
plana
,
sinistra
convexiuscula
.
Cardo
in
valva
plana
dente
exserto
munita
,
valva
altera
emarginata
ad
recipiendum
dentem
.
Ligamenlum
foveae
utrinque
pone
cardinem
receptum
.
Sp
.
Pandora
rostrata
Lam
.
,
Tellina
inaequivalvis
L.
,
BLAINV
.
Malacol
.
Pl
.
78
,
fig
.
5
,
cov
.
R.
ani
,
ed
.
ill
. ,
Moll
.
Pl
.
110
,
fig
.
3
.
Middell
.
Zee
;
deze
soort
komt
ook
fossiel
in
de
cragformatie
van
Engeland
voor
.
Er
zijn
nog
twee
andere
fossiele
soorten
uit
de
ter
tiaire
formatiën
en
sominige
uit
de
Indische
zee
bekend
.
Corbula
BRUG
.
Testa
inaequivalvis
,
valva
dextra
con
vexiore
.
Dens
cardinalis
in
utraque
valva
conicus
cum
fo
vea
laterali
.
Ligamentum
insertum
denti
valvae
sinistrae
et
foveae
alterius
valvae
.
Sp
.
Corbula nucleus
Lam
,
Mya
inaequiralois
MONTAGU
t
,
Er
cycl
.
meth
.
,
Vers
.
Pl
.
230
,
fig .
4
,
DESA
.
Conchyl
.
Pl
.
8
,
fig
.
7-9
;
99
CL
.
XI
.
CONCHIFERA
.
edentulo
lineari
,
tubo
calcareo
contenta
aut
ad
parietes
tubi
concreta
.
Gastrochaena
SPENGLER
(
Fistulana
BRUG
.
,
lam
.
et
Gastro
chaena
Lam
.
)
Tesla
tenuis
,
aequivalvis
,
utrinque
hians
,
car
dine
lineari
edentulo
,
ligamento
externo
elongalo
.
Tubus
calcareus
,
clavatus
,
testam
bivalvam
includens
.
Pallium
parva
apertura
pro
transitu
pedis
brevis
,
bysso
parvo
instructi
.
Tracheae
duae
coalilae
,
longae
,
admodum
conlractiles
.
Sp
.
Gastruchaena
mumia
spenGL
.
,
Fistulana
clava
LAM
.
,
SPENG
LER
Skrivter
af
Naturh
.
Selskab
.
II
.
1
Pl
.
2
,
fig
.
1
,
BLAInV
.
Ma
lac
.
Pl
.
81
,
fig
.
3
;
aan
de
kust
van
Coromandel
;
de
buis
is
vrij
en
dikwijls
kleven
daaraan
zandkorrels
.
Doch
andere
soorten
leven
in
gesloten
in
holten
van
madreporen
en
andere
steenachtige
polypen
huizen
;
bij
deze
zag
men
de
kalkachtige
buis
over
het
hoofd
en
zonderde
die
als
afzonderlijk
geslacht
(
Gastrochaena
Lam
.
)
van
de
vorigen
af
.
[
De
benaming
Chaena
,
door
A.
J.
RETZIOS
voor
Gastro
chaena
in
plaats
gesteld
(
Novo
Testaceor
.
Genera
,
Diss
.
def
.
a
L.
MÜNTER
PBILLIPSSON
,
Lundae
.
1788.
p
.
19
) ,
heeft
,
hoezeer
door
SPENGLER
zelven
aangenomen
,
geen
bijval
gevonden
) .
Clavagella
Lam
.
Vagina
tubulosa
,
calcarea
,
libera
aut
aliis
corporibus
marinis
inclusa
,
clavata et
saepe
spinis
obsita
aut
disco
fisso
tubisve
calcareis
,
ramosis terminata
.
Valva
altera
in
pariele
tubi
fixa
,
altera
libera
,
tubi
cavi
tate
contenta
.
De
meeste
soorten
van
dit
geslacht
zijn
fossiel
en
komen
in
ter
tiaire
formatiën
voor
,
b
.
v
.
Claragella
echinata
LAM
.
,
Ann
.
du
Mus
.
XII
.
Pl
.
43
,
fig
.
9
,
Clavag
.
bacillaris
Desa
.
Conchyl
.
Pl
.
I
,
fig
.
4-10
.
Eene
recente
soort
is
Clao
.
apertu
sow
.
,
cov
.
R.
ani
.
,
ed
.
ill
.
,
Moll
.
Pl
.
117
,
fig
.
2
,
uit
de
Middell
.
Zce
,
en
Clavag
.
bata
BROD
.
,
waarvan
het
dier
door
Owen
beschreven
en
ontleed
is
;
zie
w
.
J.
BRO
Owen
in
Transact
.
of
the
Zool
.
Soc
.
I
,
3.
1835
,
p
.
261—271
,
Pl
.
35
,
fig.
1—8
,
Pl
.
30
,
fig
.
8—16
.
Aspergillum
lam
.
,
Penicillus
BRUG
.
,
Arytene
oken
.
Testa
bivalvis
,
in
pariete
tubi
calcarei
incrustata
.
Tubus
cy
lindrico
-
clavatus
,
parle
angusta
aperlus
,
opposito
fine disco
clausus
,
foraminibus
tubulosis
numerosis
et
fissura
centrali
instructo
.
9
DERIP
en
R.
CL
.
XII
.
CONCHIFERA
.
93
Sp
.
Aspergillum
Javanum
Lam
.
,
Serpula
penis
L.
,
ROMPI
.
Amb
.
Rariteitk
.
Pl
.
41
,
fig
.
7
,
BLAINV
.
Malac
.
Pl
.
81
,
fig
.
2
;
uit
de
Indische
zee
;
Aspergillum
daginiferum
Lam
.
,
Arytene
vagini
fera
LEOCK
.
,
RÜPPELL
All
.
zu
der
Reise
im
nördl
.
Afrika
,
wir
.
bellose
Thiere
,
1828
,
Tab
.
XII
,
in
de
Roode
Zee
.
Deze
dieren
leven
in
het
zand
van
de
vlakke
zeestranden
en banken
,
en
steken
met
het
breede
einde
der
pijp
daarin
vast
.
Het
dier
,
dat
knodsvor
mig
is
,
werd
het
eerst
door
RÜPPELL’s
reize
bekend
.
DERTIENDE
KLASSE
.
WEEK
DIEREN
(
MOLLUSC
A ) .
Hoezeer
de
benaming
weekdieren
in
meer
algemeene
beleekenis
genomen
wordt
en
ook
door
ons
in
dit
werk
gebezigd
is
,
gelooven
wij
echter
dien
naam
in
meer
be
paalden
zin
voor
eene
klasse
van
dieren
te
mogen
gebrui
ken
,
die
wij
in
de
vorige
uitgave
van
dit
Handboek
hoofddragende
weekdieren
hebben
genoemd
.
Namen
van
klassen
behooren
onzes
oordeels kort
te
zijn
,
en
niet
met
bepalingen of
beschrijvingen
verward
te
worden
.
Ook
heeſt
reeds
LAMARCK
den
naam
van
weekdieren
in
denzell
den
zin
aan
deze
afdeeling
van
het
dierenrijk
gegeven
.
De
dieren
dezer
klasse
hebben
een
,
van
het
overig
lig
chaam
min
of
meer
afgescheiden
hoofd
.
Dat
hoofd
bezit
gewoonlijk
afzonderlijke
zintuigen
voor
gevoel
en
gezigt
,
somtijds
zelfs
voor het
gehoor
.
Vele
van
deze
dieren
be
zitten
eene
schaal
,
andere
zijn
naakt
.
De
meeste
leven
in
het
water
,
doch
sommigen
op
het
land
,
helgeen
in
de
twee
naastvoorgaande
klassen
nimmer
het
geval
is
.
Overi
gens
zijn
er
onder
deze
dieren
zeer
verschillende
trappen
van
volmaaktheid
in
de
bewerktuiging
,
doch
wij
zien
hetzelfde
verschil
in
meerdere
of
mindere
mate
ook
bij
andere
klas
sen
der
zoogenoemde
ongewervelde
dieren
,
ja
zelfs
nog
bij
de
laagste
klasse
der
gewervelden
,
die
der
visschen
(
Ⓡ
)
.
Wij
moeten
derhalve
hier
de
hoofdzakelijke
verscheidenbe
den
in
de
inrigting
der
deelen
volgens
de
natuurlijke
groe
pen
en
familiën
afzonderlijk
nagaan
.
(
*
)
Het
zij
genoeg
hier
op
Myrine
,
en
vooral
op
Amphiorus
te
wijzen
;
vergelijk
overigens
hetgeen
vroeger
door
ons
gezegd
is
,
Deel
I ,
bl
.
46-48
.
WEEKDIEREN
.
95
會
.
De
mondholte
der
weekdieren
vormt
eene
zeer
spier
achtige
verwijding
,
in
welker
grond
een
met
talrijke
,
in
dwars
rijen
geplaalste
tandjes
of
haken
bedekt
deel
ligt
,
hetgeen
gewoonlijk
de
tong
genoemd
wordt
.
Bij
sommige
is
deze
tong
kort
en
breed
,
bij
anderen
bandvormig
en
lang
(
* ) .
Boven
de
tong
ligt
eene
hoornachtige
dwarsplaat
met
uit
springende
lijnen
(
Helix
,
Limax
)
of
ter
zijde
van
dezelve
vindt
men
twee
kaken
.
llet
darmkanaal
heeft
eene
ver
schillende lengte
,
maar
is
gewoonlijk
gekronkeld
en
lan
ger
dan
het
ligchaam
;
zeer
lang
is
het
b
.
v
.
bij
Chiton
en
Patella
en
maakt
vele
kronkelingen
,
die
door
de
lever
zeer
eng
omsloten
zijn
.
De
slokdarm
is
aan
het
ondereinde
somtijds
kropvormig
uitgezet
,
zoo
als
bij
Limnaeus
,
Pla
norbis
,
Nautilus
en
Octopus
,
die
overlangsche
plooijen
heeſt
,
even
gelijk
ook
de
slokdarm
gewoonlijk
bezit
.
De
maag
is
bij
sommigen
,
zoo
als
bij
Helix
,
vliezig
,
bij
an
deren
spierachtig
.
Bij
velen
is
deze
spierachtige
maag
in
wendig
met
harde
deelen
gewapend
,
zoo
als
bij
Scyllaea
,
Bulla
,
Bullaea
,
of het
inwendig
vlies
,
is
even
als
in
de
maag
der
hoenderachtige
vogels
,
hoornachtig
,
zoo
als
bij
Tethys
en
de
Cephalopoden
.
Men
vindt
in
deze
magen
dikwerf stukken
van
schaaldieren
(
crustacea
) ,
waaruit
men
besluiten
kan
,
dat
dergelijk
eene
harde
bekleeding
tot
ver
brijzeling
van
hard
voedsel
dienstbaar
is
.
Bij
sommigen
is
de
maag
zamengesteld
,
zoo
als
bij
Onchidium
en
Aplysia
,
bij
welke
drie
(
of
zelfs
bij
het
laatstgenoemde
geslacht
,
vol
gens
Cuvien
,
vier
)
magen
aanwezig
zijn
.
De
eerste
maag
is
hier
vliezig
,
de
tweede
spierachtig
,
inwendig
met
grootere
,
5
(
*
)
Vergel
.
over
dit
onderwerp
I.
1.
TROSCHEL
,
Ueber
die
Mund
theile
einheimischer
Schnecken
,
Wiegman's
Archiv
1836
,
Bd
.
1
.
S.
257—279
.
Taf
.
IX
,
X
,
en
vooral
Lovén
,
in
öfversigt
af
Kongl
.
Vetensk
. -
Akademiens
Förhundlingar
1847
,
p
.
175—199
,
welke
schr
.
bij
zeer
vele
geslachten
deze
tanden
afgebeeld
en
beschreven
heeft
.
Dat
deze
harde
deelen
uit
kiezelaarde
bestaan
,
werd
door
IAN
COCK
en
EMBLETON
bij
Eolis
waargenomen
.
Annals
of
nat
.
llist
.
XV
.
1845
,
p
.
9
,
10
.
96
WEEKDIEREN
.
in
kringen
afwisselend
geplaatste
kraakbeenige
tanden
en
met
eene
enkele
rij
van
kleinere
tanden
aan
den bovenrand
;
de
derde
maag
is
op
hare
inwendige
oppervlakte
met
ha
ken
,
die
naar
voren
zijn
omgebogen
,
gewapend
;
de
vierde
eindelijk
is
een
langwerpige
,
blinde zak
,
welke
door
de
lever
omgeven
wordt
.
Volgens
owen
zou
deze
blinde
zak
een
afscheidend
orgaan
,
cen
pancreas
in
den
eenvoudigsten
vorm
zijn
,
met
de
blinde
aanhangsels
aan
den
ondersten
maagmond
der
visschen
overeenkomende
(
*
)
.
Als
zooda
nig
beschouwt
hij
ook de
zoogenoemde
tweede
maag
bij
de
Cephalopoden
,
een
vliezig
,
blind
aanhangsel
achter
de
spiermaag
,
hetwelk
bij
Sepia
en
Octopus
een
spiraalvor
mig
klapvlies
insluit
en
bij
Nautilus
door
dunne
,
dwarse
klapvliezen
in
vele
vakjes
verdeeld
is
(
t
)
.
Het
uiteinde
van
den
regten
darm
ligt
bij
de
weekdieren
gewoonlijk
aan
de
reglerzijde
des
ligchaams
,
steeds
in
de
nabijheid
der
ademhalings
-
werktuigen
.
Speekselklieren
,
die
bij
de
vorige
klasse
ontbreken
,
schijnen
in
deze
vrij
standvastig
aanwezig
te
zijn
.
Gewoon
lijk
zijn
er
twee
,
maar
bij
vele
Cephalopoden
en
enkele
Gasteropoden
,
zoo
als
Ianthina
,
zijn
er
vier
;
het
voorste
paar
ligt
dan
zeer
digt
bij
den
mond
.
De
lever
is
zeer
ontwikkeld
.
Eene
galblaas
is
bij
deze
klasse
niet
aanwezig
,
en
de
galaſscheiding
geschiedt
niet
uit
aderlijk
maar
uit
slagaderlijk
bloed
.
Bij
Helix
is
de
lever
in vier
groolere
lobben
verdeeld
.
Bij
Testacella
is
de le
ver
dubbel
,
eene
aan
elke
zijde
,
terwijl
er
bij
Onchidium
Peronii
drie
levers
zijn
,
elk
met
eene
afzonderlijke
gal
buis
;
twee
van
deze buizen
planten
zich
in
den
slokdarm
in
,
zoodat
de
gal
reeds
in
de
maag
op de
spijsbrei
kan
werken
.
Ook
bij
vele
Cephalopoden
is
de
lever
uit
meer
(
*
)
Lectures
on
the
compar
.
Anat
of
the
invert
.
Anim
.
p
.
300
.
(
+
)
Bij
sommige
cephalopoden
zijn
folliculi
,
die
grooter
zijn
dan
die
der
lever
zelve
,
aan
de
galbuizen
gehecht
;
bunter
beschouwde
deze
deelen
als
pancreas
(
Physiol
.
Catalogue
I.
p
.
229
)
,
in
welke
meening
ook
V.
SIEBOLD
deelt
.
Lehrb
,
der
vergl
.
Anat
.
I.
S.
393
.
WEEKDIEREN
97
dere
,
van
elkander
afgescheidene
lobben
gevormd
.
De
kleur
is
geel
bruin
of
,
zoo
als
b.v.
bij
Nautilus
,
donker
wijn
kleurig
rood
.
Het
fijner
maaksel
der
lever
bestaat
uit
blinde
,
takvormige
zakjes
(
folliculi
) ,
welke
van
binnen
met
cene
laag
van
galstof
-
vormende
cellen
bekleed
zijn
(
*
)
.
De
urien
-
afscheiding
ontbreekt
bij
de
weekdieren
niet
,
hoezeer
nog
niet
bij
alle
is
aangetoond
,
welk
orgaan
tot
deze
afscheiding
dient
.
JACOBSON
heeft
het
eerst
waargeno
men
,
dat
in
den
kalkzak
bij
Helix
en
Limax
,
welken
Cuvier
het
slijmafscheidend
orgaan
noemt
(
+ ) ,
acidum uricum
aanwezig
was
en
dat
dit
deel
daarom
de
nier
der
week
dieren
moest
genoemd
worden
(
s
)
.
Dit
orgaan
is
eene
zak
vormige
,
inwendig
met
talrijke
plooijen
of
platen
voorziene
ruimte
,
welke
digt
bij
het
hart
ligt
en
eene
uitvoerende
buis
heelt
,
die
zich
digt
bij
de
ademhalings
-
opening
ont
last
.
Bij
de
kamkieuwigen
,
zoo
als
Murex
en
Buccinum
,
is
dit
deel
als
het
purpervocht
afscheidend
orgaan
beschreven
en
opent
zich
deszelfs
on
:
lastingsbuis
in
de
kieuwholte
.
Bij
de
hoofdpoolige
weekdieren
zijn
de
sponsachtige
aan
hangsels
der
aderstammen
als
nieren
te
beschouwen
(
**
)
.
Het
hart
is
steeds
slagaderlijk
,
dat
is
,
het
ontvangt
de
aderen
der
ademhalings
-
werktuigen en
geeft
de
slagaderen
des
ligchaams
af
.
Bij
sommigen
(
Haliotis
,
Crepidula
enz
.
)
.
(
*
)
Verg
. J.
FRANK
De
hepate
Molluscorum
.
Berolini
1844.
8º
,
1.
P.
G.
SCHLEMM
(
zie
boven
1.
bl
.
701
)
,
1.
G.
LINDNER
Nonnulla
de
Hepate
et
Bile
erertebratorum
,
Berolini
1844.
8
°
.
,
11.
MECKEL
in
MÜLLER'S
Archiv
1846
,
S.
9–12
.
(
+
)
Organe
de
la
viscosité
,
zic
Ann
.
du
Mus
.
VII
,
p
.
165
,
Pl
.
8
,
fig
.
2
,
3
,
4
,
h
.
i
,
Pl
.
9
,
fig
.
8
lb
,
fig
.
10
c
(
Mémoire
sur
les
Moll
.
Nº
.
XI
)
;
M.
LISTER
beschreef
ditzelfde
deel
onder
den
naam
van
viscus
cinereum
.
Exercitat
.
anat
.
de
Cochleis
,
Londini
1694
,
Tab
.
I
,
fig
. 1
,
d
.
( )
Journal
de
Physique
,
Tom
.
91
,
p
.
318
,
BECKEL'S
Archiv
VI
.
1820
,
p
.
370
,
371
;
Bidrag
til
Böddyrenes
Anatomie
og
Physiol
. ,
Kjöbenhavn
1823
,
p
.
24-28
.
(
**
)
Zic
de
uitvoerige
opgave
der
tot
dit
onderwerp
betrekkelijke
waarnemingen
en
meeningen
bij
7.
SIEBOLD
,
Lehrb
.
der
vergl
.
Anat
.
S.
391-401
,
JI
.
7
baverische
Stavsiuliochek
München
98
WEEKDIEREN
.
9
loopt
de
regle
darm
,
even
gelijk
bij
de meeste
schelp
dieren
,
door
het
hart
heen
.
Gewoonlijk
komen
de
aderen
der
ademhalings
-
werktuigen
in
een
vliezigen
voorhof
(
atrium
)
zamen
,
aan
welks
breeder
gedeelte
het
breede
gedeelte
der
kegelvormige
hartkamer
gehecht
is
.
Bij
de
nieeste
Cephalopoden
zijn
drie
harten
aanwezig
;
namelijk
twee
zijdelingsche
barten
,
die
bet
aderlijke
bloed
naar
de
kieu
wen
voortstuwen
,
en
een
grooter
,
in
het
midden
liggend
,
slagaderlijk
hart
,
hetgeen
de
aderen
der
kieuwen
opneemt
.
Het
bloed
der
weekdieren
is
witachtig
;
bruin
,
somtijds
groen
of
rood
,
is
het
bij
eenige
gymnobranchiata
,
waar
de
kleur
van
het
ligchaam
dik
werf
van
die
van het
bloed
afhangt
(
*
)
.
Bloedligchaampjes
zijn
in
geringer
hoeveelheid
dan
bij
de
gewervelde
dieren
aanwezig
;
zij
zijn
rond
,
eenigzios
plat
en
dikwerf
met
korreltjes
opgevuld
.
Het
aderlijk
gedeelte
van
het
stelsel
van
den
bloeds
omloop
is
altijd
min
of
meer
onvolkomen
.
Cuvier
bad
reeds
in
het
begin
dezer
eeuw
bij
Aplysia
opgemerkt
,
dat
,
in
de
plaats
van
eene
holader
en
van
kieuwslagaderen
,
ruimten
aanwezig
waren
,
die
pelvormig
doorboord
zijo
en
met
de
ingewandsholte
in
vrije
gemeenschap
staan
(
t
)
.
Deze
inrigting
werd
echter
als
eene
uitzondering
beschouwd
.
Eerst
in
de
laatste
jaren
is
het
,
vooral
door
de
onderzoekingen
van
MILNE
EDWARDS
,
gebleken
,
dat
een
groot
gedeelte
van
het
stelsel
voor
den
bloedsomloop
bij
al
de
weekdieren
gevormd
wordt
door
de
tusschenruimten
,
welke de
verschillende
deelen
des
ligchaams
overlaten
en
die
door
geene
afzonder
lijke
wanden
begrensd
zijn
.
Het
aderlijk
bloed
omspoelt
de
ingewanden
en
wordt
in
de
holte
,
waarin
deze
vervat
zijn
,
als
in
eenen
sinus
opgenomen
,
voordat
het
naar
de
adem
halings
-
werktuigen
gevoerd
wordt
.
De
vaten
,
die
het
bloed
naar
deze
deelen
brengen
(
de
kieuwslagaderen
) ,
ontstaan
P.
317
.
(
*
)
E.
FORBES
in
Annals of
nal
.
History
VI
,
1841
.
(
+
)
Ann
.
du
Mus
.
II
p
.
299
,
300
,
Mém
.
s
.
l
.
Moll
.
nº
.
9.
Pl
.
Ib
,
fig
.
1.
G
,
L
,
fig
.
2
,
3
.
WEEK
DIEREN
.
99
>
niet
uit
haarvalen
,
maar
hebben
,
dikwerf
vrij
aanzienlijke
,
openingen
;
bij
sommigen
schijnt
bet
aderstelsel
geheel
te
ontbreken
,
behalve
de
kieuwaderen
,
die
slagaderlijk
bloed
voerende
,
naar
het
hart
loopen
(
*
)
.
Bij
enkele
weekdie
ren
is
ook
het
slagaderlijk
stelsel
onvolkomen
,
vooral
bij
naaktkieuwigen
(
t ) .
Sommige
weekdieren
ademen
de
dampkringslucht
door
eene
vaatrijke
holle
;
anderen
en
wel
de
meesten
ade
men
,
even
als
de
visschen
,
de
,
in
het
water
gemengde
lucht
door
kieuwen
.
De
gedaante
der
kieuwen
is
zeer
verschillend
,
gelijk
bij
de
onderscheidene
familiën
in
het
stelselmatig
overzigt
der
klasse
zal
worden
opgegeven
.
Bij
diegenen
,
welke
eene
schelp
bezitten
,
beschermt
deze
vooral
de
ademhalings
-
werktuigen
,
en
ligt
daarom
,
wanneer
zij
het
gansche
dier
niet
bedekt
,
gewoonlijk
op
deze
deelen
.
In
de
voortplantings
-
werktuigen
heerscht
bij
de
weekdieren
groote
verscheidenheid
.
Sommige
zijn
tweeslachtig
;
andere
hebben
afgescheidene
geslachten
.
Bij
die
weekdieren
,
welker
geslacht
gescheiden
is
,
heeft
men
echter
over
het
algemeen
geen
uitwendig
verschil
der
geslachten
waargenomen
;
eene
hoogst
merkwaardige
uitzondering
hierop
maakt
nogtans
het
geslacht
Argonauta
onder
de
Cephalopoden
,
bij
betwelk
men
de
mannelijke
individuën
vroeger
gebeel
miskend
heeft
,
gelijk
bij
de
be
handeling
van
dat
geslacht
later
vermeld
zal
worden
.
Bij
sommige
zijn
geene
uitwendige
geslachts-
of
paringsorga
nen
aanwezig
,
en
hier
kan
,
even
als
bij
de
schelpdieren
,
het
sexueel
verschil
alleen
door
het
mikroskopisch
onder
zoek
van
den inhoud
der
afscheidende deelen
worden
er
(
*
)
Zie
MILNE
EDWARDS
Ann
.
des
Sc
.
nat
. ,
3e
Serie
,
T.
III
,
Zool
.
1845
p
.
289-315
,
p
.
341-353
,
Tom
.
VIII
,
Zool
.
1847
p
.
37–76
.
Bij
Octopus
vormt
de
ingewandsholte
,
bij
Loligo
de
holte
rondom
den
spierachtigen
mondbulbus
in
den kop
een
'
aderlijken
boezem
.
(
+
)
In
Haliotis
en
Patella
vond
MILNE
EDWARDS
eene
slagaderlijke
holte
in
het
hoofd
,
waarin
de
groote
slagader
naar
voren
toe
vrij
cin
digt
.
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
3e
Série
VIII
,
p
.
104-53
Pl
.
I ,
II
.
7
*
100
WEEKDIEREN
.
kend
,
zoo
als
het
dan
ook
bij
Chiton
,
Patellu
en
Halio
tis
(
de
cyclobranchiata
en
aspidobranchiata
) ,
die
men
vroe
ger
alle
voor
tweeslachtig
of
liever
voor
vrouwelijk
hield
,
eerst
in
de
laalste
tien
jaren
ontdekt
is (
*
)
.
Bij
anderen
heeft
daarentegen
eene
paring
plaats
.
zoo
als
bij
de
Cleno
branchiata
en
bij
Cyclostoma
,
althans
eene
aannadering
gelijk
bij
de
Cephalopoden
.
Hier
is
dan
ook
een
penis
aanwezig
,
die
bij
Buccinum
bijzonder
groot
,
bij
de
Ce
phalopoden
slechts
kort
is
.
De
bal
of
de
eijerstok
is
on
parig
en
ligt
bij
de
Gasteropoda
digt
bij
de
lever
.
Bij
Nautilus
heeft
de
eijerleider
eene
vrije
opening
aan
weers
zijden
en
komen
dus
de
eijeren
niet
,
gelijk
anders
bij
ongewervelde
dieren
de
algemeene
regel
is
,
onmiddellijk
door
een
gesloten
kanaal
uit
den
eijerstok
.
Onder
die
weekdieren
,
welke
hermaphroditisch
zijn
,
waartoe
benevens
vele
Gasteropoda
,
de
Pleropoda
behoo
ren
,
is
de
toestel
der
geslachtsdeelen
het
meest
onder
zocht
bij
de
geslachten
Helix
en
Limax
.
Bij
deze
dieren
ligt
naar achteren
tegen
de
lever
eene
klier
,
die
uit
vele
lang
werpige
,
blinde
takjes
,
welke
zich
vingervormig
vereenigen
,
beslaat
,
welke
takken
of
wortels
vervolgens
tot
eene
enkelvou
dige
,
uitvoerende
buis
zamenvloeijen
.
Deze
buis
loopt
daarop
langs
het
benedeneinde
van
eene
andere
,
grootere
,
langwer
pige
,
dikwerf
tongvormig
eindigende
klier
;
deze
laatste
werd
door
CUVIER
voor
den
testis
,
en
de
trosvormige
kleinere
klier
voor
den
eijerslok
gehouden
.
Eene
juist
tegenover
gestelde
meening
droeg
TREVIRANUS
voor
(
+
)
,
welke
echter
door
CARUS
,
die
in
de
eerstgenoemde
klier
eijeren
vond
(
5 )
weersproken
werd
.
Hiermede
in
strijd
waren
wederom
andere
(
*
)
Vergelijk
hetgeen
wij
boven
over
dergelijke
mcening
bij
de
schelp
dieren
hebben
gezegd
,
bl
.
40
.
(
+ )
Zeitschr
.
für
Physiologie
,
1.
1324
,
S.
1--30
.
Ueber
die
Zert
Fungstheile
und
die
Fortpflanzung
der Mollusken
.
Zoo
ook
PRE
vost
,
die
spermatozom
in
de
trosvormige
klier
aantrof
.
Mém
.
de
la
Soc
.
de
Physique
et
d'Hist
.
nul
,
de
Genève
,
IV
,
V
,
en
Ann
.
des
Sc
.
rat
.
XXX
,
1833
,
p
.
13--59
,
Pl
.
5
.
(
s
)
Carcs
,
Beiträge
zur
genauern
Kenntniss
der
Geslechtstheile
WEEKDIEREN
.
101
waarnemingen
,
die
er
de
aanwezigheid
van
spermatozoa
in
aan
wezen
.
De
zaak
scheen
onoplosbaar
,
tot
dat
hare
ware
loedragt
door
de
mikroskopische
onderzoekingen
van
.
mec
KEL
werd
opgehelderd
(
*
)
.
De
klier
,
die
Cuvier
eijerstok
,
TREVIRANUS
bal
noemt
,
is
beide
te
gelijk
;
het
is
eene dubbele
,
waarlijk
hermaphroditische
klier
;
clke
folliculus
is
dubbel
,
en
in
de
uitwendige
,
die
eijeren
bevat
,
is
eene
inwendige
,
met
zaad
en
spermatozoa
in
verschillende
ontwikkeling
,
ingeslo
ten
.
Het
tongvormige
deel
,
helwelk
cuvier
als
bal
beschouwde
,
is
cene
eiwit
afscheidende
,
met
hare
afscheiding
de
eijeren
omkleedende
klier
.
Vanhier
zwelt
dit
orgaan
na de
paring
op
,
gelijk
daarentegen
de
ware
geslachtsklier
,
de
eijerstok
volgens
cover
,
na de
paring
inkrimpt
(
+
)
.
De
penis
is
een
lang
,
voor
uitstulping
vatbaar
draadvormig
deel
,
hel
geen
bij
de
paring
in
eene
buis
wordt
opgenomen
,
die
aan
het
einde
in
een
rond
blaasje
uitloopt
(
s
)
.
De
meeste
weekdieren
zijn
eijerleggend
;
slechts
enkele
,
zoo
als
Paludina
vivipara
en
Clausilia
ventricosa
,
zijn
einiger
Gasteropoden
,
MOLLER'S
Archir
,
1835
,
S.
487–499
,
Taf
.
12
,
fig
.
1
,
2
.
(
*
)
MOLLER'S
Archiv
,
1844
,
S.
484.
Tab
.
XIV
,
fig
.
18
.
(
+
)
Hieruit
werd
de
meening
van
Cuvier
vooral
bestreden
door
M.
6.
VERLoren
in
zijne
bekroonde
Commentatio
de
Organis
generationis
in
Molluscis
gasterop
.
pneumonicis
,
welke
vele
goede
af
beeldingen
en
naauwkeurige
beschrijvingen
en
een
,
tot
op
dien
tijd
toe
vrij
volledig
geschiedkundig
overzigt
der
verschillende
vroegere
waarnemingen
en
ge
voelens
behelst
.
Ann
.
Acad
.
L.
B.
1836-1837
.
Vergelijk
ook
A.
PAASCI
,
de
Gasteropodum
nonnullorum
hermaphroditicorum
systemate
geni
tali
et
uropoëtico
.
Berolin
,
1842.
8
°
.
(
0
)
Dit
blaasje
vergeleken
reeds
DESIAYES
en
Prevost
met
de
poche
copulatire
der
insekten
(
zie
boven
I ,
bl
.
312
) .
De
laatste
schrijver
bevestigde
door
dadelijke
waarneming
,
dat
de
penis
bij
Limneen
bij
de
paring
door
den
steel
van
dit
blaasje
wordt
opgenomen
.
Overigens
leveren
vooral
de
pneumonische
buikpootige
weekdieren
eene
,
inet
het
gevoelen
van
STEENSTRUP
,
wiens
werk
wij
vroeger
aanbaalden
(
1
bl
.
158
)
,
mocijelijk
vereenigbare
inrigting
op en
het
is
uit
zijne
afbeeldingen
niet
duide
lijk
,
waarom
hij
Tab
.
II
,
fig
.
1
voor
een
vrouwelijk
,
fig
.
2
voor
een
mannelijk
voor
werp
van
Helir
pomatia
houdt
.
108
WEEKDIEREN
.
>
De
lens
is
groot
,
langwerpig
rond
en
aan
de
achterste
oppervlakte
boller
dan
van
voren
.
(
*
)
De
spieren
der
weekdieren
planten
zich
over
het
alge
meen
aan
de
inwendige
vlakte
der huid
in
.
Deze
spieren
vertoonen
geenszins
die
dwarsstrepen
op
de
primitive
bun
dels
,
die
de
mikroskopische
ontleedkunde
bij
de
spieren
der
gelede
dieren
beeft
Iceren
kennen
.
(
+
)
De
Gastero
poden
,
die
eene
gewondene
schaal
bezitten
,
zijn
daaraan
door
eene
spier
bevestigd
,
welke
zich
aan
de
bovenste
kronkeling
bij
de
spil
vasthecht
,
langs
de
windingen
ne
derdaalt
,
om
zich
aan
den
kop
met
bet
eene
,
aan
het
ach
tereinde
van
den
voet
met
het
andere
deel
in
te
planten
.
Deze
spier
dient
om
,
wanneer
zij
zich
verkort
,
de
slak
in
haar
huis
terug
te
trekken
.
De
Gasteropoden
kruipen
overigens
op de
schijſ
des
buiks
,
op den
voet
,
voort
,
waarbij
zij
beurtelings
het
voorste
en dan
weder
het
achterste
gedeelte
op de
oppervlakte
,
waarover
zij
zich
bewegen
,
vasthechten
,
en de
vlakte
zich
in
golfvormig
,
van
voren
naar
achteren
voortgaande
dwars
groeven
zamentrekt
.
De
Pleropoden
zwemmen
door
be
hulp
der
vleugelwijze
aanhangsels
,
die
om
den
mond
staan
.
Tot
hetzelfde
einde
dienen
huidlappen
aan
het
ligchaam
(
*
)
Over
het
oog
der
Cephalopoden
'
vergelijke
men
onder
anderen
CUVIER
Mem
.
s
.
les
Moll
.
nº
.
1
;
p
.
37–41
,
Pl
.
I
,
fig
.
3
,
Pl
.
II
,
fig
.
5
;
D.
W.
SOEMMERRING
de
Oculor
.
Sectione
horizontali
.
Gottingae
,
1818
,
fol
.
p
.
76—73
,
Tab
.
III
;
Knoin
.
Nov.
Ant
.
Acad
.
Caesar
.
Leop
.
Carol
.
N.
C.
,
XVII
,
1.
1934
,
p
.
339–366
,
Taf
.
26
;
DEGES
Traité
de
Phy
siol
.
comp
.
Paris
,
1838
,
8º
. 1
,
p
.
315-318
.
Bij
Nautilus
kon
ik
,
even
min
als
OWEN
,
eenig
spoor
van
de
lens
ontdekken
;
dat
dit
deel
door
de
zeer
kleine
opening
,
welke
midden
aan
de
platte
voorzijde
van
het
oog aanwezig
is
,
zou
zijn
uitgevallen
,
komt
mij
onwaarschijnlijk
voor
.
Slechts
versche
voorwerpen
kunnen
hier
beslissende
opheldering
geven
.
(
+
)
Dat
zij
bij
Sagitta
voorkomen
,
is
mijns
oordeels
een
nader
be
.
wijs
,
dat
dit
dier
geen
weekdier
is
.
Bij
Cephalopoden
kon
ik
overigens
,
evenmin
als
bij
Salpa
in
de
cirkelvormige
spiergordels
(
bl
.
20
)
,
der
gelijke
dwarsstrepen
bespeuren
,
hoezeer
men
ze
bij
deze
dieren
wel
eens
aangenomen
,
en
ook
afgebeeld
heeft
,
WEEKDIEREN
.
109
der
meeste
Cephalopoden
,
die
daarenboven
bij
het
kruipen
over
den
bodem
der
zee
en
bij
andere
bewegingen
,
bij
het
aangrijpen
van
huppe
prooi
,
enz
,
vooral
geholpen
worden
door
de
spierachtige
,
mel
zuignapjes
toegeruste
armen
,
die
hunden
kop
omgeven
.
De
weekdieren
zijn
in
hunne
geographische
verspreiding
nog
niet
genoegzaam
bekend
,
en
het
is
moeijelijk
eenige
alge
mecne
besluiten
uit
vergelijking
af
te
leiden
,
daar
niet
alle
lan
deo
,
kusten
en
zeeën
even
zorgvuldig
doorzocht
zijn
.
Week
dieren
zijn
talrijker
dan
schelpdieren
in
de
groote
zeeën
en
aan
rolsachtige
kusten
;
schelpdieren
leven
meer
aan het
vlakke
strand
.
In
warmere
gewesten
hebben
de
weekdieren
in
talrijkheid
van
soorten
ver
de
overhand
over
de
schelp
dieren
.
Den
grootsten
rijkdom
van
zee
-
weekdieren
zoo
wel
in
geslachten
als
in
soorten
bezit
ongetwijfeld
de
groote
Oceaan
,
tusschen
Amerika's
Westkust
en de
Oostkust
van
Azië
en
Nieuw
-
Holland
.
Tropische
vormen
schijnen
zich
verder
in
het
Zuidelijk
dan
in
het
Noordelijk
halfrond
uit
le
strekken
.
Onder
de
geslachten
,
die
het
talrijkst
in
soorten
zijn
,
moeten
wij
hier
vooral
Purpura
,
Milra
,
Cypraea
en
Conus
noemen
;
de
soorten
der
drie
laatste
geslachten
zijn
bijkans
alle
uit
den
grooten
Oceaan
en
de
Oostindische
Zee
.
Merkwaardig
is
het
,
dat
de
week
dieren
aan
Zuid
-
Amerika's
west-
en
oostkust
ten
eene
male
verschillen
,
zoo dat
er
naauwelijks
eene
soort
is
,
die
aan
beide
kusten
gemeen
is
.
Het
geslacht
Chiton
,
dat
in
den
grooten
Oceaan
zoo
talrijk
in
soorten
is
,
wordt
aan
Amerika's
oostkust
slechls
door
een
paar
soorten
ver
tegenwoordigd
.
Soorten
,
die
in
grootere
diepte
wonen
,
zijn
natuurlijk
verder
verspreid
dan
die
,
welke
meer
in
de
nabijheid
der
kusten
leven
.
Het
is
daarom
niet
genoeg
de
breedte
en
lengte
der
plaatsen
te
kennen
,
binnen
welke
zekere
vormen
voorkomen
;
men
behoort
ook
dc
diepte
der
zee
te
weten
,
waarin
zij
gemeenlijk
leven
.
Met
de
diepte
neemt
het
aantal
der
soorten
af
,
even
als
dat
der
landdieren
met
de
meerdere
hoogte
boven
de
oppervlakte
110
WEEKDIEREN
.
7
der
zee
.
Onder
de
Cephalopoden
,
welke
eene
schaal
be
zitten
en
die
in
de
tegenwoordige
schepping
spaarzaam
voor
komen
,
terwijl
zij
in
de
voorwereld
zeer
talrijk
en
verschei
den
in
vormen
waren
,
is
Nautilus
geheel
tot
de
Indische
en
Zuidzee beperkt
.
Van
de
weekdieren
,
dat
op
het
land
leven
,
is
geen
geslacht
uitgebreider
dan
Helix
,
waarvan
men
eenige
honderde
soorten
kent
en
dat
in
alle
landstreken
voorkomt
.
De
soorten
der
weekdieren
zijn
meer
dan
die der
schelpdieren
aan
bepaalde
streken
gebonden
en
dus
over
het
geheel
meer
onderscheiden
in
verschillende
landen
(
*
)
.
(
*
)
Belangrijke
bijdragen
voor
de
kennis
der
geographische
versprei
.
ding
van
de
weekdieren
leverden
ons
in
de
laatste
jaren
de
onderzoe
kingen
van
sars
,
FORBES
,
D'ORBIGNY
,
PRILIPPI
en
anderen
.
Vergelijk
1.
D’ORBIGNY
,
Recherches
sur
les
lois
qui
président
à
la
distribution
géographique
des
Mollusques
cotiers
marins
,
Ann
,
des
Sc
.
nat
.
3e
Série
,
Tom
.
III
,
1845
,
p
.
193—221
;
E.
FORBES
,
Observations
sur
la
distribution
topographique
des
Mollusques
marins
,
ald
.
Tom
.
IV
,
p
.
117–128
,
en Lovén's
aantekeningen
over
de
geographische
ver
breiding
der
Scandinavische
Zee
-
weekdieren
,
öfversigt
of
kongl
.
Ve
.
lensk
.
Akademiens
Forhandlingar
,
1846.
p
.
252—274
.
DISPOSITIO
SYSTEMATICA
MOLLUSCORUM
.
.
CLASSIS
XIII
.
MOLLUSCA
.
Animalia
cute
molli
,
madida
obtecta
,
plerumque
supra
dorsum
duplicaturam
,
margine
liberam
(
pallium
)
efficiente
.
Caput
magis
minusve
distinctum
,
tentaculis et
saepe
duo
bus
oculis
praeditum
.
Testa
calcarea
,
plerumque
univalvis
,
in
aliis
multivalvis
,
numquam
bivalvis
;
in
paucis
interna
,
in
quibusdam
nolla
.
Organa
circulationis
et
respirationis
plerumque
distincta
;
cor
semper
aörticum
.
Annulus
ner
vosus
circa
oesophagum
;
nervi
a
gangliis
,
numero
variis
versus
periphericas
corporis
partes
tendentes
.
Multa
aquatilia
,
alia
terrestria
,
tantum
non
omnia
li
bere
natantia
aut
replantia
.
ORDO
I.
Pteropoda
.
Mollusca
utrinque
ad
partem
anteriorem
expansione
na
latoria
ceu
pinda
instructa
,
capite
saepe
parum
distincto
,
hermaphrodita
,
marina
.
Vleugelpootigen
.
Cuvier
heeft
deze
afdeeling
der
week
dieren
het
eerst
onder
dien
naam
onderscheiden
in
1804.
Hij
kenschetste
haar
door
het
gemis
van
den
voet
of
de
buik
.
schijf
;
intusschen
schijnt
dit
deel
niet
zoo
zeer
te
ontbre
.
ken
,
dan wel
op
eene
andere
wijze
gevormd
en
,
vooral
zijdelings
,
in
de zoogenoemde
vleugels
of
vinnen
,
ontwik
keld
te
zijn
.
Sommige
schrijvers
,
waaronder
soulevet
,
ver
eenigen
dan
ook
de
Pleropoda
met de
Gasteropoda
.
In
alle
gevallen
hebben
zij
meer
verwantschap
met
dezen
dan
119
CL
.
XIII
.
MOLLUSCA
.
-
SOOLEYET
,
met
de
Cephalopoda
en
moeten
zij
om
de
eenvoudigheid
van
bewerktuiging
beneden
de
Gasteropoda
geplaatst
worden
.
Vergelijk
over
deze
orde
ccven
,
Ann
.
du
Mus
.
IV
,
1804.
p
.
223—234
,
Mollusq
.
Mém
.
nº
.
3
;
PÉRON
,
Ann
,
du
Mus
.
XV
,
p
.
57--09
(
deze
schrijver
brengt
meerdere
geslachten
van
Mollusca
tot
deze
orde
,
die
door
Cuvier
clders
geplaatst
worden
,
en
ook het
,
tot
de
zeenetels
behoorende
geslacht
Callianira
,
Handboek
der
Dierk
. ,
I ,
bl
.
139
)
;
J. F. J.
KOSSE
,
(
praeside
J.
F.
MECKEL
)
de
Pleropodum
ordine
,
cet
.
Balae
1813.
4
°
.
;
.
RANG
,
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
V
,
1825
,
p
.
283–287
;
XII
,
1827
,
p
.
320—329
,
XIII
,
1828
,
p
.
302–319
; -
P.
J.
VAN
BENEDEN
,
Exercices
sootomiques
(
Nour
.
Mém
.
de
l'Acad
.
royale
des
Sc
.
de
Bruxelles
XII
,
1839
)
av
.
4
pl
.;
Comptes
rendus
,
Tom
.
XVII
,
1843
,
p
.
662
et
suiv
.
Familia
I.
(
CCVI
.
)
Hyaleacea
.
Pleropoda
capite
indi
stincto
,
postice inclusa
testa
tenui
.
Hyalea
Lam
.
(
Cavolina
GioENI
,
ABILDGAARD
) ,
Caulina
Poli
.)
.
'
Testa
tenuis
,
pellucida
,
supra
plana
,
subtus
convexa
,
utrin
que
fissa
.
Duae
pinpae
magnae
ad
latera
oris
.
Pallium
utrinque
inter
fissuras
testae
productum
,
appendicibus
con
tractilibus
.
Branchiae
in
orbem
circa
reliqua
viscera
dis
positae
,
fasciculatae
.
Sp
.
Hyalen
tridentata
Lam
.
,
Anomia
tridentala
FORSK
.
Icon
.
rer
.
nal
.
Tab
.
40
,
fig
.
B
,
BLAInV
.
Malacol
. ,
Pl
.
46
,
fig
.
2
,
DELLE
CHIAJE
Memorie
,
Tab
.
80
,
fig
.
1
,
CANTRAINE
Malacol
.
méditerraneenne
,
Mem
.
de
l'Ac
.
de
Brux
.
XIII
,
Pl
.
I
,
fig
.
3
,
in
de
Middell
.
Zce
,
enz
.
Vergelijk
over
het
geslacht
Hyalea
,
Blainville
in
Dict
.
des
Sc
.
nat
.
Tom
.
XXII
,
1821
,
p
.
65-83
.
Cleodora
PÉRON
.
Annot
.
Secandum
clar
.
CANTRAINE
a
praecedenti
genere
non
diver
sum
,
testa
ad
latera
fissa
uti in
Hyalea
, 1.1
.
p
.
23
.
Adde
genus
Eurybiu
RANG
,
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
XII
,
328
.
Creseis
RANG
.
Testa
subulata
,
antice
orbiculari
apertura
instructa
,
ad
latera
non
fissa
.
Pallium
ad
latera
non
pro
ductum
.
Cf.
Rang
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
XIII
,
p
.
305-318
.
Annot
.
Hic
etiam
aut
cum
praecedenti
genere
ponendum
est
:
Subgenus
Cuvieriu
RANG
.
Cf.
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
XII
,
p
.
322
,
Pl
.
45
B
,
fig
.
1-8
,
V.
BENEDEN
1.l.
,
Pl
.
4
B.
CL
.
XIII
.
MOLLUSCA
.
113
Spiratella
Blainv
.
,
Limacina
cuv
.
Corpus
aplice
utrin
que
pinna
triangulari
auriculatum
,
postice
convolutum
,
Testa
fragilis
,
discoidea
,
altero
latere
profunde
umbilicata
,
altero
spira
exsertiuscula
.
Sp
.
Spiratella
arctica
noh
. ,
Limacina
helicialis
LAM
.
,
BLAINV
.
Malac
. ,
Pl
.
48
bis
,
fig
.
5
,
V.
BENEDEN
,
Mém
.
sur
la
Limacina
ar
ctica
,
Mém
.
de
l'Ac
.
royale
de
Brux
.
Tom
.
XIV
,
1841
,
Pl.5
.
Dit
kleine
dier
is
zeer
talrijk
in
de
zee
aan
de
Noord
-
pool
en
strekt
den
wa’visch
tot
voeder
;
zie
O.
FABRICII
Faun
.
Groenl
.
p
.
387-389
,
bij
welken
schrijver
het
Argonauta
arctica
genoemd
wordt
.
In
PUIPP'S
reize
naar
de
Noordpool
wordt
het
(
fransche
uitgave
p
.
199
)
onder
den
naam
van
Clio
helicinu
vermeld
,
en het
is
waarschijnlijk
,
dat
co
VIER
het
Helicina
heeft
willen
noemen
,
welke
benaming
wij
althans
zouden
verkiezen
boven
die
van
Limacina
,
die
misschien
slechts
door
vergissing
ontstaan
is
.
Cymbulia
Perox
.
Animal
testa
inclusum
,
exceptis
pinnis
duabus
magnis
,
in
discum
orbicularem
,
antice
emargina
tum
confluentibus
.
Duo
tentacula
contractilia
ante
os
.
Tesla
hyalina
,
elongata
,
cymbiformis
,
postice
truncata
.
Sp
.
Cymb
.
Peronii
cuv
.
,
PÉRON
,
Ann
.
du
Mus
.
XV
,
Pl
.
3
,
p
.
10
12
,
cuérir
Iconogr
. ,
Moll
.
Pl
.
4
,
fig
.
2
,
v
.
BENEDEN
,
Mém
.
de
l'Acad
.
de
Brur
.
XII
,
Pl
.
1.
Middell
.
Zee
;
volgens
CANTRAINE
verliezen
deze
dieren
dikwerf
hunne
schaal
.
(
*
)
Familia
II
.
(
CCVII
.
)
Clioidea
.
Pteropoda
nuda
,
capite
.
distinclo
.
Pneumodermon
cuv
.
Pinnae
duae
parvae
ad
latera
colli
,
cum
appendice
conica
intermedia
,
sulcata
.
Os
acetabulis
numerosis
,
petiolatis
,
retractilibus
.
Sp
.
Pneumodermon
Peronii
cov
.
,
Ann
.
du
Mus
.
IV
,
Pl
.
59
B.
BLAINV
.
Malac
.
Pl
.
46
,
fig
.
4
;
dit
dier
is
in
den
Atlantischen
Oceaan
en
schijnt
te
verschillen
van
hetgeen
door
quoy en
door
PÉRON
ontdekt
,
(
* )
Misschien
is
het
geslacht
Tiedemannia
DELLE
CHIAJE
,
op
derge
lijke
uit
de
schaal
geraakte
Cymbuliae
gegrondvest
.
Vergelijk
over
Tiedemannia
,
v
.
Beneden
Etudes
zoolomiques
en
kronn
in
Ericuson's
Archio
f
.
Naturgesch
. , 1844
,
S.
324–328
.
Taf
.
ix
,
fig
.
A.
Wanneer
Tiedemannia
,
200
als
kronn
gist
,
cene
,
zich
door
toevallige
omstandig
heden
ligt
afzonderende
schaal
heeft
(
ib
.
S.
326
)
,
kan
althans
dit
ge
slacht
moeijelijk
van
Cymbulia
worden
afgescheiden
.
II
.
8
114
CL
.
XII
.
MOLLUSCA
.
7
?
GAIMARD
in
de
reis
van
den
Astrolabe
is
afgebeeld
(
welke
afbeel
ding
overgenomen
is
in
cuv
.
R.
ani
.
,
ed
.
ill
.
,
Mollusq
.
Pl
.
17
,
fig
.
2
)
,
waar
de
zuignapjes
takvorming
op
twee
steeltjes
staan
.
Meerdere
gelijkheid
nog
heeft
daarmede
Pneumodermon
violaceum
D’ORBIGNY
,
waarvan
V.
BENEDEN
cene
ontleding
en
af
beeldingen
gegeven
heeft
MÜLLER's
Archiv
,
1838
,
p
.
296—304
,
Pl
.
9
,
10.
Omtrent
de
adem
halingswerktuigen
is
men
nog
onzeker
,
en
de
benaming
Pneumoder
mon
berust
misschien
op
eene
dwaling
.
Spongiobranchea
D'ORB
.
[
An
a
praecedenti
distinctum
genus
?
]
D'ORBIGNY
Voyage
dans
l'Amér
.
merid
.
(
overgenomen
in
OKEN'S
Isis
1839
,
S.
498
,
Tab
.
1
,
IX
,
fig .
1—9
) .
Clio
L.
,
Clione
Pall
. ,
ESCIIRICIT
.
Corpus
oblongum
,
po
stice
acuminatum
.
Caput
strictura
a
corporc
discretum
,
cu
cullo
bilobo
obteclum
,
sex
conicis
appendicibus
,
duobus
que
tentaculis
,
retractilibus
,
conicis
coronatum
.
Pinnae
duae
ovales
ad
latera
colli
.
Duo
puncla
(
oculi
)
nigra
in
nucha
.
Foramina
genitalia
duo
ad
Jalus
dextrum
ventrale
,
anterius
ante
pinnas
pro
exilu
penis
longissimi
,
posterius
pone
pinnam
pro
oviduchu
.
Anus
pone
haec
orificia
,
magis
ver
sus partem
mediam
.
Sp
.
Clio
borealis
Gwel
,,
Clione
borealis
t
,
PALL
.
Spic
.
Zool
.
X
,
Tab
.
I
,
fig
.
18
,
19
,
CCVIER
Ann
.
du
Mus
.
I
,
p
.
242—250
,
Pl
.
17
,
D.
F.
ESCHRICIT
Kongel
.
Danske
Vidensk
.
Selskabs
Afhandl
.
Kjö
benhavn
,
1838
(
afzonderlijk
uitgegeven
in
het
Hoogduitsch
,
Anatom
.
Untersuchungen
ü
.
d
.
Cl
.
boreal
.
Kopenhagen
,
1838. 4
°
)
.
De
zes
kegelvormige
armen
van
den
kop
zijn
met
stipjes
,
mikroskopisch
kleine
zuignapjes
,
bedekt
.
Dit
dier
(
walvisch
-
aas
) ,
Clio
limacina
PHIPPS
,
leeft
met
de
Clio
helicina
,
vooral
in
de
nabijheid
van
Groen
.
land
en
Spitsbergen
,
en
maakt
het
voornaamste
voedsel
der
Walvis
schen
van
het
Noorden
uit
,
hoezeer
het
naauwelijks
1
duim
lang
wordt
.
De
vinvormige
aanhangsels
beschouwde
cuvier
als
ademha
lingswerktuigen
,
doch
het
zijn
waarschijnlijk
netvormig
elkander
kruisende
spiervezels
,
welke
hij
voor
de
valen
dier
huidlappen
ge
houden
heeft
.
ORDO
II
,
Gasteropoda
.
Mollusca
capite
distincio
,
in
plurimis
tentaculato
,
praedi
ta
,
superficie
inferiori
ventris
complanala
aut
sulcata
,
aut
CL
.
XIII
.
MOLLUSCA
.
115
in
laminam
compressam
producta
.
Alia
hermaphrodita
,
alia
sexu
distincta
;
multa
aquatilia
,
quaedam
terrestria
.
Buikpootigen
.
Bij
de
meesten
ligt
het
hart
aan
de
lin
kerzijde
des
ligchaams
.
Bij
diegenen
nogtans
,
welker
ho
rens
links
gewonden
zijn
(
zie
boven
II
.
bl
.
6
)
,
ligt
het
hart
aan
de
regterzijde
.
De
openingen
der
voortplantings
-
werk
tuigen
en
het
uiteinde
van
den
regten
darm
liggen
meest
aan
den
regter
kant
.
Bij
velen
zijn
de
geslachten
geschei
den
;
andere
zijn
tweeslachtig
en
gewoonlijk
zoo
,
dat
er
wederzijdsche
bevruchting
van
twee
of
somtijds
meer
indi
viduen
plaats
heeft
.
De
ondervlakte
van
den
buik
vormt
cene
langwerpige
,
plalte
schijf
,
welke
zeer
spierachtig
is
en
waarop
het
dier
voortkruipt
,
zoo
als
in
de
naakte
aardslakken
en
de
huis
jes
-
slakken
(
Helices
)
algemeen
bekend
is
;
deze
overal
voor
.
komende
dieren
,
leveren
ons
een
voorbeeld
van
den
typus
dezer
orde
.
Maar
bij
anderen
is
deze
buikschijf
,
die
men
gewoonlijk
roet
noemt
,
zijdelings
zamengedrukt
en
dient
tot
zwemmen
.
Wij
zullen
deze
weekdieren
als
afzonder
.
lijke
groep
van
de
overige
afzonderen
.
A.
Heteropoda
.
Familia
III
.
(
CCVIII
.
)
Heteropoda
.
Pes
compressus
,
pin
nae
similis
,
disco
sive
acelabulo
suctorio
instructus
.
Bran
chiae
pectinalae
aut
pinnatae
.
Sexus
distincti
.
Vreemdpootigen
.
Deze
weekdieren
leven
alle
in
de
zee
en
zwemmen
gewoonlijk
met
den
vinvormigen
voet
omhoog
rug
benedenwaarts
.
FORSKAL
,
aan
wien
wij
de
eerste
beschrijvingen
van
dieren
dezer
familie
verschuldigd
zijn
,
gaf
daaraan
den
naam
van
Pterobranchea
.
Dat
de
geslachten
gescheiden
zijn
,
is
door
LAURILLARD
en
MILNE
-
EDWARDS
ont
dekt
;
volgens
CANTRAINE
is
echter
Phyllirhoe
hermaphrodiet
.
Phyllirhoe
Peron
.
Corpus
nudum
,
compressum
,
tenta
culis
duobus
longissimis
,
subulatis
.
Oculi
nulli
.
(
Organa
respirationis
incognita
)
.
Cf.
PÉRON
,
Ann
.
du
Mus
.
XV
,
p
.
65
,
Pl
.
II
,
fig
.
1-3
;
quor
et
GAIMARD
,
Voyage
de
l'Astrolabe
,
Zoologie
11
,
1833
,
p
.
403-410
,
Pl
.
28
,
fig
.
10–18
,
GUÉRIN
,
Iconogr
. ,
Moll
.
Pl
.
11
,
fig
.
6.
Péron
plaatste
dit
geslacht
,
gelijk
alle
de
lleteropoda
,
bij
de
Pteropoda
;
en
den
9
8 *
116
CL
.
XIII
.
MOLLUSCA
.
meenen
>
intusschen
ook
nog
latere schrijvers
de
Phyllirhoe
niet
bij
de
Heteropoda
,
maar
bij
de
vorige
Orde
te
moeten
plaatsen
.
Voor
dit
laatste
zien
wij
echter
geene
genoegzame
reden
.
Even
on
zeker
is
de
plaats
der
geslachten
Monophora
en
Timoriena
quoy
et
GAIM
. ,
welke
even
min
als
Phyllirhoe
eenen
afzonderlijken
vin
vormigen
voet schijnen
te
bezitten
.
Plerotrachea
FORSK
.
,
Firola
BruG
.
,
PERON
.
Corpus
nudum
,
elongatum
,
integumento
fere
pellucido
.
Oculi
duo
.
Tentacula
(
saepissime
)
nulla
.
Caput
proboscide
carnea
.
Branchiae
pin
natae
,
liberae
,
ad dorsi
partem
posteriorem
.
Sp
.
Plerotruches
coronata
PORSK
.
,
Icon
.
rer
.
nat
.
Tab
.
34
,
fig
.
A.
(
overgenomen
in
Encycl
.
meth
.
,
Vers
.
Pl
.
88.
Firola
,
fig
.
1
)
;
in
de
Middell
.
Zec
.
Lesceur
heeſt
in
het
Tijdschrift
van
de
Philos
.
Society
van
Philadelphia
,
van
de
soorten
van
dit
geslacht
eene
mo
nographie
gegeven
,
van
welke
BLAINVILLE
gebruik
gemaakt
heeft
in
het
artikel
Firole
,
Dictionn
,
des
Sc
.
nat
.
Tom
.
XVII
,
p
.
62
68.
Gewoonlijk
ontbreken
de
tentacula
.
De
soorten
,
bij
welke
zij
aanwezig
zijn
,
vereenigt
d’ORBIGNY
onder
den
naam
van
Cerophora
.
lliertoe
behoort
Firobu
caudina
RANG
,
GUÉRIN
Magas
.
de
Zool
.
1832
,
Cl
.
V
,
P
) .
3
,
GUÉRIN
Iconogr
.
,
Moll
.
Pl
.
11
,
fig
.
3
.
Volgens
D’ORBIGny
zou
het
zonderling
geslacht
Sugilla
(
zie
boven
1
,
284
)
hier
geplaatst
moeten
worden
.
Carinaria
Lan
.
Corpus
elongatum
.
Caput
duobus
tenta
culis
longis
,
subulatis
,
oculisque
duobus
sessilibus
pone
len
taculorum
basin
.
Testa parva
ad
posteriorem
dorsi
partem
,
lenuis
,
pellucida
,
conica
,
compressa
,
apice
postrorsum
in
Nexo
.
Deze
dieren
zijn
zeer
gelijk
aan
die
van
het
vorige
geslacht
,
en
COVJER
meende
in
het
eerst
,
dat
de
door
FORSKAL
beschreven
Ptero
tracheae
slechts
toevallig
bare
schelp
verloren
hadden
.
Mémoires
,
Moll
.
Nº
.
18
,
p
.
31.
Zij
onderscheiden
zich
echter
door
het
stand
vastig
aanwezig
zijn
van
twee
voeldraden
voor
de
oogen
en
door
kleine
onevenheden
of
knobbeltjes op
de
huid
.
Sp
.
Curinaria
cymbium
(
Argonauta
Cymbium
L.
?
) ,
Ann
,
des
Sc
.
nat
.
XVI
,
Pl
.
I
,
GUÉRIN
,
Iconogr
.
,
Moll
.
Pl
.
11
,
fig
.
1
,
POLI
Testac
.
utr
.
Sic
.
III
,
Tab
.
14
,
fig
.
1—11
;
in
de
Middell
.
Zee
.
Eene
ontleedkundige
beschrijving
van
dit
dier
gaven
POLI
en
DELLE
COLAJE
(
t
.
a
.
p
.
,
p
.
26–35
en
Memorie
sulla
Storia
e
Notom
.
degli
Anim
.
8.
v
.
II
.
p
.
193—218
) ,
die
later
door
MILNE
EDWARDS
in
vele
merk
waardige
bijzonderheden
werd
aangevuld
,
Ann
.
des Sc
.
nat
. ,
Ses
CL
.
XIII
.
MOLLUSCA
.
117
>
Série
,
Tom
.
18
,
Zool
.
p
.
323–329
,
Pl
.
X
,
fig
.
3
,
Pl
.
XI
.
De
aan
wijzing
van
LINNAEUS
,
dat
de
schelp
niet
grooter
dan
een
zandkorrel
is
,
past
niet
op
deze
soort
,
die
men
daarom
ook
menigmaal
met
Carinaria
vitrea
,
eene
grootere
soort
uit
dien
Indischen
Oceaan
,
heeft
verward
,
MARTINI
,
Tab
.
18
,
fig
.
163
,
BLAIN
V.
,
Malac
.
Pl
.
47
,
fig
.
3 a
.
Atlanta
LESUEUR
.
Caput
proboscide
instructum
,
tentaculis
duobus
cylindricis
,
oculisque
duobus
.
Pes
compressus
,
ver
sus
finem
acuminatus
,
disco
suctorio
in
margine
.
Opercu
lum
tenue
,
parti
ventrali
infra
pedem
adhaerens
.
Testa
te
nuissima
,
involuta
,
carinata
.
Sp
.
Allanta Peronii
LESEUR
,
Corne
d'Ammon
LAMANON
,
Voyage
de
LA PEYROUSE
,
Pl
.
63
,
fig
.
1-3
,
BLAINV
.
Mulac
.
Pl
.
48
bis
,
fig
.
9
;
Atlanta
Keraudrenii
lestEUR
;
deze
soort
vormt
bet
geslacht
Ladas
CANTRAINE
,
Malacol
.
mediterr
.
Vergelijk
over
deze
kleine
dieren
,
die
in
de
Middell
.
Zee
en
onder
de
warme
luchtstreken
in
den
Atlantischen
Oceaan
voorkomen
.
RANG
,
Mém
.
de
la
Soc
.
d'Hist
.
nat
.
Tom
.
III
,
1827
,
p
.
372–380
.
Pl
.
9
en
D'ORBIGNY
Voyage
(
zie
OKEN's
Isis
,
1839
,
p
.
511-519
)
.
B.
Gasteropoda
normalia
.
Pes
ad
replandum
inserviens
,
complanatus
vel
sulcatus
.
Sectio
I.
Organa
respirationis
in
alliis
nulla
distincta
,
in
aliis
branchiae
dorsales
,
nudae
,
integumentorum
communium
appendices
aut productiones
diversae
.
Wij
verdeelen
de
gewone
of
normale
Gasteropoden
in
drie
afdee
lingen
naar
de
ademhalingswerktuigen
en
vereenigen
,
gelijk
door
den
jongeren
LECCKART
is
voorgesteld
,
de
Gymnobranchiata
en
Apneustu
onder
den
naam
van
Dermatobranchiata
van
DOMÉRIL
;
zie
R.
LEUCKART
Ueber
Morphologie
der
wirbell
.
Thiere
,
1848
,
S.
178
.
Familia
IV
.
(
CCIX
.
)
Dermatobranchiata
s
.
Gymnobran
chiata
.
Characteres
sectionis
.
Gasteropoda
nuda
,
herma
phrodita
,
marina
,
saepe
in
dorso
nalaotia
,
pede
supino
.
De
naaktkieuwige
(
nudibranches
)
van
Cuvier
zijn
in
de
laat
ste
jaren
vooral
onderzocht
.
Door
QUATREFAGEs
werd
bij
velen
een
in
takken
verdeeld
darmkanaal
,
of
liever
een
takvormig
aanhangsel
van
hetzelve
gevonden
,
gelijk
wij
vroeger
bij
Disto
ma
,
bij
sommige
ringwormen
,
bij
Acarinen
,
bij
Phalangium
enz
. ,
hebben
leeren
kennen
.
Deze
blinde
takken
vervullen tevens
de
plaats
van
lever
.
(
QUATRErages
gaf
aan
deze
inrigting
den
220
VISSCHEN
.
zuurstofgas
van
de
lucht
niet
op de
elkander
bedekkende
deelen
werken
kan
(
*
)
.
Met
de
halve
kieuwen
of
de
neveokieuwen
,
welke
bij
de
steuren
op
het
kieuwdeksel
voorkomen
,
moet
men
de
valsche
kieuwen
(
pseudo
-
branchiae
)
niet
verwarren
,
die
bij
vele
visschen
aan
het
verhemelte
,
boven en
buiten
waarls
van
de
kieuwen
voorkomen
,
somtijds
een
meer
klierachtig
,
lobbig
maaksel
vertoonen
,
doch
meestal
eene
vedervormig
of
kamvormig
deel
met
eene
enkele
rij
van
blaadjes
voorstellen
.
Daar deze
deelen
slagaderlijk
bloed
ont
vangen
,
kunnen
zij
geene
ademhalings
-
werktuigen
zijn
.
Het
daaruit
terugkeerend
bloed
vereenigt
zich
in
een
slagadderlijken
stam
(
arteria
ophthalmica
magna
) ,
die
het
bloed
naar
het
vaatvlies
van
den
oogbal
voert
,
waarin
het
gewoonlijk
een
wondernet vormt
,
dat
met
een
der
gelijk
aderlijk
wondernet
,
voor
het
,
uit
den
oogbol
weder
keerend
bloed
verbonden
,
de
reeds
vermelde
en
meestal
met
de
valsche
kieuw
gelijktijdig
voorkomende
,
zoogenaamde
choroidale
klier
vormt
(
+
)
.
Evenmin
als
deze
deelen
behoort
de
zwemblaas
der
visschen
als
tot
de
ademhaling
dienstbaar
beschouwd
le
worden
(
s
)
.
Deze
blaas
is
bij
de
sleuren
en
vele
beenige
(
*
)
Zie
FLOURENS
,
Expériences
sur
le
mécanisme
de
la
respiration
des
Poissons
,
Ann
,
des
Sc
.
nalur
.,
XX
,
1830
,
p
.
5-25
.
it
)
Vergelijk
J.
Müller
,
Abhandl
.
der
Akad
.
der
Wissensch
.
zu
Berlin
,
aus
d
.
Jahre
1839
,
S.
213—240
,
247—261
.
(
s
)
Over
dit
deel
bestaan
zeer
vele
geschriften
,
onder
welke
wij
ons
vergenoegen
de
volgende
te
vermelden
:
G.
FISCIER
,
Versuch
über
die
Schwimmblase
der
Fische
,
Leipzig
1795
,
30
.;
DE
LA
ROCHE
,
Obser
.
vations
sur
lu
ressie
aérienne
des
Poissons
,
Ann
.
du
Mus
.
XIV
,
1809
,
p
.
184--217
,
p
.
245—289
;
1.
RATOKE
Bemerkungen
über
die
Schwimmblase
einiger
Fische
in zijne
Beiträge
zur
Gesch
.
der
Thier
well
,
4le
Abth
.
1827
,
S.
102—120
,
en
zijne
latere
nasporingen
in
MÜLLER'S
Archiv
1838
,
S.
413-445
,
Taf
.
12
;
K.
E.
VON
BAER
,
Un
tersuchungen
über
die
Entwickelungsgesch
.
der
Fische
,
nebst
einem
Anhange
über
die
Schwimmbluse
.
Leipzig
1835
,
40
;
1.
S.
R.
JACOBI
,
De
vesics
aërea
Piscium
,
Diss
.
inuug
.
Berolini
1840
,
4
°
.
,
onder
lei
ding
van
J.
MÜLLER
.
VISSCHEN
221
visschen
aanwezig en
ligt
boven
het
darmkanaal
tegen
de
ruggegraat
,
maar
onder
de
uieren
,
bijkans
altijd
als
een
opparig
,
symmetrisch
orgaan
.
De
wanden
worden
door
twee
vliezen
gevormd
:
een
uitwendig
peesachtig
vlies
en
een
inwendig
dun
en
vaalrijk
slijmvlies
,
dat
door
plaat
vormig
epithelium
aan
de
binnenvlakte
bekleed
is
.
Daar
enboven
is
deze
blaas
naar
de
buikzijde
door
een
verlengsel
van het
buikvlies
bekleed
.
Bij
sommige
visschen
loopt
eene
buis
van
deze
blaas
naar
den
slokdarm
of
naar
de
maag
;
bij
enkele
is
er
eene
spleet
,
als
ecne
soort
van
glotlis
,
aanwezig
,
die
onmiddellijk
van
den
slokdarm
naar
de
zwemblaas
geleidt
.
Daar
de
zwemblaas
als
cene
uit
.
stulping
van
het
darmkanaal
ontslaat
,
is
het
waarschijnlijk
,
dat
er
ook
daar
,
waar
zij
geheel
gesloten
is
,
vroeger
een
kanaal
aanwezig
was
, '
t
geen
later
tot
eenen
band
ver
groeit
of
geheel
opgeslorpt
wordt
.
Bij
vele
visschen
,
bij
de
meeste
zeevisschen
vooral
,
is
de
zwemblaas
geheel
geslo
len
.
Eenige
weinige
visschen
hebben
eene
celachtige
zwem
blaas
,
waardoor
zich
vooral
Lepidosteus
onderscheidt
.
De
gedaante
der
zwemblaas
is
gewoonlijk
langwerpig
;
somtijds
is
het
voorste
eind
met
zijdelingsche
blinde
aanhangsels
voorzien
;
somtijds
strekt
zich
eene
reeks
van
zulke
aan
hangsels
langs
de
geheele
blaas
aan
weerszijde
uit
.
In
sommige
visschen
is zij
in
het
midden
ingesnoerd
en
in
twee
,
achter
elkander
liggende
ruimten
verdeeld
.
De
bloed
vaten
verdeelen
zich
waaijervormig
in
fijne
takken
over
het
inwendig
slijmvlies
of
vormen
wondernetten
op
be
paalde
plaatsen
,
die
men
als
roode
,
klierachtige
massa's
beschreven
beeſt
.
Dergelijke
wondernetten
meende
men
vroeger
dat
bij
die
visschen
,
wier
zwemblaas
eene
buis
bezit
,
afwezig
waren
,
hetgeen
echter
niet
algemeen
gel
den
kan
(
*
)
.
De
lucht
,
welke
in
de
zwemblaas
verval
is
,
bestaat
uit
een
mengsel
van
zuurstof-
en
stikstofgas
en
somtijds
(
*
)
Vergelijk
voor
meer
bijzonderlieden
over
deze
bloedklieren
der
zwemblaas
,
J.
BÜLLER
Abhandl
.
der
Akad
.
der
Wissensch
.
cu
Ber
lin
,
a
.
dem
Jahre
1839
,
S.
262—271
.
222
VISSCHIEN
.
eene
kleine
hoeveelheid
koolzuurgas
.
Bij
visschen
van
dezelfde
soort
kan
het
scheikundige
onderzoek
dikwerf
aanmerkelijk
verschil
opleveren
.
Volgens
bor
en DE
LA
ROCHE
neemt
de
hoeveelheid
zuurstofgas
toe
met
de
diepte
,
waarin
de
visscben
leven
;
zij
is
dus
ook
in
het
algemeen
veel
aanzienlijker
bij
de
zeevisschen
dan
bij
die
,
welke
in
zoet
valer
leven
;
bij
de
laatsten
is
sleeds
eene
aanzien
lijke
hoeveelheid
stikstofgas
aanwezig
,
zoo
dat
men
zelfs
meende
,
dat
de
lucht
der
zwemblaas
van
den
karper
alleen
uit
dit
gas
bestond
;
bij
de
zeevisschen
kan de
lucht
der
zwem
blaas
daarentegen
zelfs
10
zuurstofgas
bevatten
.
Deze
lucht
wordt
door
de zwerblaas
,
door
haar
inwendig
vlies
,
afge
scheiden
,
gelijk uit
die
visschen
blijken
kan
,
welke
eene
geheel
geslotene
zwemblaas
bezilten
;
maar
ook
bij
diegenen
,
wier
zwemblaas
eene
buis
heeft
,
kan
men
,
zoo
als
RATHKE
heeft
aangetoond
,
moeijelijk
aannemen
,
dat
de
lucht
van
buiten
in
de
blaas
dringt
.
Eerder
kan
deze
buis
dienen
om
lucht
uit te
laten
Verschillend
zijn
de
meeningen
omtrent
het
nut van
de
zwemblaas
in
dc
dierlijke
huishouding
der
visschen
.
De
benaming
,
welke
men
aan
haar
gegeven
heeft
,
duidt
reeds
aan
,
dat
men
deze
blaas
in
verband
met
het
zwem
inen gebragt
heeft
.
Dit
is
het
gewoon
gevoelen
,
door
BORELLI
het
eerst
voorgedragen
,
volgens
hetwelk
door
zamendrukking
of
nitzelting
der
blaas
,
de
visch
zich
soor
telijk
zwaarder
of
ligter
maken
en
beurtelings
in
het
water
kan
doen
dalen
en
rijzen
.
Deze
zamendrukking
wordt
door
bewegingen
der
ribben
veroorzaakt
,
terwijl
daarenboven
somtijds
eigene
spieren
bij
de
zwemblaas
aanwezig
zijn
(
Ⓡ
)
.
Bij
vele
visschen
is
het
evenwel
moeije
9
(
* )
Bij
sommige
visschien
van
de
afdecling
der
Siluriden
(
Auche
nipterus
,
Euanemus
,
Synodontis
,
Doras
en
Melapterurus
)
is
cene
beenplaat
aanwezig
,
die
schuins
van
den
eersten
wervel
aan
weerszijden
op
de
zwemblaas
afdaalt
en
als
een
veêr
haar
zamendrukt
;
deze
plaat
kan
door ccne
,
van den
schedel
afkomende
spier
opgetild
worden
,
waardoor
de
zwemblaas
zich
uitzet
.
Zie
J.
Müller
,
Abhandl
.
der
Akad
.
d
.
Wissensch
.
zu
Berline
a
.
d
.
J.
1812
.
VISSCHEN
.
223
lijk
aan
te
wijzen
,
hoe
zij
in
staat
zijn
zouden
,
de
zwem
blaas
te
verwijden
en
de
lucht
te
verdunnen
.
Welk
ge
voelen
men
overigens
omtrent
het
nut
van
dit
deel
aanneme
,
het
zal
moeijelijk
te
verklaren
zijn
,
waarom
deze
blaas
,
200
zij
werkelijk
een
'
gewigtigen
invloed
op
het
leven
of
de
huishouding
der
visschen
heeft
,
bij
zoo
vele
soorten
ontbreekt
en
zelfs
bij
enkele
geslachten
van
visschen
in
sommige
soorten
aanwezig
is
,
terwijl
zij
bij
anderen
van
den
zelfden
algemeenen
vorm
niet
gevonden
wordt
.
Zeker
is
het
,
dat
cene
met
lucht
gevulde
blaas
het
geheele
ligchaam
der
visschen
,
dat
zonder
dit
deel
slechls
weinig
grooler
specifiek
gewigt
dan
het
water
heeſt
,
en
,
daar
zij
legen
den
rug
geplaatst
is
,
bepaaldelijk
dit
,
anders
zwaar
der
gedeelte
,
soortelijk
ligter
maken
moet
,
waardoor
het
zwaartepunt
van
den
visch
dalen
en
alzoo
het
omkantelen
op den buik
verbinderd
worden
zal
.
Hooge
,
zamenge
drukle
visschen
hebben
ook
gewoonlijk
eene
wel
ontwik
kelde
zwemblaas
.
Volgens
müLLER's
proeven
dienen
echler
de
vinnen
en
vooral
de
vertikale
vinnen
(
rug-
en
aarsvin
)
hoofdzakelijk
om
het
omkantelen
te
belellen
.
Bij
som
mige
visschen
staat
de zwemblaas
,
als
klankversterkend
en
geluid
-
geleidend
deel
,
volgens
de
ontdekkingen
van
E.
I.
WEBER
,
met
het
gehoorwerktuig
in
verband
.
Dat
deze
blaas
een
tweede
adembalings
-
werktuig
is
en
met
de
blaasvormige
longen van
sommige
kruipende
dieren
zou
overeenkomen
,
gelijk
sommigen
meenen
,
wordt
door
den
loop
der
bloedvalen
genoegzaam
wederlegd
;
zij
zoude
dan
aderlijk
en
niet
slagaderlijk
bloed
moeten
ontvangen
(
* )
.
De
pisafscheiding
geschiedt
door
twee
,
tegen
de
rugge
graat
liggende
nieren
,
die
dikwerf
met
elkander
aan
het
achtereinde
vereenigd
zijn
.
Bij
de
meeste
beenige
visschen
(
*
)
G.
Fischer
lieeft
deze
meening
,
dat
de
zwemlılaas een
ademlia
lingswerktuig
is
,
aldus gewijzigd
,
dat
zij
tot
ademhaling
der
lucht
in
het
water
besteind
zeu
zijn
,
terwijl
de
kieuwen
tot
ontbinding
van
liet
water
zelf
dienen
zouden
;
maar
bij
de
ademhaling
der
visschen
wordt
het
water
niet
ontbonden
,
gelijk
boven
recds
vermeld
is
.
224
VISSCHEN
.
>
strekken
zij
zich
van
den
kop
tot
achter
in
het
ligchaam
boven
den anus
uit
.
Zij
zijn
gewoonlijk
van
een
los
,
sponsachtig
weefsel
;
een
onderscheid
tusschen
de
inwen
dige
en
uitwendige
zelfstandigheid
(
substantia
corticalis
en
medullaris
)
bestaat
hier
niet
.
De
geheele
nierzelfstandigheid
wordt
gevormd
door
blind
eindigende
buisjes
,
die
zich
in
de
pisleiders
openen
.
Deze
komen
gewoonlijk
in
eene
blaas
te
zamen
,
of
verwijden
zich
aan
hun
ondereinde
.
De
blaas
ligt
op
den
reglendarm
en
de
urethra
opent
zich
achter
dezen
(
*
)
.
Bijnieren
(
capsulae
renales
,
renes
succenturiati
) ,
die
men
vroeger
bij
de
visschen
meende
afwezig
te
zijn
,
ko
men
bij
de
kraakbeenige
visschen
als
gele
,
aan
de
binnen
zijde
der
nieren liggende smalle
,
langwerpige
strepen
en
bij
de
beenige
visschen
gewoonlijk
als
twee
wilachtige
,
kleine
,
ronde
ligchaampjes
,
meest
aan
het achtereinde
der
nieren
voor
(
+
) .
De
voortplantings
-
werktuigen
der
visschen
zijn
over
het
gebeel
niet
zeer
zamengesteld
.
Steeds
zijn
de
geslachten
gescheiden
,
maar
dikwerſ
is
er
,
gelijk
bij
lagere
dieren
,
eene
groote
gelijkvormigheid
van
de
kiem-
en
zaadberei
dende
deelen
(
eijerstokken
en
ballen
)
aanwezig
.
Somtijds
is
de
geheele
toestel
der
voortplantings
-
werktuigen
enkel
lot
deze
onmisbare
en
wezenlijke
deelen
beperkt
.
Gewoonlijk
worden
er
lwee
eijerstokken
en
twee
ballen
gevonden
;
er
zijn
echter
visschen
,
bij
welke
deze
deelen
onparig
zijn
,
waarvan
de
voorbeelden
menigvuldiger
bij
de
vrouwelijke
(
*
)
Zie
over
dit
onderwerp
A.
J.
D.
STEENSTRA
TOOSSAINT
,
Commentatio
de
systemate
uropoético
Piscium
,
Ann
.
Acad
.
Lugd
.
Bat
.
1835.
De
opening
der
urethra
achter
den
anus
is
een
bijzonder
kenschetsende
bijzonderheid
der
visschen
.
Reeds
hebben
RATIKE
en
V.
BAER
daarait
afgeleid
,
dat
de
nieren
der
visschen
niet
met
die
der hoogere
gewer
velde
dieren
,
maar
met
de
embryonale
corpora
Woffiana
(
de
primor
diale
nieren
)
overeenstemmen
.
Bij
het
embryo
der
visschen
vindt
men
buiten
deze
nieren
althans
geene
corpora
Woffi
ana
. A.
RATIKE
in
BOR
Daca's
Physiologie
II
,
s
.
569
;
V. BAER
Entwickelungsgesch
,
der
Thiere
,
II
,
1837
,
S.
314
.
(
t
)
Vergel
.
STANNios
in
Müller's
Archiv
1839
,
S.
97—101
,
Taf
IV
.
VISSCHEN
.
995
voorwerpen
voorkomen
.
Slechts
één
eijerstok
is
ontwik
keld
bij
den
baars
,
bij
Blennius
viviparus
,
Ammodytes
to
bianus
,
Cobitis
barbatula
,
Cobitis
taenia
;
ook
bij
vele
haaijen
(
Scyllium
,
Carcharias
,
Sphyrna
,
Mustelus
en
Ga
leus
)
is
slechts
één
eijerstok
aanwezig
,
meestal
aan
de
reglerzijde
gelegen
.
Bij
de
meeste
beenige
visschen
vormen
de
eijerstokken
twee
lange
en
groote
zakken
,
die
aan
weerszijden
naast
het
darmkanaal
en
de
lever
liggen
(
de
zoogenoemde
kuit
)
.
Van
de
inwendige
oppervlakte
ont
springen
plooijen
,
die
gewoonlijk
dwarse
tusschenschotten
vormen
;
in
deze
plooijen
ontwikkelen
zich
de
eijeren
,
welke
in
sommige
visschen
in
den
rijtijd
ongemeen
talrijk
zijn
,
en
somtijds
eenige
honderdduizenden
bedragen
.
Het
onderste
gedeelte
van
den
eijerstok
heeft
deze
platen
niet
,
en
dient
alleen
om
de
eijeren
door
te
laten
;
men
kan
het
dus
eenen
eijerleider
noemen
,
en
wij
vinden
hier
de
inrigting
,
die
bij
de
ongewervelde
dieren
normaal
is
,
maar
daarentegen
bij
de
gewervelde
dieren
anders
niet
voorkomt
,
dat
namelijk
de
eijerleider
eene
onmiddellijke
voortzetting
van
den
eijerstok
is
.
De
twee
eijerleiders
komen
vervol
gens
in
een
enkel
kanaal
zamen
,
hetwelk
zich
voor
de
urethra
achter
den
arus
in
eene
kleine
groef
,
somtijds
in
eene
papil
opent
.
Bij
andere
visschen
(
de
alen
,
de
zal
men
,
de
Cyclostomen
)
bestaat
de
eijerstok
uit
eene
lang
werpige
plaat
,
die
door eene
verdubbeling
van
het
buikvlies
aan
de
ruggegraat
gehecht
is
en
vele
uitspringende
plooijen
heeft
;
eijerleiders
zijn
niet
aanwezig
;
de
in
deze
plooijen
zich
ontwikkelende
eijeren
raken
los
als
zij
tot
rijpbeid
gekomen
zijn
,
vallen
in
de
buikholle
en
worden
door
eene
of
twee
buikopeningen
ontlast
(
*
)
.
In
de
Plagio
(
* )
Zie
eene
afbeelding
van
het
ovarium
bij
den
zalm
in
carus
,
Tabulae
anulom
.
comparativam
illustrantes
Fasc
.
V
,
Tab
.
IV
,
fig
.
VU
,
van
Petromyzon marinus
in
Catalogue
of
the
Series
of
compar
.
Anatomy
,
contuined
in the
Museum
of
the
royal
College
of
Sur
geons
IV
.
Pl
.
59
,
van
den
aal
ald
.
Pl
.
60
,
en
in
HORNBAUM
-
HORNSCIOCI
Diss
.
inaug
.
de
Anguillarum
Sexu
et
Generatione
.
Grijphiae
.
1842
4º
.
II
.
13
226
VISSCHEN
.
stomen
en
bij
Chimaera
zijn
de
eijerstokken
veel
kleiner
,
dan
bij
de
overige
visschen
;
zij
liggen
in
het
voorste
gedeelte
der
buikholte
bij
de
lever
,
en
vormen
trossen
zoo
als
bij
de
vogels
,
terwijl
eenige
eijeren
op
de
oppervlakte
meer
ontwikkeld
,
andere
binnen
in
het
stroma
,
als
kleinere
korrels
verborgen
zijn
.
Er
zijn
hier
altijd
twee
eijerleiders
,
ook
dan
wanneer
er
slechts
een
eijerslok
is
.
Deze
hebben
eene
gemeenschappelijke
opening
naast
of
vóór
de
eijerstokken
en
zijn
geenszins
onmiddellijk
daarmede
verbonden
,
200
als
bij
de
beenige
visschen
.
Zij
zijn
zeer
lang
,
van
binnen
met
overlangsche
plooijen
voorzien
en
verwijden
zich
aan
het
onderste
gedeelte
.
Boven
deze
verwijding
ligt
een
klierachtig
weefsel
,
dat
den
eijerleider
als
eene
ringvormige
uitzetting
omgeeſt
;
het
is
bij
de
eijerleggende
meer
ont
wikkeld
en
bestaat
uit
vele
blind
eindigende
,
digt
bijeen
liggende
buisjes
,
die
zich
binnen
in
den
eijerleider
ope
nen
(
*
)
.
Bij
de
levendbarende
haaijen
zou
men
het
on
derste
,
wijde
gedeelte
der
cijerleiders
baarmoeder
kunnen
noemen
,
die
dan
dubbel
is
,
even
gelijk
bij
de
buideldieren
en
het
vogelbekdier
in
de
klasse
der
zoogdieren
.
De
ballen
(
bij
de
beenige
visschen
hommen
genoemd
)
liggen
bij
de
mannelijke
voorwerpen op
dezelfde
plaats
,
welke
de
eijerstokken
bij
de
vrouwelijke
voorwerpen
in
Zij
zijn
in
deze
klasse
grooter
dan
bij
eenige
andere
gewervelde
dieren
,
en de
afscheiding
van
sperma
is
even
overvloedig
als
de
eijeren
talrijk zijn in
het
ova
rium
.
Aan
de
binnenzijde
van
elk
der
ballen
loopt
het
vas
deferens
,
en
de
twee
vaten
vereenigen
zich
in
een
langer
of
korter
gemeenschappelijk
kanaal
,
hetgeen
zich
met
de
urethra
verbindt
en
alzoo
in
ecne
groeve
of
papil
achter
den
anus
opent
(
+
)
.
Bij
de meeste
beenige
visschen
be
staat
het
weefsel
der
ballen
uit
buizen
,
die
met
het
blin
.
nemen
.
(
* )
Bij
de
roggen
heeft
J.
Müller
dit
deel
afgebeeld
in
zijn
groot
werk
,
De
penitiori
glandularum
structura
.
Tab
.
11
,
fig
.
14
,
15
.
(
+
)
Zie
eene
afbeelding
der
testes
bij
Triglu
lyra
in
de
boven
.
aangehaalde
Tabulae
van
CAROS
,
Fase
,
V
,
Tab
.
fig
.
4
.
VISSCHEN
.
i
227
de
uiteiude
naar
de
buitenzijde
dezer
deelen
gekeerd
zijn
en
somtijds
zich
daar
in
twee
takken
splitsen
en
zich
naar
binnen
in
het
afvoerende
vat
openen
(
*
)
.
Bij
de
alen
(
+
)
en
bij
Petromyzon
zijn
daarentegen
de
testes
plaat
vormige
strooken
even
als
de
ovaria
,
van
een
korrelig
weefsel
.
Afvoerende
buizen
ontbreken
;
het
sperma
wordt
door
de
buikholte
opgenomen
en
door eene
opening
ach
ter
den
anus
ontlast
.
Bij
de
plagiostomen
zijn
de
testes
van
een
blaasvormig weeſsel
,
terwijl
in
deze
blaasjes
kor
rels
vervat
zijn
,
die
met
sperma
zijn
gevuld
.
Fijne
buisjes
(
vasa
efferentia
)
loopen
naar
de
bijballen
(
epididymes
) ,
die
achter
de
testes
liggen
,
en
van
deze
ontspringen
de
twee
afvoerende
vaten
,
welke
eerst
zeer
gekronkeld
,
ver
volgens
regter
over
de
nieren
heenloopen
,
en
zich
aan
het
einde
in
twee
zaadblaasjes
verwijden
,
die
van
binnen
met
ringvormige
tusschenschotten
voorzien
zijn
;
van
hier
wordt
het
zaadvocht
naar
de
roede
gevoerd
,
die
in
de
cloaca
ligt
.
Er
zijn
daarenboven
achter
het
bekken
,
naast
den
staart
aanhangsels
,
welke
van
binnen
door
kraakbeenige
deelen
ondersteund
worden
;
zij
dienen
om
het
wijſje
bij
de
paring
te
omvalten
en
zich
aan
haar
'
staart
vast
te
klemmen
(
S
)
.
(
*
)
Deze
buisvormige
structuur
,
het
eerst
door
RATIKE
waargenomen
,
is
vervolgens
door
TREVIRANOS
en
J.
MÜLLER
nader
in
het
licht
gesteld
.
Zie
TREVIRANCS
,
Zeitschr
.
für
Physiol
. II
,
Darmstadt
1827.
S.
10–13
,
Tab
.
II
,
fig
.
4
,
MULLER
De
penitiori
glandular
.
struct
.
p
.
104
,
Tab
.
XV
,
fig
.
8
.
(
†
)
Het
is
volgens
schlüsser
evenwel
niet
onwaarschijnlijk
,
dat
hetgeen
HOHNBAUM
-
DORNSCHOca
als
tesles
bij
de
aler
beschreef
,
slechts
onontwik
kelde
ovaria
waren
en
dat
de
mannelijke
alen
nog
onbekend
zijn
.
G.scalüs
SER
de
Petromyzontum
et
Anguillarum
Sexu
.
Diss
.
inaug
.
Dorpati
.
1848
.
(
9
)
Vergel
.
TREVIRANCS
,
Ueber
die
Zeugungsorgane
des
Dorn
hay
,
Zeitschr
.
für
Physiol
.
II
.
1827.
S.
3——10
,
Tah
.
III
;
STANNIUS
,
in
Müller's
Archio
1840
,
S.
41–43
.
Over
de
geslachtsdeelen
der
visschen
raadplege
men
voorts vooral
RATIKE
Beitr
.
Gesch
.
der
Thierwelt
2te
Abth
.
$
.
117–206
,
en
in
MüLLER'S
Archiv
1836
.
S.
171—186
,
en over
de
ontwikkeling
dezer
deelen
,
Beitr
.
sur
Gesch
.
der
Thierw
. ,
3te
Abth
.
S.
1–18
.
Verder
J.
MÜLLER
Ueber
den
13
*
228
VISSCHEN
.
9
等
基
*
De
meeste
beenige
visschen
paren
niet
,
maar
de
man
neljes
besproeijen
de
door
de
wijfjes
gelegde
eijeren
met
hun
zaadvocht
.
Het
is
waarschijnlijk
,
dat
de
mannetjes
door
den
reukzin
geleid
worden
,
waardoor
zij
in
den
rij
tijd
zich
rondom
de
wijfjes
van
hunue
soort
verzamelen
,
en
in
derzelver nabijheid
komen
.
Onder
diegenen
,
welke
paren
,
zijn
ook
nog
eijerleggende
soorten
.
Levendbarend
zijn
onder
de
beenige
visschen
slechts
weinige
,
b
.
v
.
Anablebs
,
Blennius
viviparus
.
Bij
de
kraakbeenige
daar
entegen
zijn
onder
de
Plagiostomen
slechts
de
Rajae
in
bijzonderen
zin
en
de
soorlen
der
haaijen
van
het
ge
slacht
Scyllium
eijerleggend
.
Het
ei
heeſt
bij
deze
roggen
en
baaijen
eene
vaste
,
hoorpachtige
,
langwerpige
,
platte
schaal
,
waarvan
de
vier
hoeken
bij
de
roggen
in
spilsen
,
en
bij
de
haaijen
in
lange
kronkeldraden
,
die
om
elkan
der
gewonden
zijn
,
uitloopen
.
De
ontwikkeling
der
visschen
onderscheidt
zich
van
die
der
geschubde kruipende
dieren
,
der
vogels
en
visschen
doordien
er
geen
amnion
noch
allantois
gevormd
wordt
.
Bij
den
aanvang
bespeurt
men
ook
hier
die
verdeeling
of
doorklieving
van
den
dojer
,
waarvan
wij
bij
verschei
dene
klassen
van
ongewervelde
dieren
reeds
melding
ge
maakt
hebben
(
*
)
.
Nadat
de
dojer
weder
glad
geworden
is
,
ontstaat
de
kiemschijf
en
breidt
zich
in
haren
groei
over
den
dojer
uit
,
tot
dat
zij
Jien
geheel
omgeeſt
.
Na
dat
deze
aldus
lot
eene
blaas
geworden
is
,
of
bij
andere
visschen
reeds
vóór
dat
tijdperk
,
ontstaat
er
in
dat
gedeel
te
der
kiemschijf
,
hetwelk
het
eerst
gevormd
was
,
eene
körnigen
Bau
der
Foden
bei
mehreren
Fischen
,
in
TIEDEMANN
und
TREVIRANOS
,
Zeitschr
.
f
.
Physiol
.
IV
.
1831
,
S.
100–113
.
en
1.
STAN
NIOS
,
Ueber
die
männliche
Geschlechtstheile
der
Rochen
u
.
Haien
,
MÜLLER'S
Archiv
1840
,
S.
41-43
.
(
*
)
Waarnemingen
over
dit
onderwerp
bij
kunstmatig
bevruchte
vischeijeren
zijn
door
Rosconi
bekend
gemaakt
,
Müller's
Archiv
1836
.
S.
278—288
,
Taf
.
XIII
.
De
eijeren
bekomen
cene verhevenheid
of
uit
.
puiling
en
deze
,
niet
de
geheele
dojer
, is
de
zitplaats
van
de
regelmatig
toenemende
groeven
.
Latere
waarnemingen
toonen
,
dat
dit
verschijnsel
van
de
ontwikkeling
en
verandering
van
de
kiemblaas
aſhangt
.
VISSCHEN
.
999
langwerpige
groeve
,
als
eerste
begin
van
het
embryo
.
Twee
uitspringende
randen
omgeven
deze
groeve
en
komen
digter
bijeen
,
terwijl
zich
op
den
grond
der
groef
de
rugge
streng
als
eerste
begin
van het
skelet
(
vergel
.
boven
bl
.
182
,
185
)
vormt
.
Het
binnenste
blad
van
het
kiemvlies
(
hel
slijmvliesblad
)
verkrijgt
eene
insnoering
en
verdeelt
zich
alzoo
in
een
onder
de
ruggestreng
liggend
kanaal
en
in
een
'
dojerzak
.
Bij
sommige
visschen
wordt
deze
dojer
zak
door
de
uit
het
weivliezige
blad
gevormde
buikbe
kleedsels
met
het
darmkanaal
in
de
buikbolte
opgenomen
;
er
is
dus
bij
dezen
een
inwendige
dojerzak
aanwezig
,
en
de
buik van
het
embryo
ver
het
embryo
vertoont
eenen
eenen
buitengewo
nen
omvang
(
Cyprinus
,
Perca
,
Salmo
);
bij
anderen
trekt
zich
het
buikbekleedsel
even
als
het
slijmvliesblad
door
eene
insnoering
zamen
,
en de
dojerzak
hangt
buiten
de
buikholle
,
daaraan
door
korten
steel
bevestigd
(
Blennius
viviparus
,
Cottus
gobio
,
Syngnathus
) .
Bij
de
Plagiostomen
(
Roggen
en
Haaijen
)
wordt
eveneens
een
uitwendige
dojerzak
waargenomen
,
die hier
echter
eenen
langeren
steel
heeft
,
welke
bij
sommige
haaijen
uitwendig
met
villi
bezet
is
.
Bij
de
meesten
dezer
visschen
zet
zich
de
navel
-
darmgang
binnen
den
buik
nog
in
eenen
tweeden
,
inwendigen
dojerzak
uit
:
eenen
blinden
zak
,
die
een
groot
gedeelte
der
buikholle
inneemt
,
en
zich
in
het
voorste
blaasvormige
gedeelte
van
het
darmkanaal
,
boven
het
begin
van het
spiraalvormig
klapvlies
,
inplant
(
*
)
.
De
zijwanden
van het
ligchaam
van
het
embryo
,
die
in
het
eerst
glad
eenen
(
*
)
Dit
blaasvormig
gedeelte
van
het
darmkanaal
noemde
Collins
bursa
Entiuna
,
naar
GEORG
ENTE
,
door
wien
hetzelve
het
eerst
ontdekt
werd
;
System of
Anatomy
1685. Tab
.
33
,
fig
.
2
g
.
Bij
Carcharias
en
Mustelus
laevis
müll
. ,
is
alleen
een
uitwendige
dojerzak
aanwezig
en
deze
hecht
zich
door
vele
plooijen
aan de
inwendige
vlakte
van
het
wijdere
,
onderste
gedeelte
des
eijerleiders
,
hetgeen
men
baarmoeder
noemt
.
Deze
haaijen
hebben
dus
eene
placenta
,
die
echter
van
de
placenta
der
zoogdieren
verschilt
,
en
door
den
dojerzak
gevormd
wordt
.
Vergelijk
vooral
J.
MÜLLER
Ueber
den
glatten
Hai
des
Aristoteles
u
.
s
.
w
.
Abh
.
d
.
Akad
.
zu
Berl
.
Jahrg
.
1810.
Physik
,
math
.
Kl
.
S.
187-257
m
.
Abb
.
236
VISSCHEN
.
tusschen
de
groote
zijdelingsche
spieren
loopt
,
somtijds
dieper
,
maar
bij
andere
bijkans
onmiddellijk
onder
de
huid
,
en
die
,
bij
visschen
,
waar
zij
dieper
ligt
,
eenen
oppervlak
kigen
tak
geeft
,
welke
in
de
lengte
onder
de
linea
lateralis
voortloopt
.
Bewegingszenuw
is
deze
nervus
lateralis
niet (
) ;
hare
takken
gaan
,
ook
wapneer
zij
dieper
gelegen
is
,
naar
de
huid
.
De
sympathrische
zenuw
is
bij
de
Cyclostomen
niet
aan
wezig
en
schijot
door
den n
.
vagus
te
worden
vervangen
.
Bij
de
Plagiostomen
ontbreekt
het
kopgedeelte
(
pars
cephalica
) ;
bij
de
bcenige
visschen
is
dit
gedeelte
buiten
den
schedel
aan
weerszijde
tusschen
den
nervus
trigeminus
,
glossopharyngeus
en
vagus
gelegen
,
waar
het
drie
,
achter
elkander
liggende
knoopen
aanbiedt
,
die
door
eene
,
in
de
lengte
loopende
streng
,
eene
voortzetting
van
den
slam
of
de
grensstreng
van
den
romp
verbonden
zijn
.
Meestal
zijn
de lwee
grensstrengen
door
eenen
dwarsen
tak
onder
de
voorste
wervelligchamen
met
elkander
verbonden
.
Er
zijn
twee
nervi
splanchnici
,
gemeenlijk
een aan
elke
zijde
;
bij
verscheidene
visschen
ontspringen
zij
beiden
uit
éénen
knoop
aan
de
reglerzijde
en
zijn
dan
slechts
zeer
zelden
aan
den
oorsprong
in
eenen
stam
vereenigd
(
+
)
.
Het
gevoel
is
bij
de
visschen
weinig
ontwikkeld
.
Eigen
lijke
tastorganen
,
zoo
als
ooze
vingers
,
waarmede
de
ge
daante
der
voorwerpen
kan
onderzocht
worden
,
ontbreken
,
hoezeer
de
lippen
misschien
gedeeltelijk
tot
tasten
kunnen
(
*
)
Evenmin
is
zulks
een
,
niet
zoo
algemeen
bij
de
visschen
voor
komende
ramus
lateralis
n
.
trigemini
,
welke
ontspringt
als
een tak
,
die
naar
boven
tot
den
schedel
opklimt
,
meestal
door
een
takje
van
den
n
.
vagus
versterkt
wordt
,
en
vervolgens
langs
den
geheelen
rug
(
onder
de
rugvin
)
voortloopt
.
Deze
zenuw
ontvangt
van
alle
rugmerg
.
zenuwen
een
klein
zenuwtakje
.
(
t
!
Verg
.
over
den
nervus
sympathicas
der
visschen
E.
1.
WEBER
Anatomiu
compar
.
nervi
sympathici
Lipsiae
1817.
8
°
.
P.
35–66
,
C.
M.
GILTAY
Diss
.
inaug
.
de
neroo
sympathico
L.
B.
1834
8º
.
p
.
41—74
en
STANNUS
,
Das
pheripherische
Nerrensystem
d .
Fische
,
S.
131-113
.
VISSCHEN
.
237
dienen
.
Dikwijls
zijn
er
weeke
,
kegelvormige
aanhangsels
of
draden
aan
de
lippen
of
kaken
,
die
,
even
als
de
baard
haren
of
knevels
der
zoogdieren
,
ler
onlwaring
van
uit
wendige
beletselen
dienen
,
en de
visschen
in
staat
stellen
dezen
te
vermijden
.
De
gebeele
huid
is
weinig
geschikt
om
een
fijn
gevoel
toe
te laten
;
zij
is
de
zitplaats
eener
,
meestal
zeer
ontwikkelde
slijmafzondering
en
gewoonlijk
met
schubben
bedekt
(
zie
boven
bl
.
190
)
.
De
schubben
vertoonen
vele
,
aan
den
rand
evenwijdig
loopende
strepen
,
en
schijnen
daarom
,
even
als
de
schelpen
der
tweescha
lige
weekdieren
,
uit
op
elkander
liggende
platen
gevormd
le
zijn
,
zoo
als
LEEUWENHOECK
meende
.
Latere
waarnemers
hebben
echter
dit
laagvormig
ontstaan
der
schubben
als
hoornachtige
plaleu
bestreden
.
De
schubben
liggen
niet
alleen
in
de
opperhuid
,
maar
werkelijk
in
de
huid
en
worden
door
haar
ingesloten
;
op
eene
vezelachtige
,
uit
verbindingsweefsel
gevormde
laag
,
ligt
eene
laag
van
pig
mentcellen
,
welke
door
eene
plaveivormige
epidermis
overdekt
wordt
.
De
schubben
bevallen
eene
aanzienlijke
hoeveelheid
phosphorzuren
kalk
(
in
wel
gedroogde
schub
ben
maakt
deze
stof
dikwerf
for
van
de
gewigtsdeelen
4,0
uit
)
en
eene
veel
geringere
koolstofzuren
kalk
(
*
)
.
De
smaak
der
visschen
schijnt
zeer
gering
te
zijn
.
Het
geen
men
bij
de
visschen
de
tong
noemt
,
bestaat
alleen
uit
het
met
een
slijmvlies
bekleede
,
voorste
uiteinde
van
het
longbeep
.
Dit
deel
is
daarenboven
dikwerf
met
tan
den
gewapend
en
bezit
geene
eigene
spieren
,
zoodat het
slechts
tegelijk
met
de
kieuwbogen
bewogen
wordt
.
De
long
keelgats
-
zenuw
geeft
er
geene
takken
aan
,
maar
verspreidt
tegenwerpingen
van
(
*
)
Vergelijk
over
het
maaksel
der
visschubben
AGASSIZ (
Poiss
.
foss
.)
,
MANDL
(
Ann
.
des
Sc
.
nat
.
20
Serie
,
Tom
.
XI
.
1839
,
p
.
347
,
en de
AGASSIZ
ald
.
Tom
.
XIV
.
1840
,
p
.
98
suiv
.
)
en
PETERS
in
Müller's
Archio
1811
,
Jahresbericht
S.
209–216
.
Bij
de
waar de
schubben
met
een
verglaas
bedekt
zijn
,
toont
liet
mikroskopisch
onderzoek
beenderligchaampjes
aan
,
gelijk
aan
die
,
welke
in
het
beenweefsel
voorkomen
.
Ganoiden
,
258
VISSCUEN
.
zich
vooral
in
den
eersten
kieuwboog
,
hoczeer
ook
een
,
meestal
kleinere
,
tak
zich
in
het
verhemelte
verspreidt
.
Wanneer
de
visschen
den
smaakzin
bezitten
,
schijnt
het
verhemelte
veeleer
dan de
tong
de
zitplaats
van
dien
zin
te
wezen
.
Het
reukorgaan
ligt
gewoonlijk
voor
de
oogen
aan
weerszijde
op
de
bovenvlakte
van
den
kop
;
slechts
bij
de
Cyclostomen
en
Amphiocus
is
het
enkel
of onparig
.
Bij
Lophius
piscatorius
vertoonen
zich
de
reukorganen
als
twee
kleine
,
door
eenen
steel
aan
de
bovenlip
bevestigde
bekertjes
.
De
holte
is
van
binnen
met
een
slijmvlies
be
kleed
,
hetwelk
op
den bodem
plooijen
heeft
,
die
uit
een
middenpunt
als
stralen
voortkomen
,
of
welke
dwarse
strepen
,
aan
weerszijde
van
eene
,
in
de
lengte
loopende
as
vormen
.
Bij
de
beenige
visschen
beeſt
elke
neusholte gewoonlijk
lwee
openingen
,
eene
aan
de
voorzijde
en cene
aan
het
achtereinde
.
Behalve
bij
de
Myxinoiden
staat
de
neusholte
met
de
mondholte
in
geene
verbinding
,
zoo
als
bij
de
gewervelde
dieren
,
die
door
longen
ademen
,
het
ge
val
is
.
De
oogen
der
visschen
liggen
,
de
schollen
(
het
geslacht
Pleuronecles
)
uitgezonderd
,
aan
weerszijde
van
den
kop
,
dikwerf
meer
naar
boven
,
somtijds
geheel
ter
zijde
,
zoo
200
als
bij
de
hamervisschen
(
Zygaenae
)
.
De
beenige
oogholte
is
niet
volkomen
gesloten
,
maar
naar
voren
en
achteren
open
.
De
oogbol
is
gewoonlik
van voren
platter
en
van
achteren
onregelmatig
bolrond
.
Hoezeer
hij
weinig
bewe
gelijk
is
,
heeft
bij
echter
bij
de
meeste
visschen
zes
spie
ren
,
vier
regte
en
twee
schuinsche
,
even
als
bij
den
mensch
.
In
sommige
visschen
wordt
de
oogbol
,
die
alsdan
klein
is
,
door eene
onverdunde
en
ondoorschijnende
voort
zelling
der
huid
bedekt
;
bij
de
meesten
vormt
de
huid
om
den
voorrand
van
den
oogbol
eene
kringvormige
plooi
,
en
gaat
dan
dun
en
doorschijnend
,
als
bindvlies
over
den
oogbol
heen
.
Slechts
weinige
hebben
oogleden
met
vrije
randen
;
sommige
haaijen
ook
een
derde
ooglid
,
de
mem
.
VISSCHEN
.
239
brana
niclitans
.
Traanklieren
ontbreken
.
Het
harde
oog
vlies
(
sclerotica
) is
veerkrachtig
en
peesachtig
;
het
bevat
van
binnen
eene
kraakbeenige
schijf
,
welke
somtijds
ten
deele
verbeent
.
Het
hoornvlies
is
plat
of
althans
niet
zeer
bol
.
Binnen
tegen
de
sclerotica
ligt
de
buitenste
plaat
van
het
vaatrijke
vlies
(
choroïdea
) ,
een
glinsterend
zilver-
of
goudkleurig
vlies
,
hetwelk
in
den
regenboog
overgaat
;
daarop
ligt
de
vaatlaag
,
welke
door
een
net
van
bloed
valen
gevormd
en door eene
zwarte
kleurlaag
bedekt
is
;
deze
laatste
gaat
aan
de
achterzijde
van
de
iris
in
het
druivenvlies
over
.
Aan
den
ingang
van
de
gezigtszenu
w
.
in
den
oogbol
ligt
bij
de meeste
beenige
visschen
een
vaatrijk
ligchaam
,
hetwelk
de
genoemde
zenuw
als
met
eenen
opvolkomen
ring
omgeeft
(
glandula
choroidalis
,
vergel
.
boven
bl
.
218
)
.
De
plaats
,
waar
de
gezigtszenuw
in
den
oogbol
komt
,
ligt
dikwerf
niet
in
de
as
vari
het
oog
.
Het
netvlies
ontstaat
uit
eene
streep
of
onregelmatige
wille
vlek
,
waar
zich
de
,
meestal
als
een
geplooide
band
gevormde
oogzenuw
ontvouwt
.
Bij
vele
beenige
visschen
dringt
een
verlengsel
van
de
choroidea
als
een
zeissen
vormige
band
(
processus
falciformis
)
van
den
ingang
der
gezigtszenuw
door
het
glasachtig
vocht
,
en
hecht
zich
aan
den rand
van
het
beursje
van
de
kristallens
;
veelal
ge
schiedt
die
aanhechting
door middel
van
een
doorschijnend
knopje
(
campanula
Halleri
) ,
welks
maaksel
nog
niet
ge
noegzaam
bekend
is
.
Het
glasachtige
vocht
is
vloeibaarder
,
dan
bij
de
overige
gewervelde
dieren
.
De
kristallens
is
bijna
kogelrond
en
zeer
groot
;
zij
dringt
met
hare
voorste
oppervlakte
door de
pupil
.
Het
waterachtig
vocht
is
slechts
in
geringe
hoeveelheid
aanwezig
(
*
)
.
Het
gehoororgaan
der
visschen
bestaat
alleen
vit
dat
(
* )
Vergelijk
ROSENTIAL
,
Zergliederung
des
Fischauges
in
Reil's
Archio
X.
S.
393—414
;
D.
w
.
SOEMMERRING
,
De
oculorum
hominis
animaliumque
sectione
horizontali
.
Goettingae
1818
,
fol
.
P.
62-71
;
GOTTSCHE
Ueber
die
Retina
in
Auge
der
Gratenfische
,
MÜLLER'S
Archio
1834.
I
,
S.
457-466
.
240
VISSCHEN
.
gedeelle
,
hetwelk
bij
de
hoogere
gewervelde
dieren
den
dool
hof
(
labyrinthus
)
uitmaakt
.
De
uitwendige
gehoorweg
,
de
trom
melholte
,
de
Eustachiaansche
buis
en
de
gehoorbeentjes
ontbre
ken
.
De
vliezige
doolhof
ligt
bij
de
beenige
visschen
en
steuren
grootendeels
vrij
in
de
schedelholle
ter
zijde
der hersenen
en
door
dezelfde
velachtige
zelfstandigheid
omgeven
;
bij
de
Plagiostomen
en
Cyclostomen
ligt
het
gehoorwerktuig
aan
weerszijde
van
den
schedel
in
eene
afzonderlijke
ruimte
en
is
door
een
'
kraakbeenigen
doolhof
omsloten
.
Bij
bijkans
alle
visschen
zijn
drie
,
zeer
groote
halfronde
bui
zen
aanwezig
(
canales
semicirculares
) ,
waarvan
de
twee
regt
standige
(
het
voorste
en
achterste
kanaal
)
het
tusschen
beide
liggend
deel
gemeen
hebben
,
en
dus
te
zamen
slechts
met
drie
openingen
in
den
voorhof
uitloopen
,
terwijl
het
buitenste
,
horizontale
kanaal
met
twee
openingen
daarin
uitkomt
.
Dit
voorhof
(
vestibulum
,
alveus
communis
)
ligt
on
der
de
halfronde
buizen
,
en
heeft
eenen
langwerpigen
zak
tot
aanhangsel
,
die
daarvan
door eene
insnoering
afgeschei
den
is
.
Het
achterste
gedeelte
van
den
zak
heeft
een
.
klein
blaasvormig
aanhangsel
(
cysticula
Brescuer
) ,
terwijl
er
voor
aan
den
alveus
communis
mede
eene
kleine
ver
wijding
(
utriculus
,
appendix
clavata
vestibuli
)
gezien
wordt
.
In
elk
dezer
drie
deelen
ligt
een
klein
steentje
,
waarvan
dat
,
hetwelk
in
het
voorste
gedeelte
van
den
zak
ligt
,
bet
grootste
is
.
Deze
steentjes
zijn
bij
de
beenige
visschen
hard
,
veelal
gegroefd
,
aan
den
rand
gekarteld
en
somtijds
zeer
glin
stereod
en
zuiver
wit
;
bij
de
Plagiostomen
en
steuren
zijn
zij
weeker
en
korrelig
;
zij
bestaan
uit
koolstofzuren
kalk
(
©
)
.
Bij
de
Cyclostomen
heeft
men
noch
gehoorbeentjes
noch
zulk
een
gruis
gevonden
.
Bij
dezen
is
ook
het
gehoor
werktuig
veel
eenvoudiger
.
Bij
Petromyzon
en
Ammocoe
les
vindt
men
slechts
twee
ballcirkelvormige
kanalen
.
Zij
zijn
kort
en
dik
,
en
liggen
tegen
het
vestibulum
membra
>
9
(
*
)
Verg
.
E.
KRIEGER
De
Otolithis
,
Dissert
.
inaug
.
physiol
.
Bero
.
lini
1840.
40
.
VISSCHEN
.
241
nosum
aan
,
waarin
zij
,
behalve
met
het
breede
einde
,
(
de
twee
ampullae
)
ook
door
eene
gemeenschappelijke
opening
daar
,
waar
zij
zich
vereenigen
,
uitkomen
.
Bij
Myxine
en
Bdellostoma müll
.
is
de
geheele
vliezige
dool
bof een
enkel
cirkelvormig
kapaal
,
hetgeen
ten
deele
als
een
canalis
semicircularis
,
ten
deele
als
vestibulum
kan
worden
beschouwd
.
Bij
de
Plagiostomen
verlengt
zich
het
kraakbeenig
labyrinth
tot
onder
de
huid
en
loopt
tot
boven
op
den
schedel
;
bij
de
roggen
is
hier
ook
de
vlie
zige
doolhof
tot
op
den
schedel
verlengd
en
geleidt
tot
een
vliezig
zakje
,
dat
,
tusschen
den
schedel
en
de huid
liggende
,
zich
met
eene
of
met
drie
kleine
openingen
op
de
huid
opent
.
Deze
deelen
zijn
met
eene
kalkachtige
stof
opgevuld
.
Bij
eenige
beenige
visschen
strekt
zich
de
doolhof
door
een
verlengsel
,
hetwelk
zich
met
dat
der
tegenovergestelde
zijde
vereenigt
(
sinus
impar
)
en
vervol
.
gens
buiten
het
achterhoofd
aan
weerszijde
in
een
atrium
uitzet
,
tot
den
eersten
wervel
uit
.
Hier
wordt
het
,
door
mid
del
van
eenen
schakel
van
kleine
beentjes
(
*
)
met
de
zwemblaas
in
verbinding
gebrazt
,
zoodat
de
geluidtrillingen
zich
daardoor
kunnen
versterken
.
Bij
andere
beenige
vis
schen
strekt
zich
de
zwemblaas
zonder
dergelijke
beentjes
tot
aan
vliezige
plaatsen
uit
,
welke
in
den
schedel
met
bet
gehoorwerktuig
in
aanraking
zijn
(
+ ) .
(
*
)
De
beentjes
werden
door
E.
I.
WEBER
,
aan
wien
wij
deze
ont
dekking
te
danken
hebben
,
gehoor
beentjes
genoemd
.
GEOFFROY
ST.
HILAIRE
,
J.
F.
MECKEL
en
SAAGMANS
MOLDER
brengen
deze
beentjes
tot
de
eerste
wervels
;
het
grootste
,
zwaardvormige
achterste
been
,
dat
met
de
zwemblaas
onmiddellijk
verbonden
is
,
zou
de
rib
van
den
tweeden
wervel
zijn
.
Zie
de
naauwkeurige
onderzoekingen
van
den
laatstge
noemde
in
Bijdragen
tot
de
Natuurk
.
Wetensch
.
VI
.
1831
,
bl
.
84—105
.
(
Volgens
owen
behooren
deze
beentjes
,
even
als
de
beenige
labyrinth
tot
het
Splanchnosceletum
.
Lectures
II
,
p
.
210
)
.
(
+
)
De
eerste
goede
beschrijvingen
van
het
gehoororgaan
der
vis
schen
zijn
bekend
gemaakt
door
P.
CAMPER
,
Verhandelingen
oan
de
Holl
.
Maatsch
.
der
Wetensch
.
le
Haarlem
VII
, 1 ,
bl
.
79—117
met
aſb
. ,
1763.
Groot
zijn
in
dit
opzigt
de
verdiensten
ran
MONRO
en
II
.
46
249
VISSCHEN
.
1
De
spieren
der
visschen
bestaan
uit los
vereenigde
,
gemeen
lijk
wille
vezels
.
Aan
weerszijde
van
den
romp
ligt
eene
groole
spiermassa
,
die
zich
van
den
kop
en
den
beengordel
der
borslvinnen
10l
aan
den
grond
der
staarlvin nitstrekt
,
aan
wier
stralen
zij
met
peesachtige
banden
eindigt
.
Deze
spier
massa
is
door
pezige
strooken
(
ligamenta
inter
muscularia
)
,
eren
als
door
ribben
,
in
achter
elkander
liggende
segmenten
verdeeld
;
de randen
dezer
strooken
verloonen
zich
op de
op
pervlakte
onder de
huid
,
als
heen
en
weergebogene
,
van
den
rug
naar
den
buik
nederdalende
,
peesachtige
inkervingen
(
in
scriptiones
tendinoae
) .
Deze
spiermassa
is
de
zijdelingsche
rompspier
-
laag
,
waarvan
bij
den
mensch
alleen
het
rugdeel
aanwezig
is
en
zich
tot
de
verschillende
rugspieren
ontwik
keld
heeft
.
Bij
de
visschen
strekt zich
daarentegen
deze
laag
ook
over
den
buik
uit
.
Waar
buikvinnen
aanwezig
zijn
,
verwijderen
zich
de twee
zijdelingsche
spiermassa's
van
el
kander
,
om
eene
spleet
over
te
laten
,
waarin
deze
vinnen
worden
opgenomen
;
de
meer
terzijde
gelegen
borstvinnen
en
bare
spieren
gaan
daarentegen
door
eene
splijting
van
het
voorste
gedeelte
van
elk
der
zijdelingsche
spieren
,
die
zich
hier
in
twee
bundels
deelt
.
Door
de
zijdelingsche
spieren
wordt
de
ruggegraat
links
of
regts
gebogen
.
Daarin
ligt
het
voornaamste
middel
der
voorwaartsche
beweging
van
den
visch
,
door
zijdelingsche
buigingen
of
krommin
gen
en
ontspanningen
van
den
slaart
,
of
bij
rolronde
vis
schen
,
zoo
als
de
alen
,
van
den
geheelen
roup
( * ) .
De
11
SCARPA
.
Eene
veel
omvattende
en
naauwkcurige
behandeling
van
dit
onderwerp
gaf
E.
I.
WEBEB
in
zijn
geschrift
De
Aure
et
Auditu
hominis
et
animalium
,
Pars
I.
De
Aure
animalium
aquatilium
,
Cum
Tub
.
X
,
Lipsiae
1820
46.
Vergel
.
voorts
G.
BRESCIET
,
Recherches
analom
.
et
physiol
.
sur
l'organe
de
l'ouie
des
Poissons
,
avec
17
Planches
.
Paris
1838
,
4º
.
en
J.
MÜLLER
Ueber
den
eigenthümlichen
Bau
des
Gehörorganes
bei
den
Cyclostomen
.
Berlin
1838.
Mit
3
Kupfertafeln
fol
.
(
afzonderlijk
afgedrukt
uit
de
Abhandlungen
der
Akad
.
der
Wissensch
.
su
Berlin
,
aus
d
.
Jahre
1837.
)
(
*
)
s
.
J.
BRUCNANS
deed
opmerken
.
dat
het
bij
de
uitademing
uit
VISSCHEN
.
945
oppervlakte
,
die
alzoo
tegen
het
water
botst
,
'
kan
grooter
of
kleiner
zijn
,
naarmate
van
de
meerdere
of
mindere
uitspreiding
der
vertikale
vinnen
(
rug-
,
aars-
en
staartvin
)
,
welker
stralen
zich
van
elkander
verwijderen
en
opriglen
kunnen
.
Zulks
geschiedt
door
spieren
,
die
op
elk
tusschen
doorobeen
aan
weêrszijde
twee
in
getal
zijo
:
eene voor
en eene
achter
de
uitspringende
lijn
,
die
men
op
de
oppervlakte
dezer
beentjes
ziet
.
De
voorste
spier
beweegt
den
straal
naar
voren
en
spreidt
dus
de
vin
uit
;
de
ach
terste
trekt
den
straal
naar
den
rug
,
of
bij
de
aarsvin
naar
den
buik
,
en doet
dus
de
vin
lager
worden
.
Boven
deze
spieren
ligt
er
aan
elke
zijde
van
iederen
straal
eene
oppervlakkige
,
aan
de
huid
ingeplante
spier
;
deze
opper
vlakkige
spieren
,
welker
vezels
op
die
der
groote
zijspie
ren
eene
dwarse
rigting
hebben
,
bewegen
de
vinnen
zijdelings
.
De
buik-
en
borstvinnen
werken
als
riemen
,
en
die
nen den
visch
hoofdzakelijk
tot
besturing
van
zijne
vaart
en
verzekering
van
zijnen
stand
in
het
water
.
Bij
som
mige
visschen
zijn
de
borstvinnen
groot
genoeg
om
voor
eenigen
tijd
het
ligchaam
in
de
lucht
te
kunnen
onder
steunen
(
vliegende
visschen
,
Exocoetus
,
Dactylopterus
) .
De
borstvinnen
kunnen
zich
van
het
ligchaam
verwijderen
of
daartegen
aangedrukt
worden
,
zich
uitspreiden
en
naar
boven
of
beneden
bewegen
.
De
voor-
en
achterwaartsche
beweging
hangt
van
den
beengordel
af
,
waaraan
deze
vinnen
gehecht
zijn
,
en
is
zeer
beperkt
.
Deze
vinnen
worden
door
spieren
bewogen
,
die
zich
aan
de
binnen
en
buitenylakte
aanhechten
en
aan
de
stralen
inplanten
.
Die van
de
binnenzijde
trekken
de
borstvinnen
nader
lot
het
lijf
(
musculi
adductores
) ,
die
van
de
buitenzijde
ver
wijderen
ze
daarvan
(
musculi
abductores
) .
De
buikvinnen
de
kieuwopeningen
stroomende
water
,
mede
aan
de
voorwaartsche
be
weging
der
visschen
dienstbaar
is
.
Verhandel
.
der
eerste
Klasse
van
het
Hollandsche
Instituut
I
,
bl
.
185—217
.
Amsterd
.
1812
.
16
*
244
VISSCHEN
.
kunnen
hare
stralen
bijeen
brengen
of
verwijderen
,
zich
loodregt
beneden
waarts
of
waterpas
naar
buiten
en
naar
binnen
bewegen
.
De
kop
is
op den
romp
zeer
weinig
of
in
het
geheel
niet
bewegelijk
;
de
kaken
,
de
verhemelte
-
bogen
,
het
tong
been
,
de
kieuwbogen
zijn
daarentegen
zeer
bewegelijk
.
De
voornaamste
spieren
,
die
de
mondholte
verwijden
en
de
kieuwdeksels
bewegen
,
zijn
aan de
binnen-
en
buiten
zijde
van
den
boog
van
het
verhemelle
en aan
de
been
deren
,
die
de
onderkaak
met
den
schedel
verbinden
,
ingeplant
.
De
herstellingskracht
der
visschen
is
tot
het
weder
aangroeijen
van
weggenomen
gedeelten
der
vinnen
beperkt
.
Vele
visschen
kunnen
zeer
oud
worden
;
men
verhaalt
van
karpers
en
snoeken
,
die
meer
dan
eene
eeuw
geleefd
hebben
.
Meestal
zoeken
zij
,
inzonderheid
de
zeevisschen
,
hun
voedsel
'
s
nachts
,
op
en
worden
dan
ook
meest
gc
vangen
;
veelligt
slapen
zij
bij
dag
.
Vele
visschen
houden
waarschijnlijk
eenen
winterslaap
.
Van
het
instinct
der
visschen
is
weinig
bekend
.
De
hoofd
neiging
van
den
visch
is
het
najagen
van
voedsel
,
en
de
meeste
leven
van
levende
prooi
.
Om
die
te
bedwelmen
bezitten
sommige
het
vermogen
van
electrieke
schokken
te
geven
.
Het
merkwaardigste
voorbeeld
van
kunstdriſt
in
het
bemagtigen
van
prooi
levert
een
Oost
-
Indische
zoet
water
visch
(
Toxotes
jaculator
)
op
,
welke
druppels
op
in
sekten
werpt
,
die
zich
in
zijne
nabijheid
op
waterplanten
bevinden
,
om
ze
daardoor
in
het
water
te
doen
vallen
.
Het
instinct
,
dat
op de
instandhouding
der
soort
,
de
voort
planting
gerigt
is
,
biedt
minder
merkwaardigs
aan
bij
deze
klasse
,
dan
bij
die
der
insekten
en
vogels
,
hoezeer
men
enkele
visschen
kent
,
die
eene
soort
van
nest
onder
het
water
voor
hun
kroost
toebereiden
(
*
)
.
(
*
)
Hiertoe
behoort
de
duxis
van
ARISTOTELES
,
een
zeevisch
,
die
een
jest
van
bladeren
(
algen
)
maakt
Hist
.
Anim
.
L.
VIII
,
cap
.
30
(
volgens
COVIER
een
Gobius
)
,
Hist
.
nat
.
des
Poiss
.
XII
,
p
.
7
,
de
Doras
Han
VISSCHEN
.
245
Vele
soorten
van
visschen
veranderen
op
vaste
tijden
des
jaars
van
verblijf
.
Zoo
klimmen
b
.
v
.
sommige
visschen
in
de
lente
oſ
den
zomer
tot
aan
de
monden
der
rivie
ren
op
,
tot
schieting
van
hunne
kuit
,
zoo
als
de
elft
(
Clupea
alosa
) ;
de zalmen
stijgen
zelfs
ver
landwaarls
in
,
tegen
den
stroom
der
rivieren
op
.
Sommige
zouden
in
ontelbare
scholen
jaarlijks
togten
ondernemen
,
zoo
als
de
haringen
,
die
volgens
Gilpin
,
in
den
noordelijken
Oceaan
jeder
jaar
eene
in
zich
zelven
terugkomenden
loopkring
beschrijven
,
zoodat
zij
in
Januarij
en
Februarij
bij
Georgia
en
Carolina
aankomen
,
zich
in
April
bij
New
-
York
ver
toonen
en
daar
in
de
baaijen
en
rivieren
hunne
kuit
schieten
,
daarop
weder
in
zee
trekken
en
zich
doord
waarls
naar
New
-
Foundland
begeven
.
Zij
trekken
vervolgens
noordoost
waarts
naar
de
Orkadische
eilanden
,
waar
zij
zich
in
Junij
bevinden
,
verdeelen
zich
rondom
de
Britsche
eilanden
omstreeks
Augustus
en
voegen
zich
weer
bijeen
,
om
in
October
en
November
zuidwestwaarts
te
trekken
,
terwijl
zij
zich
in
December
op
eenigen
afstand
van
Ame
rika's
westkust
.
op
omstreeks
189
of
20
°
N.B.
bevinden
.
Dan
trekken
zij
weder
noordwaarts
naar
Georgia
enz
.
(
*
)
.
Deze opgaven
steunen
evenwel
op
de
onderstelling
,
dat
de
haring
van
de
oostkust
van
Noord
-
Amerika
met
dien
van
de
Noordzee
tot
dezelfde
soort
behoort
,
hetgeen
later
ge
bleken
is
,
het
geval
niet
te
zijn (
t ) .
In het
algemeen
Io
heerscht
er
over het
trekken
der
visschen
nog
veel
OA
zekerheid
.
De
meeste
visschen
trekken
niet
,
of
huone
tog
cockii
,
cuv
.
et
VAL
.
,
volgens
de
waarnemingen
van
HANCOCK
;
hiertoe
behooren
eindelijk
ook
verschillende
soorten
van
zoetwater
-
stekelbaarzen
,
Gasterosteus
,
wier
mannetjes
bet
nest
bouwen
,
volgens
de
voor
korten
tijd
bekend geworden
waarnemingen
van
coste
.
Vergelijk
Dict
.
univer
sel
d'Hist
.
nat
.
VIII
,
1817
,
p
.
650
,
651
,
Poissons
,
Pl
.
20
.
(
*
)
Observations
on
the
annual
Passage
of
Herrings
,
Trans
actions
of
the
American
philosophical
Society
,
Vol
.
II
,
Philadelphia
1786
,
p
.
236—239
.
(
+
)
De
haring
van
New
-
York
is
Clupea
elongala
LESOEDR
.
Zie
cor
.
et
val
.
,
Hist
.
nat
.
des
Poiss
.
XX
,
p
.
247
.
282
CL
.
XIV
.
PISCES
.
perforante
instructa
.
Dens
corneus
unicus
in
palato
;
dentes
minores
duplici
serie
utrinque
in
lingua
,
recurvi
.
Branchiae
utrinque
ductibus
internis
ad
oesophagum
tendentibus
.
Over
deze
familie
is
vooral
door
de
,
reeds
vroeger
aan
gehaalde
onderzoekingen
van
J.
MÜLLER
,
een
helder
licht
verspreid
:
Vergleichende
Anatomie
der
Myrinoiden
,
Ab
handl
.
der
Königl
.
Akademie
der
Wissenschaften
zu
Berlin
1834
,
1838
,
1839
,
1842.
Het
doorboorde
verhemelte
,
de
zamenhang
van
de
neus-
en
mondholte
,
komt
bij
andere
visschen
niet
voor
,
en
is
daarentegen
een
algemeen
ken
merk
der
door
longen
ademende
,
gewervelde
dieren
.
De
onderrand
van
den
mond
wordt
,
daar
er
geen
onderkaak
aanwezig
is
,
door
het
voorste
einde
van
het
tongbeen
ge
vormd
.
Myxine
L.
Spiracula
duo
approximala
ad
ventrale
lalus
pone
branchias
,
utroque
spiraculo
ductus
externos
sex
branchiarum
,
sui
lateris
recipiente
.
Oculi
minimi
,
musculis
occulti
.
Sp
.
Myxine
glutinosa
L.
,
Gastrobranchus
coecus
BLOCI
,
LINN
.
Mus
.
Ad
.
Fred
.
Tab
.
VIII
,
fig
.
4
,
BLOCI
Syst
.
Ichth
. ,
Tab
.
104
;
COVIER R.
ani
.
,
ed
.
ill
.,
Poiss
. ,
Pl
.
120
,
fig
.
3
,
leeft
in
de
Noordzee
.
Linnaeos
bragt
dit
dier
tot
de
wormen
,
de
twee
zijdelingsche
deelen
der
tong
als
dwarse
kaken
(
maxillae
transversales
)
beschouwende
,
die
bij
de gewervelde
dieren
niet
voorkomen
.
Er
is
eene
buis
,
die
onmiddellijk
van
den
slokdarm
naar
het
linker
spiraculum
geleidt
;
eene
dergelijke
buis
komt
ook
bij
het
volgende
geslacht
voor
,
zich
naast
het
achterste
spiraculum
branchiale
der
linkerzijde
begevende
.
Het
dier
wordt
omstreeks
11
"
lang
.
Bdellostoma
mülL
.
,
Heptatrema
DUMÉR
.
Branchiae
utrinque
sex
vel
septem
,
singulae
spiraculo
externo
instructae
.
Oculi
parvi
,
trans
cutem
conspicui
.
Visschen
uit
de
zuidelijke
zeeën
,
waaraan
men
den
naam
van
Heptatremn
niet
wel
laten
kan
,
daar
voorwerpen
met
zes
kieuw
gaten
aan
weêrszijden
,
of
met
zes
aan
de
regter-
,
zeven
aan
de
linkerzijde
zijn
aangetroffen
.
De
soorten
zijn
nog
niet
genoeg
be
paald
;
met
Myxine
glutinosa
komen
zij
in
inwendig
maaksel
zeer
overeen
,
niettegenstaande
de
uitwendige
kenmerken
;
dikwijls
bereiken
zij
echter
eene
meerdere
grootte
.
Zeven
kieuw
-
openingen
aan
weêrs
zijden
zijn
aanwezig
bij
Petromyzon
cirratus
,
Bdellostoma
Forsteri
CL
.
XIV
.
PISCES
.
953
Müll
.;
zie
Bloco
Syst
.
Ichth
. ,
p
.
531
,
533.
Tot
dit
geslacht
behoort
eene door
LACEPÈDE
onvolkomen
beschrevene
en
slecht
afgebeelde
soort
,
Gastrobranchus
Nombey
;
Poiss
.
I ,
Pl
.
23
,
fig
.
1
.
Familia
III
.
(
CCXXII
.
)
Petromyzonini
(
Hyperoartia
) .
Corpus
cylindricum
,
ore
antico
,
labio
circulari
aut
lunato
.
Cavitas
olfactoria
foramine
nasali
externo
supra
aperta
,
postice
in
canalem
,
palatum
non
perforantem
,
coecum
pro
ducta
.
Thorax
cartilagineus
,
branchiarum
apparatum
sus
tentans
,
ex
striis
utrinque
sub
cute
a
dorso
versus
ventrem
descendentibus
compositus
.
Pipnae
duae
dorsales
,
postica
cum
caudali
conjuncta
.
Ammocoetes
DUMÉR
.
Dentes
nulli
.
Branchiae
intus
in
pharyoge
apertae
.
Aperturae
branchiales
externae parvae
,
in
sulco
longitudinali
sitae
.
Labium
superum
semicirculare
.
Cf.
DUMÉRIL
,
Dissertation
sur
les
Poissons
cyclostomes
(
Maga
sin
encyclopédique
1808
)
;
RATIKE
Beiträge
zur
Gesch
.
der
Thier
weli
,
IV
,
1827
,
S.
66—102
,
Tab
.
II
,
III
.
Sp
.
Ammocoetes
branchiulis
,
Petromyzon
branchialis
L.
GUÉRIN
,
Iconogr
. ,
Poiss
.
Pl
.
70
,
fig
.
3
,
YARRELL
Brit
.
Fishes
II
,
p
.
459
.
In
zoetwater
in vele
landen
van
Europa
,
meest
op
den
bodem
of in
het
zand
zich
ophoudende
;
deze
soort
bereikt
6
of
7 "
lengte
.
Petromyzon
L.
(
excl
.
Petr
.
branchiali
) .
Dentes
labiales
et linguales
plures
.
Branchiae
intus
in
tubo
suboesophageo
,
postice
coeco
apertac
.
Annulus
labialis
circularis
,
cirris
multis
,
parvis
fimbriatus
.
Sp
.
Petromyzon marinus
L.
†
,
Bloco
Ichtk
. ,
Tab
.
77
,
GUÉRIN
Iconogr
. ,
Poiss
.
Pl
.
70
,
fig
. 1
,
YARRELL
,
Brit
.
Fisches
II
,
p
.
448
;
Petromyzon
fluvialilis
1.
t
,
BLOCI
Ichth
. ,
Tab
.
78
,
fig
.
1
,
cuv
.
R.
ani
.
éd
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
120
,
fig
.
1 (
nomine Petr
,
marini
) .
De
cerste
soort
,
die
in
de
zee
leeft
,
komt
tegen
den
zomer
in
de
rivie
ren
,
en
bereikt
eene
lengte
van
meer
dan
twee
voet
;
de
laatste
,
veel
kleinere
,
schijnt
altijd
in
zoetwater
ta
blijven
.
Men
noemt
deze
visschen
Lamprei
(
Lampelra
van
lambendo
petras
) ,
Pricke
,
enz
.
Deze
dieren
gebruiken
hunne
tong
als
een
zuiger
en
hechten
zich
met
den
mond
aan
onderscheidene
ligchamen
vast
;
zij
ademen
dan
door
de
zijdelingsche
kieuw
-
openingen
in
en
uit
.
Over
de
anatomie
is
de
verhandeling
van
1.
RATIKE
(
Bemerkungen
über
den innern
Bau
der
Pricke
,
Petromyzon
fluviatilis
.
Dantzig
1825
,
40.
)
als
hoofd
-
werk
te
beschouwen
.
254 CL
.
XIV
.
PISCES
.
II
.
Organon
olfactus
duplex
.
A. Bulbus musculosus ad
basin
arteriae
branchialis
,
val
vulis
numerosis
per
series
longtudinales
dispositis
.
SECTIO
II
.
Chondropterygii
.
Pinnac
rațiis
cartilagineis
suffultae
.
Pinnae
pectorales
et
ventrales
.
Sceletum
cartilagineum
;
arcus
cartilaginei
clausi
,
canalem
pro
medulla
spinali
efformantes
;
in
plerisque
corpora
vertebrarum
distincta
,
in
aliis
chorda
dorsalis
per
sistens
,
sub
arcubus
medullam
includentibus
sita
,
continua
.
Cauda
supra
recursa
,
pipna
caudali
infera
.
Cutis
plerum
que
squamis
parvulis
,
osseis
aspera
,
aut
scutis
majoribus
dispersis
oblecta
,
interdum
nuda
.
Os
sub
capite
positum
.
(
Coslae
in
plerisque
distinclae
;
vesica
nalatoria
nulla
.
)
ORDO
III
.
Desmiobranchii
s
.
Plagiostomi
.
Branchiae
margine
externo
culi
adhaerentes
,
utrinque
aperturis
faleralibus
,
externis
patentes
.
Operculum
verum
nullum
.
Os
fissura
transversa
in
inferiori
capitis
parle
.
Cranii
ossa
suluris
non
distincta
.
Copula
gaudent
.
Vergelijk
J.
Mül.LER
und
J.
DENLE
,
Systematische
Beschreibung
der
Plagiostomen
.
Mit
60
Steindrucktafeln
,
Berlin
1841
,
folio
.
Deze
orde
kan
in
vele
opzigten
als
de
meest
zamen
.
gestelde
en hoogst
bewerktuigde
in
de
klasse
der
visschen
beschouwd
worden
,
waarom
sommige
nieuwere
schrijvers
haar
ook
aan
het
hoofd
der
klasse
en
ver
van
de
Cyclosto
men
plaatsen
.
De
overtuiging
,
dat
het
eene
onmogelijkheid
is
om
de
verwantschap
der
natuurlijke
wezens
te
bewaren
,
wanneer
zij
in
eene
enkele
reeks
gerangschikt
zijn
,
hield
ons
terug
om
in
de
vroegere
,
meer
algemeen
aangeno
mene
verdeeling
der
visschen
zulk eene
omkeering
in
te
voeren
.
De
schedel
dezer
visschen
verloont
geene
naden
.
Een
enkel
been
hecht
de
onderkaak
aan
den
schedel
en
neemt
de
plaats
in
van
het
jukbeen
,
van
het
tympanicum
,
epitympanicum
en
praeoperculum
(
zie
boven
blz
.
202
,
203
)
.
Aan
den
ach
terrand
van
dit
been
zijn
kraakbeenige
,
vingerwijs
verdeelde
,
CL
.
XIV
.
PISCES
.
255
kraakbeenige
aanhangsels
gehecht
,
die
aan
de
opercula
der
beenige
visschen
beantwoorden
.
Er
zijn
onder
de huid
kraakbeenige
dunne
strepen
,
die
de
randen
der
uitwendige
kieuw.openingen
ondersteunen
,
en
den
meer
zamengestel
den
toestel
der
Pelromyzonten
vervangen
.
Daaruit
blijkt
dui
delijk
,
dat die
toestel
bij
Petromyzon
niet
homoloog
is
met
de
kieuwbogen
.
Boven
op
den
kop
liggen
,
met
weinige
uitzonderingen
,
twee
openingen
,
achter
de
oogen
,
voor
het
vierkante
been
of
het
suspensorium
der
onderkaak
;
zij
geleiden
naar
den
mond
en
kunnen
het
water
doorlaten
,
dat
naar
de
kieu
.
wen
gevoerd
wordt
(
foramina
temporalia
,
évents
,
Spritz
löcher
) .
Er
heeft
bij
deze
visschen
eene
werkelijke
paring
plaats
;
vergelijk
boven
blz
.
227
,
228.
Alle
hebben
een
spiraalvormig
klapvlies
in
het
darmkanaal
.
Familia
IV
.
(
CCXXIII
.
)
Batides
.
Corpus
depressum
.
Aperturae
branchiales
sublus
ad
collum
,
utrinque
quinque
.
Palpebrae
oculis
adnatae
vel
nullae
.
Cingulum
cartilagineum
pinnas
pectorales
sustentans
superne
ad
vertebrarum
colun
nam
adhaerens
.
Deze
familie
bestaat
vooral
uit
het
geslacht
Raja
L.
,
waarbij
men
,
200
als
wüLLER
heeft
aangelound
,
Squalus
Pristis
L.
voegen
moet
,
die
wel
den
overgang
toi
de
vol
.
gende
familie
maakt
,
maar
echter
met
de
roggen
in
de
wezenlijke
kenmerken
overeenkomt
;
de
kieuw
-
openingen
zijn
aan
de
buik
zijde
geplaatst
,
enz
.
Bij
deze
familie
staan
de
rugvinnen
gewoonlijk
zeer
naar
achteren
.
Bij
sommige
soorten
van
ruggen
komen
enkele
malen
voorwerpen
voor
,
met
een
vlies
midden
op de
schijf
des
ligchaams
,
zoo
als
bij
Raja
clavata
;
ten
onregte
heeft
men
deze
afwijkingen
als
bijzondere
soorten
beschouwd
.
Zie
eene
afbeelding
bij
LACEPÈDE
Poiss
.
I
,
Pl
.
VII
,
fig
.
1
.
Vele
soorten
hebben
stekels
of
knobbels
op
den
rug
,
op
de
vinnen
en
den
staart
,
welke
in
getal
en
ontwikkeling
verschillen
naar
den
leeftijd
en
naar
de
verschillende
ge
slachten
.
A.
Cauda
gracilis
.
Corpus
discoideum
,
latum
.
+
Aculeus
serratus
ad
caudae
basin
.
Cephaloptera
Dumér
.
(
Plerocephala
Swains
.
)
Pinnae
pe
236
CL
.
XIV
.
PISCES
.
ctorales
latissimae
,
versus
apicem
acuminatae
,
ante
caput
auriculas
ad
instar
productae
.
Dentes
parvi
.
Sp
.
Cephaloptera
Giorna
RISSO
,
Raja
giorna
LAC
.
,
Poiss
.
V.
Pl
.
20
,
fig
.
3
,
GUÉRIN
,
Iconogr
. ,
Poiss
.
Pl
.
69
,
fig
.
4,5
;
wordt
meer
dan 4
voet
breed
;
deze
soort
komt
in
de
Middell
.
Zee
voor
,
maar
men
kent
ook
soorten
uit
Oost
-
Indië
,
Japan
en
Brazilië
.
Ceratoptera
Müll
.
et
HENLE
.
Myliobatis
cuv
.
Pinnae
pectorales
Jalae
,
versus
apicem
acuminatae
,
ad
latera
capitis
interruptae
,
antice
caput
cin
gentes
.
Dentes
magni
,
ex
fibris
aut
cylindris verticalibus
compositi
,
laminas
transversas
efformantes
,
planas
,
musivo
opere
utramque
maxillam
obtegentes
.
Cauda
flagelliformis
,
longissima
,
aculeo
serrato
pone
pinnam
dorsalem armata
.
Sp
.
Myliobatis
aquila
Risso
,
Raja
aquila
L.
,
YARRELL
Bril
.
Fis
hes
II
,
p
.
445
,
Middell
.
Zee
,
enz
.
Subgenera
.
Rhinoptera
KooL
,
Aëtobatis
müll
,
et
nenLE
.
Sp
.
Aëtobatis
flagellum
,
Raja
flagellum
.
Bloco
Syst
.
Ichth
.
,
Tab
.
73
habit
.
in
Mari
Indico
,
etc.
Trygon
Adans
.
Pinnae
pectorales
caput
cingentes
et
ante
caput
saepe
in
acumen
productae
.
Corporis
discus
ovalis
,
orbicularis
aut
obtuse
-
rhombicus
.
Dentes
alternis
seriebus
positi
,
rhombici
.
Cauda
plerumque
corporis
longitudine
,
apterygia
,
aculeo
serrato
unico
aut
duplici
praedita
.
Adde
genera
Urolophus
et
Trygonoptera
Müll
,
et
HENLE
.
Anacanthus
EHRENB
.
Trygonibus
affine
genus
,
defectu
aculei
in
cauda
distinctum
.
Sp
.
Trygon
pastinaca
BONAP
.
t
,
Raja
pastinaca
L.
,
BLOC .
Ichth
.
Tab
.
82
,
c
.
L.
BONAPARTE
Fauna
ltalica
1841
,
III
,
Tab
.
156
;
in
de
Middell
.
en
Noordzee
,
enz
.
Sommige
soorten
,
met
zeer
lange
borstvinnen
en
daardoor
zeer
brceden
schijf
,
gelijken
eenigzins
naar
de
vorige
geslachten
,
maar
hebben
een
korten
staart
.
(
Sp
.
Raja
altavela
L.
,
Syst
.
nat
.
ed
.
X
,
BONAP
.
I.
1.
Tab
.
158
,
uit
de
Middell
,
Zee
)
.
Deze
soorten
vormen
het
geslacht
Pleroplateu
Müll
,
et
IENLE
.
Raja
l
.
(
pro
parte
.
)
Pinnae
pectorales
caput
cingentes
ad
pinnas
ventrales
usque
productae
.
Discus corporis
rhom
biens
.
Cauda
gracilis
,
depressa
,
aculeo
carens
,
supra
bipin
CL
.
XIV
.
PISCES
.
287
pata
,
ad
latera
limbo
membranoso
aucta
.
Dentes
conferti
,
rhombei
,
plani
,
interdum
,
praesertim
in
maribus
,
acuti
.
Dit
geslacht
is
bet
talrijkste
in
soorten
van
deze
familie
.
Deze
soor
.
ten
zijn
eijerleggend
,
terwijl
al
de
andere
roggen
levendbarend
zijn
.
Sp
.
Raju
clavata
L.
(
et
Raja
rubus
Gm
.
)
,
Bloch
Ichth
. ,
Tab
.
83
,
84
,
PRIES
,
ECKSTRÖM
och
SUNDEVALL
Scandinaviens
Fiskar
,
Tab
.
35
;
het
ligchaam
van
boven
digt
bezet
met
kleine
haakjes
en
met
enkele
grootere
stekels
,
die
uit
eenen
platten
,
ronden
wortel
als
een
spijkerknop
voortkomen
;
van
boven
vuil
bruin
,
van
onderen
wit
;
deze
soort
wordt
2-3
voet
groot
,
enz
.
De
buikvinnen
zijn
gewoonlijk
diep
ingesneden
en
in
twee
lobben
verdeeld
.
Uit
eene
soort
,
waarin
dat
niet
wordt
waargenomen
,
vormen
MÜLLER
en
DENLE
het
geslacht
Sympterygia
,
B.
Cauda
carnosa
,
fusiformis
.
Torpedo
Doner
.
Corpus
cute
nuda
,
inermi
obtectum
,
disciforme
,
rotundatum
.
Cauda
apice
pinpala
;
pinna
dor
salis
supra
caudam
,
plerumque
duplex
.
Dentes
conici
,
acu
minati
,
conferli
.
Temera
Gray
.
Pinna
dorsalis
nulla
.
Dentes
plani
.
Sp
.
Temera
Hardwickii
GRAY
.
Torpedo
auctor
.
(
Astrape
,
MÜLL
.
et
HENLE
,
Narcine
venle
,
et
Torpedo
Müll
.
et
Henle
)
.
Pinna
dorsalis
interdum
unica
(
Astrape
) ,
plerumque
duplex
.
Dentes
acuti
.
Vergelijk
J.
F.
M.
VON
OLFERS
,
Die Gattung
Torpedo
in
ihren
na
turhistorischen
und
antiquarischen
Beziehungen
erlautert
.
Mit
3
Tafeln
,
Berlin
1831
;
P.
G.
J.
HENLE
,
Ueber
Narcine
,
eine
neue
Gattung
,
nebst
einer
Synopsis
der
electrischen
Rochen
.
Mit
4
Steintafeln
,
Berlin
1834
,
4º
.
De
soorten
van
de
Middellandsche
Zee
behooren
alle
tot
het
onder
geslacht
Torpedo
der
nieuweren
;
de
uitlandsche
soorten
tot
Narcine
(
Norcine
en
Astrape
) ,
met
uit
den
mond
op
eene
plaat vooruit
sprin
gende
,
in
afwisselende
rijen
geplaatste
,
kleine
tandjes
.
De
naam
Raja
Torpedo
van
het
Systema
naturae
is
een
collectieve
naam
,
daar
LINNAEUS
al
de
beschrijvingen
dezer
visschen
tot
ééne
soort
bragt
.
Deze
visschen
(
Núpun
,
Torpedo
,
Sidder
-
rog
,
Zitterroche
,
Krampfroche
)
zijn
sedert
lang
bekend
en
werden
reeds
bij
de
ouden
vermeld
wegens
hunne
zonderlinge
eigen
schap
,
van
pijnlijke
en
verdoovende
schokken
te
kunnen
geven
.
Dat
deze
eigenschap
een gevolg
is
van
electriciteits
II
.
17
288
CL
.
XIV
.
PISCES
.
ontwikkeling
werd
eerst
in
de
laatste
helft
der
vorige
eeuw
duidelijk
,
vooral
door
de
proeven
van
WALSH
(
Phil
.
Trans
act
.,
1774
)
.
Verder
hebben
in
onze
eeuw
vele
schrijvers
,
TODD
,
H.
en
J.
DAVY
,
enz
.
(
vergelijk
Phil
.
Transact
.
of
the
Royal
Soc
.
of
London
1816
,
1832
,
1834
)
deze
proeven
voortgezet
en
ook
de
scheikundige
en
magneto
-
electrische
eigenschappen
dezer
visschen
door
proefnemingen
in
het
licht
gesteld
.
Het
electrieke
orgaan
van den
sidderrog
ligt
aan
weerszijden
des
ligchaams
en
bestaat
uit
eene
menigte
zeshoekige
prisipa’s
of
vlierige
,
naast
elkander
geschikte
en
regtstandig
op de
rug-
en
buikvlakte
staande
buizen
,
welke
talrijke
,
mikroskopisch
fijne
,
dwarse
tusschenschotten
aan
bieden
,
waarover
zich
de
fijnste
zenuwtakjes
verspreiden
en
tusschen
welke
vocht
vervat
is
.
Deze
zenuwtakjes
ont
springen
uit
sterke
takken
van
den
nervus
vagus
en
ook
van
het
vijfde
paar
,
die
zich
naar
den
electrieken
toestel
begeven
.
Vergelijk
,
onder
de
vroegere
schrijvers
,
S.
LORENZINI
Observacioni
intorno
alle
Torpedini
.
Firenze
1678
,
4º
.
,
en
J.
HUNTER
in
Philos
.
Transact
.
1773
,
p
.
481
sqq
.;
en
,
onder
de
nieuweren
,
vooral
P.
SAVI
,
Études
anatomiques
sur
le
syst
,
nerveux
el
sur
l'organe
électrique
de
la
Torpille
(
met
schoone
afbeeldingen
opgehelderd
en
gevoegd
achter
C.
MATTEOCCI
,
Traité
des
phénomènes
electro
-
physiologiques
,
Paris
1844
,
80.
)
en
R.
WAGNER
,
Ueber
den
feineren
Bau
des
electri
schen
Organs
im
Zitterrochen
.
Mit
einer
lithogr
.
Tafel
.
Göttin
gen
1847
(
Aus
d
.
Abhandl
.
der
Königl
.
Gesellsch
.
der
Wissensch
. ,
IU
Bd
.
)
Sp
.
Torpedo
ocellata
RUDOLPOI
,
Torpedo
Narke
,
Risso
,
BLOCH
Ichth
.
Tab
.
122
,
BLÓMENB
.
Abh
.
naturh
.
Gegensi
.
No.
57
;
—
Tor
pedo
marmorata
RODOLPII
,
Torpedo
Galvunii
BONAP
.
,
cuv
.
R.
ani
. ,
éd
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
116
etc.
Rhinobatus
scan
.
Discus
corporis
oblongus
aut cordatus
,
antice
acuminatus
.
Pinnae
pectorales
ante
ventrales
desi
nentes
.
Caput
ante
oculos
carinatum
.
Dentes
conſerti
,
in
quincunce
ordinati
.
Cutis
plerumque
aspera
,
squamis
spi
nisve
dispersis
;
series
spiparum
ad
medium
dorsi
.
Cauda
pinnis
dorsalibus
duabus
et
pinna
terminali
biloba
.
Subgenera
Platyrhina
müll
.
et
HENLE
;
Trygonorhina
m
.
et
a
.
,
Rhinobatus
scun
.
,
Rhynchobatus
M.
et
n
.
,
Rhina
SCHN
.
Sp
.
Rhinobatus
laevis
Bl
.
SCIN
.
,
Syst
,
Ichih
.
Tab
.
71
,
GUÉRIN
CL
.
XIV
.
PISCES
.
259
Iconogr
. ,
Poiss
.
Pl
.
69
,
fig .
1
;
habit
.
in
mari
Indico
et
rubro
.
Rhi
nob
.
Columnae
BONAP
.
(
Raja
rhinobatus
L.
)
etc.
Annot
.
Platyrhina
M.
et
1.
(
Sp
.
Raja
chinensis
LAC
.
)
Torpedini
aſfine
genus
,
habitu
a
Rhinobato
differt
.
Cf.
Tabul
.
apud
MÜLLER
et
IENLE
.
Pristis
lata
.
Corpus
elongatum
,
antice
depressum
,
squa
mis
parvis
,
planis
obtectum
.
Pinnae
pectorales
a
capite
distantes
,
ad
ventrales
non
productae
.
Cauda
pionis
dorsa
libus
duabus
et
pinna
apicali
.
Dentes
parvi
,
in
planum
conferti
.
Caput
antice
productum
in
processum
ensiformem
,
depressum
utrinque
dentibus
ad
marginem
armatum
.
Sp
.
Pristis
antiquorum
LaTo
.
,
Squalus
pristis
L.
,
Bloch
Ichth
. ,
Tab
.
120.
Cov
.
R.
ani
. ,
ed
.
ill
.
,
Poiss
.
,
Pl
.
117
,
fig
.
2
;
de
zaag
cisch
(
serra
marina
of
serra
piscis
)
TEPLOTUS
;
de
benaming
van
dit
dier
is
ontleend
van
het
geduchte
wapen
,
waarmede
zijn
kop
voor
zien
is
;
het
bedraagt
van de
lengte
des
ligehaams
,
en
heeft
aan
weerszijden
van
20
tot
30
langwerpig
-
kegelvormige
tanden
.
Vergelijk
Latiam
in
Transact
.
of
the
Linn
.
Soc
.
II
,
p
.
282
en
verv
.
(
Pristis
Perotteti
van
den
Senegal
zou
alleen in
zoetwater
gevonden
worden
)
.
Familia
V.
(
CCXXIV
.
)
Selachii
(
s
.
Squali
) .
Aperturae
branchiales
ad
latera
colli
.
Palpebrae
distinctae
,
margine
libero
.
Corpus
elongatum
.
Cingulum
cartilagineum
pinna
rum
pectoralium
imperfectum
,
supra
cum
vertebrarum
columpa
non
conjunctum
.
Pinnae
pectorales
ante
caput
non
produclae
.
Pinna
analis
in
multis
.
De
haaijen
.
Deze
groep
is
aan
soorten
iets
minder
talrijk
dan
de
vorige
,
hoezeer
men
er
omstreeks
100
van
kent
;
meer
dan
een
vierde
gedeelte
van
dat
getal
leeft
in
de
zeeën
van
ons
werelddeel
.
Overigens
schijnt
deze
groep
,
even
als
die
der
Roggen
en
meer
nog dan
deze
,
tot
het
oostelijk
halfrond
onzes
aardbols
te
behooren
;
van
de
Zuid
Amerikaansche
kusten
,
Brazilië
en de
West
-
Indiën
zijn
slechts
weinige
soorten
,
veelligt
slechts
1/40
van
het
geheele
aantal
.
Zij
leven
alle
in
de
zee
,
hoewel
eene
soort
van
Carcharias
in
den
Ganges
,
60
uren
van
de
zee
,
gevonden
is
.
Onder
deze
visschen
zijn
sommige
wijd
verspreid
,
200
als
Spinax
acanthias
(
Sq
.
Acanthias
L.
)
,
Mustelus
vulgaris
(
Squalus
Justelus
L
)
,
die
in
de
Middellandsche Zee
,
den
17
*
260
CL
.
XIV
.
PISCES
.
Oceaan
,
bij
de
Kaap
,
ja
,
zelfs
in
de
Zuidzee
voorkomen
.
Onder
deze
familie
vindt
men
de
grootste
visschen
;
vele
worden meer
dan
6
voet
,
Selache
maxima
(
Squalus
mari
.
mus
)
wordt
meer
dan
30
voet
lang
.
Squatina
DUMÉR
.
Corpus
depressum
;
caput
rotundatum
,
ore
antico
,
oculis
ad superiorem
partem
posilis
,
parvis
.
Foramina
temporalia
duo
pone
oculos
.
Dentes
acuminati
,
conici
.
Fissurae
branchiales
in
collo
constricto
pone
caput
sitae
,
approximatae
.
Pinnae
pectorales
rhombicae
,
antice
juxta
latera
capitis
productae
.
Pinnae
duae
dorsales
supra
caudam
.
Pinna
analis
nulla
.
Sp
.
Squutina
vulgaris
Risso
,
Squalus
Squatina
L.
+
,
BLOCA
Ichth
. ,
Tab
.
116
;
YARRELL
British
Fishes
,
II
,
p
.
407
;
in
de
Middellandsche
en
Noordzee
.
Vergelijk
1.
BOURSSE
Wils
Diss
.
med
.
inaug
. ,
continens
observationes
anat
.
de
Squatina
inevi
,
L.
B.
,
1844
,
8º
.
Pristiophorus
müll
.
et
uente
.
Caput
in
processum
pla
num
,
oblongo
-
triangularem
,
utrinque
serralum
productum
.
Cirri
duo
longi
sublus
in
medio
rostro
.
Pinna
analis
nulla
.
Sp
.
Pristiophorus
cirratus
,
Pristis
cirralus
lati
.
Linn
.
Trans
act
.
II
,
Pl
.
26
,
fig
.
5
,
Pl
.
27
,
Stille
Zuidzee
,
Nieuw
-
Holland
,
Japan
.
Bij
uitwendige
gelijkvormigheid
met
Pristis
is
deze
visch
echter
een
ware
haai
,
met
zijdelingsche
kieawopeningen
,
die
vóór
de
borst
vinnen
gelegen
zijn ,
terwijl
zij
bij
Pristis
daaronder
geplaatst
zijn
.
Squalus
L.
(
exclusis
quibusd
.
specieb
.
)
Corpus
elonga
tum
,
capite
in
rostrum
supra
os
producto
.
Branchiarum
aperturae
ad
latera
,
apte pionas
pectorales
aut
supra
ipsas
positae
.
Pinnae
dorsi
plerumque
duae
,
anteriori
ad
me
dium
fere
dorsum
anle
pinpas
ventrales
posila
.
A.
Squali
pinna
anali
nulla
.
Scymnus
cuv
.
Foramina
temporalia
.
Dentes
acuminati
.
Pinnae
dorsales
duae
,
inermes
,
parvae
aut
mediocres
,
prima
ad
medium
dorsi
aut
secundae
propior
.
(
Subgenera
:
Echinorhinus
BLAINV
.
,
Laemargus
et
Scymnus
Müll
.
et
HENLE
)
.
Sp
.
Scymnus
lichia
BONAP
.
,
Squalus
americanus
GM
. ,
BONAP
.
Fauna
ital
.
IU
,
Tab
.
112
,
Middellandsche
Zee
,
Atlant
.
Oceaan
;
>
CL
.
XIV
.
PISCES
.
261
Scymnus
borealis
FLEMING
,
Scymnus
micropterus
VALENCIENNES
,
Nouv
.
Ann
.
du
Mus
.
I ,
p
.
454
,
Pl
.
20
,
in
de
Noordzee
,
enz
.
Spinac
cuv
.
(
et
Centrina
ejusd
. )
Foramina
temporalia
.
Spina
ante
utramque
pinnam
dorsalem
,
libera
aut
in
an
teriori
pinnarum
parte
contenta
,
ad
apicem
exserta
.
Dentes
parvi
,
acuminati
,
conferti
seriebus
pluribus
.
Sp
.
Squalus
Acanthius
L.
,
BLOCO
Ichth
.
Tab
.
85
,
Skandinao
.
Fiskar
Tab
.
46
;
de
doornhaai
of
speerhaai
;
deze
soort
behoort
onder
de
kleinere
haaijen
en
bereikt
zelden
3
voet
lengte
.
B.
Squali
pinna
anali
instructi
.
†
Pinna
dorsi
unica
.
Notidanus
cuv
.
Foramina
temporalia
parva
.
Aperturae
branchiales
utrinque
sex
(
Hesanchus
RAFIN
. )
aut
septem
(
Heptanchus
RAFIN
.
)
Sp
.
Squalus cinereus
Gm
.
,
uit
de
Middellandsche
Zee
.
tt
Pinnis
dorsalibus
duabus
.
a
)
Foraminibus
temporalibus
.
Cestracion
cuv
.
Oculi
absque
membrana
nictitante
.
Spi
na
ante
utramque
pinnam
dorsi
.
Dentes
conferti
,
antici
acuminati
,
seriebus
pluribus
ordinati
,
postici
plani
,
rhom
bici
.
Caput
supra
planum
aut
subconcarum
.
Sp
.
Squalus
Philippi
scan
.
Port
Jackson
Shark
,
Voyage
of
Governor
PAILLIP
to
Botany
Bay
.
London
1789.
4
°
.
,
afgebeeld
tegenover
p
.
383.
De
tanden
zijn
afgebeeld
bij
cov
.
,
R.
ani
. ,
ed
.
ill
,
Poiss
.
Pl
.
115
,
fig
.
3
en
in
ower
Odontogr
. ,
Pl
.
10
,
11
;
Groote
Oceaan
,
bij
Nieuw
-
Holland
en
eene
zeer
gelijke
soort
aan
de
kusten
van
Japan
.
De
eenige
vertegenwoordiger
van
eene
talrijke
groep
van
fossile
visschen
,
die
vooral
in
de
steenkolen
-
periode
leefden
.
Selache
cuv
.
Oculi
absque
membrana
nictitante
.
Dentes
parvi
,
conici
,
non
serrati
.
Pinnae
dorsales
inermes
.
Apertu
.
rae
branchiales
magnae
.
Sp
.
Squalus
maximus
GüNNER
,
GMEL
.
,
BLAINV
.
Mémoire
sur
le
squale
pelerin
,
Ann
du
Mus
.
XVIII
,
p
.
88—135
,
Pl
.
VI
.
Adde
genera
Alopias
Rafin
.
,
Odontaspis
agass
. ,
Lamna
COV
.
Foramina
temporalia
parva
,
interdum
minima
,
hinc
saepe
praetervisa
.
Canda
in
Squalo
vulpe
Gm
.
(
Alopias
RAFIN
.
)
corpore
longior
.
Mustelus
cuv
.
Oculi
membrana
nictitante
praediti
,
Den
tes
parvi
,
obtusi
,
rhombici
,
conferti
.
Pinnae
dorsales
iner
268
CL
.
XIV
.
PISCES
.
conferli
,
pone
banc
serier et in
palalo
.
(
Corpus
elon
gatum
)
.
Wij
vereenigen
hier drie
geslachten
,
die
veelligt
met
even
veel regt
elk
in
eene
afzonderlijke
familie
geplaatst
zouden
moeten
worden
,
gelijk
MÜLLER
van
Lepidosteus
en
Polypterus
twee
afzonderlijke
familiën
vormt
.
Bij
deze
ge
.
slachten
inoet
nog
Amia
L.
gevoegd
worden
,
zoo
als
de
onderzoekingen
van
Vogt en
MÜLLER
hebben
aangetoond
.
Doch
Amia
kan
noch
inet
Lepidosteus
,
noch
met
Polypte
.
rus
in
vaauwer
verband
worden
gebragt
.
Daarom
zou
nien
ook
voor
dit
geslacht
eene
afzonderlijke
familie
moeten
aannemen
.
In
de
verdeeling
van
Cuvier
staan
deze
drie
geslachten
,
met
nog
vele
andere
beenige
visschen
,
in
de
fainilie
der
Clupeacii
,
onder
de
malacopterygii
abdominales
.
De
familie
der
Sauroidei
van
AGASSIZ
bevat
een
groot
aantal
uit
gestorvene
geslachten
,
die
na de Jura
-
formatie
niet
meer
worden
aangetroffen
,
zoo
als
Diplopterus
,
Pygopterus
,
Saurichthys
enz
.
Talrijker
evenwel
zijn
de
Ganolepidoti
,
die
door
Agassiz
tot
eene
andere
familie
,
welke
geheel
uitgestorven
is
,
die
der
Lépidoides
,
gebragt
worden
,
waartoe
het
geslacht
Palaeoniscus
behoort
(
*
)
;
deze
onderscheiden
zich
gewoonlijk
door
kleine
tanden
.
Eene
derde
familie
der
Ganolepidoti
,
die
zich
door
platte
,
ronde
,
in
veelvuldige
reeksen
geschaarde
tanden
kenschetsen
,
die
der
Pycnodontes
, is
mede
geheel
uitgestorven
.
Hiertoe
brengt
men
het
geslacht
Placodus
agass
.
,
met
zeer
groote
platte
tanden
in
het
verhemelte
,
waarvan
de
overblijfsels
in
den
Muschelkalk
worden
aangetroffen
.
Zie
agassiz
Poiss
.
foss
.
II
,
2
,
p
.
217—222
,
Pl
.
70.
De
omvang
van
dit
Handboek
veroor
Jooft
ons niet
,
over deze
uitgestorvene
vischgeslachten
in
verdere
bij
zonderheden
te
treden
.
Lepidosteus
Agassiz
(
Lepisosteus
LaceP
.
)
Maxillae
produ
clae
,
anguslae
.
Squamae
durae
osseae
,
rhombcae
in
series
obliquas
a
dorso
postrorsum
versus
ventrem
descendentes
dis
positae
.
Membrana
branchiostega
radiis
tribus
.
Pippa
dorsalis
(
*
)
In
het
Kupferschiefer
komt
daarvan
eene
soort
voor
,
die
ter
eere
van
den
Geoloog
,
die
deze
formatie
door
zijne
onderzoekingen
naauwkeuriger
leerde
kennen
,
Palaeoniscum
Freislebenense
(
BLAIN
VILLE
,
Nouv
.
Dict
.
d'Hist
.
nat
. ,
nouv
.
edit
.
XXVII
,
p
.
320
)
of
Palaeo
niscus
Freislebeni
agass
.
genoemd
is
.
Reeds
COVIER
merkte
de
overeen
komst
van
deze
fossile
visschen
met
Lepidosteus
en
Acipenser
op
.
Rech
.
s
.
I.
Ossem
.
foss
. ,
3ième
Ed
. ,
V
,
2
,
p
.
307
,
308
.
1
>
CL
.
XIV
.
PISCES
.
269
parva
,
versus
caudam
remota
,
supra
analem
aut
paullulum
pone
ipsam
posila
.
Radius
primus
pippae
dorsalis
,
analis
,
pin
Darum
pectoralium
et
ventralium
et
radii
externi
pinnae
cau
dalis
squamis
aculeatis
,
imbricatis
tecti
,
serrati
.
Columna
vertebrarum
juxta
marginem
superiorem
pinnae
caudalis
producta
.
Sp
.
Lepidosteus
osseus
LAC
.
,
Esox
osseus
L.
,
Lepidosleus
Bison
DEKAY
,
BLOCA
Ichth
.
Tab
.
390
,
AGASSIZ
Poiss
.
foss
.
11
,
Tab
.
A
(
excepta
figura
sceleti
);
-
Lepidosteus
sputulu
Lac
.
Poiss
.
V
,
PI
.
6
,
fig
.
2
;
met
een
platten
kop
en
korter
kaken
;
deze
soort
wordt
7
voet
lang
.
RAFINESQUE
onderscheidt
nog
verschillende
andere
soorten
.
Het
zijn
zoetwater
-
visschen
van
de
nieuwe
wereld
,
vooral
van
Noord
Amerika
.
De
staartvin
is
,
even
als
bij
de
steuren
en
haaijen
,
aan
de
onder
zijde
van
de
wervelkolom
aangehecht
.
De
stekelachtige
bekleeding
der
eerste
vinstralen
(
AGASSIZ
noemt
dere
deelen
fulcru
)
is
een
ken
merk
,
hetgeen
ook
bij
vele
Ganolepidoti
der
voorwereld
voorkomt
.
Er
is
eene
halve
kieuw
op
het
kieuwdeksel
gehecht
.
Men
vindt
eene
zeer
lange
,
tot
den
anus
zich
uitstrekkende
,
geheel
celachtige
zwem
blaas
,
die
in
twee
zijdelingsche
helften
verdeeld
is
,
en
inet
eenen
lang
werpigen
ingang
(
glouis
)
in
den
slokdarm
,
onder
de
bovenste
ossa
pharyngealiu
uitkomt
;
zie
mijne
afbeelding
daarvan
in
MüLLER's
Archio
1841
,
Taf
.
X
,
fig
.
4.
De
anatomie
dezer
visschien
is
vooral
door
de
onderzoekingen
van Jor
.
MÜLLER
,
in
zijne
reeds
aangehaalde
verhandeling
,
Ueber
den
Bau
und
die
Grenze
der Ganoiden
,
op
gehelderd
.
Polypterus
GEOFFR
.
Caput
ovale
,
antice
rotundalum
,
supra
depressum
.
Cirri
duo
supra
os
.
Spiracula
duo
ad
latera
capitis
.
Squamae
durae
,
osseae
,
rhombeae
,
in
series
oblique
postrorsum
decurrentes
dispositae
.
Membrana
branchiostega
radio
unico
,
plano
.
Pinna
caudalis
rotundata
.
Pinpae
dor
sales
numerosae
,
singulae
radio
unico
antice
suffultae
,
ad
marginem
posteriorem
radios
molles
transversos
sustentante
.
Pinna
analis
parva
,
prope
caudalem
sita
.
Sp
.
Polypterus
bichir
GEOFFROY
SAINT
-
HILAIRB
,
Ann
.
du
Mus
.
1
,
1802.
p
.
57–68
,
Pl
.
V
,
AGASSIZ
Poiss
.
foss
,
11
,
Tab
.
C
;
met
16
rugvinnen
;
deze
visch
leeft
in
den
Nijl
en
wordt
nagenoeg
2
'
groot
;
eene
andere
soort
van
Senegal
beeft
slechts
10
rugvinnen
,
Pol
.
Sene
galus
COVIER
,
GOÉRIN
Magas
.
de
Zool
.
1839
,
Poiss
.
Pl
.
I
;
eene
derde
sport
eindelijk
van
den
wilten
Nyl
,
werd
onlangs
onder
den
270
CL
.
XIV
.
PISCES
.
1
R
naam
van
Polypterus Endlicheri
bekend
gemaakt
,
in
KOTSCOY
.
Ab
bildungen
u
.
Beschreibungen
neuer
Thiere
u
.
Pflanzen
.
Sluttgart
1849.
Tab
.
X.XII
,
fig
.
1
;
zij
heeft
12
rugvinnen
.
Deze
visschen
hebben
geene
kieuw
op
het
kieuwdeksel
.
De
zwem
blaas
is
lang
,
zakvormig
,
dubbel
en
zonder
cellen
,
inwendig
met
fijne
overlangsche
plooijen
.
Zij
opent
zich
aan
de
onderzijde
van
den
slokdarm
.
Zie
GEOFFROY
t
.
a
.
p
.
,
p
.
65
,
en
J.
Müller
in
zijn
Archiv
,
1841
,
S.
224
,
225
.
Amia
L.
Caput
osseum
,
depressum
,
antice
rolundatum
.
Cirri
nasales
duo
.
Corpus
squamis
magnis
,
margine
libero
rotundatis
obteclum
.
Membrana
branchiostega
radiis
10—12
.
Pinna
dorsalis
longa
,
depressa
.
Piona
analis
brevis
.
Pinna
caudalis
rotundata
,
radiis
ad
marginem
inferiorem
et
po
steriorem
vertebrarum
per
pinnam
oblique
sursum
decur
rentium
adhaerentibus
.
Er
zijn
verschillende
soorten
van
dit
geslacht
,
alle
uit
zoetwater
van
Noord
-
Amerika
;
welke
soort
LINNAEOS
met
zijne
Amia
calva
be
doelde
,
is
niet
met
zekerheid
te
bepalen
;
zie
VALENCIENNES
in
COVIER
et
VALENCIENNES
Pist
.
nat
.
des
Poissons
XIX
(
1846
)
p
.
402-432.
Amia
caloa
BONATERRE
Eno
.
Meth
.
,
Poiss
. ,
Pl
.
99
,
fig
.
408
,
Bloco
,
SCHNEIDER
Syst
.
Ichth
.
Tab
.
80
is
Amia
lentiginosa
VAL
.
De
zwemblaas
is
celachtig
en
dubbel
.
Er
is
geen
het
kieuwdeksel
.
Vergelijk
1.
Franque
Diss
.
inaug
.
nonnulla
ad
Amiam
calram
L.
accuratius
cognoscendom
,
Berolini
1847
,
onder
leiding
van
J.
Müller
,
met
af
beelding
van
het
skelet
,
de
hersenen
,
het
hart
en de
ingewanden
.
B.
Bulbus
arteriosus
,
elasticus
,
valvulis
duabus
ad
basin
.
(
Cf.
sapra
,
p
.
254.
)
kieuw
op
SECTIO
IV
.
Osteopterygii
.
Pinnae
radiis
osseis
suffultae
.
Sceletum
osseum
.
Columna
dorsalis
e
vertebris
distinctis
.
Branchiae
liberae
.
(
Nervi
optici
decussantes
s
.
cruciatim
sibi
invicem
impositi
)
.
ORDO
VII
.
Lophobranchii
cuv
.
Laminae
branchiales
latae
,
clavatae
,
non
numerosae
,
duplici
serie
juxta
arcus
branchiales
dispositae
,
transverse
plicatae
.
Aperlura
branchialis
parva
,
supera
,
operculo
magno
,
CL
.
XIV
.
PISCES
.
971
fere
per
totum
ambitum
cuti
affixo
.
Radii
membranae
branchiostegae
parvi
,
tenuissimi
.
Corpus
loricatum
,
angu
losum
.
Troskieuwigen
.
Het
zonderling
maaksel
der
kieuwen
is
,
200
het
schijnt
,
het
eerst
opgemerkt
door
TIEDEMANN
(
MEC
KEL's
Archiv
für
die
Physiol
.
II
,
1816
,
S.
110–112
,
Tab
.
II
,
fig
.
7
,
8
)
,
doch
naauwkeuriger
onderzocht
door
RATHKE
(
Ueber
den
Kiemenapparat
,
S.
50
,
51
,
Tab
.
IV
,
f
.
2
)
en
door
RETZIUS
.
De
afwijking
van de
gewone
structuur
der
kieuwen
is
,
volgens
dat
onderzoek
,
meer
schijnbaar
dan
wezenlijk
.
Ratake
ontzegt
aan deze
visschen
de
kieuwstralen
,
hetgeen
echter
,
volgens
mijne
waarnemingen
,
onjuist
is
.
Al
de
tot
deze
orde
behoorende
soorten
zijn
van
eene
geringe
grootte
;
slechts
enkelen
groeijen
tot
de
lengte
van
1
' .
-
Bij
het
seepaardje
(
S.
hippocampus
L.
)
,
eene
soort
,
van
deze
orde
,
heeft
men
eenen
winterslaap
waargenomen
,
gedurende
welken de
ademhaling
verminderd
is
;
zie
Rus
coni
in
MECĶEL'S
Archiv
f
.
d
.
Physiol
.
V
,
S.
268—270
.
De
eijeren
worden
onder
den
buik
of
aan den
grond
van
den
staart
,
meestal
onder
twee
,
in
de
lengte
loopende
huidplooijen
,
die
als
eene
dubbele
deur
toekleppen
,
gedra
gen
,
en
wel
,
zoo
als
Eckström
en
andere
Noordsche
schrij
vers
hebben
waargenomen
,
door
het
mannetje
,
aan
wien
het
wijfje
ze
ter
verzorging
toebetrouwt
,
en
waarbij
ook
de
reeds
geboren
jongen
nog
eenigen
tijd
vertoeven
.
Die
Fische
in
des
Scheeren
von
Mörkö
,
beschrieben
von
c
.
U.
ECKSTRÖM
.
Berlin
1835
,
8º
.
,
S.
122
,
132
,
133.
Bij
Soleno
stomus
vormen
de
buikvinnen
eenen
zak
,
welke
tot
het
zelfde
einde
dient
.
Familia
IX
. (
CCVII
.)
Lophobranchii
(
Characteres
ordinis
etiam
familiae
unicae
)
.
Os edentulum
.
Pegasus
L.
Rostrum
elongatum
,
ore
infero
.
Corpus
de
pressum
.
Pinnae
ventrales
angustae
,
setaceae
aut
cirriformes
pone
pectorales
amplas
.
Pipna
dorsalis
apali
opposita
.
Sp
.
Pegasus
draconis
L.
,
BLOCÍ
Ichth
.
Tab
.
109
,
fig
.
1
,
2
,
Syst
.
Ichth
.
Tab
.
107
;
eene
afbeelding
van
het
skelet
vindt
men
bij
ROSENTIAL
,
Ichthyot
.
Tafeln
,
Tab
.
X
,
fig
.
13–17
;
het
ceedraakje
.
De
breede
bortvinnen
gelijken
naar
uitgespannen
vleugels
;
deze
kleine
,
272
CL
.
XIV
,
PISCES
.
zonderling
gevormde
vischjes
worden
in
de
Oost
-
Indische
zecën
ge
vonden
.
—
Pegasus
natans
L.
,
GRONOV
.
Zoophyl
.
I
,
Tab
.
XI
,
fig
.
1
,
2
,
inet
een
langwerpiger
,
smaller
ligchaam
en
langen
snuit
.
(
De
af
beelding
bij
Cuvier
,
R.
ani
.
,
éd
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
111
,
fig
.
2
stelt
niet
deze
,
maar
de
vorige
soort
voor
) .
Eene
derde
soort
,
die
LINNAEOS
vermeld
heeft
,
Pegasus
volans
,
is
mij
onbekend
.
Solenostomus
seba
,
LACEP
.
Rostrum
elongatum
,
compres
sum
,
ore
terminali
.
Pippae
ventrales
pone
pectorales
posi
tae
,
maximae
,
inter
se
concretae
et
ad
corporis
latera
connexae
.
Pippae
dorsales
duae
,
posterior
anali
opposita
.
Pippa
caudalis
acuminata
,
radiis
mediis
elongatis
.
Sp
.
Solenostomus
paradoxus
LAC
.
,
Fistularia
paradoxa
Pall
.
Spicil
.
Zvol
. ,
fasc
.
VIII
,
p
.
32–35
,
Tab
.
IV
,
fig
.
6
;
van
Amboina
,
enz
.
;
wordt
2
'
'
groot
.
Syngnathus
L.
Rostrum
elongatum
,
tubulosum
,
ore
ter
minali
,
Pindae
ventrales
nullae
.
Pinna
dorsi
unica
.
Bij
sommigen
is
de
romp
hooger
dan de
staart
en
krom
gebogen
;
zij
vormen
het
ondergeslacht
der
zcepaardjes
,
of
Hippocampus
cuv
.
Syngnathus
hippocampus
l
.
is
een
collectiere
naam
,
waaronder
verschillende
soorten
vervat
zijn
.
Sp
.
Hippocampus
brevirostris
ccv
.
,
YARRELL
,
Brit
.
Fishes
II
,
p
.
342
;
GUÉRIN Iconogr
. ,
Poiss
.
Pl
.
65
,
fig
.
2.
Deze
visschen
hebben
geene
staartvin
;
de
staart
is
een grijp
of
rolstaart
,
waarmede
zij
zich
om
zeeplanten
slingeren
;
de
wijfjes
hebben
eene
kleine
aarsvin
,
die
bij
de
mannetjes
ontbreekt
(
*
)
.
Bij
anderen
is
het
ligchaam
van
eene
meer
gelijkmatige
dikte
en
zeer
langwerpig
;
zij
worden
naaldvisschen
genoemd
en
vormen
het
ondergeslacht
:
Syngnathus
cuv
.
*
Pinnis
pectoralibus
et
caudae
nullis
.
Sp
.
Syngnathus
Ophidion
L.
+
,
YARRELL Brit
.
Fishes
,
suppl
.
II
,
p
.
47
,
p
ECKSTRÖM
I.1
.
Tab
.
VI
,
fig .
3
,
4
;
groenachtig
,
6'1—9
'
'
lang
.
Eene
lage
rugvin
is
de
eenige
vin
,
welke
dit
diertje
bezit
;
bij
de
eerste
ontwikkeling
zijn
echter
borstvinnen
aanwezig
.
Het
mannetje
draagt
de
eijeren
onder
den
platten
buik
in
kleine
bolten
of
cellen
,
die
in
(
*
)
Eene
soort
van
Nieuw
-
Holland
met
bladachtige
aanhangsels
,
Syn
gnathus
foliatus
spaw
,
is
afgebeeld
en
beschreven
door
LACEPEDE
,
Ann
.
du
Mus
.
IV
,
p
.
203
,
204
,
Pl
.
58
,
fig
.
3
,
sygnathe
à
bande
rolles
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
273
drie
rijen
in
de
lengte
geplaatst
zijn
,
en
door
geene
klappen
of
overlangsche
huidaanhangsels
bedekt
worden
.
**
Pinnis
pectoralibus
et
pinna
caudali
.
Sp
.
Syngnathus
Acus
L.
+
,
cov
,
R.
ani
.
,
ed
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
111
,
fig
.
1
,
YARRELL
Brit
.
Fishes
ll
,
p
.
325
,
ECKSTRÖM
1.1
.
fig
.
1
,
2
,
enz
.
Deze
diertjes
voeden
zich
voornamelijk
van
kleine
schaaldieren
(
Pa
laemon
enz
.
)
.
Vergelijk
over
dit
geslacht
en
vooral
de
tot
ontleedkunde
en
ontwikkeling
betrekkelijke
bijzonderheden
,
RETZits
in
OKEN's
Isis
,
1835
,
S.
396–404
,
Taf
.
XI
(
uit
de
Verhandelingen
der
Akademie
van
Stockholm
voor
1833
)
;
1.
RATIKE
Reise
-
Bemerkungen
aus
l'aurien
,
Riga
u
.
Leipzig
,
1837
,
4º
.
,
S.
152–178
;
FRIEs
in
WIEG
MANN'S
Archio
f
.
Naturgesch
.
1832
,
S.
236—256
,
V.
SIEBOLD
in
ERICHSON's
Archiv
1842
,
S.
292-300
.
ORDO
VII
.
Pectognathi
(
s
.
Plectognathi
cov
.
)
Branchiae
pectinatae
,
lamellis
angustis
,
numerosis
.
Ossa
supramaxillaria
ad
latera
ossium
intermaxillarium
immobili
nexu
cohaerentia
.
Arcus
palatinus
immobilis
.
Corpus
vel
scctis
multangularibus
,
vel
aculeis
squamisve
asperis
ob
teclum
.
Vesica
natatoria
in
plerisque
magna
,
semper
ductu
destilula
.
Opercula
;
radii
membranae
branchio
stegae
,
densa
membrana
obtecti
.
Pectognathi
(
van
Txtos
,
samengegroeid
,
rast
,
verbonden
en
yuć.gos
de
kaak
) ,
beenige
visschen
met
zaâmgegroeide
kaken
.
Met
uitzondering
van
het
ondergeslacht
Triacanthus
cuv
.
(
Balistes
biaculeatus
) ,
ontbreken
bij
allen
de
buikvinnen
.
De
meeste
soorten
komen
in
de
zeeën
der
warme
gewesten
voor
,
bovenal
in
de
Indische
en
Stille
Zuid
-
zee
.
De
karakters
dezer
orde
zijn
het
eerst
bepaald
door
coviar
in
zijne
Mém
.
sur
la
composition
de
la
mâchoire
supérieure
des
Poissons
;
Mém
.
du
Muséum
II
,
1815
,
p
.
102
et
suic
.
Familia
X.
(
CCIX
.
)
Gymnodontes
cov
.
Maxillae
parte
anteriori
ex
ore
exsertae
,
substantia
eburnea
,
e
dentibus
minimis
,
concretis
confecta
obductae
.
Bij
deze
visschen
dragen
slechts
de
drie
voerste
kieuw
bogen
kieuwen
,
de
vierde
niet
.
De
tandvorming
is
door
CUVIER
(
Lec
.
d'Anat
.
comp
.
III
,
p
.
126
,
127
,
PI
.
32
,
fig
.
8
)
en
daarna
uitvoeriger
en
naauw
keuriger
door
owen
beschreven
(
Odontography
p
.
77-
82
,
18
274
CL
.
XIV
.
PISCES
.
7
Pl
.
38
,
39
)
.
Behalve
de
tandbekleeding
vooraan
de
kaken
,
ziet
men
bij
Diodon
in
de
boven-
en
onderkaak
,
achter
den
rand
een
'
in
het
midden
verdeelden
,
platten
knobbel
met
dwarse
strepen
op de
oppervlakte
,
gevormd
door
achter
elkander
uitspringende
randen
van dwarse
tand
platen
.
Bij
sommige
soorten
van
Tetrodon
vindt
men
een
dergelijken
maaltand
-
knobbel
,
maar
veel
kleiner
,
in
de
bovenkaak
;
bij
andere
ontbreekt
die
,
zoowel
in
de
boven
als
onderkaak
.
Orthragoriscus
scin
.
Corpus
compressum
,
non
aculeatum
,
truncatum
.
Maxillae
medio
indivisae
.
Pinnae
dorsalis
et
analis
remotae
,
altae
,
cum
caudali
ad
partem
posteriorem
truncatam
corporis
confluentes
.
Kiomppisch
.
De
visschen
van
dit
geslacht
bebben
geene
zwem
blaas
;
hun
kiemvlies
bezit
zes
stralen
.
Achter
den
met
tandzelfstan
digheid
bekleeden
,
gladden
rand
der
kaken
staan
eenige
kleine
,
ke
gelvormige
tanden
,
onregelmatig
gerangschikt
.
Daar
de
kaken
in
het
midden
onverdeeld
zijn
,
zouden
deze
soorten
in
het
stelsel
van
LINNAEUS
tot
het
geslacht
Diodon
moeten
gebragt
worden
,
lioezeer
hij
de
hem
bekende
soort
onder
Tetrodon
geplaatst
heelt
.
Sp
.
Orthragoriscus
mola
scan
.
,
Tetrodon
mola
1.
t
,
WILLUGIB
.
,
Tab
.
1
,
26
,
block
Ichth
.
Tab
.
128.
Zonnevisch
,
DOMSMA
,
Verhan
del
.
van
de
Haarl
.
Maatsch
.
XII
,
1770
,
bl
.
413—422
,
met
eene
af
b
.
Het
skelet
,
bart
en
darmkanaal
zijn
beschreven
en
zeer
schoon
afgebeeld
in
. f
.
I.
J.
WELLENBERGI
,
Diss
.
inaug
. ,
Observ
.
anat
.
de
Ortkragorisco
mola
,
L. B.
1840
,
4º
.
(
Uit
de
beenige
stukken
aan
den
rand
der
staartvin
bij
het
voorwerp
door
W.
beschreven
,
heeft
men
gemeend
,
dat
het
tot
het
geslacht
Ozodura
RANZANI
behoort
,
maar
het
is
alsdan
cene
andere
soort
dan
R.
beschreef
,
gelijk
niet
slechts
het
verschillend
getal
der
vinstralen
,
maar
ook
de
vorm
des
ligchaams
bewijst
,
die
bij
Ozodura
Orsini
langwerpig
is
.
)
De
geslachten
Ozodura
,
Trematopsis
en
Diplanchias
van
RANZANI
,
gelijk
ook
de
op
verdeeling
der
onderkaak
of
der
beide
kaken
be
rustende
geslachten
van
denzelfden
schrijver
,
Tympanium
en
Ce
phalus
,
zijn
mij
onbekend
,
doch schijnen
niet
genoegzaam
gestaafd
,
en
,
gedeeltelijk
althans
,
op onzekere
of
verkeerde
opgaven
te
berusten
.
Zie
RANZANI's
verhandeling
in
Nov
,
comment
.
Acad
.
Scientiarum
Bononiensis
,
1839
,
waarvan
TROSCIEL
een
uittreksel
gaf
in
ERICH
son's
Archiv
f
.
Naturgesch
.
1811
,
II
,
S.
140
,
141
.
Mola
NARDO
.
Sp
.
Cephalus
mola
Risso
,
Mola
luna
xaRDO
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
975
9
Molacanthus
swaINS
.
,
Pallasia
NARDO
.
Sp
.
Molacanthus
Pallasii
swains
.
,
Diodon molu
Pall
.
,
Spicil
.
Zool
.
VIII
,
Tab
.
4
,
fig
.
7
.
Diodon
L.
Maxillae
indivisae
.
Corpus
spinis
acutis
undi
que
adspersum
.
Pinna
dorsalis
parva
,
remota
,
anali
opposita
.
Egelvisschen
,
Pennevisschen
.
Zij
kunnen
zich
opblazen
door
in
hunne
ruime
maag
lucht
op
te
nemen
en
drijven
dan
met
den
buik
omhoog
.
Daarenboven
hebben
zij
cene
,
in
twee
lobben
verdeelde
zwemblaas
.
Vergelijk
over
dit
geslacht
cover
,
Mém
.
du
Mus
.
,
IV
,
1818
,
p
.
121-138
,
Tab
.
VI
,
VII
.
Bij
sommigen
zijn
de
stekels
driekantig
of
scherp
gekield
,
b
.
v
.
Diodon
tigrinus
cov
.
R.
ani
. ,
ed
.
ill
.
,
Poiss
.
Pl
.
111
,
fig
.
3
,
van
de
0.
Indische
zee
,
en
eene
andere
van
Z.
Ame
rika
,
welke
alle
door
LINNAEUS
als
Diodon
atringa
(
zeker
wel
eene
drukfout
voor
Atinga
)
worden
bijeengevoegd
.
Voorts
soorten
met
langere
ronde
pennen
,
even
als
die
van
den
egel
,
Diodon
hystrix
L.
,
Diodon
punctatus
COV
.
,
BLOCI
Ichth
.
Tab
.
126
,
van
den
Indischen
Oceaan
.
Eindelijk
is
er
eene
soort
met
fijne
stekels
als
naalden
,
Diodon
pilosus
MITCHILL
.
Triodon
cuv
.
Maxilla
superior
bipartita
,
inferior
integra
.
Corpus
aculeis
brevibus
muricatum
.
Saccus
pendulus
sub
corpore
.
(
Organon
olfactus
antice
et
postice
pertusum
)
.
Sp
.
Triodon
bursarius
cov
.
,
Tetrodon
bursarius
REINW
.
,
Trio
don
macropterus
less
.
et
GARN
.
,
Voy
.
de
DUPERREY
,
Poiss
.
nº
.
4
,
cov
.
R.
ani
.
,
ed
.
ill
.
Pl
.
112
,
fig
.
1
,
uit
de
0. Indische
zee
.
Tetrodon
L.
Maxillae
ambae
bipartitae
.
Corpus
aculeis
brevibus
praesertim
sublus
muricatum
.
(
Organon
olfactus
in
multis
cirrum
aut
tentaculum
referens
.)
Viertand
of
Stekelbuik
.
Er
zijn
5
stralen
in
het
kieuwvlies
.
De
kop
is
gewoonlijk
kort
en
stomp
.
De
stekels
zijn
zeer
verschillend
;
somtijds
ontbreken
zij
geheel
op
den rog
.
Het
reukorgaan
vertoont
zich
bij
vele
als
een
gegroefd
of
gespleten
aanhangsel
voor
en
boven
de
oogen
,
Tetrodon
lineatus
L.
Bij
sommigen
is
het'eene
zeer
kleine
groeve
als
een
naaldenprik
,
met
opgeworpen
rand
,
zoo
als
bij
Tetrodon
rostratus
,
Block
Ichth
.
Tab
.
146
,
fig
.
2
;
bij
anderen
cene
groote
,
wijde
holte
,
met
geplooide
randen
,
zoo
als
bij
Tetrodon
grandispina
,
eene
nieuwe
soort
van
Borneo
in
het
Leidsch
Museum
(
Chelonodon
MÜLLER
)
.
Andere hebben
ondoorboorde
tentacula
,
waarin
de
reuk
.
zenuw
gaat
(
Arothon
MüLLER
)
.
Andere
eindelijk
zouden
gelieel
zon
der
neusopeningen
of
tentacula
zijn
(
Anosmius
PETERS
,
Müll
.
)
.
Op
18
*
976
CL
.
XIV
.
PISCES
.
deze
verscheidenheden
van
het
reukorgaan
heeft
vooral
J.
DÜLLER
opmerkzaam
gemaakt
(
Abh
.
der
Akad
.
su
Berlin
1844
,
Bau
der
Genoiden
S.
78
,
79
)
.
De
soorten
zijn
zeer
talrijk
.
Sp
.
Tetrodon
lineatus
L.
,
Fahaca
HASSELO
.
Iter
Palaest
.
p
.
400—405
,
met
in
de
lengte
loopende
,
bruine
strepen
op
den rog
en
aan
de
zijden
;
van
onderen
wit
.
De
stekels
zijn fijn
en
aan
de
punt
als
geknopt
.
Men
houdt
deze
en
eenige
andere
soorten
voor
vergiftig
.
(
Deze
soort
is
geheel
verschillend
van
Tetrodon
lineatus
BLOCI
,
Faun
.
Japon
. ,
Pisc
.
Tab
.
125
,
fig
.
1
,
2.
)
Vele
soorten
komen
in
de
Japansche
zee
voor
,
zoo
als
Tetrodon
firmamentum
SCIL
.
,
Faun
.
Jap
.
Pisc
.
Tab
.
120
,
f
.
2
,
Tetr.rubripes
SCOL
.
,
Faun
.
Jap
. ,
Pisc
.
Tab
.
123
,
fig
.
1
enz
.
Familia
XI
.
(
CCX
.
)
Sclerodermi
.
Rostrum
conicum
aut
pyramidale
.
Os
anticum
,
dentibus
instructum
.
Corpus
squa
mis
duris
,
interdum
minimis
,
aut
lorica
,
ex
areolis
angula
ribus
composita
obteclum
.
Balistes
L.
Corpus
compressum
,
squamis
aut
cute
verra
cosa
,
scabra
obtectum
.
Dentes
utriusque
moxillae
octo
,
lati
,
cuneati
,
Pinna
dorsalis
anterior
ex
uno
pluribusve
aculeis
facta
,
capiti
proxima
,
aut
ipsi
capiti
inserta
,
posterior
mol
lis
,
anali
opposita
.
Hoorncisschen
.
Hoezeer
er
geene
buikvinnen
aanwezig
zijn
,
wordt
er
bij
allen
een
bekken
gevonden
(
zie
boven
bl
.
198
,
199
)
,
waarvan
de
twee
beenderen
vergroeid
zijn
.
Hierdoor
ontstaat
een
beenige
kiel
onder
aan
den buik
,
die
van
voren
met
de
beenderen
der
borstvinnen
,
van
achteren
met
de
beenderen
,
die
de
aartsvin
dragen
,
verbonden
is
;
zie
eene
af
beelding
in
ROSENTHAL
Ichthyol
.
Tafeln
,
Tab
,
XII
,
fig.3
.
Bij
velen
zijn
de
schuhben
zeer
klein of
door
stekelachtige
oneven
heden
ор
de huid
vervangen
.
Hiertoe
behooren
de
geslachten
Tria
canthus
,
Alutera
en
Monacanthus
van
CoviER
.
Bij
anderen
,
welke
het
ondergeslacht
Balistes
cov
.
vormen
,
zijn
vrij
groote
,
ruitvormige
schabben
aanwezig
;
dikwerf
vindt
men
achter
de
kieuwopening
eenige
grootere
schubben
of
vijfhoekige
,
hoornachtige
plaatjes
.
Vele
soorten
hebben
drie
of
meer
evenwijdige
rijen
van
hoornach
tige
stekels
aan
weerszijde
van
den
staart
.
Sp
.
Balistes
aculeatus
L.
,
cov
.
R.
ani
. ,
ed
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
112
,
fig
.
2
;
Bal
.
Conspi
cillum
SCAN
.
,
LAC
.
I
,
Pl
.
15
,
fig
.
2
(
Baliste
americain
) .
Faun
.
Japon
. ,
Pisc
.
Tab
.
129
,
fig
.
1
,
eene
groote
soort
,
zwart
;
de buik
aan
weerszijde
met
groote
bleekgele
of vuil
witte
,
eironde
vlekken
;
van
Japan
;
Bal
.
lineatus
BLOCH
,
SCIN
.
,
Syst
.
ichth
.
Tab
.
87
enz
.
Bij
sommige
soorten
van
Monacanthus
cuv
,
heeft
de
staart
aan
wcêrs
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
277
zijde
eene
menigte
harde
borstels
.
Sp
.
Bal
.
tomentosus
L.
,
GRONOV
.
,
Mus
.
Ichth
.
Tab
.
VI
,
fig
.
5
.
Ostracion
1.
Dentes
utriusque
maxillae
decem
aut
duo
decim
.
Corpus
trigonum
aut
tetragonum
,
loricatum
,
scuto
inflexili
,
continuo
,
ex
areolis
hexagonis
composito
,
aperturis
perforato
pro
cauda
molli
,
pinnis
atque
ore
.
Apertura
bran
chialis
linearis
.
Koffervisch
.
De
soorten
van
dit
geslacht
zijn
niet zeer
talrijk
en
leren
alle
in
de
tropische zeeën
.
Sp
.
Ostracion
triqueter
L.
,
BLOC .
Ichth
.
Tab
.
130
,
fig
.
3
,
GUÉR
.
Iconogr
. ,
Poiss
.
Pl
.
66
,
fig .
3
,
cov
.
R.
ani
.
,
éd
.
ill
.,
Poiss
.
Pl
.
112
,
fig
.
2
;
uit
de
West
-
Indische
zee
;
Ostracion
cornutus
Lg
.
BLOCE
Ichth
.
Tab
.
133
,
Faun
.
Japon
.
Pisc
.
Tab
.
131
,
fig
.
4
,
uit
0.
Indië
en
Japan
enz
.
ORDO
IX
.
Malacopterygii
.
Branchiae
pectinatae
,
laciniis
angustis
.
Ossa
supramaxil
laria
intermaxillaribus
non
adpata
.
Radii
pinnarum
arti
calati
,
molles
,
excepto
interdum
primo
radio
pionarum
pectoralium
aut
pippae
dorsalis
.
Weekvinnigen
.
De
stralen
der vinnen
zijn
geleed
en
naar
de
punt
toe
meestal
gespleten
.
Deze orde
is
grootendeels
overeenstemmende
met
die
der
Cyclolepidoti
van
AGASSIZ
,
daar
de
schubben
aan
den
achterrand gewoonlijk
zonder
tandjes
zijn
.
Eenige der
malacopterygii
nogtans
behooren
tot
de
ctenolepidoti
van
Agassiz
,
dat
is
,
zij
hebben
getande
schubben
.
De
verdeelingen
van
Müller
,
die
op de
zwem
MÜLLER
blaas
berusten
,
kunnen
wij
,
hoe
hoog
wij
de
verdiensten
van
dezen
schrijver in
de ontleedkunde
en
systematische
rangschikking
der
visschen
ook
schatten
,
hier
niet
volgen
.
Het
aanwezig
zijn
van
eene
luchtbuis
of
het
ontbreken
daar
van
en
het
gesloten
zijn
der
zwemblaas
kan
geen
hoofd
karakter
geven voor
twee
afdeelingen
,
waarin
de
zwem
blaas
zelve
dikwerf
afwezig
is
.
Daarom
laten
wij
hier
de
Physostomi
en
Anacanthini
van
Müller
in
dezelfde
af
.
deeling
bijeen
.
1.
Malacopterygii
abdominales
.
Vesica
natatoria
in
ple
risque
,
ductu
pneumatico
tantum
non
semper
praedita
.
Pinnae ventrales
pone
pectorales
in
abdomine
sitae
,
in
paucis
nullae
.
984
CL
XIV
.
PISCES
.
lang
en
is
,
na de
stcuren
,
de
grootste
zoetwatervisch
van
Europa
,
waar
hij
vooral
in
de
oostelijke
gedeelten
,
zoo
als
ook
in
sommige
streken
van
Azië
voorkomt
.
In
ons
vaderland
vindt
men
dezen
visch
,
zoo
het
schijnt
,
alleen
in
het
Haarlemmermeer
,
met
welks
droogmaling
der
halve
deze
soort
uit
de
lijst
onzer
inlandsche
dieren
zal
wegvallen
.
Eene
af
beelding
van
het
skelet
vindt
men
bij
ROSENTIAL
Ichth
.
Tafeln
IX
,
f
.
1–7
en
bij
BRANDT
D.
RATZEBORG
,
I. 1.
Tab
.
VI
.
Cetopsis
agass
.
Pinna
dorsi
et
pinnae
pectorales
muticae
.
Oculi
minimi
,
cute
obtecti
.
Membrana
branchiostega
ra
diis
9
.
Sp
.
Cetopsis
coecutiens
Agass
.;
Cet
.
Candira
AGASS
,
Brazilië
.
Saccobranchus
VALENC
.
,
Heteropneustes
MÜLL
.
Corpus
nudum
.
Dentes
conferti
,
setacei
in maxillis et osse
vomeris
.
Pinna
dorsi
unica
,
parva
,
mutica
,
supra
pectorales
pinnas
sita
.
Radius
primus
pinnae
pectoralis
osseus
,
denticulatus
.
Piona
analis
longa
,
fere
ad
caudalem
usque
excurrens
.
Radii
membranae
branchiostegae
7.
Cirri
8.
Sacci
duo
laterales
ad
dorsum
infra
musculos
,
vertebris
incumbentes
,
cum
cavi
tate
branchiali
conjuncti
.
Sp
.
Saccobranchus
fossilis
,
Silurus
fossilis
Bloco
.
Ichth
.
Tab
.
370
,
fig
.
2
;
IAMILTON
,
Fishes
of
the
Ganges
,
Pl
.
37
,
fig
.
46
;
in
Bengale
.
De
zonderlinge
,
lange
luchtzakken
ontvangen
eenen
tak
der
kieuwslagaderen
en
hunne
aderen
gaan
naar
de
aörta
;
zij
zijn
gevolgelijk
,
aan
de
kieuwen
toegevoegde
ademhalingswerktuigen
;
zie
J.
TAYLOR
,
Edinburgh
Journal
of
Science
,
V
,
1831
(
een
uittreksel
daarvan
vindt
men
in
OKEN's
Isis
.
1835
,
S.
308
)
.
Clarias
GRONOV
.
,
VALENC
.
,
Macropteronotus
Lacep
.
,
Ilete
robranchus
GEOFFR
.
Caput
cataphractum
.
Corpus
nudum
.
Dentes
tenuissimi
,
conferti
in
utraque
maxilla
et
osse
vome
ris
.
Membrana
branchiostega
radiis
9–13
.
Pinnae
dorsales
duae
,
altera
adiposa
,
aut
unica
,
longa
,
radiis
suffulta
.
Cirri
8
aut
6.
Appendices
arborescentes
,
ad
tertium
et
quartum
arcum
branchialem
adhaerescentes
.
a
)
Pinna
dorsi
unica
;
cirris
8.
Clarias
GRONOV
.
,
VALENC
.
Sp
.
Clarias
Hasselquisti
valenc
.
,
Silurus
anguillaris
1.
(
excl
.
synon
.
)
,
sonnini
Voyage en Egypte
Pl
.
22
,
fig
.
2
,
cov
.
R.
ani
. ,
éd
.
ill
.
,
Poiss
.
Pl
.
101
,
fig
.
2
(
de
kieuwaanhangsels
fig
.
2
2
b
)
.
Charmush
uasselquist
II
.
palaestin
. ,
p
.
371
,
Karmouth
sonnins
;
CL
.
XIV
.
PISCES
.
985
in
den
Nijl
;
Clarias
marpus
VALENC
.
,
Gronov
.
Zoophylac
.
Tab
.
8
,
fig
.
3—5
etc.
b
)
Pinnis
dorsi
2
;
cirris
6.
Heterobranchus
VALENC
.
Sp
.
Heterobranchus
Geoffroyi
VALENC
.
,
Heterobranchus
bidor
salis
GEOFFR
.
etc.
Plotosus
laceP
.
Caput
et
corpus
nuda
.
Dentes
conici
,
conferti
in
maxillis
,
globosi
aut
rotundati
in
osse
vomeris
.
Membrana
branchiostega
radiis
10
aut
11.
Pinnae
dorsi
duae
,
radiis
suffultae
,
altera
elongata
,
ad
apicem
acumina
tum
caudae
cum
caudali
et
anali
confluens
.
Radius
pri
mus
pinnae
dorsi et
pinnarum
pectoralium
deptatus
.
Sp
.
Plotosus
lineatus
VALENC
.
,
LACEP
.
Poiss
.
V
,
PI
.
3
,
fig
.
2
,
Platystacus
anguillaris
Bloco
Ichth
.
Tab
.
373
,
fig
.
1
,
2
,
Syst
.
Ichth
.
Tab
.
74
?
)
;
Plotosus
albilabris
VALENC
.
,
GUÉRIN
Iconogr
.
,
Poiss
.
Pl
.
53
,
fig
.
3
etc.
Malapterurus
LACEP
.
Caput
et
corpus
nuda
.
Dentes
parvi
,
congesti
juxta
seriem
lunatam
in
utraque
maxilla
.
Membrana
branchiostega
radiis
7–8
.
Pinna
dorsalis
unica
,
adiposa
,
remota
.
Pinna
pectoralis
mutica
.
Ailia
GRAY
,
VALENC
.
Pinnae
ventrales pectoralibus
admo
tae
,
subthoracicae
.
Pinna
analis
longa
.
Corpus
compressum
.
Cirri
octo
longi
.
Sp
.
Malapterus
(
sic
)
Ailia
Bengalensis
Gray
Indian
Zoology
,
Pl
.
85
,
fig
.
2
.
Malapterurus
LAC
.
,
VALENC
.
Pinnae
rentrales
remotae
.
Pinna
analis
brevis
.
Corpus
teres
.
Cirri
sex
,
breves
.
Sp
.
Malapterurus
electricus
LAC
.
,
Silurus
electricus
GMEL
.
,
Er
cycl
.
méth
. ,
Poiss
.
Pl
.
62.
fig
.
245
(
copie
van
de
afb
,
door
BROOSSONET
gegeven
;
zie
zijne
verhandeling
Mem
.
de
l'Acad
.
royale
des
Sc
.
de
Paris
1782
p
.
692
et
suiv
.)
cov
R.
ani
.
,
éd
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
99
;
beefoisch
,
le
treinbleur
;
deze
visch
leeft
in
den
Nijl
en
andere
rivieren
van
Afrika
,
in
den
Senegal
en
zelfs
tot
den
19
°
Z.
B. in
de
Zambeze
.
Hij
kan
,
even
als
Torpedo
en
Gymnotus
electricus
,
schokken
geven
,
waar
omtrent
ADANSON
,
FORSKÅL
BROUSSONET
waarnemingen
hebben
medegedeeld
.
Het
electriek
orgaan
ligt
onder
de
bekleedsels
aan
weerszijde
van
het
ligchaam
,
tusschen
twee
peesachtige
,
uit
kruisdra
den
gevormde
vliezen
,
waarvan
het binnenste
eene
laag
van
los
ver
bindingsweefsel
bedekt
,
hetgeen
men
als
een
tweede
of
inwendig
electriek
orgaan
beschouwd
heeft
.
Het
eigenlijke
electrieke
orgaan
en
286
CL
.
XIV
.
PISCES
.
is bij
den
buik
het
diksto
,
geleiachtig
,
doorschijnend
en
bestaat uit
vele
,
met
het
bloote
oog
reeds
zigtbare
,
meestal
ruitvormige
cellen
;
het
ontvangt
zijne
zenuwen
van
den
nervus
vagus
.
Zie
GEOFFROY
ST
.
-
HILAIRE
Ann
.
du
Mus
.
I
,
p
.
401--403
,
Pl
.
26
,
fig
.
4
;
RODOLPOT
,
Abhandl
.
der
Akad
.
der
Wissensch
.
zu
Berlin
,
aus
d
.
Jahre
1824
,
S.
137–144
,
Taf
.
1
-
IV
;
J.
Müller
,
Handb
.
der
Physiol
.
I
,
3tte
Aufl
.
1838
,
S.
66
;
VALENCIENNES
,
Archives
du
Muséum
d'Hist
.
nat
.
II
,
1841
,
p
.
43–61
,
Pl
.
IV
;
W.
PETERS
in
MÜLLER'S
Archio
,
1845
,
S.
375–377
,
Taf
.
13
,
fig
.
8–11
.
Deze
visch
wordt
ook
gegeten
en
als
zeer
smakelijk
geroemd
;
hij
bereikt
eene
lengte
van 1
tot
2
voet
.
Trichomycterus
(
HUMBOLDT
)
nob
.
Corpus
nudum
,
teres
,
versus
caudam
compressum
.
Pinnae muticae
.
Pinna
dor
salis
unica
,
radiis suffulta
.
Denles
parvi
,
selacei
,
conferti
in
maxillis
;
palatum
edentulum
.
Membrana
branchiostega
radiis
8.
Cirri
sex
,
duo
aole
nares
filiformes
,
duo
conici
maxillares
utrinque
ad
latera
oris
.
Trichomycterus
VALENC
.
Pinnac
ventrales
.
Sp
.
Trichomycterus
punctulatus
VALENC
. ,
Hist
.
nat
.
des
Poiss
.
XVIII
,
Pl
.
553
,
enz
.
Zoetwatervisschen
van
Zuid
-
Amerika
,
die
den
overgang
tot
het
geslacht
Cobitis
maken
.
Zij
hebben
,
eren
min
als
het
volgende
vischgeslacht
,
eene
zwemblaas
.
Eremophilus
HUMB
. ,
Valenc
.
Pinnac
ventrales
nullae
.
Sp
.
Eremophilus
Mutisië
HoMBOLDT
,
Observ
.
de
Zool
.
I
p
.
17–19
.
Pl
.
VI
,
VALENCIENNES
,
1. 1.
Pl
.
553
,
in
zoetwater
op de
hooge
vlakte
van
Bogota
.
von
HOMBOLDT
had
reeds
den
naam
Trichomycterus
voor
dezen
visch
voorgesteld
,
dien
VALENCIENNES
aan
de
met
buikvinnen
voorziene
,
later
gevondene
soorten
gegeven
heeft
.
Familia
XIII
.
(
CCXII
.
)
Cyprinoidei
.
Corpus
ſere
semper
squamis
rolundatis
obtectum
.
Pipna
dorsalis
unica
,
radiata
.
Os
parvum
,
edenlulum
,
in
multis
cirrosum
.
Membrana
branchioslega
radiis
tribus
.
Ossa
pharyngealia
inferiora
dentibus
magnis
armala
.
Vesica
natatoria
ossiculorum
ap
paratu
cum
labyrintho
conjuncta
,
medio
constricta
aut
in
anteriorem
et
posteriorem
divisa
.
a
)
Squamae
nullae
.
Aulopyge
HECKEL
.
(
Cirri
quatuor
,
mediocres
.
Apertura
uro
-
genitalis
et
anus
in
feminis
ad
apicem
processus
carnei
,
ad
anteriorem
partem
pinnae
analis
adnali
)
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
987
Sp
.
Aulopyge
Hügelii
,
HECKEL
,
Abbildungen
und
Beschreibun
gen
der Fische
Syriens
,
Stuttgart
1843
,
8
°
(
aus
RUSSEGGER's
Rei
sen
abgedruckt
)
S.
31
;
Dalmatië
en
Bosnië
.
Deze
visch
,
dien
ik
niet
gezien
heb
,
wordt
door
DECKEL
als
eenen
tusschen
Cobitis
barbatula
en
Cyprinus
Barbus
in
het
midden
staanden
yorm
beschouwd
.
b
)
Corpus
squamosum
.
Cobitis
L.
(
excl
.
quibusd
.
spec
.
)
Corpus
yix
ad
caudam
angustatum
,
elongatum
,
squamis
parvis
tectum
,
mucosum
.
Os
edentulum
,
cirris
(
6–10
)
munitum
.
Pipnae
omnes
muticae
,
ventrales
remotae
,
sub
pinna
dorsali
sitae
.
Meerslang
,
Modderkruiper
.
De
zwemblaas
ligt
bij
de
meeste
in
eene
beenige
holte
,
die
aan den
derden
wervel
is
vastgehecht
(
zie
WEBER
,
de
Aure
unimal
.
aquatilium
,
p
.
63
,
64
,
Tab
.
VI
,
ROSENTIAL
Ichthyot
.
Tafeln
,
Tab
.
X
,
fig
.
8
) .
LINNAEUS
telde
in
zijn
geslacht
Cobitis
drie
soorten
op
,
die
hiertoe
behooren
.
(
Cobitis
Anablebs
en
Cob
.
heteroclita
1
,
moeten
tot
andere
geslachten
gebragt
wor
den
)
.
Deze
drie
soorten
zijn
:
Cobitis
barbatula
L.
t
,
(
FRIES
,
EKSTRÖM
och
sondevall
,
Skandinaviens
Fiskar
,
Tab
.
53
)
,
Cob
.
taenia
1.t
en
Cob
.
fossilis
t
,
alle
van
Europa
;
maar
er
zijn
later
vele
soor
ten
van
dit
geslacht
in
verschillende
gedeelten
van
Azië
ontdekt
.
Het
zijn
allen
zoetwatervisschen
,
waarvan
weinige
meer
dan
6
'
'
lang
worden
.
Cobitis
fossilis
L.
(
BLOCI
,
Ichth
.
Tab
.
31
,
fig
.
1
)
komt
hij
verandering
van
weder
naar
de
oppervlakte
van
het
water
en
is
zeer
taai
van
leven
;
deze
visch
slikt
lucht
in
,
ontneemt
daaraan
het
zuurstofgaz
en
geeft
door
den
anus
koolzuurgaz
van
zich
(
* ) .
Bij
deze
soorten
is
de
staartvin
rondachtig
,
maar
er
zijn
ook
uitlandsche
soorten
met
eene gevorkte
staartvin
(
Schistura
McLLELLAND
)
.
Bij
eene
,
door
VALENCIENNES
onder
den
naam
van
Cobitis
malapterura
be
schrevene
soort
uit
Syrië
,
is
er
eene
huidplooi
op
den
rug
;
als
be
ginsel
van
eene
tweede
rug-
of
vetvin
aanwezig
,
hetgeen
aan
de
vorige
familic
herinnert
.
Vergelijk
echter
DECKEL
,
die
aan
deze
huid
plooi
weinig
gewigt
liecht
.
Fische
Syriens
S.
151
.
Homaloptera
VAN
HASSELT
,
Balitora GRAY
.
Corpus
elon
gatum
,
squamis
parvis
tectum
,
infra
partim
nudum
.
Os
inferum
,
parvum
,
cirris
6.
Oculi
parvi
,
in
superiore
parte
capitis
siti
.
Pionae
pectorales
magnae
,
complanatae
.
Pinna
dorsalis
supra
ventrales
posita
.
(
*
)
Zie
over deze
darmademhaling
ERMAN
in
GILBERT'S
Annalen
,
Bd
.
XXX
,
1808
,
S.
140-159
.
288
CL
.
XIV
.
PISCES
.
Sp
.
Homaloptera
ocellata
V.
HASS
.
(
afgeb
.
in
de
cerste
uitgave
van
dit
Hand
boek
,
Pl
.
13
,
fig
.
12
)
;
-
Homaloptera
erythrorhina
—
V.
DASS
.
,
VALENC
.
Hist
.
nat
.
des
Poiss
.
XVIII
,
Pl
.
524
,
uit
Java
.
Dit
geslacht
staat
,
zoo
als
het
schijnt
,
tusschen
Cobitis
en
Cyprinus
in
het
midden
.
De
staartvin
is
gevorkt
,
en
niet
afgeknot
,
zoo
als
bij
de
meeste
soorten
van
Cobitis
.
Volgens
VALENCIENNES
ontbreekt
de
zwemblaas
.
Cyprinus
l
.
Caput
nudum
,
ore
parvo
,
edentulo
.
Dentes
ossium
pharyngealium
inferiorum
magni
;
lamina
dura
sub
occipite
,
pharyngealium
superiorum
locum
tenens
.
Mem
brana
branchiostega
radiis
planis
,
latis
.
Karper
;
een
groot
geslacht
of
eene
natuurlijke
groep
van
ondergeslachten
,
waarin
men
al
de
door
LINNAEUS
op
genoemde
soorten
laten
kan
,
met
uitzondering
van
Cypri
.
nus
denter
(
Salmo
dentex
HASSELQ
.
)
en
Gonorhynchus
GRO
Nov.
Er
blijven
dan 29
soorten
overig
,
welke
aan
LINNAEUS
bekend
waren
,
terwijl
men
er
thans
meer
dan
400
kent
( *
)
.
Bij
eenigen
is
de
rug
.
en
aarsvin
,
of
alleen
de
eerste
,
van
voren
met
eenen
harden
en
getanden
straal
voorzien
;
bij
anderen
zijn
al
de
stralen
week
.
Bij
sommigen
is
de
rugvin
zeer lang
,
bij
anderen
daarentegen
de
aarsvin
;
bij
velen
zijn
beide deze onparige
vinnen
kort
.
Sommige
hebben
vier
of
twee
baarddraden
(
cirri
)
aan
den
mond
.
Op
deze
kenmerken
,
waarbij
laler
nog
die
gevoegd
zijn
,
welke
de
verschillende
inrigting
der
tanden
van
de
ossa
pharyngealia
oplevert
(
AGASSIZ
,
Heckel
)
,
berust
de
verdee
ling
der
groepen
,
die
men
onzes
inziens
alleen
als
onder
geslachien
,
niet
als
genera
beschouwen
kan
.
Deze
visschen
leven
in
zoetwater
en
eten
vooral
zaden
,
kruiden
,
doch
ook
insekten
,
wormen
enz
.
De
meeste
vindt
men
in
Azië
en
Europa
;
vele
soorten
zijn
inlandsch
.
Vergel
.
over
dit
geslacht
onder
anderen
N.
G.
LESKE
,
Ichthyologiae
Lipsiensis
Specimen
,
Lippae
,
1774
,
8º
..
AGASSIZ
,
Distribution
des
genres
des
Cyprins
,
Mém
.
de
la
Soc
.
des
Sc
.
natur
.
de
Neuf
chatel
,
1836
,
Tom
.
I
,
p
.
33
suiv
.
(
WIEGMANN'S
Archiv
f
.
Naturg
.
1838
,
S.
73–82
)
;
J.
DECKEL
,
Ueber
einige
neue
Cyprinen
,
nebst
einer
systematischen
Darstellung
der
Europ
.
Gattungen
dieser
Gruppe
,
Arn
.
des
Wiener
-
Museums
,
I
,
1836
,
S.
219-234
,
Taf
.
(
*
)
L.
C.
BONAPARTE
berekent
dit
getal
zelfs
op
650
,
waarvoor
mij
de
gronden
onbekend
zijn
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
989
19—21
;
en
Fische
Syriens
,
S.
114-53
u
.
s
.
w
.
Taf
.
I
(
af beeldin
gen
der
pharyngeale
tanden
) .
+
Pinna
dorsi
longa
(
e
. i
.
supra
pinnas
ventrales
incipiens
,
usque
ad
posteriorem
pinnae
analis
partem
producta
) .
Cyprinus cuv
.
Aculeus
dentatus
in
anteriori
parte
pin
nae
dorsi
et
ani
.
Pinna
analis
brevis
.
Dentes pharyngeales
masticatorii
,
corona
plerumque
sulcata
.
Sp
.
Cyprinus
carpio
1.
t
,
BLOCK
Ichth
.
Tab
.
16
,
YARRELL
Brit
.
Fish
.
I
,
p
.
305
,
cov
.
R.
ani
. ,
éd
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
93
,
fig
.
1
;
de
Karper
,
la
Carpe
,
der
Karpfen
;
vier
korte
baarddraden
aan
de
bovenkaak
,
de
rog
rond
,
olijfkleurig
,
de buik
geel
;
in
stille
waters
,
vooral
in
het
zuiden
van
Europa
;
deze
soort
kan
3
'
lang
worden
.
Eene
verscheidenbeid
met
zeer
groote
schubben
en
kale
plekken
wordt
Spiegelkarper
genoemd
;
bloco
Ichth
. '
Tab
.
17.
Er
komen
somtijds
monsterachtige
voorwerpen
voor
,
met
een
bolrond
hoofd
en
korten
,
ingedrukten
snuit
.
Bij
anderen
zijn
geene
baarddraden
.
Zij
vormen
het
geslacht
Ca
rassius
Nilsson
,
Cyprinopsis
FITZINGER
.
Sp
.
Cyprinus
carassius
1.
t
,
BlocI
Ichth
.
Tab
.
11
,
Skandinaviens
Fiskar
,
Tab
.
31
;
de
Sleenkarper
,
met
een
zeer
hoog
ligchaam
,
wordt
zelden
meer
dan
1
'
lang
.
C.
Gibelio
BLOCI
,
GMEL
.
,
welke
minder
hoog
en
langwer
piger
is
,
moet
,
volgens
ECKSTRÖM
,
slechts
als
eene
verscheidenheid
van
deze
soort
beschouwd
worden
.
Cyprinus
auratus
L.
,
BLOC
.
Ichth
.
'
Tab
.
93
;
de
goudvisch
(
Kin
Yu
) ,
uit
China
en
Japan
,
thans
bij
ons
in
vijvers
;
het
eerst
hier
te
lande
overgebragt
in
het
midden
der
vorige
eeuw
(
zie
basTER
Ver
.
hand
.
van
de
Haarl
.
Maatsch
.
VII
,
bl
.
215—246
,
Natuurk
.
Uitsp
.
II
,
bl
.
83—101
,
Tab
.
XI
) ;
volgens
bloca
in
Engeland
reeds
in
1611
,
onder
de
regering
van
JAKOB
I ,
ingevoerd
.
Er
zijn
van
dezen
visch
zeer vele
verscheidenheden
,
ook
afwijkingen
in
de
vinnen
;
sommige
hebben
geen
rugrin
.
Gibelion
Heckel
.
Pinna
dorsalis
et
analis
absque
radio
Osseo
.
Pinna
analis
brevis
.
Sp
.
Cyprinus
abramoides
SYKES
,
Transact
.
of
the
Zool
.
Soc
.
II
.
Part
5
,
Pl
.
61
,
fig
.
2
;
uit
Indië
,
gelijk
de
andere
soorten
dezer
at
dceling
Rhodeus
agass
.
Pinna
dorsalis
et
analis
elongata
.
Pinna
awalis
absque
radio
osseo
.
Sp
,
Cyprinus
amarus
+
Bloco
,
Tab
,
8
,
fig
.
3
etc.
(
Adde
genus
Denario
HECK
.
)
tt
Pinna
dorsi
brevis
,
II
.
19
290
CL
.
XIV
.
PISCES
.
a
)
Pinna
analis
dorsali
brevior
,
aut
dorsalem
aequans
.
Barbus
cuv
.
Radius
osseus in
pinna
dorsali
et
interdum
in
pinna
anali
.
Cirri
quatuor
.
Pinna
dorsalis
sapra
ven
trales
posita
.
Dentes pharyngeales
cylindrici
,
apicem
versus
uncinati
,
fossa
ovali
ante
apicem
exsculpti
.
Sp
.
Cyprinus
burbus
L.
t
,
Bloco
Ichth
.
Tab
.
18
;
de
barbeel
enz
.
Ann
.
Adde
genera
Systomus
MACCLELL
.
,
Labeobarbus
RÜPP
.
,
Lu
.
ciobarbus
HECK
.
,
Schizothorax
DECK
.
,
Scaphiodon
HECK
.
Catostomus
LESUEUR
(
et
Rhytidostomus
HECK
.
)
Labeo
cuv
.
Pinna
dorsalis
alta
,
ante
pinnas
ventrales
in
cipiens
.
Radius
osseus
nullus
.
Os
labris
carneis
,
crassis
,
cirris
duobus
,
interdum
nullis
.
Dentes pharyngeales
com
pressi
,
aggregati
,
corona
oblique
truncata
.
Sp
.
Cyprinus
niloticus
FORSK
.
,
GMEL
.
,
cov
,
et
VALENC
.
Poiss
,
XVI
,
Pl
.
485
,
GUÉR
.
Iconogr
. ,
Poiss
.
Pl
.
46
,
fig
.
3
;
Cypr
.
Fors
kalii
,
Labeo
Forskálii
RÜPPELL
,
Mus
.
Senckenb
.
II
,
Taf
.
III
,
fig
.
1
,
door
FORSKÅL
als
verscheidenheid
der
vorige
beschreven enz
.
Cyrene
Heck
.
,
Dangila
VALENC
.
Rohita
valenc
.
Tylognathus
HECK
.
Discognathus HECK
.
Gobio
cuv
.
Pinna
dorsalis
et
analis
absquc
radio
osseo
.
Caput
supra
planum
.
Os
cirris
duobus
.
Dentes
pharyngeales
uncinati
.
Sp
.
Cyprinus
gobio
L.
,
Gobio
fluviatilis
cuv
.
t
,
Block
Ichth
.
Tab
.
8
,
fig
.
2
,
cov
.
et
val
.
Poiss
.
XVI
.
Pl
.
481
;
de
grondel
,
le
goujon
enz
.
Isocephalus
heck
.
(
Cirrhina
cuv
.
,
Val
.
,
additis
quibusdam
aliis
spec
.
ex
Ind
.
Orient
.
)
Tinca
cuv
.
Pinna
dorsalis
et
analis
absque
radio
osseo
.
Pinna
dorsalis
pone
pinnarum
ventralium
initium
ipserta
.
Dentes
pharyngeales
compressi
,
clavati
.
Squamae
minutae
,
muco
obtectae
.
Cirri
duo
parvi
.
Sp
.
Cyprinus
tinca
1.
t
.
BLOCI
Ichth
.
Tab
.
14
,
Skandinav
.
Fiskar
Tab
.
52
,
cov
.
R.
ani
. ,
éd
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
94
,
fig .
1
;
de
zeelt
;
groenachtig
,
met
10
stralen
in
de
aarsvin
;
deze
visch
bereik
zelden
meer
dan
1
'
lengte
,
komt
bijkans
in
geheel
Europa
voor
,
doch
in
het
Noorden
zeldzaam
,
en
wordt
waarschijnlijk
niet
hooger
dan
tot
60
°
N
,
B
,
aangetroffen
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
291
Chondrostomus
AGASS
.
Pinna
dorsalis
atque
analis
absque
radio
osseo
.
Cirri
nulli
.
Os
inferum
,
margine
in
aciem
car
tilagineam
attenuato
.
Dentes
pharyngeales
masticatorii
,
com
pressi
,
corona
ovali
angusta
.
Sp
.
Cyprinus
nasus
L.
t
,
Blocu
Ichth
.
Tab
.
3
etc.
Adde
genera
Gymnostomus
,
Chondrochylus
et
Chondrorhyn
chus
IECK
.
Leuciscus
KLEIN
,
cuv
.
Pinna
dorsalis
et
analis
absque
ra
.
dio
osseo
.
Os
anticum
vel
superum
,
labiis
mollibus
.
Dentes
pharyngeales
uncinati
.
Abdomen
pone
pinpas
ventrales
plus
minusve
carinatum
.
Cirri
plerumque
nulli
,
rarius
duo
vel
quatuor
.
Sp
.
Cyprinus
erythrophthalmus
l
.
t
,
Block
Ichth
.
Tab
.
1
,
Skan
.
dinaviens
Fiskar
Pl
.
16
;
de
ruischvoren
;
Cyprinus
rutilus
L.
t
,
Block
Ichth
.
Tab
.
2
,
Skand
.
Fiskar
Pl
.
15
,
de
voren
enz
.
Een
zeer
talrijk
ondergeslacht
;
de
schubben
zijn
gewoonlijk
mid
delmatig
groot
;
zij
zijn
klein
bij
Phacinus
agass
.
Hiertoe
behooren
de
geslachten
Squalius
en
Scardinius
BONAP
.
,
ldus
,
Leucos
,
Phoxinellus
,
Argyreus
en
Leucosomus
van
IECKEL
en
Opsarius
van
m'CLELLAND
(
ten
deele
)
.
b
)
Pinna
analis
dorsali
longior
.
*
)
Os
superum
;
maxilla
inferior
apice
adscendens
.
Aspius
Agassiz
(
Aspius
et
Alburnus
neck
. )
Pinna
dorsa
lis
et
analis
absque
radio
osseo
.
Cirri
nulli
.
Corpus
sub
compressum
,
infra
rotundatum
.
Dentes
pharyngeales
unci
.
Isati
.
Pinna
dorsalis
supra
spatium
inter
pinnas
ventrales
et
pinnam
analem
posita
.
Sp
.
Cyprinus
alburnus
L.
t
;
Bloch
Ichth
.
Tab
.
8
,
fig
.
4
,
Skan
din
.
Fiskar
Pl
.
51
;
de
nesteling
,
de
alfi
,
enz
.
Chela
cuv
.
(
Pelecus
agass
.
)
Pinna
dorsalis
et
analis
absque
radio
osseo
.
Cirri
interdum
quatuor
aut
duo
,
plerumque
nulli
.
Corpus
subtus carinatum
,
compressum
aut
cultratum
.
Dentes
pharyngeales
uncinati
.
Pinna
dorsalis
remota
,
supra
analem
posita
.
Sp .
Cyprinus
culiratus
l
.
,
Leuciscus
cultralus
valenc
.
,
BLOCI
Ichth
.
Tab
.
37
,
in
Rusland
enz
.
Hierbij
voegen
zich
eenige
soorten
van
Indië
.
Door
het
aanwezig
zijn
van
twee
of
vier
lange
baarddraden
wordt
het
geslacht
Nuria
van
VALENCIENNES
gekenmerkt
.
**
Os
anticum
.
(
Cirri
nolli
. )
19
*
292
CL
.
XIV
.
PISCES
.
c
)
Pinna
dorsalis
et
analis
absque
radio
osseo
.
Abramis
cuy
.
(
Blicca
,
Bliccopsis
,
Abra
mis
,
Ballerus heck
. )
Sp
.
Cyprinus
Brama
1.
t
,
BLOCH
Ichth
.
Tab
.
13
,
Skandin
.
Fiskar Pl
.
41
,
de
brasem
,
la
brème
;
hoog
,
de
lange
aarsvin
heeft
,
28
tot
29
stralen
,
deze
visch
wordt
meer
dan
1
'
lang
.
B
)
Pinna
dorsalis
radio
osseo
.
Subgenera
Acanthobrama
,
Osteobrama
,
Glossodon
Heckel
.
Familia
XIV
.
(
CCXIII
.
)
Cyprinodontes
.
Dentes
parvi
in
maxillis
.
Dentes
pharyngeales
superiores
et
inferiores
conici
aut
subulati
,
conferti
.
Margo
superior
oris
ab
osse
inter
maxillari
formatus
.
Radii
membranae
branchiostegae
5-6
.
Pinna
adiposa
nulla
.
Caput
,
opercula
et
genae
squamis
obtecta
.
[
Vesica
natatoria
simplex
.
Appendices
pyloricae
nullae
.
Pisces
parvi
aut
mediocres
,
squamis
saepe
magnis
;
multi
vivipari
.
]
Deze
kleine
familie
is
door
hare
tanden
en
door
meer
dan
3
stralen
in
het
kieuwvlies
van
de
vorige
,
met
welke
zij
in
habitus
overeenkomt
,
onderscheiden
en
daarvan
het
eerst
door
Agassiz
afgezonderd
.
De
nieeste
soorten
worden
in
Amerika
gevonden
.
Enkele
echter
komen
in
Europa
,
in
Syrië
en Egypte
voor
.
Anablebs
ARTEDI
,
Bl
.
(
species
Cobitidis
L.
)
Dentes
graci
les
,
subulati
in
utraque
maxilla
;
palatum
edentulum
.
Oculi
protuberantes
;
cornea
transverse
divisa
in
duo
segmenta
.
Caput
inter
oculos
depressum
.
Nares
in
papillam
tubula
rem
produclae
.
Membrana
branchiostega
radiis S.
Pinnae
pectorales
squamosae
.
Pinna
dorsalis
parva
,
remola
,
pone
analem
sita
;
pinna
analis
in
maribus
ad
marginem
pos
teriorem
processus
conici
,
squamosi
adhaerens
.
Hoogkijker
.
Het
oog
dezer
visschen
herinnert
ons
aan
den
vorm
van
dit
zintuig
bij
het
insektengeslacht
Ascalaphus
.
(
Zie
boven
1
,
bl
.
492
,
493.
)
Door
eene
dwarse
,
ondoorschijnende
streep
wordt
het
hoornvlies
in
twee
helften
verdeeld
;
de
iris
schijnt
mede
dubbel
te
zijn
,
en
alzoo
cene
dubbele
pupil
te
vormen
,
doch
is
eigenlijk
slechts
zamengetrokken
door
twee
,
onder
de
dwarse
streep
van het
hoornvlics
tot
elkander
komende
verlengsels
van
de
iris
.
De
verbin
CL
.
XIV
.
PISCES
.
995
.
ding
tusschen
de
twee
schijnbare
pupillen
is
vooral
bij
de
jonge
visschen
zeer
zigtbaar
.
De
lens
is
peervormig
en
het
breedere
deel
ligt
onder
het
bovenste
,
grootcre
segment
van
het
hoornvlies
.
De
andere
deelen
van
het
oog
leveren
niels
bijzonders
op
.
Het
maaksel
dezer
oogen
is
beschreven
door
ARTEDI
,
CAMPER
,
LACÉPÈDE
,
BLOCI
,
J.
F.
MECKEL
(
Archiv
f
.
die
Physiol
.
IV
.
1818
,
S.
124
,
125
)
,
en
bovenal
nanuwkeurig
dvor
D.
W.
SOEMMERRING
(
De
oculorum
sectione
horiz
. ,
Gottingae
1818
,
p
.
68
,
69
met
eene
afbeelding
)
en
door
va
LENCIENNES
(
Hist
.
nat
. des
Poiss
.
XVIII
,
p
.
264
,
265.
Pl
.
539
)
.
Deze
visschen
,
waarvan
men
langen
tijd
slechts ,
cene
soort
aannam
,
worden
in
Suriname
gevonden
;
zij
zijn
levendbarend
.
Sp
.
Anablebs
tetrophthalmus
bloco
,
Cobitis
Anablebs
L.
,
Anablebs
Gronovii
VALENC
.
,
Gronov
.
Zoophyl
.
Tab
.
I
,
fig
.
1—3
,
bloco
Ichth
.
Tab
.
361
,
Syst
.
Ichth
.
Tab
.
71
,
cov
.
et
valenc
.
Poiss
.
XVIII
,
Pl
.
538.
Het
skelet
is
afgeb
.
bij
ROSENTIAL
,
Ichthyot
.
Tafeln
Tab
.
X
,
fig
.
9
,
10.
Twee
andere
soorten
heeft
VALENCIENNES
vermeld
en
afgebeeld
, t
.
a
.
p
.
Pl
.
590
,
541
.
Cyprinodon
Lac
.
Caput
depressum
;
os
intermaxillare
protractile
.
Dentes
in
maxillis
parvi
.
Membrana
branchio
slega
radiis
5
,
rarius
6.
Corpus
compressum
.
a
)
Membrana
branchiostega
radiis
5
.
Poecilia
Bl
. ,
VAL
.
Dentes
in
maxillis
mobiles
,
incurvi
,
serie
simplici
;
dentes
conſerti
,
tenuissimi
pone hanc
seriem
.
Sp
.
Poecilia
surinamensis
VALENC
.
,
cuv
.
R.
ani
.
,
ed
.
ill
. ,
Poiss
.
Pl
.
95
fig
.
1
;
vergelijk
DUVERNOY
,
zie
hoven
bl
.
230
,
enz
.
Mollienisia
LesoECR
.
Sp
.
Mollienisia
latipinna
les
.
,
cov
.
1.
1
.
fig
.
4
;
deze
soort
van
N.
Amerika
onderscheidt
zich
door
ecne
zeer
lange
rugvin
(
van
14
stralen
)
en
door
de
plaatsing
van de
buik
vinnen
digt
achter
de
borstvinnen
.
Cyprinodon
Lac
.
,
Lebias
cuv
.
Dentes
maxillares
serie
sim
.
plici
,
apice
tripartiti
.
Sp
.
Cyprinodon
calaritanus
val
.
,
Lebias
calaritana
BONELLI
etc.
Fundulus
lac
.
Dentes
maxillares
tenuissimi
,
conferti
.
Sp
.
Fundulus
coenicolus
VAL
.
,
Cobitis
heteroclita
L.
,
cov
.
et
VAL
.
Poiss
.
18.
Pl
.
530
enz
.
Al
de
soorten
van
dit
ondergeslacht
zijn
uit
Amerika
.
b
)
Membrana
branchiostega
radiis
6
.
Hydrargyra
lac
.
(
Cyprinodon
val
.
antea
.
)
Dentes
maxil
lares
tenuissimi
,
conferti
.
500
CL
.
XIV
.
PISCES
.
overigens
schijnt
dit
geslacht
naauwelijks
van
Xiphorhynchus
te
ver
schillen
( * ) .
Xiphostoma
spix
.
Dentes
in
osse
intermaxillari
,
supra
maxillari
et
maxilla
inferiori
tenues
,
minuti
,
numerosi
,
or
dine
unico
.
Ossa
palati
dentibus
minutis
aspera
.
Caput
conicum
,
acuminatum
.
Membrana
branchiostega
radiis
5
.
Pinna
dorsi
remota
,
pone
pinnas
ventrales
sita
.
Sp
.
Xiphostoma
lucius
spix
,
Hydrocyon
lucius
cov
.
,
Mém
,
du
Mus
.
V
,
Pl
.
26
,
fig
.
2
en
eenige
andere
soorten
van
Zuid
Amerika
.
Familia
XVI
.
(
CCXV
.
)
Scopelini
müll
.
Corpus
in
aliis
squamnosum
,
in
aliis
nudum
.
Dentes
aculi
,
conici
in
maxillis
plerumque
etiam
in
palalo
et
lingua
.
Membrana
bran
chiostega
radiis
plerumque
numerosis
.
Pseudobranchiae
.
Pinnae
dorsales
duae
,
posterior
adiposa
,
interdum
radiis
obsoletis
.
Ovaria
oviduclu
praedita
.
Vesica
natatoria
pleris
que
nulla
.
Wanneer
men
deze
kleine
familie
van
de
volgende
nog
afscheiden
wil
,
blijſt
vooral
het
aanwezig
zijn
van
eijer
leiders
als
het
gewigtigste
kenmerk
over
,
terwijl
zij
van
de
voorgaande
door
kieuwvormige
valsche
kieuwen
onder
scheiden
wordt
.
Het
kenmerk
dat
de
bovenrand
der
mond
.
opening
door
de
tusschenkaaksbeenderen
gevormd
wordt
;
is
wel
bij
velen
aanwezig
,
b
.
v
.
Scopelus
en
Saurus
,
maar
echter geenszins
algemeen
.
Bij
Paralepis
vindt
men
eene
zwemblaas
,
die
bij
de
overigen
ontbreekt
.
a
)
Ossa
intermaxillaria
cum
supramaxillaribus
marginem
superiorem
oris
efformantia
.
Slernoptyx
HERMANN
.
Corpus
compressum
,
altum
,
alepi
dotum
.
Dentes
maxillares
parvi
,
breves
,
ordinibus
pluri
bus
,
dentes
palatini
pauci
.
Membrana
branchiostega
radiis
8.
Pinnas
rentrales
minimae
.
Plica
membranosa
,
longa
,
humilis
,
pinpae
adiposae
loco
.
Sp
.
Sternoptyx
diaphana
HERMANN
,
Naturforscher
XVI
,
Tab
.
1
,
(
*
)
De
tong
is
volgens
VALENCIENNES
met
tanden
gewapend
.
Dit
doet
ons
eenigermate
verlegen
staan
of
dit
geslacht
hier
goed
geplaatst
is
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
301
fig
.
1
,
2
,
S.
8–36
;
COVIER
R.
ani
.
,
éd
.
2
,
Pl
.
13
,
fig
.
1
in
den
Atlantischen
Oceaan
bij
de
keerkringen
;
een
klein
vischje
van
om
.
trent
2
duim
lengte
,
hetgeen
slechts
zeldzaam
gevonden
is
.
Argyropelecus
cocco
.
Corpus
compressum
,
altum
,
nodum
,
cauda
attenuata
.
Dentes
maxillares
subulati
,
inaequales
,
unico
ordine
.
Membrana
branchiostega
radiis
9
.
Sp
.
Argyropelecus
hemigymnus
cocco
,
C.
L.
BONAP
.
Faun
.
Ital
,
III
,
Tab
.
121
,
fig
.
3.
Cov
.
R.
ani
,
ed
.
ill
.
,
Poiss
.
Pl
.
103
,
fig
.
3
.
met
zilverkleurige
ronde
vlekjes
langs
den
buik
,
1
}
duim
lang
,
in
de
Middell
.
zee
;
—
Argyropelecus
Olfersii
valeNC
.
,
Sternoptyx
Ol
fersii
cov
.
R.
ani
.
,
sec
.
édit
.
Pl
.
13
,
fig
.
2
;
uit
den
Atlantischen
Oceaan
bij
de
Canarische
eilanden
en
digt
bij
de
Kaap
de
Goede
Hoop
gevonden
,
van
welke
laatste
localiteit
ook
het
Museum
te
Lei
den
voorwerpen
dezer
soort
ontving
.
Gonostoma
Rafin
.
,
VALENC
.
Gonostomus
cocco
.
Ossa
inter
maxillaria
brevia
,
supramaxillaribus
ossibus
praesertim
mar
ginem
superiorem
oris
efficientibus
.
Dentes
maxillares
unico
ordine
,
aculi
,
conici
plerisque
minimi
,
paucis
magnis
interpositis
.
Dentes
palatini
parvi
,
acuti
conferti
.
Membrana
branchiostega
radiis
14.
Pinna
dorsi
prima
remola
,
supra
pindae
analis
longae
initium
posita
.
Squamae
mediocres
,
deciduae
.
9
9
Gonostoma
denudatu
(
of
beter
Gonostomus
acanthurus
cocco
)
C.
L.
BONAPARTE
Faun
.
lial
.
III
,
Tab
.
119
,
fig
. 1
,
Middell
.
zee
.
Chauliodus
BLOCH
,
scun
.
Caput
magnum
,
ante
oculos
breve
,
oris
rictu
maximo
.
Dentes
maxillares
serie
unica
,
conici
,
acuti
,
anteriores
longi
,
exserti
.
Dentes
palatini
remoti
,
aculi
,
ordine
unico
.
Pinna
dorsalis
anterior
capiti
admola
,
ab
altera
longo
intervallo
remota
.
Squamae
magnae
,
te
nues
,
deciduae
.
Membrana
branchiostega
radiis
17
.
Sp
.
Chauliodus
Sloani
Bloco
Syst
.
Ichth
.
Tab
.
85
,
Chauliodus
selinotus
Bonap
.
Faun
.
llal
.
III
,
Pl
.
123
,
fig
.
2
,
Middell
.
zec
.
b
)
Ossa
intermaxillaria
longa
,
juxta
supramaxillaria
ossa
descendentin
,
marginem
superiorem
oris
efformantia
.
Scopelus
cov
.
Dentes
maxillares
parvi
,
numerosi
,
serie
bus
pluribus
;
dentes
palatini
minimi
,
lingua
glabra
.
Oris
309
CL
.
XIV
.
PISCES
.
riclus
magnus
.
Membrana
branchiostega
radiis
9.
Squamae
saepe
deciduae
.
Sp
.
Scopelus
Humboldtii
cuv
.
,
Gasteropelecus
Humboldti
Risso
,
Ichthyol
.
de
Nice
1810
,
Pl
.
X
,
fig
.
38.
S
:
opelus
Benoisti
BONAP
.
Faun
.
Ital
.
III
,
Tab
.
119
,
fig
.
4
,
Middell
.
zee
;
Scopelus
borealis
NILSSON
,
ström
Skrivter
af
Naturhistorie
-
Selskabet
II
,
2
,
1793
,
Tab
.
I
,
fig
.
2
van
de
Noorweegsche
kust
enz
.
Het
zijn
allen
kleine
vischjes
,
met
zilverkleurige
stipjes
langs
de
zijden
en
onder
aan
den
buik
.
Tot
dit
geslacht
moet
men
Lampanyclus
,
Ichthyocorus van
C.
L.
BONAPARTE
,
Maurolicus
cocco
,
BONAP
. ,
en
Myclophum
RAFIN
.
,
BONAP
.
terugbrengen
.
Tot
Maurolicus
,
welk
geslacht
J.
MOLLER
wil
behou
den
,
brengt
deze
schrijver
den
Scopelus
borealis
,
dien
wij
boven
vermeld
hebben
.
Odontostomus
Cocco
.
Dentes
superiores
in
osse
inter
maxillari
parvi
,
recurvi
,
dentes
inferiores
elongati
,
acumi
nati
,
mobiles
.
Palatum
dentibus
longis
armatum
.
Membrana
branchiostega
radiis
8
.
Sp
.
Odontostomus
hyalinus
cocco
,
BONAP
.
Faun
.
Ital
.
III
,
Pl
.
120
,
fig
.
6
;
deze
soort
schijnt
geene
schubben
te
bezitten
;
zij
wordt
5 "
groot
en
leeft
in
de
Middell
.
zee
.
Saurus
cuv
.
(
et
Saurida
VALENC
.
)
Dentes
subulati
,
con
ſerti
in
maxillis
,
ordinibus
pluribus
,
interni
longiores
;
den
tes
acuti
,
numerosi
in
lingua
et
palalo
.
Membrana bran
chiostega
radiis
16
,
aut
pluribus
.
(
* )
Sp
.
Saurus
foetens
VALENC
.
,
Salmo
foetens
L.
,
Encycl
.
méth
. ,
Poiss
.
Pl
.
70
,
fig
.
285
(
copie
van
de
figuur
van
CATESBI
)
;
-
Sau
rida
nebulosa
VALENC
.
,
Poiss
.
XXII
,
Pl
.
643
etc.
Aulopus
cuv
.
Dentes
parvi
,
acuti
in
maxillis
,
palato
,
osse
vomeris
et
lingua
.
Pinnae
ventrales
ſere
sub
pectoralibus
positae
.
Squamae
magnae
.
Oculi
magni
.
Membrana
bran
chiostega
radiis
10–16
.
a
)
Membrana
branchiostega
radiis
16
.
Sp
.
Aulopus
filamentosus
,
Salmo
filamentosus
ELOCI
,
Schriften
der
Gesellsch
.
naturf
.
Freunde
zu
Berlin
X
,
1792
,
S.
424
,
Tab
.
IX
,
fig
.
2
,
BONAP
.
Faun
.
Ital
.
III
,
Tab
.
121
,
fig
.
1
;
bij
bet
mannetje
(
*
)
Het
buitengewoon
groot aantal
van
25
kieuwstralen
heeft
valen
.
Ciennes
bij
Saurus
Ophiodon
gevonden
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
303
zijn
3
stralen
van
de
rugvin
zeer
verlengd
;
de
rand
der
schubben
is
met
fijne
stekels
als
behaard
.
In
de
Middell
.
zee
.
b
)
Membrana
branchiostega
radiis
10
.
Sp
.
Aulopus
Agassizi
VALENC
.
,
Chlorophthalmus
Agassizi
BONAP
.
Fauna
Ital
.
III
,
Tab
.
121
,
fig
.
2
;
mede
in
de
Middell
.
Zee
.
Paralepis
cov
.
,
RISSO
.
Dentes
minimi
in
osse
inter
maxillari
,
dentes
maxillae
inferioris et palati
subulati
,
acuminati
,
majores
,
interpositis
minoribus
,
Membrana
bran
chiostega
radiis
7.
Pinna
dorsi
prima
remota
.
Corpus
elon
gatum
,
squamosum
.
Sp
.
Paralepis
coregonoides
Risso
,
cv
,
et
val
.
Poiss
.
III
,
PL
.
67
,
GUÉRIN
Iconogr
. ,
Poiss
.
Pl
.
X
,
fig
.
3
,
van
de
Middell
.
zee
.
Hiermede
is
zeer
verwant
Paralepis
borealis
REINI
.
,
Köngl
.
Danske
Videns
kabernes
Selskabs
Afhandl
.
VII
,
1838
,
p
.
115
,
125
,
126
,
van
Groenland
en
IJsland
.
Risso
bragt
dit
vischgeslacht
eerst
bij
de
Sal
moniden
,
CCVIER
later
bij
de
Acanthopterygii
digt
bij
Sphyraena
;
REINHARDT
wees
het
wederom
cene
plaats
onder
de
malacopterygii
aan
;
zie
het
vijfde
deel
der
aangehaalde
natuurkundige
verhandelin
lingen
van
het
Koninklijk
Gezelschap
te
Koppenhagen
1832
,
S.
LXXV
,
LXXVI
.
Sudis
RAFINESQUE
,
BONAP
.
,
MÜLL
.
(
nec
cuv
.
)
Palatum
ca
rina
serrata
,
edentulum
.
Dentes
inferiores
plani
.
Sp
.
Paralepis
hyalinus
cuv
.
Sudis
hyalina
Rafin
.
,
Bonap
.
Faun
.
Ital
.
III
,
Tab
.
124
,
fig
.
1
;
de
schubben
,
behalve
die
van de
zijlinie
,
vallen
ligt
af
;
de
rugvin
staat
vóór
de
buikvinnen
.
Het
verhemelte
zou
geene
tanden
hebben
,
maar
gezaagd
zijn
.
In
de
Middell
.
zee
.
Familia
XVII
.
(
CCXVI
.
)
Salmonacei
.
Corpus
squamo
sum
,
squainis
interdum
deciduis
.
Pipna
altera
dorsalis
adi
posa
.
Oris
margo
superior
ad
latera
ossibus
supramaxilla
ribus
efformatus
.
Membrana
branchiostega
radiis
6-15
(
plerumque
10--12
) .
Pseudobranchiae
pectinatae
.
Vesica
natatoria
simplex
.
Ovaria
absque
oviduclu
,
ovis
ex
ovariis
in
abdominis
cavum
delabentibus
.
Argentina
L.
(
pro
parte
)
.
Dentes
in
lingua
et
vomere
;
in
maxillis
nulli
,
Membrana
branchiostega
radiis
6.
Squa
mac
deciduae
.
Sp
.
Argentina
sphyraena
l
.
(
deleatur
citatio
GRONOVII
)
,
RONDELET
de
Piscib
,
mar
.
p
.
227
,
la
petite
sphyrène
;
BRUNNICA
Ichthyol
.
.
)
304
CL
.
XIV
.
PISCES
.
Massiliensis
,
Hafniae
1768
,
p
.
79
,
80
,
GOUAN
Histor
.
Pisc
.
p
.
197
,
198
,
COVIER
,
Mém
.
du
Mus
.
I
,
1818
,
p
.
228—236
,
Pl
.
XI
,
fig
.
1
;
in
de
Middell
.
zee
;
wordt
slechts
8
of 10
"
lang
;
maag
donker
zwart
;
zwemblaas
glinsterend
zilverkleurig
.
Bronnica
heeft
het
eerst
de
verwantschap
van
dit
vischje
met
de
zalmen
ingezien
.
Salmo
L.
(
exclusis
Characinis
) .
Dentes
in
maxillis
,
pa
lato
,
osse
vomeris
et
lingua
in
plerisque
,
in
aliis
deutes
nulli
.
Membrana
branchiostega
radiis
7-15
.
Corpus
squa
mosum
.
Een
talrijk
geslacht
van
visschen
,
vooral
in
het
Noordelijke
Eu
ropa
(
*
)
.
Men
kan
hier
de
volgende
ondergeslachten
aan
nemen
:
Coregonus
cuv
.
Dentes
nulli
.
Membrana
branchiostega
radiis
7--9
.
Corpus
elongatum
,
capite
acuminalo
.
Squamae
mediocres
.
Pinna
caudalis
furcata
.
Sp
.
Salmo
oxyrhynchus
L.
t
,
Bloch
Ichth
.
Tab
.
25
(
onder
den
naam
van
Salmo
Lavaretus
)
.
cov
.
et
val
.
Poiss
.
XXI
,
PI
.
630
;
de
kop
eindigt
in
eenen
spitsen
,
voor
den
mond
verlengden
snoet
.
Deze
vischi
,
bij
ons
louting
genoemd
,
wordt
in
het
Noorden
gevonden
,
en
komt
in
Maart
en
April
dikwerf
voor
in
de
monden
onzer
rivie
ren
;
de
buikvinnen
beginnen
achter
het
midden
der
rugvin
;
in
het
kieuwvlies
zijn
7
stralen
.
Salmo
Lavaretus
cuv
.
,
Salmo
Wartmanni
BLOC
Ichth
.
Tab
.
105
,
cov
.
et
val
.
Poiss
.
XXI
,
Pl
.
627
;
8
stralen
in
het
kieuwvlies
;
de
kop
is
niet
boven
den
mond
verlengd
;
uit
de
meren
van
Zwitser
.
land
.
(
Salmo
Lavaretus
l
.
is
eene
vereeniging
van
verschillende
soorten
).
Coregonus
Willug
bii
JARDINE
,
YARRELL
Brit
.
Fish
,
JI
,
p
.
89
;
in
meren
van
het
zuiden
van
Schotland
(
Dumfries
);
deze
visch
schijnt
zich
vooral
van
kleine
zoetwater
-
schaaldieren
,
watervlooijen
enz
.
(
+
)
te
voeden
.
Thymallus
cuv
.
Dentes
brevissimi
,
conici
,
unico
ordine
in
maxillis
;
palatum
dentibus
minimis
,
paucis
instructum
.
Lingua
glabra
.
Pinna
dorsi
longa
,
alta
.
Pinna
caudalis
ſur
•
cata
.
Membrana
branchiostega
radiis
8--10
.
Sp
.
Salmo
Thymallus
L.
,
Bloco
Ichth
.
Tab
.
24
(
waarschijnlijk
Thymallus
gymnothorax
val
.
,
cov
.
et
val
.
Poiss
.
Pl
.
625
)
enz
.
(
* )
Vergelijk
Sir
William
JARDINE
,
Natur
.
History
and
Illustrations
of
the
Scotish
Salmonidae
,
folio
,
1841
en
verv
.
(
+
)
Cyclops
,
zic
boven
1
,
blz
.
732
,
Daphnia
blz
.
739
enz
.
CL
.
XIV
.
PISCES
.
505
7
Bij
deze
visschen
heeft
de
rugvin
20
of
meer
stralen
,
terwijl
er
on
geveer
15
zijn
bij
de
soorten
van
het
vorige
ondergeslacht
.
Mallotus
cuv
.
Dentes
brevissimi
,
conici
in
palato
et
maxillis
,
paulo
longiores
in
lingua
.
Pinnae
pectorales
magnae
.
Pinna
dorsalis
supra
ventrales
posita
.
Pinna
cau
dalis
furcata
.
Membrana
branchiostega
radiis
8.
Squamae
parvae
.
Sp
.
Sulmo
arcticus
O.
FABR
.
,
Clupea
villosa
GMEL
.
,
Salmo
groen
landicus
Bloco
Ichth
.
Tab
.
381
,
fig .
1
,
cov
.
et
Val
.
Poiss
.
Pl
.
622
;
bij
het
mannetje
zijn
langs
de
zijstreep
lange
,
smalle
schubben
,
die
digt
bijeen
staan
en
door
hare
weekheid
naar
vilt
gelijken
.
Men
vindt
somtijds
op
het
strand
van
Groenland
deze
visschen
,
als
moderne
versteeningen
,
in
eene
kleiachtige
aarde
ingesloten
.
Zie
de
afbeeldin
gen
bij
Agassiz
Poiss
.
foss
.
V
,
Pl
.
60. Vergel
.
ald
.
V
,
2
,
p
.
98—100
,
Mallotus
villosus
.
Osmerus
artedi
(
pro
parte
)
,
cuv
.
Dentes
in
maxillis
par
vi
,
incurvi
,
conici
,
crassi
in
osse
vomeris
et
lingua
,
conici
,
duplici
ordine
in
palato
.
Membrana
branchiostega
radiis
8.
Pinna
caudalis
furcata
.
Salmo
Eperlanus
L.
t
,
Bloco
Ichth
.
Tab
.
28
,
fig
.
2
,
cov
.
et
val
.
Poiss
.
XXI
,
Pl
.
620
;
de
spiering
,
een
bij
ons
in de
monden
der
rivieren
overvloedig
voorkomend
vischje
.
Salmo
cuv
.
(
Salar
,
Fario
,
Salmo
valeNC
.
)
Dentes
conici
,
unico
ordine
in
maxillis
;
dentes
in
osse
vomeris
,
in
palato
et
lingua
.
Membrana
branchiostega
radiis
plerumque
10
aut
11
(
rarius
9
aut
12
)
.
Piona
caudalis
truncata
aut
po
blice
concava
,
emarginata
.
Salmo
Furio
l
.
,
BLOCI
Ichth
.
Tab
.
22
,
Salor
Ausonii val
.
,
COV
.
et
val
.
Poiss
.
XXI
,
Pl
.
618
;
de
forel
;
in
kleine
,
snelstroomende
beekjes
.
Salmo
Salar
1.
t
,
Bloco
Ichth
.
Tab
,
20
,
Salmo
Salmo
VALENC
.
,
cov
.
et
val
.
Poiss
.
XXI
,
Pl
.
614
;
de
salm
,
le
Saumon
,
the
Sau
mon
,
der
Lachs
;
11
breede
kieuwstralen
,
de
rug
donker
blaauw
,
met
zwart
-
bruine
,
ronde
vlekken
,
welke
,
na
eenig
verblijf
in
zoet
Water
,
worden
uitgewischt
.
Deze
is
de
grootste
soort
van
dit
geslacht
,
die
3
'
lang
kan worden
;
men
heeft
er
somtijds
gevangen
welke
50
oude
ponden
wogen
.
Deze
visch
leeft
'
s
winters
in
zee
,
nadat
hij
de
kuit
in
zoetwater
geschoten
heeft
.
De
eijeren
blijven
omstreeks
100
dagen
of
langer
liggen
,
voordat
zij
(
in
het
voorjaar
)
uitkomen
.
In
de
Niddell
.
ice
vindt
men
deze
soort
niet
;
zij
is
vooral
talrijk
in
II
.
20
[Document text truncated for crawler view.]